Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Besluit om tuchtprocedure niet voort te zetten ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Tuchtregeling ° Tuchtmaatregel ° Beoordelingsbevoegdheid van tot aanstelling bevoegd gezag ° Advies van tuchtraad ° Draagwijdte ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 86, lid 2)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ° Zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van beroep tot nietigverklaring ° Grenzen ° Precontentieuze procedure verschillend naar gelang wel of geen bezwarend besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
1. Het besluit waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag besluit een tuchtprocedure niet voort te zetten, is niet, in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, een besluit dat bezwarend is voor de ambtenaar tegen wie de procedure is ingeleid, aangezien het dispositief van een dergelijk besluit de rechtspositie van die ambtenaar niet kan wijzigen.
2. Ingevolge zijn bevoegdheden op tuchtrechtelijk gebied kan het tot aanstelling bevoegd gezag enkel een van de in artikel 86, lid 2, van het Statuut genoemde maatregelen nemen of de tuchtprocedure zonder een dergelijke maatregel afsluiten, ongeacht de inhoud van het advies van de tuchtraad, dat hoe dan ook het tot aanstelling bevoegd gezag niet bindt.
3. Wat de beoordeling, in het kader van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, van de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding betreft, moeten twee gevallen worden onderscheiden. Wanneer de vordering tot schadevergoeding nauw met een beroep tot nietigverklaring samenhangt, brengt de niet-ontvankelijkheid van dit laatste die van het beroep tot schadevergoeding mee. Bij ontbreken van een nauwe samenhang tussen de twee beroepen, wordt de ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding onafhankelijk van die van het beroep tot nietigverklaring beoordeeld en hangt zij met name af van het regelmatige verloop van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut geregelde precontentieuze procedure.
In dit verband staat het aan de betrokkene om, indien het beroep tot schadevergoeding ertoe strekt, uit een bezwarend besluit voortvloeiende schade te vergoeden, binnen de termijnen een voorafgaande administratieve klacht tegen dit besluit in te dienen en vervolgens, binnen een termijn van drie maanden vanaf de afwijzing van die klacht, een beroep in te stellen. Vloeit de gestelde schade daarentegen voort uit gedragingen die, aangezien zij geen rechtsgevolgen hebben, niet als bezwarende besluiten kunnen worden aangemerkt, dan moet de precontentieuze procedure met de indiening van een verzoek om schadeloosstelling beginnen. Pas de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van dat verzoek is een bezwarend besluit waartegen een klacht kan worden ingediend, en eerst na de totstandkoming van een besluit waarbij die klacht uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt afgewezen, kan bij het Gerecht een beroep tot schadevergoeding worden ingesteld.
Partijen
In zaak T-8/92,
T. Di Rocco, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, wonende te Kraainem (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
te wiens ondersteuning een verzoek tot interventie is ingediend door:
Union Syndicale-Bruxelles, vertegenwoordigd door G. Collin, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster tot interventie,
tegen
Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Bermejo Garde als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, lid van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Economisch en Sociaal Comité van 21 juni 1991 om de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure niet voort te zetten, en tot veroordeling van het Economisch en Sociaal Comité om aan verzoeker het bedrag van één ecu te betalen ter vergoeding van zijn immateriële schade,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, R. Schintgen en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten, het procesverloop en de conclusies
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 februari 1992, heeft verzoeker, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC"), beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het ESC van 21 juni 1991 om de op 6 november 1990 tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure niet voort te zetten ° zulks op grond dat hij door dit besluit "niet in zijn rechten is hersteld" ° en het ESC te veroordelen tot betaling van het bedrag van één ecu ter vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden.
2 De feiten die aan het beroep ten grondslag liggen, gaan terug tot 20 september 1990, toen na afloop van een cocktailparty in de lokalen van het ESC incidenten tussen bepaalde ambtenaren het optreden van de politie noodzakelijk maakten. Bij de daaropvolgende arrestatie van een ambtenaar van het ESC raakte verzoeker in een woordenwisseling gewikkeld met een politieman in burger, naar wie hij een gebaar maakte. Deze zaak gaf aanleiding tot de opening van een vooronderzoek door het parket te Brussel.
