Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevantie - Grenzen
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. Indien in een procedure in kort geding gesteld is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, dient de rechter in kort geding vast te stellen dat op grond van bepaalde elementen voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd.
2. Wanneer de nietigverklaring van bepaalde handelingen van een door een instelling ingeleide procedure de onwettigheid van de hele procedure met zich brengt en de instelling verplicht de procedure opnieuw te beginnen, kan een verzoekster tegen wie deze procedure is ingeleid, zich niet met succes beroepen op ernstige en onherstelbare schade die het gevolg zou zijn van het feit dat deze nietigverklaring zou kunnen afkomen na de vaststelling van de eindbeschikking in de door de instelling ingeleide procedure.
Partijen
In de gevoegde zaken
T-10/92 R,
Cimenteries CBR SA, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door M. Waelbroeck, A. Vandencasteele en D. Waelbroeck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
T-11/92 R,
Blue Circle Industries plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door P. Lasok en V. Rose, Barristers, en G. Child, Solicitor of the Supreme Court, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger & Hoss, advocaten aldaar, Côte d' Eich 15,
T-12/92 R,
Syndicat National des Fabricants de Ciments et de Chaux, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door E. Didier en J.-C. Rivalland, advocaten te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
T-14/92 R,
Eerste Nederlandse Cement-Industrie NV en Vereniging Nederlandse Cementindustrie, gevestigd te 's-Hertogenbosch (Nederland), vertegenwoordigd door M. B. W. Biesheuvel, advocaat te 's Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Frieden, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
en T-15/92 R,
Fédération de l' Industrie Cimentière ASBL, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door H. van Houtte en O. W. Brouwer, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en B. J. Drijber, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende verzoeken om voorlopige maatregelen krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag, strekkende tot schorsing van de door de Commissie in de zaken IV/27.997-CPMA, en IV/33.126 en IV/33.322-Cement, ingeleide procedure tot de uitspraak van het arrest in de zaak ten gronde,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht neergelegd op 12 februari 1992, heeft Cimenteries CBR SA (hierna: "CBR") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 15 januari 1992, waarbij zij weigerde, verschillende documenten over te leggen, waarom CBR had gevraagd met het oog op een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van verweer tegen de mededeling van de punten van bezwaar (hierna: "PvB"), die de Commissie haar in de zaken nrs. IV/27.997-CPMA, en IV/33.126 en IV/33.322-Cement had toegezonden.
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende enerzijds tot schorsing van de door de Commissie ingeleide procedure, hangende het arrest in de hoofdzaak, en anderzijds tot schorsing van deze procedure, zonder de opmerkingen van de Commissie af te wachten, tot de beslissing op het verzoek in kort geding.
3 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht neergelegd op 14 februari 1992, heeft Blue Circle Industries plc (hierna: "Blue Circle") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking of de beschikkingen van de Commissie, waarbij zij heeft geweigerd de PvB integraal aan verzoekster ter kennis te brengen, alsmede haar toegang te geven tot alle relevante stukken van het dossier en de termijn voor het kenbaar maken van haar standpunt ter zake van de PvB heeft gesteld op 24 februari 1992 (of op 28 februari 1992 voor de ondernemingen die hebben toegezegd een memorie van antwoord in twintigvoud neer te leggen).
4 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, enerzijds strekkende tot schorsing van de door de Commissie ingeleide procedure, hangende het arrest in de hoofdzaak, en anderzijds inhoudende dat het Gerecht elke nadere maatregel gelast die het in goede justitie vermeent te behoren, ten einde verzoeksters rechten, hangende het arrest in de procedure in de hoofdzaak, te waarborgen.
5 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 februari 1992, heeft het Syndicat National des Fabricants de Ciments et de Chaux (hierna: "SNFCC") krachtens de artikelen 173 en 174 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, belichaamd in haar brieven van achtereenvolgens 23 en 27 december 1991 en 10 januari 1992, waarbij zij haar de toegang tot het dossier heeft geweigerd.
6 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende primair tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie, waarbij de uiterste termijn wordt vastgesteld voor het antwoord van de in de PvB in de zaken nrs. IV/27.997-CPMA, en IV/33.126 en IV/32.322-Cement bedoelde partijen, hangende de uitspraak van het arrest van het Gerecht in de zaak ten gronde; subsidiair tot schorsing van de door de Commissie ingeleide procedure en ten slotte tot onmiddellijke schorsing van de administratieve procedure, zonder de opmerkingen van de Commissie af te wachten, tot de beslissing op het verzoek in kort geding.
