Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure ° Gedingen tussen Gemeenschappen en hun personeelsleden voor Gerecht ° Rechtsprekende formatie ° Aanwijzing van advocaat-generaal ° Criteria
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 12, lid 1, 14, 18 en 51)
2. Procedure ° Indiening van verweerschrift ° Termijn ° Aanvang ° Ontvangst van verzoekschrift door verweerder
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 46, lid 1, en 101, lid 2)
Samenvatting
1. In een geding tussen de Gemeenschap en een van haar personeelsleden in de zin van artikel 12, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft de kamer waarbij de zaak aanhangig is, overeenkomstig de artikelen 14, 18 en 51 van dat Reglement de bevoegdheid en niet de verplichting, het Gerecht in volle samenstelling te verzoeken, de zaak hetzij naar deze formatie hetzij naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters te verwijzen en een advocaat-generaal aan te wijzen. Voor het gebruik van deze bevoegdheid reikt het Reglement voor de procesvoering criteria aan, namelijk, voor de verwijzing naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters, de juridische moeilijkheid, het belang van de zaak of bijzondere omstandigheden, en, voor de aanwijzing van een advocaat-generaal, de juridische moeilijkheid of de feitelijke ingewikkeldheid van de zaak.
2. De in artikel 46, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde termijn van een maand voor het indienen van het verweerschrift begint pas te lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift door de verweerder.
Partijen
In zaak T-47/92,
M. Lenz, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Kraainem (België); E. Lenz, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en echtgenote van de voorgaande, wonende te Kraainem (België); V. Lenz, zoon van de voorgaanden, wonende te Osnabrueck (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Schacht, advocaat te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Ettelbrueck (Luxemburg) bij J. P. Meyer, Rue Prince Jean 14,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur H. Étienne als gemachtigde, bijgestaan door B. Rapp-Jung, advocaat te Frankfurt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie houdende afwijzing van een verzoek om bijstand en vergoeding, en van de tegen die afwijzing ingediende klacht, alsmede tot veroordeling van de Commissie om de door verzoekers gestelde materiële en immateriële schade te vergoeden,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 17 juni 1992, hebben verzoekers beroep ingesteld strekkende, in de eerste plaats, tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie houdende afwijzing van hun verzoek om bijstand en vergoeding, en van de tegen die afwijzing ingediende klacht, en, in de tweede plaats, tot veroordeling van de Commissie om de materiële en immateriële schade te vergoeden die zij menen te hebben geleden als gevolg van geneeskundige behandelingen die twee hunner hebben ondergaan.
2 Bij brief van dezelfde dag heeft de griffie van het Hof verzoekers meegedeeld, dat zij het verzoekschrift had doorgezonden aan de griffie van het Gerecht, waar het dezelfde dag is ontvangen.
3 Bij brief van 18 juni, door de Commissie ontvangen op 24 juni 1992, is het verzoekschrift door de griffie van het Gerecht aan de Commissie betekend.
4 Bij op 2 juli 1992 ter griffie van het Gerecht ingeschreven brief hebben verzoekers het Gerecht meegedeeld, dat zij voor de procedure woonplaats kozen bij J. P. Meyer te Ettelbrueck.
5 Op 27 juli 1992 is het verweerschrift van de Commissie ter griffie van het Gerecht ingeschreven, te zamen met zijn bijlagen, te weten twee in het Frans gestelde brieven, die de juridische dienst van de Commissie op 29 april en 27 mei 1991 aan de eerste verzoeker had gezonden. Deze brieven gingen niet vergezeld van een vertaling in het Duits, de procestaal. Bij het verweerschrift was de aan de vertegenwoordigers van de Commissie verleende volmacht gevoegd.
6 Dezelfde dag is het verweerschrift van de Commissie aan verzoekers betekend, onder gelijktijdige mededeling van de uiterste datum voor het indienen van de repliek, welke was bepaald op 3 september 1992.
7 Bij beschikking van 18 augustus 1992 heeft de president van het Gerecht de zaak aan de Vijfde kamer toegewezen en de rechter-rapporteur aangewezen.
8 De repliek is op 1 september 1992 ter griffie van het Gerecht ingeschreven.
9 Op 2 september 1992 heeft de griffie van het Gerecht de vertaling in de procestaal van de twee bij het verweerschrift van de Commissie gevoegde brieven ingeschreven en aan verzoekers betekend.