3 Een op 6 november 1990 door de directeur Administratie en personeelszaken van het ESC opgemaakt onderzoeksrapport stelde verzoeker verantwoordelijk, omdat hij een handgebaar in de richting van de betrokken politieman had gemaakt. Bij besluit van dezelfde dag, aangevuld met een nota van 7 januari 1991, leidde de secretaris-generaal van het ESC tegen hem en drie andere ambtenaren van het ESC een tuchtprocedure in. Volgens die nota, waarbij de zaak aan de tuchtraad werd voorgelegd, zou verzoeker zich onbehoorlijk hebben gedragen en een vergrijp tegen de tucht hebben gepleegd, op basis van de artikelen 12, 86 en 87 Ambtenarenstatuut.
4 Op 6 maart 1991 bracht de tuchtraad zijn advies uit, waarin hij concludeerde dat verzoeker, ofschoon hij had erkend dat hij in de richting van een politieman een gebaar had gemaakt, zich niet onbehoorlijk had gedragen en geen vergrijp tegen de tucht had gepleegd. Dit advies van de tuchtraad berustte op de overweging, enerzijds, dat het gebaar van verzoeker in de richting van de politieman niet opzettelijk was geweest en, anderzijds, dat verzoeker tussenbeide was gekomen in een context die werd gekenmerkt door een vrij agressieve houding van de betrokken politieman. Bovendien zou verzoeker, die een collega hulp en bijstand zou hebben willen bieden, de gemoederen tot bedaren hebben willen brengen en erger hebben willen voorkomen. Ten slotte hield de tuchtraad rekening met het feit, dat het parket tot dan toe tegen verzoeker geen onderzoek had ingesteld. Om deze redenen en voorts overwegende dat verzoeker reeds was bestraft aangezien een besluit om hem niet te bevorderen zou zijn gerechtvaardigd door een verwijzing naar de aanhangige tuchtprocedure, kwam de tuchtraad tot de conclusie dat verzoeker niet verdiende te worden bestraft, maar eerder moest worden gefeliciteerd voor de positieve rol die hij had gespeeld.
5 Bij brief van 20 maart 1991 wendde verzoeker zich tot de secretaris-generaal van het ESC met het verzoek, na het advies van de tuchtraad het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 1 oktober 1990 te herzien, waarbij zijn sollicitatie naar een ambt in de rang D 1 was afgewezen en dat volgens hem gebaseerd was geweest op de "recente gebeurtenissen" op grond waarvan de tuchtprocedure tegen hem was ingeleid.
6 Op 2 mei 1991 deelde de directeur Administratie en personeelszaken van het ESC verzoeker mee, dat het Belgische Ministerie van Buitenlandse zaken, waarmee hij na het advies van de tuchtraad in contact was getreden, hem had meegedeeld dat een beslissing over het door de Belgische gerechtelijke autoriteiten aan de zaak te geven gevolg begin mei werd verwacht, en dat de secretaris-generaal in die omstandigheden zijn eigen beslissing over de afloop van de tuchtprocedure aanhield.
7 Bij brief van 6 mei 1991 aan verzoeker bevestigde de secretaris-generaal van het ESC die verklaringen en preciseerde hij voorts, dat het op 1 oktober 1990 genomen besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie was gemotiveerd door de resultaten van een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten. Naar de gebeurtenissen die aan de tuchtprocedure ten grondslag lagen, zou slechts verwezen zijn in een vertrouwelijke interne nota van 28 september 1990, die niet het karakter van een besluit had en geen definitief standpunt inhield.
8 Bij brief van 16 mei 1991 verzocht verzoeker het ESC, hem technische en financiële hulp en bijstand te bieden om hem in staat te stellen doeltreffend de verdediging van zijn belangen te verzekeren. Voor dit verzoek baseerde verzoeker zich enerzijds op de zorgplicht van de instellingen jegens hun ambtenaren en anderzijds op het advies van de tuchtraad, die had vastgesteld dat hij moest worden gefeliciteerd voor zijn rol in de litigieuze zaak. In dezelfde brief deelde verzoeker mee, dat hij elke eventueel tegen hem te nemen tuchtmaatregel als onwettig zou beschouwen. Hij verklaarde dienaangaande, dat nu de tuchtraad niet had besloten de zaak aan te houden tot na een strafrechtelijke beslissing, maar op 6 maart 1991 een advies had uitgebracht, het tot aanstelling bevoegd gezag vanaf die datum slechts over een termijn van een maand had kunnen beschikken om zijn eigen besluit te nemen, overeenkomstig artikel 7, vierde alinea, van bijlage IX bij het Statuut. Daar die termijn op 6 april 1991 was verstreken, kon het tot aanstelling bevoegd gezag volgens verzoeker niet meer besluiten hem een tuchtmaatregel op te leggen.