7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 februari 1992 hebben de Eerste Nederlandse Cement-Industrie NV (hierna: "ENCI") en de Vereniging Nederlandse Cementindustrie (hierna: "VNC") krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van (één of meerdere van) de beschikkingen van de Commissie van 24 januari 1992, respectievelijk 12 februari 1992, waarbij de Commissie heeft geweigerd:
- de uiterste datum waarop hun standpunt kenbaar moet worden gemaakt op de reeds aan verzoeksters toegestuurde PvB, uit te stellen tot na het verloop van ten minste twee maanden na de toezending van de PvB die de Commissie op het punt staat uit te brengen tegen de "Cement en Beton Stichting"-overeenkomst (hierna: "CBS");
- verzoeksters voor het indienen van hun opmerkingen met betrekking tot de PvB uitstel te verlenen tot 28 maart 1992, en
- nauwkeurig en gedetailleerd de aard en de gronslag aan te geven en te preciseren van de jegens VNC geformuleerde bezwaren.
8 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte hebben verzoeksters tevens een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende enerzijds tot schorsing van de door de Commissie ingeleide procedure tot het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist of de Commissie het recht van verweer eerbiedigt, en anderzijds tot onmiddellijke schorsing van deze procedure, zonder de opmerkingen van de Commissie af te wachten, tot de beslissing op het verzoek in kort geding.
9 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht neergelegd op 17 februari 1992, heeft de Fédération de l' Industrie Cimentière (hierna: "FIC") krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 29 november 1991, 27 januari 1992 en 12 februari 1992, waarbij zij weigerde:
- verzoekster de mogelijkheid te bieden, tegelijkertijd te antwoorden op de PvB die de Commissie haar heeft toegezonden in de zaken nrs. IV/27.997-CPMA, en IV/33.126 en IV/33.322-Cement, en op de PvB die de Commissie haar wil toezenden met betrekking tot de CBS-overeenkomst, en zulks binnen een redelijke termijn van ten minste twee maanden;
- haar duidelijk en volledig te verklaren, welke punten van bezwaar de Commissie jegens haar in aanmerking neemt;
- haar toegang tot alle niet-vertrouwelijke stukken van het dossier te verlenen, en
- haar bepaalde hoofdstukken van de PvB toe te zenden.
10 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende enerzijds tot schorsing van de door de Commissie ingeleide procedure tot het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist of de Commissie het recht van verweer eerbiedigt, en anderzijds tot onmiddellijke schorsing van deze procedure, zonder de opmerkingen van de Commissie af te wachten, tot de beslissing op het verzoek in kort geding.
11 Bij brief van 17 februari 1992 heeft de Commissie verzoeksters meegedeeld, dat de uiterste datum voor het antwoord op de PvB werd uitgesteld tot en met 23 maart 1992 en, bij wijze van uitzondering, tot en met 27 maart 1992 voor de ondernemingen die hebben toegezegd een memorie van antwoord in twintigvoud neer te leggen, waarop verzoeksters ENCI en VNC bij brief van 18 februari 1992 hun verzoek tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie waarbij zij zou hebben geweigerd, voor het indienen van het antwoord op de PvB uitstel te verlenen tot en met 28 maart 1992, hebben ingetrokken.
12 De Commissie heeft op 27 februari 1992 haar schriftelijke opmerkingen over de verzoeken in kort geding ingediend. Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 11 maart 1992.
13 Alvorens de gegrondheid van de bij het Gerecht ingediende verzoeken in kort geding wordt onderzocht, dient in herinnering te worden gebracht, welke de context is van deze zaken en in het bijzonder welke feiten aan de oorsprong liggen van de bij het Gerecht aanhangige gedingen, zoals deze voortvloeien uit de door partijen neergelegde memories en de ter terechtzitting van 11 maart 1992 afgelegde mondelinge verklaringen.
14 Op 25 april 1989 verrichtte de Commissie ambtshalve een aantal verificaties in de kantoren van een twaalftal ondernemingen of ondernemersverenigingen in verschillende Lid-Staten in het kader van een onderzoek naar het bestaan van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de Europese cementindustrie. Ook bij andere ondernemingen of ondernemersverenigingen werden in de daaropvolgende dagen en weken verificaties verricht.
15 Op basis van tijdens deze verificaties vergaarde documenten en van inlichtingen die door de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen zijn verstrekt krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), concludeerde de Commissie dat er waarschijnlijk zowel op internationaal als nationaal vlak tussen de Europese cementproducenten, die daarin werden ondersteund door enige nationale en internationale beroepsorganisaties, een stelsel van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen bestond, dat voornamelijk ten doel had, de markten van de Lid-Staten te verdelen, een scheiding tussen deze markten te handhaven en de importen uit andere Lid-Staten en derde landen te limiteren.
16 In deze omstandigheden zond de Commissie aan 76 ondernemingen of ondernemersverenigingen in de loop van november 1991 een PvB toe, waarin zij hun inbreuken op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag ten laste legde en hun meedeelde dat zij het risico liepen dat een geldboete zou worden opgelegd.