10 Dezelfde dag heeft de griffie van het Gerecht de partijen mededeling gedaan van de uiterste datum voor het indienen van de dupliek, die was bepaald op 5 oktober 1992.
11 Op 3 september 1992 hebben verzoekers per fax afschrift ontvangen van de vertaling van de twee bij het verweerschrift van de Commissie gevoegde brieven.
12 Op 2 oktober 1992 is de dupliek ter griffie van het Gerecht ingeschreven.
13 Op 5 oktober 1992 heeft de griffie van het Gerecht het door verzoekers op grond van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering ingediende verzoek ontvangen.
Voorwerp van het verzoek
14 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
1) de zaak overeenkomstig artikel 14 van het Reglement naar de bevoegde formatie te verwijzen;
2) krachtens de artikelen 17 en 18 van het Reglement een advocaat-generaal aan te wijzen;
3) met het oog op de gelijke behandeling alle processtukken per bode tegen ontvangstbewijs te betekenen aan het adres van verzoekers M. en E. Lenz, Honnekinberg 56, B-1950 Kraainem, die ermee instemmen alle betekeningen voor verzoeker V. Lenz in ontvangst te nemen;
4) de integrale raadpleging te gelasten van het onderzoeksdossier van het openbaar ministerie te Brussel in de zaken Dr. Coulie/Dr. Boon e.a., met inbegrip van de in beslag genomen originele documenten van de artsen en van het ziekenhuis St-Luc.
15 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het verzoek van verzoekers af te wijzen.
16 Op 6 oktober 1992 heeft de griffie het legitimatiebewijs ingeschreven, waaruit blijkt dat de advocaat die de gemachtigde van de Commissie bijstaat, bij de balie te Frankfurt is ingeschreven.
Argumenten van partijen
17 Verzoekers betogen in de eerste plaats, dat gezien het belang van de zaak en de hoedanigheid van twee van de drie verzoekers, die geen ambtenaar zijn, de zaak aan een kamer van vijf rechters had moeten worden toegewezen en dat een advocaat-generaal had moeten worden aangewezen.
18 Zij achten het in de tweede plaats "problematisch", dat in deze zaak de "Belgische rechter" als rechter-rapporteur is aangewezen, "wanneer men rekening houdt met zijn juridische achtergrond", aangezien deze zaak betrekking heeft op Belgische artsen en voor Belgische gerechten aanhangige zaken.
19 Verzoekers voeren in de derde plaats aan, dat de schriftelijke behandeling verschillende gebreken vertoont. In de eerste plaats zou het verweerschrift zijn ingediend meer dan een maand na de inschrijving van het verzoekschrift ter griffie van het Gerecht. Vervolgens zou de talenregeling zijn geschonden, doordat de in het Frans gestelde bijlagen bij het verweerschrift zonder vertalingen zijn ingediend en de vertalingen verzoekers eerst op 3 september 1992, dus na het indienen van hun repliek, hebben bereikt. Ten slotte zou de Commissie het bewijs van inschrijving bij de balie van de advocaat die haar gemachtigde bijstaat, niet bij het dossier hebben gevoegd.
20 Voorts zijn verzoekers van mening, dat "bij raadpleging van de stukken blijkt, dat de gelijkheid van behandeling van de twee partijen uit het oogpunt van de procedure niet in acht is genomen". Tot staving hiervan wijzen zij erop, dat "de persoon die is gemachtigd alle betekeningen voor verweerster in ontvangst te nemen, is aangewezen alvorens de wederpartij zelf hem in de onderhavige zaak koos", en dat "herhaaldelijk memories aan de wederpartij door bodes zijn betekend, terwijl verzoekers zich met aangetekende brieven met ontvangstbewijs tevreden moeten stellen en dus met eenzijdige termijnverkortingen genoegen moeten nemen".
21 Verzoekers concluderen, dat "zowel de toewijzing aan de Vijfde kamer als de toewijzingsbeslissing van de kamerpresident (...) onregelmatig zijn".
22 Verzoekers verzoeken het Gerecht voorts, het onderzoeksdossier van het parket en medische documenten te raadplegen.
23 De Commissie antwoordt in de eerste plaats, dat het Hof van Justitie op 17 juni 1992 met instemming van verzoekers de zaak heeft verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg, dat onder meer bevoegd is ter zake van geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden. Het Hof van Justitie zou dus op zijn niveau hebben beslist, dat het om een ambtenarenzaak ging. Zij voegt daaraan toe, dat het aan het Gerecht staat, in het kader van zijn discretionaire bevoegdheid te beslissen of de zaak aan een andere kamer moet worden toegewezen en of dat de Tweede kamer van het Gerecht moet zijn.