9 Op 31 mei 1991 deelde de secretaris-generaal van het ESC verzoeker mee, dat de procureur des konings bij het parket te Brussel had besloten het hem betreffende dossier te seponeren, en dat hij in die omstandigheden de door de tuchtraad in zijn advies van 6 maart 1991 voorgestelde conclusie zou volgen.
10 Op 21 juni 1991 nam de secretaris-generaal van het ESC het navolgende besluit:
"De secretaris-generaal
(...)
Gezien het met redenen omklede advies van de tuchtraad van 6 maart 1991,
(...)
overwegende dat uit de gehele tuchtprocedure blijkt, dat T. Di Rocco in zijn verplichtingen als ambtenaar niet te kort is geschoten,
overwegende daarenboven dat de procureur des konings bij het parket te Brussel in mei heeft besloten het na de gebeurtenissen van 20 september 1990 tegen betrokkene geopende dossier te seponeren,
(...)
Besluit
De tegen T. Di Rocco ingeleide tuchtprocedure wordt niet voortgezet."
11 Het besluit van 21 juni 1991 werd op 1 juli daaraanvolgend ter kennis van verzoeker gebracht.
12 Na bij brieven van 5 juli en 29 augustus 1991 de secretaris-generaal van het ESC te hebben meegedeeld dat hij voornemens was een precontentieuze en gerechtelijke procedure in te leiden, diende verzoeker op 1 oktober 1991 een klacht in zowel langs de hiërarchieke weg als rechtstreeks bij de secretaris-generaal van het ESC, per fax en bij op 4 oktober 1991 bij het secretariaat van het ESC ingeschreven gewone brief. In zijn klacht verweet verzoeker het tot aanstelling bevoegd gezag, met het besluit van 21 juni 1991 te kort te zijn geschoten in zijn zorgplicht jegens zijn ambtenaren, en verzocht hij het dat besluit in te trekken en te vervangen door een ander dat, met inachtneming van de zorgplicht, zijn rechten zou vrijwaren.
13 Ter motivering van zijn klacht voerde verzoeker aan, dat in het besluit van 21 juni 1991 niet was gewezen op de positieve rol die hij bij de gebeurtenissen van 20 september 1990 had gespeeld, noch op het onrechtvaardige karakter van de inleiding van een tuchtprocedure tegen hem. Volgens verzoeker was dit besluit voor hem nog te meer bezwarend, omdat noch in het dispositief noch in de considerans ervan gewag werd gemaakt van de conclusie waartoe de tuchtraad in zijn advies was gekomen, namelijk dat hij een felicitatie verdiende, en dit terwijl het advies niet in zijn persoonsdossier zou worden opgenomen.
14 Op 4 november 1991 wees de secretaris-generaal van het ESC de klacht van verzoeker af, op grond dat zij tardief was nu zij bij het ESC was ontvangen en ingeschreven op 4 oktober 1991, dat wil zeggen na afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde termijn van drie maanden.
15 In die omstandigheden heeft verzoeker bij op 5 februari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
16 Bij memorie van 9 april 1992 heeft het ESC krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht daarover uitspraak te doen zonder op de zaak ten gronde in te gaan. Verzoeker heeft bij op 12 juni 1992 neergelegde memorie zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
17 Bij memorie van 17 april 1992 heeft de Union Syndicale-Bruxelles krachtens artikel 115 e.v. van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoeker.
18 Bij memories van 7 mei en 11 mei 1992 hebben verzoeker respectievelijk het ESC hun opmerkingen over het verzoek tot interventie van de Union Syndicale-Bruxelles ingediend.
19 In de procedure over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert het ESC dat het het Gerecht behage:
° de exceptie van niet-ontvankelijkheid te aanvaarden zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan;
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoeker overeenkomstig de artikelen 87, lid 2, en 88 van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
20 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen en het beroep ontvankelijk te verklaren; dienovereenkomstig een termijn voor het indienen van een verweerschrift vast te stellen;
° subsidiair, de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen.