17 In haar PvB maakt de Commissie in wezen onderscheid tussen twee soorten van punten van bezwaar, namelijk enerzijds gedragingen op internationaal vlak - vergaderingen in het kader van Cembureau, een Europese federatie van verschillende nationale verenigingen, en het uitvoeren van een aantal acties die tijdens deze vergaderingen waren uitgestippeld - en gedragingen op nationaal vlak - waarbij de nationale markten uitsluitend tussen de producenten van de betrokken Lid-Staat werden verdeeld en de importen werden gelimiteerd.
18 De PvB is verdeeld in twee delen, die elk weer zijn onderverdeeld in verschillende hoofdstukken. Het eerste deel, getiteld "De feiten", bevat negen hoofdstukken. De eerste twee hoofdstukken betreffen respectievelijk de "cementmarkt" en "de internationale organisaties van cementfabrikanten", terwijl de zeven overige hoofdstukken elk een nationale markt betreffen. Het tweede deel, getiteld "Juridische beoordeling", is zelf weer onderverdeeld in drie onderdelen, waarvan het eerste, betreffende artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, tien hoofdstukken bevat. De eerste drie hoofdstukken betreffen de in hoofdstuk 2 van het eerste deel ("de internationale organisaties van cementfabrikanten") beschreven overeenkomsten en feitelijke gedragingen, terwijl de zeven overige hoofdstukken elk de overeenkomsten en feitelijke gedragingen betreffen die zijn beschreven in elk van de hoofdstukken van het eerste deel, waarin een nationale markt wordt onderzocht. De twee andere onderdelen betreffen respectievelijk de niet-toepassing van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag en de toepasselijkheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
19 Hoewel het één enkel document betreft, is de tekst van de PvB niet integraal ter kennis gebracht van elk van de 76 ondernemingen en ondernemersverenigingen. Enkel de hoofdstukken betreffende de gedragingen op internationaal vlak (hoofdstukken 1, 2 en 10 tot en met 12) en de onderdelen B en C van het tweede deel van de PvB zijn namelijk ter kennis gebracht van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen. De hoofdstukken betreffende de gedragingen op nationaal vlak (de hoofdstukken 3 tot en met 9 en 13 tot en met 19) zijn slechts aan de in de betrokken Lid-Staat gevestigde ondernemingen en ondernemersverenigingen toegezonden.
20 Tegelijk met de hen betreffende hoofdstukken hebben de adressaten van de PvB de volledige inhoudsopgave van de PvB ontvangen, alsmede een lijst van alle dossiers, waarin de stukken zijn genoemd die zij konden inzien.
21 Zoals de Commissie voor het Gerecht heeft verklaard, zou elke adressaat van de PvB toegang hebben gehad tot alle stukken en gegevens waarover verweerster beschikte, die betrekking hadden op de hun ter kennis gebrachte en hen betreffende hoofdstukken van de PvB, met uitzondering van interne en vertrouwelijke stukken. Blijkens de door partijen voor het Gerecht afgelegde verklaring is de adressaten van de PvB slechts toegang verleend tot de documenten die de Commissie in de uitoefening van de haar bij verordening nr. 17 verleende bevoegdheden had verkregen, wanneer de Commissie deze tegen hen in aanmerking heeft genomen.
22 Na ontvangst van de PvB hebben een aantal ondernemingen en ondernemersverenigingen, waaronder verzoeksters, de Commissie onder meer verzocht, hun inzage te geven van de hoofdstukken die in de aan elk van hen toegezonden tekst van de PvB ontbraken, alsmede om hun toegang te verlenen tot het gehele dossier, met uitzondering van de interne of vertrouwelijke stukken.
23 Nadat de Commissie had geweigerd hun inzage te geven in de hoofdstukken die in de aan elk van de adressaten toegezonden tekst van de PvB ontbraken, alsmede om hun toegang te verlenen tot de andere documenten van het dossier die zij nog niet hadden kunnen inzien, hebben verzoeksters bij het Gerecht onderhavige beroepen ingesteld en om de hiervoor beschreven voorlopige maatregelen verzocht.
24 Ter terechtzitting van 11 maart 1992 heeft de president van het Gerecht partijen verzocht, mondeling hun standpunt te bepalen over een eventuele voeging van deze zaken voor de beschikking in kort geding. Partijen hebben tegen een dergelijke voeging geen bezwaar gemaakt.
25 Daar de zaken T-10/92 R, T-11/92 R, T-12/92 R, T-14/92 R en T-15/92 R qua onderwerp verknocht zijn, zijn er termen aanwezig om deze te voegen voor de beschikking in kort geding.
In rechte
26 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag, juncto artikel 4 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
27 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen de omstandigheden moeten vermelden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregelen waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen. De gevraagde maatregelen dienen een voorlopig karakter te hebben, in die zin dat zij de beslissing ten gronde niet prejudiciëren.