24 Voorts betoogt de Commissie, dat artikel 51 juncto artikel 18 van het Reglement voor de procesvoering partijen niet de mogelijkheid biedt, om aanwijzing van een advocaat-generaal te verzoeken. Uit artikel 18 van het Reglement voor de procesvoering zou volgen, dat de beslissing een advocaat-generaal aan te wijzen, uitsluitend bij het Gerecht berust.
25 De Commissie zet in de tweede plaats uiteen, dat uit artikel 16 juncto artikel 44 van 's Hofs Statuut-EEG volgt, dat een partij niet wegens de nationaliteit van een rechter kan verzoeken dat de samenstelling van een kamer van het Gerecht wordt gewijzigd.
26 Zij betoogt in de derde plaats, dat uit het onderzoek van de stukken allereerst blijkt, dat de termijn voor het indienen van het verweerschrift is ingegaan op 24 juni 1992, op welke datum het verzoekschrift aan de Commissie is betekend, en dus verstreken is op 27 juli 1992, dat wil zeggen een maand later plus twee dagen verlenging wegens de afstand.
27 De Commissie wijst er vervolgens op, dat aangezien de schriftelijke behandeling is gesloten, eventuele kritiek op de naleving van de talenregeling nog slechts in het kader van de mondelinge behandeling kan worden geuit. Overigens zouden de betrokken bijlagen ° twee korte brieven ° de eerste verzoeker niet voor ernstige problemen hebben kunnen stellen, aangezien hij zijn actieve en passieve kennis van het Frans steeds als "zeer goed" heeft aangemerkt, zoals blijkt uit zijn beoordelingsrapporten over de perioden 1989/1991 en 1985/1987. De Commissie is ervan uitgegaan, dat de door de eerste verzoeker in een officieel document verstrekte inlichtingen over zijn kennis van het Frans aan de werkelijkheid beantwoordden.
28 Zij beklemtoont ten slotte, dat verzoekers een bewijsaanbod herhalen dat voor het eerst in repliek, dat wil zeggen tardief, is gedaan en derhalve krachtens artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering reeds niet-ontvankelijk was.
Beoordeling rechtens
29 Het Gerecht stelt vast, dat het onderhavige beroep betrekking heeft op een geschil tussen de Gemeenschap en één van haar personeelsleden in de zin van artikel 12, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. De eerste verzoeker is immers ambtenaar van de Commissie en de tweede en derde verzoeker zijn leden van zijn gezin, tegenover wie de Commissie slechts middellijk, via het statuut van ambtenaar van de eerste verzoeker, verplichtingen heeft. Indien, zoals verzoekers ten onrechte beweren, dit beroep geen geding tussen de Gemeenschap en één van haar personeelsleden betrof, zou het niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens onbevoegdheid van het Gerecht.
30 Bijgevolg is de onderhavige zaak door de president van het Gerecht, op grond van artikel 12, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, terecht aan een kamer van drie rechters toegewezen.
31 Het Gerecht merkt vervolgens op, dat ingevolge de artikelen 14, 18 en 51 van het Reglement de kamer waarbij de zaak aanhangig is, het Gerecht in volle samenstelling kan verzoeken, de zaak hetzij naar deze formatie hetzij naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters te verwijzen en een advocaat-generaal aan te wijzen. Het gaat daarbij niet om een verplichting, maar om een bevoegdheid, voor het gebruik waarvan het Reglement voor de procesvoering criteria aanreikt, namelijk, voor de verwijzing naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters, de juridische moeilijkheid of het belang van een zaak dan wel bijzondere omstandigheden, en, voor de aanwijzing van een advocaat-generaal, de juridische moeilijkheid of de feitelijke ingewikkeldheid van de zaak.
32 In casu bevat het betoog van verzoekers niets wat de verwijzing naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters of de aanwijzing van een advocaat-generaal rechtvaardigt.