21 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geschiedt de verdere behandeling van de opgeworpen exceptie mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht (Vijfde kamer) is van oordeel, dat het in deze zaak voldoende is ingelicht door het onderzoek van de stukken en dat er geen termen zijn om tot de mondelinge behandeling over te gaan.
De ontvankelijkheid
° De vordering tot nietigverklaring
Argumenten van partijen
22 Het ESC betoogt, dat verzoeker in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk is, daar het besluit van 21 juni 1991 voor hem niet bezwarend kan zijn en hij dus geen procesbelang heeft.
23 Het ESC beklemtoont, dat de opneming van het bestreden besluit in verzoekers persoonsdossier hem geen schade kan toebrengen, aangezien de beslissing om de tegen hem ingeleide tuchtprocedure niet voort te zetten, uitdrukkelijk aldus wordt gemotiveerd, dat enerzijds uit deze procedure is gebleken dat verzoeker "in zijn verplichtingen als ambtenaar niet te kort is geschoten", en dat anderzijds ook het parket te Brussel heeft besloten, het na de gebeurtenissen van 20 september 1990 tegen hem geopende dossier te seponeren.
24 Volgens het ESC komt de door verzoeker tegen het tot aanstelling bevoegd gezag aangevoerde grief, in zijn besluit van 21 juni 1991 het advies van de tuchtraad om hem te feliciteren, niet te hebben gevolgd, erop neer, dat hij het tot aanstelling bevoegd gezag verwijt, te hebben nagelaten hem te feliciteren. Dienaangaande betoogt het ESC, dat de adviezen van de tuchtraad niet bindend zijn voor het tot aanstelling bevoegd gezag, dat bovendien slechts bevoegd is om ambtenaren tegen wie een tuchtprocedure is ingeleid, al dan niet te bestraffen, maar niet om hen te feliciteren.
25 Ten slotte merkt het ESC op, dat verzoeker het niet kan verwijten, in het bestreden besluit niet het beweerde ongerechtvaardigd karakter van de inleiding van een tuchtprocedure in het licht te hebben gesteld. Voor de tuchtraad heeft verzoeker immers zelf toegegeven, dat hij bij de gebeurtenissen van 20 september 1990 inderdaad een gebaar naar een politieman had gemaakt, en het staat vast, dat zijn gedrag aanleiding heeft gegeven tot een vooronderzoek door het parket te Brussel.
26 Verzoeker betoogt in wezen, dat het bestreden besluit hem niet in zijn rechten, zijn eer en zijn waardigheid herstelt. Door zich ertoe te beperken, de tegen hem ingeleide tuchtprocedure te sluiten zonder het advies van de tuchtraad inzake de hem toekomende felicitaties te volgen, is het tot aanstelling bevoegd gezag zijns inziens te kort geschoten in zijn zorgplicht en heeft het niet de schade vergoed die hem is toegebracht door de inleiding van een tuchtprocedure waarvan het ongerechtvaardigd karakter blijkt uit het seponeren van het dossier door het parket te Brussel en uit de voor de tuchtraad afgelegde getuigenverklaringen. Doordat in het besluit van 21 juni 1991 niet het advies is gevolgd van de tuchtraad, die had vastgesteld dat het tot aanstelling bevoegd gezag een weigering hem te bevorderen had gerechtvaardigd door te verwijzen naar de tegen hem aanhangige tuchtprocedure, vormt het in feite een onwettige, want niet uitdrukkelijk in artikel 86, lid 2, van het Statuut voorziene tuchtmaatregel. Verzoeker is dus van mening, dat het bestreden besluit voor hem bezwarend is en moet worden nietigverklaard.
Beoordeling rechtens
27 Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht (zie laatstelijk arrest Gerecht van 17 september 1992, zaak T-138/89, NBV en NVB, Jurispr. 1992, blz. II-2181, r.o. 31 en 32) kan het beroep tot nietigverklaring slechts worden ingesteld tegen een bezwarende handeling, dat wil zeggen tegen een handeling die een bepaalde rechtspositie kan aantasten, en kan alleen het dispositief van een dergelijke handeling rechtsgevolgen hebben en derhalve bezwarend zijn. In casu blijkt uit het dispositief van het bestreden besluit, dat de secretaris-generaal van het ESC heeft besloten, de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure niet voort te zetten, dat wil zeggen hem geen tuchtmaatregel op te leggen. Het dispositief van het bestreden besluit wijzigt dus verzoekers rechtspositie niet en is derhalve niet bezwarend voor hem. Bijgevolg heeft verzoeker er geen belang bij, de wettigheid van de bestreden handeling uit dit oogpunt te betwisten.