28 Vooraf zij opgemerkt dat waar de Commissie na de instelling van de onderhavige beroepen uitstel heeft verleend voor het antwoord op de PvB tot en met 23 of 27 maart 1992, de omstandigheden op grond waarvan de administratieve procedure in voorkomend geval ingevolge artikel 105, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorlopig had kunnen worden geschorst nog voordat de Commissie haar opmerkingen heeft voorgedragen, niet meer bestaan, zodat de desbetreffende verzoeken van verzoeksters zonder voorwerp zijn geraakt.
29 Tot staving van hun verzoeken betogen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de Commissie het recht van verweer en artikel 176 EEG-Verdrag ernstig heeft geschonden, aangezien zij in strijd zou hebben gehandeld met het arrest van het Gerecht van 17 december 1991 (zaak T-7/89, Hercules/Chemicals, Jurispr. 1991, blz. II-1711, punt 54), volgens hetwelk de Commissie verplicht is, de bij een procedure tot toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag betrokken partijen toegang te verlenen tot alle documenten à charge en à décharge die zij in de loop van het onderzoek heeft vergaard, behoudens zakengeheimen van andere ondernemingen, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke inlichtingen.
30 Verzoeksters verwijten de Commissie in het bijzonder, dat zij hun belet, kennis te nemen van de volledige tekst van de door haar vastgestelde PvB, zonder reden weigert hun toegang te verlenen tot alle relevante documenten en een termijn voor het antwoord op de PvB heeft gesteld die, gelet op de ingewikkeldheid van de onderhavige zaak, ontoereikend is.
31 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de onderhavige beroepen betogen verzoeksters met name dat in casu de situatie volstrekt verschilt van die in de zaak IBM (arrest van het Hof van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639), aangezien de in casu bestreden beschikkingen, anders dan een PvB, die een voorbereidende handeling is waarin een voorlopig standpunt wordt ingenomen, zijn aan te merken als handelingen waarbij de Commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan, waarvan de rechtsgevolgen bindend zijn voor de adressaten en hen in hun belangen treffen. Blue Circle is daarnaast eveneens van mening dat de in het kader van het onderhavige beroep bestreden maatregelen zelfs de schijn van wettigheid missen, en dat er geen enkele dwingende reden bestaat die de instandhouding van een dergelijke onwettige situatie kan rechtvaardigen.
32 Volgens verzoeksters veroorzaakt de verplichting om op de PvB te antwoorden zonder dat het recht van verweer is geëerbiedigd, een ernstig en onherstelbare schade, voor zover hun rechten onherstelbaar worden geschaad indien, zoals in casu het geval is, het arrest dat het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak zal moeten wijzen, zou worden gewezen nadat verzoeksters hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen betreffende de PvB hebben kunnen indienen en eventueel zelfs nadat de Commissie haar beschikking ten gronde heeft gegeven. Nog steeds volgens verzoeksters blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof (beschikking van 28 november 1966, zaak 29/66 R, Gutmann, Jurispr. 1967, blz. 302), dat wanneer, zo de gevraagde voorlopige maatregelen niet worden gelast, het eindarrest doelloos zou zijn - dat wil zeggen wanneer het de belangen of rechten van de verzoeker niet meer zou kunnen beschermen -, het verzoek in kort geding gerechtvaardigd is.
33 Verder stellen verzoeksters dat volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht eveneens aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan, wanneer wordt aangetoond dat er sprake is van een schade die onduldbaar is voor het algemeen belang (beschikking van het Hof van 17 januari 1980, zaak 792/79 R, Camera Care/Commissie, Jurispr. 1980, blz. 119, r.o. 19, en arrest van het Gerecht van 24 januari 1992, zaak T-44/90, La Cinq, Jurispr. 1992, blz. II-1, punt 28). In casu levert het feit dat de Commissie in strijd heeft gehandeld met de rechtspraak van het Gerecht inzake de toegang tot de stukken, een voor het algemeen belang onduldbare schade op, aangezien in het belang van een goede rechtsbedeling dient te worden voorkomen dat een procedure opnieuw moet worden ingeleid nadat zij is afgerond, inzonderheid na nietigverklaring van de beschikking ten gronde door de gemeenschapsrechter wegens schending van het recht van verweer door de Commissie.
34 Daarentegen is de Commissie van mening dat de beroepen in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk zijn en dat, ofschoon het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet moet worden onderzocht in het kader van een procedure in kort geding ten einde de grond van de zaak niet te prejudiciëren, volgens vaste rechtspraak de rechter in kort geding dient vast te stellen dat op grond van bepaalde elementen voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van de beroepen kan worden geconcludeerd (laatstelijk beschikking van de president van het Hof van 27 juni 1991, zaak C-117/91 R, Bosman, Jurispr. 1991, blz. I-3353).
35 Volgens de Commissie zijn de beroepen in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk, in de eerste plaats omdat zij zijn ingesteld tegen de PvB zelf, terwijl een dergelijke mogelijkheid volgens de rechtspraak van het Hof onomstotelijk is uitgesloten (arrest van 11 november 1981, IBM, reeds aangehaald) en in de tweede plaats omdat de verschillende bestreden brieven of "beschikkingen" evenmin voor beroep vatbare handelingen zijn in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag.