33 Het Gerecht is voorts van oordeel, dat waar verzoekers verwijzen naar "de juridische achtergrond van de Belgische rechter", dit als een verwijzing naar zijn nationaliteit moet worden opgevat. Deze moet worden afgewezen op grond van artikel 16, laatste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, volgens hetwelk partijen geen wijziging in de samenstelling van het Hof of van één van zijn kamers kunnen verlangen met een beroep op de nationaliteit van een rechter. Bovendien is het onjuist, dat in deze zaak de rechter-rapporteur zichzelf heeft aangewezen in zijn hoedanigheid van kamerpresident die krachtens artikel 9 van het Reglement de president van het Gerecht vervangt, zoals verzoekers stellen. Hij is immers krachtens artikel 13, lid 2, van het Reglement door de president van het Gerecht zelf aangewezen.
34 Wat de verschillende door verzoekers aangevoerde proceduregebreken betreft, wijst het Gerecht er in de eerste plaats op, dat het verweerschrift weliswaar meer dan een maand na de inschrijving van het verzoekschrift is ingediend, maar dat dat uitsluitend te wijten is aan de tijd die verstreken is tussen de verzending van het verzoekschrift aan verweerster en de ontvangst ervan. De termijn van een maand voor het indienen van het verweerschrift is voor verweerster slechts gaan lopen vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift, in casu 24 juni 1992. Daar het verweerschrift door de griffie van het Gerecht is ontvangen op 27 juli 1992, is het tijdig ingediend rekening houdend met de extra termijn wegens afstand (twee dagen) en met het feit dat, ingevolge artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de termijn (een maand plus twee dagen) waarvan de laatste dag een zondag (hier zondag 26 juli) is, verstrijkt aan het einde van de daaraan volgende werkdag (hier 27 juli).
35 Wat in de tweede plaats het bewijs van de inschrijving van B. Rapp-Jung bij de balie van een Lid-Staat betreft, dat de Commissie trouwens heeft geleverd door op 6 oktober 1992 een legitimatiebewijs over te leggen, volstaat het erop te wijzen, dat de memories van de Commissie zijn ondertekend door H. Étienne, die door de Commissie als gemachtigde voor deze zaak is aangewezen, en dat het ontbreken van een legitimatiebewijs voor de advocaat die hem moet bijstaan, geen onregelmatigheid in de zin van de artikelen 46, lid 1, en 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan opleveren.
36 In de derde plaats merkt het Gerecht op, dat zoals verzoekers vermelden, de twee door de Commissie ingediende bijlagen bij het verweerschrift in het Frans zijn gesteld en niet vergezeld gingen van vertalingen in de procestaal, welke vertalingen verzoekers slechts hebben bereikt nadat zij hun repliek hadden ingediend. Weliswaar hebben verzoekers, zoals zij hadden kunnen doen, niet verzocht de termijn voor het indienen van hun repliek te verlengen tot zij van de vertaling in de procestaal van die bijlagen kennis hadden kunnen nemen, maar het Gerecht is van oordeel, dat hun moet worden toegestaan, binnen een maand hun opmerkingen over bedoelde documenten in te dienen, waarna de Commissie in staat moet worden gesteld, haar eigen opmerkingen over die opmerkingen te maken.
37 Het Gerecht is van oordeel, dat de stelling van verzoekers, volgens welke de Commissie in het kader van deze procedure gunstiger is behandeld dan zijzelf, iedere grond mist, met name wat de "eenzijdige termijnverkortingen" betreft.
38 Ten slotte is het Gerecht van oordeel, dat de in het onderhavige verzoek geformuleerde bewijsaanbiedingen tardief zijn, aangezien verzoekers geen enkele omstandigheid hebben aangevoerd die hen zou hebben belet, die bewijsaanbiedingen in hun verzoekschrift te doen. Zij moeten bijgevolg worden afgewezen overeenkomstig artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
39 Uit al het voorgaande volgt, dat aan verzoekers een termijn van een maand moet worden verleend, waarbinnen zij opmerkingen kunnen indienen die enkel de twee bij het verweerschrift gevoegde brieven mogen betreffen, en dat de vorderingen van verzoekers voor het overige moeten worden afgewezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
beschikt:
1) Verzoekers beschikken over een termijn van een maand om opmerkingen in te dienen over de bij het verweerschrift van de Commissie gevoegde brieven van 29 april en 27 mei 1991.
2) De vorderingen van verzoekers worden voor het overige afgewezen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 14 december 1992.
Full & Egal Universal Law Academy