28 Verder blijkt uit artikel 86 van het Statuut, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ingevolge zijn bevoegdheden op tuchtrechtelijk gebied enkel een van de in lid 2 van dat artikel genoemde maatregelen kan nemen of de tuchtprocedure zonder een dergelijke maatregel kan afsluiten, ongeacht de inhoud van het advies van de tuchtraad, dat hoe dan ook het tot aanstelling bevoegd gezag niet bindt. Dus ook al is de tuchtraad in zijn advies in de tegen hem ingeleide procedure tot de conclusie gekomen, dat hij een felicitatie verdiende, verzoeker kon niet verwachten, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het besluit waarmee het de tuchtprocedure afsloot, de tuchtraad op dit punt zou volgen. Bijgevolg kan verzoeker zich ten bewijze van het bestaan van een bezwarend besluit niet beroepen op het feit, dat het tot aanstelling bevoegd gezag hem in het bestreden besluit niet heeft gefeliciteerd.
29 Het Gerecht stelt voorts vast, dat de considerans van het bestreden besluit evenmin als het daarop berustende dispositief gegevens bevat die aannemelijk maken, dat verzoeker er belang bij heeft, de wettigheid van dat besluit te betwisten. Behalve een verwijzing naar het advies van de tuchtraad van 6 maart 1991 bevat de considerans van het besluit de uitdrukkelijke vaststelling, enerzijds, dat uit de gehele tuchtprocedure blijkt, dat verzoeker in zijn verplichtingen als ambtenaar niet te kort is geschoten, en anderzijds, dat het parket te Brussel het hem betreffende dossier heeft geseponeerd.
30 Behalve het bestreden besluit van 21 juni 1991 betwist verzoeker ook de wettigheid van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om tegen hem een tuchtprocedure in te leiden; dit zou namelijk volstrekt ongerechtvaardigd zijn geweest. Voor zover de gestelde onwettigheid van dit besluit moet worden onderzocht als een aan de onwettigheid van een voorbereidende handeling ontleend middel, dat wordt aangevoerd tot staving van de vordering tot nietigverklaring van het latere definitieve besluit van 21 juni 1991, zij erop gewezen, dat de ontvankelijkheid van een dergelijk middel afhangt van de ontvankelijkheid van het beroep tegen het bestreden besluit. Waar verzoeker geen belang heeft bij zijn actie tegen het besluit van 21 juni 1991 waarbij de tegen hem ingeleide tuchtprocedure is gesloten, is hij niet-ontvankelijk in zijn beroep op onwettigheid van het besluit tot inleiding van die procedure. Zou die onwettigheid echter onderzocht moeten worden als een middel tot staving van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om een tuchtprocedure in te leiden, voor zover dat besluit eventueel een bezwarend en dus voor beroep vatbaar besluit zou kunnen zijn, dan moet eraan worden herinnerd, dat ambtenaren jegens wie een dergelijk besluit is genomen, de wettigheid ervan slechts in rechte kunnen betwisten indien zij tevoren de in artikel 90 van het Statuut bedoelde procedure hebben ingeleid. Het staat echter vast, dat verzoeker geen klacht heeft ingediend tegen het besluit van de secretaris-generaal van het ESC om de litigieuze tuchtprocedure in te leiden. In het kader van het onderhavige beroep kan hij de wettigheid van dat besluit derhalve niet betwisten.
31 In die omstandigheden, en zonder dat het nodig is uitspraak te doen over de regelmatigheid wat vorm en termijn betreft, van de door verzoeker tegen het bestreden besluit ingediende klacht, dient zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit van 21 juni 1991 van de secretaris-generaal van het ESC om de tegen hem ingeleide tuchtprocedure niet voort te zetten, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
° De vordering tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
(omissis)
Beoordeling rechtens
(omissis)
Beslissing inzake de kosten
Kosten
(omissis)
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Over het verzoek tot interventie van de Union Syndicale-Bruxelles behoeft niet te worden beslist.
3) Elk der partijen, alsook verzoekster tot interventie, zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 18 december 1992.
Full & Egal Universal Law Academy