36 Bovendien stelt de Commissie dat de verschillende door verzoeksters in het kader van de onderhavige beroepen tegen de PvB aangevoerde argumenten, die inzonderheid betrekking hebben op de inhoud van de PvB, de te korte termijnstellingen voor het indienen van hun opmerkingen en het door de Commissie gemaakte voorbehoud dat zij later eventueel nog andere punten van bezwaar zal formuleren, door het Hof in voornoemde zaak IBM zijn verworpen, zoals duidelijk blijkt uit rechtsoverweging 4 van dit arrest.
37 Verder merkt de Commissie op, dat zij blijkens de tekst van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, blz. 2269; hierna: "verordening nr. 99/63") in geen enkel opzicht verplicht is, de punten van bezwaar mee te delen die geen betrekking hebben op de onderneming voor wie de PvB bestemd is. Verweerster is van mening dat zij de stukken waarop dergelijke PvB' s zijn gebaseerd, niet alleen niet aan andere ondernemingen ter beschikking behoeft te stellen, maar dat zij ingevolge artikel 20 van verordening nr. 17 bovendien verplicht is zulks niet te doen, aangezien dergelijke stukken zijn verkregen op grond van de haar bij verordening nr. 17 verleende verificatiebevoegdheden en bijgevolg onder de geheimhoudingsplicht vallen. Enkel wanneer de Commissie een stuk tegen een onderneming in aanmerking wil nemen zou zij verplicht zijn, dit aan de adressaat van de PvB te doen toekomen, omdat zij anders daarop geen beroep meer mag doen. In casu hadden de verschillende adressaten van de PvB kennis kunnen nemen van alle stukken en gegevens waarover de Commissie beschikte, die betrekking hadden op de hun meegedeelde en hen betreffende hoofdstukken van de PvB.
38 De Commissie ontkent eveneens, dat naar aanleiding van recente rechtspraak die enige verzoeksters hebben aangehaald, en in bijzonderheid de arresten van het Hof van 24 juni 1986 (zaak 53/85, Akzo, Jurispr. 1986, blz. 1965), 18 oktober 1989 (zaak 374/87, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283) en 28 november 1991 (zaak C-170/89, BEUC, Jurispr. 1991, blz. I-5709) de door verzoeksters ter zake ingediende vorderingen rechtens anders zouden moeten worden beoordeeld. Volgens verweerster is een PvB niet te vergelijken met een beschikking om aan een derde die een klacht heeft ingediend, vertrouwelijke inlichtingen door te geven - een dergelijke beschikking heeft een definitief karakter, in dier voege dat de vertrouwelijkheid van een inlichting definitief teloor gaat zodra zij aan een derde wordt meegedeeld - of een beschikking krachtens artikel 11 van verordening nr. 17, die, in tegenstelling tot een PvB, de adressaten verplichtingen oplegt. Volgens de Commissie kunnen verzoeksters zich evenmin beroepen op de rechtspraak in de zaak BEUC, omdat de derde die een klacht heeft ingediend in procedures betreffende dumping, anders dan de ondernemingen tot wie een PvB op het gebied van de mededinging is gericht en die tegen de eindbeschikking kunnen opkomen, niet bevoegd is tegen de eindbeschikking een beroep tot nietigverklaring in te stellen.
39 De Commissie stelt verder nog met nadruk, dat de "handelingen" die verband houden met de PvB, evenmin als de PvB vatbaar zijn voor beroep, waar zij geen enkel rechtsgevolg hebben noch een einde maken aan een zelfstandige procedure.
40 Volgens de Commissie kunnen de bestreden maatregelen, omdat zij voorbereidende maatregelen zijn, geen onherstelbare schade veroorzaken, te meer niet waar geen der verzoeksters betrouwbare feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Wat dit aangaat bestrijdt de Commissie de beweringen van verzoekster Blue Circle, dat de spoedeisendheid een gevolg zou zijn van het feit dat de Commissie een eindbeschikking zou moeten geven vóór het einde van het mandaat van haar huidige leden, dat wil zeggen vóór 5 januari 1993. Verweerster merkt op, dat zelfs indien de Commissie inderdaad een dergelijke verklaring zou hebben afgelegd - quod non - hierop geen beroep kan worden gedaan om de regelmatigheid van de in casu gevolgde administratieve procedure te betwisten, aangezien de Commissie ten volle bevoegd is om een prioriteitenprogramma op te stellen, zonder dat door de vaststelling van een dergelijk programma de inhoud van de eventuele eindbeschikking prejudicieert of het normale verloop van de hangende procedures in gevaar brengt.
41 Ten aanzien van de fumus boni juris verwijst de Commissie hoofdzakelijk naar haar opmerkingen met betrekking tot de kennelijke niet-ontvankelijkheid van de beroepen in de hoofdzaak. Ten overvloede, in verband met de mogelijkheid dat het door verzoeksters in de procedure in de hoofdzaak aangevoerde middel betreffende de vermeende ontoereikende toegang tot het dossier eveneens gedeeltelijk betrekking heeft op de voorwaarden betreffende de toegang tot de documenten die relevant zijn voor de hoofdstukken van de PvB die aan elk van de adressaten afzonderlijk zijn toegestuurd, voegt de Commissie hieraan evenwel toe, dat verzoeksters ter zake geen enkel serieus bewijs hebben aangevoerd.
42 Ten deze merkt de Commissie in de eerste plaats op dat het beroep van ENCI en VNC niet is gericht tegen de voorwaarden van toegang tot het dossier. Verweerster - die de verzoeksters SNFCC en FIC verwijt dat zij alleen maar speculeren, zonder enige bewijzen te leveren - gaat evenwel dieper in op de feiten en omstandigheden die CBR en Blue Circle als bewijzen hebben aangemerkt, doch na een gedetailleerde analyse onkent zij dat deze de fumus boni juris kunnen opleveren, die vereist is om een voorlopige maatregel te kunnen gelasten. De Commissie merkt opnieuw op dat, behalve ten aanzien van documenten die zij tegen een onderneming in aanmerking wil nemen, de haar bij artikel 20 van verordening nr. 17 opgelegde geheimhoudingsplicht haar verbiedt de toegang tot krachtens haar verificatiebevoegdheden verkregen documenten te vergemakkelijken, en zulks ongeacht de ter zake door de ondernemingen verstrekte aanwijzingen. Verder zondigen sommige verzoeksters volgens de Commissie tegen de logica, omdat zij haar zowel verwijten dat zij het vertrouwelijke karakter van enige inlichtingen niet eerbiedigt, als dat zij hun niet integraal toegang verleent tot bepaalde stukken die zij krachtens de bij verordening nr. 17 verleende bevoegdheden heeft verkregen.
43 Ten slotte bestrijdt de Commissie dat artikel 176 EEG-Verdrag op enigerlei wijze is geschonden. Volgens haar bestaat de bij artikel 176 vastgelegde verplichting, de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van een arrest van het Hof of het Gerecht, slechts wanneer het Hof of het Gerecht een handeling van de betrokken instelling nietig verklaart. Hoewel de Commissie zelf in de bestreden brieven zinspeelt op de criteria die het Gerecht in zijn arrest Hercules heeft vastgesteld met betrekking tot de uitoefening van het recht om te worden gehoord, zouden verzoeksters in casu evenwel geen beroep kunnen doen op een eventuele schending van artikel 176, waar het Gerecht in de zaak Hercules het beroep van de betrokken onderneming in zijn geheel heeft verworpen.
De kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak
44 Blijkens de beschikking van de president van het Hof in de zaak Bosman (beschikking van 27 juni 1991, reeds aangehaald) "(...) dient de rechter in kort geding, indien gesteld is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, vast te stellen dat op grond van bepaalde elementen voorshands met een zeker mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd".
45 Volgens de rechtspraak van het Hof is "noch de inleiding van een procedure noch de mededeling van punten van bezwaar naar haar aard en rechtsgevolgen te beschouwen als een beschikking in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat. In het kader van de administratieve procedure zoals deze door de verordeningen nrs. 17 en 99/63 is geregeld, zijn het proceduremaatregelen ter voorbereiding van de beschikking waarmee de procedure wordt afgesloten" (arrest van 11 november 1981, IBM, reeds aangehaald, r.o. 21).
46 In het kader van hun beroepen in de hoofdzaak voeren verzoeksters in wezen twee soorten van bezwaren aan tegen het gedrag van de Commissie. De eerste soort heeft rechtstreeks betrekking op de PvB en betreft in het bijzonder de weigering van de Commissie, de hoofdstukken van de PvB integraal mee te delen, duidelijk aan te geven welke punten van bezwaar in aanmerking zijn genomen tegen de onderneming waarvoor de PvB bestemd is, en de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te bieden tegelijkertijd te antwoorden op onderhavige PvB en die welke de Commissie hun binnenkort zou willen doen toekomen met betrekking tot de CBS-overeenkomst. De tweede soort van bezwaren betreft de weigering van de Commissie, verzoeksters toegang te verlenen tot alle stukken die zij bij haar onderzoek heeft vergaard, behoudens zakengeheimen, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke inlichtingen.
47 Zonder dat in dit stadium behoeft te worden onderzocht of verzoeksters' rechten van verweer door het gedrag van de Commissie kunnen worden geschonden, dient, gelet op de rechtspraak in de zaak IBM en inzonderheid op de rechtsoverwegingen 20 en 21 daarvan, te worden opgemerkt, dat verzoeksters geen elementen hebben aangevoerd op grond waarvan de rechter in kort geding voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van de beroepen kan concluderen. In het bijzonder hebben verzoeksters niet aangetoond, dat er sprake is van "bijzondere omstandigheden" of van een maatregel zonder enige schijn van wettigheid, die de ontvankelijkheid van een beroep in rechte tegen de PvB kunnen rechtvaardigen.
48 Uit artikel 2, leden 1 en 4, van verordening nr. 99/63 blijkt namelijk, dat de Commissie de ondernemingen en ondernemersverenigingen schriftelijk op de hoogte moet stellen van de punten van bezwaar die tegen hen in aanmerking zijn genomen, en dat zij een termijn moet vaststellen waarbinnen zij de gelegenheid hebben hun standpunt kenbaar te maken. Verzoeksters hebben allen een PvB ontvangen en door de Commissie is een termijn vastgesteld voor het indienen van hun opmerkingen. De vraag of de in casu gevolgde procedure onwettig is, omdat de Commissie niet aan elke onderneming de volledige tekst van de PvB heeft doen toekomen en zich bovendien het recht heeft voorbehouden om nieuwe punten van bezwaar uit te brengen met betrekking tot de Benelux-markt, zal door verzoeksters, zonder dat hun rechtsbescherming op het eerste gezicht daaronder lijdt, aan de orde kunnen worden gesteld in het kader van het beroep in rechte dat zij, in voorkomend geval, zullen kunnen instellen tegen de beschikking die de Commissie aan het einde van de administratieve procedure zal geven.
49 Met betrekking tot de tweede soort van bezwaren, te weten die betreffende de weigering van een volledige toegang tot de stukken, zij in de eerste plaats opgemerkt dat, zoals het Gerecht in zijn arrest Hercules/Chemicals (arrest van 17 december 1991, reeds aangehaald, punt 54) heeft verklaard, de Commissie verplicht is, de bij een procedure tot toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag betrokken ondernemingen toegang te verlenen tot alle documenten à charge en à décharge die zij in de loop van het onderzoek heeft vergaard, behoudens zakengeheimen van andere ondernemingen, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke inlichtingen.
50 Blijkens het dossier en de mondelinge verklaringen van de Commissie zou een aantal in de loop van het onderzoek vergaarde documenten niet toegankelijk zijn gemaakt voor elke adressaat van de PvB. In de eerste plaats zou het gaan om documenten die betrekking hebben op de hoofdstukken van de PvB betreffende de verschillende nationale markten, waarvan bepaalde ondernemingen en ondernemersverenigingen niet op de hoogte zijn gesteld, voor zover de gedragingen op de betrokken nationale markt hen niet betroffen, en die volgens verweerster dus geen deel uitmaakten van het hen betreffende dossier. Verder zou het gaan om documenten betreffende meegedeelde hoofdstukken van de PvB, voor zover zij zijn verkregen in het kader van de uitoefening van de bij verordening nr. 17 aan de Commissie verleende verificatiebevoegdheden en zij niet in aanmerking zijn genomen tegen de onderneming of ondernemersvereniging tot wie de punten van bezwaar waren gericht, en zij dus volgens verweerster onder de bij artikel 20 van verordening nr. 17 voorgeschreven geheimhoudingsplichten vielen.
51 Gelijk het Hof in zijn arrest van 13 februari 1979 (zaak 85/76, Hoffmann-La Roche, Jurispr. 1979, blz. 461, r.o. 13) heeft verklaard, "(...) zijn volgens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 17 'de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten (...) onverminderd hetgeen in de artikelen 19 en 21 is bepaald (...) weliswaar verplicht de inlichtingen welke zij bij de toepassing van deze verordening hebben ingewonnen en welke naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, niet openbaar te maken' maar moet dit voorschrift blijkens het feit dat uitdrukkelijk naar artikel 19 wordt verwezen, met de eerbiediging van de rechten der verdediging op één noemer worden gebracht". Uit dit arrest van het Hof blijkt eveneens, dat de Commissie niet ten laste van de betrokken onderneming omstandigheden of stukken in aanmerking mag nemen welke zij meent om redenen van vertrouwelijkheid niet openbaar te mogen maken.
52 De vraag in hoeverre de geheimhoudingsplicht zich ertegen verzet, dat de Commissie toegang verleent tot elk document dat zich in het dossier bevindt en in het kader van haar verificatiebevoegdheden is vergaard, inzonderheid wanneer de betrokken onderneming zich te harer verdediging daarop zou kunnen beroepen, dient zorgvuldig te worden doordacht. Blijkens de rechtspraak van het Hof (arrest van 24 juni 1986, Akzo, reeds aangehaald) is "(...) de in artikel 20, lid 2, neergelegde geheimhoudingsplicht minder strikt ten aanzien van de derden aan wie artikel 19, lid 2, het recht toekent om te worden gehoord, en in het bijzonder dus ten aanzien van de derde klager. De Commissie mag hem bepaalde onder de geheimhoudingplicht vallende gegevens meedelen wanneer dit noodzakelijk is voor een goed verloop van de instructie."
53 Indien de in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 17 neergelegde geheimhoudingsplicht kan worden afgezwakt ten aanzien van de derde klager, kan dit a fortiori eveneens ten aanzien van degeen tot wie een PvB is gericht. Bijgevolg kan men zich niet zonder meer op het standpunt stellen dat de Commissie ter naleving van de geheimhoudingsplicht noodzakelijkerwijze een onderneming voor wie een PvB bestemd is, de toegang moet ontzeggen tot een document dat niet te haren laste in aanmerking is genomen, enkel omdat dit is verkregen krachtens de verificatiebevoegdheden die bij verordening nr. 17 aan de Commissie zijn toegekend.
54 Uit het voorgaande volgt, dat anders dan hetgeen hiervoor is vastgesteld met betrekking tot de door verzoeksters tegen de PvB aangevoerde bezwaren, de rechter in kort geding in dit stadium niet tot de niet-ontvankelijkheid van de beroepen tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie, houdende weigering van de toegang tot het dossier, kan concluderen. Bij eventuele onwettigheden in de loop van de administratieve procedure die de wettigheid van de door de Commissie gegeven eindbeschikking kunnen aantasten, staat het verzoeksters weliswaar vrij, in het kader van een beroep in rechte tegen deze beschikking alle dienstige middelen aan te voeren, doch de bestreden handelingen kunnen, waar daarin in niet mis te verstane bewoordingen aan de ondernemingen en ondernemersverenigingen tot wie de PvB is gericht, een bescherming wordt onthouden die hun, naar zij zeggen, door het gemeenschapsrecht wordt geboden, door de rechter in kort geding niet als handelingen worden beschouwd die kennelijk geen rechtsgevolgen teweeg kunnen brengen en verzoeksters niet in hun belangen kunnen treffen, op grond waarvan het gerechtvaardigd zou zijn dat de beroepen reeds in het stadium van het kort geding niet-ontvankelijk werden verklaard.
Ernstige en onherstelbare schade
55 Verzoeksters' kernargument betreffende het bestaan van een ernstige en onherstelbare schade wanneer de voorlopige maatregelen waarom is verzocht, niet worden gelast, houdt in, dat hun recht op volledige toegang tot het dossier onherstelbaar zou worden aangetast, indien het door het Gerecht te wijzen arrest op de beroepen in de hoofdzaak zou worden gewezen nadat verzoeksters hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen hebben kunnen indienen en, in voorkomend geval, zelfs nadat de Commissie haar beschikking ten gronde heeft gegeven.
56 Indien het Gerecht in het kader van de beroepen in de hoofdzaak de door verzoeksters bestreden handelingen van de Commissie waarbij de volledige toegang tot het dossier wordt geweigerd, mocht nietig verklaren, zou daardoor de hele procedure onwettig worden. In dat geval zou de Commissie verplicht zijn de procedure te hernemen en de ondernemingen de mogelijkheid te bieden, omtrent de tegen hen in aanmerking genomen punten van bezwaar opnieuw hun standpunt kenbaar te maken met inachtneming van de nieuwe elementen waartoe zij toegang zouden moeten hebben. Bijgevolg zouden verzoeksters in een dergelijke situatie, ook indien het arrest van het Gerecht mocht worden gewezen nadat de Commissie haar beschikking ten gronde heeft gegeven, geen ernstige en onherstelbare schade lijden.
57 Zonder dat de middelen feitelijk en rechtens behoeven te worden onderzocht, op grond waarvan de voorlopige maatregelen waarom is verzocht, aanvankelijk gerechtvaardigd kunnen voorkomen, volgt uit de voorgaande overwegingen dat niet is voldaan aan de voorwaarden op grond waarvan dergelijke maatregelen kunnen worden gelast, zodat de verzoeken moeten worden afgewezen.
58 Gelet evenwel op de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaken, alsmede op de zeer korte tijdsspanne tussen de datum waarop verzoeksters hun antwoorden op de PvB moeten neerleggen en de datum van deze beschikking, zijn er termen aanwezig, krachtens artikel 186 EEG-Verdrag de termijn voor het antwoord op de PvB te verlengen tot en met vrijdag 27 maart 1992 of, voor zover de verzoeksters voldoen aan de door de Commissie gestelde voorwaarden met betrekking tot het aantal neer te leggen kopieën, tot en met dinsdag 31 maart 1992.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek om voorlopige maatregelen wordt afgewezen.
2) De aan verzoeksters voor het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar gestelde termijn wordt verlengd tot en met vrijdag 27 maart 1992 of, voor zover verzoeksters voldoen aan de door de Commissie gestelde voorwaarden met betrekking tot het aantal neer te leggen kopieën, tot en met dinsdag 31 maart 1992.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 23 maart 1992.
Full & Egal Universal Law Academy