Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding, ingesteld zonder precontentieuze procedure overeenkomstig Statuut ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
In het bij de artikelen 90 en 91 van het Statuut ingevoerde stelsel van beroepswegen moet een beroep tot vergoeding van schade die niet is veroorzaakt door een bezwarende handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, maar door verscheidene gevallen van beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten van de administratie, worden voorafgegaan door een administratieve procedure in twee fasen. Deze procedure moet dwingend aanvangen met een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de gestelde schade te vergoeden, en zo nodig worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek.
Partijen
In zaak T-53/92,
M. Piette de Stachelski, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Overijse (België), vertegenwoordigd door M. en O. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Gerecht om herstelling van verzoeksters loopbaan en om toekenning van schadevergoeding voor de materiële en immateriële schade die verzoekster zegt te hebben geleden doordat zij eerst later tot vergelijkend onderzoek COM2/82 is toegelaten,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Uit het inleidend verzoekschrift en de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid blijkt indirect, dat verzoekster behoort tot een groep ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie, die in december 1984 beroep bij het Hof hebben ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM2/82 om hen niet toe te laten tot het schriftelijk gedeelte van dit vergelijkend onderzoek (zaken 293/84 en 294/84). Dat vergelijkend onderzoek was georganiseerd met het oog op de vorming van een reservelijst van adjunct-assistenten, adjunct-secretariaatsassistenten en adjunct-technische assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B.
2 Bij twee arresten van 11 maart 1986 (zaken 293/84, Sorani e.a., en 294/84, Adams e.a., Jurispr. 1986, blz. 967 resp. 977) heeft het Hof twee jurybesluiten om de verzoekers in die zaken niet tot de examens toe te laten, nietig verklaard op grond dat de betrokkenen geen gelegenheid hadden gehad opmerkingen te maken over het advies dat hun hiërarchieke meerderen over hen aan de jury hadden uitgebracht. Na die arresten werden de betrokken kandidaten in juni 1986 door de jury opgeroepen en kregen zij gelegenheid dezelfde vragen te beantwoorden die eerder aan hun hiërarchieke meerderen waren gesteld. Bij brief van 11 juli 1986 werd de betrokkenen medegedeeld, dat het besluit om hen niet tot de examens toe te laten, was bevestigd.
3 Nadat een aantal kandidaten een klacht tegen het besluit van juli 1986 had ingediend, riep de jury deze kandidaten opnieuw op, om hun de gelegenheid te geven, opmerkingen te maken over de antwoorden die de hiërarchieke meerderen op de vragen van de jury hadden gegeven. Bij brief van 12 februari 1987 werd de betrokken ambtenaren medegedeeld, dat de jury geen termen aanwezig achtte om terug te komen op het hun op 11 juli 1986 medegedeelde besluit.
4 Bij arrest van 28 februari 1989 (gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87, Basch e.a., Jurispr. 1989, blz. 447) heeft het Hof het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM2/82 om de verzoekers niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten, nietig verklaard wegens ontoereikende motivering en onregelmatigheid van de door de jury gevolgde procedure.
5 Ter uitvoering van dat arrest nodigde de Commissie de jury uit, haar werkzaamheden te hervatten vanaf het punt waarop volgens het arrest van het Hof de onregelmatigheid was begonnen.
6 Aan het einde van die werkzaamheden werd verzoekster in mei 1991 toegelaten tot de examens van het vergelijkend onderzoek, waarna zij op de reservelijst werd geplaatst. Op 29 oktober 1991 werd zij aangesteld als adjunct-assistente en ingedeeld in de rang B 5, salaristrap 4.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
7 Bij nota van 11 december 1991 verzocht verzoekster het tot aanstelling bevoegd gezag, een besluit te nemen waarbij zij werd ingedeeld in de rang B 4, salaristrap 8, om de achterstand in haar loopbaan te corrigeren. Zij voerde daartoe aan, dat zij, statistisch gezien, in acht jaar tenminste één keer van de rang B 5 naar een hogere rang had moeten worden bevorderd.
8 Toen de Commissie geen uitdrukkelijk antwoord gaf op die nota, stelde verzoekster het onderhavige beroep in.
9 In haar verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 juli 1992, concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
1) te verstaan, dat de precontentieuze procedure een klacht omvat;
2) te verklaren voor recht, dat de Commissie en de jury verantwoordelijk zijn voor verzoeksters loopbaanachterstand en dat haar loopbaan bijgevolg moet worden hersteld door toekenning van de rang B 4, salaristrap 8;
3) de wederpartij te veroordelen tot betaling van 500 000 BFR als vergoeding voor de materiële schade, behoudens wijziging in de loop van het geding, vermeerderd met 8 % rente;
4) de wederpartij te veroordelen tot betaling van 500 000 BFR als vergoeding van de immateriële schade, behoudens wijziging in de loop van het geding, vermeerderd met 8 % rente;
5) de wederpartij te veroordelen in de kosten van het geding.
10 Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 september 1992, heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Gerecht verzocht, uitspraak te doen op deze exceptie zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Kort samengevat betoogt de Commissie, dat verzoeksters nota van 11 december 1991 een verzoek is en geen klacht in de zin van de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut en dat het beroep in strijd met deze bepalingen niet is voorafgegaan door een klacht.
11 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° te beslissen over de kosten naar recht.
12 Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 november 1992, concludeert verzoekster tot verwerping van de door de Commissie opgeworpen exceptie.
De ontvankelijkheid van het beroep
13 Artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat indien een partij het Gerecht verzoekt uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, de verdere behandeling van het verzoek mondeling geschiedt tenzij het Gerecht anders beslist. In casu meent het Gerecht door de stukken in het dossier voldoende te zijn voorgelicht, zodat er geen termen zijn om de procedure voort te zetten.
14 Ingevolge artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht (zie bij voorbeeld arrest Hof van 7 mei 1986, zaak 191/84, Barcella, Jurispr. 1986, blz. 1541) is deze bepaling met name van toepassing in geval van miskenning van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut geregelde procedure. Wanneer een bij het Gerecht ingesteld beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het Gerecht volgens artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beslissing.
15 In casu meent het Gerecht zich ambtshalve ervan te moeten vergewissen of het beroep niet kennelijk niet-ontvankelijk is, alvorens eventueel in te gaan op de door de Commissie opgeworpen exceptie.
De vorderingen tot schadevergoeding
16 Er zij aan herinnerd, dat wanneer er geen voor de betrokken ambtenaar bezwarend besluit bestaat, de bij artikel 90 van het Statuut ingestelde precontentieuze procedure in beginsel twee fasen omvat. Ingevolge artikel 90, lid 1, kan iedere in het Statuut bedoelde persoon bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. In geval van een weigering of wanneer een besluit uitblijft, kan de belanghebbende bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht tegen het uitdrukkelijke of stilzwijgend genomen besluit indienen onder de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde voorwaarden. De klachtprocedure is bedoeld om het gezagsorgaan waaronder de ambtenaar ressorteert, te verplichten zijn besluit in heroverweging te nemen in het licht van de bezwaren die de ambtenaar er eventueel tegen heeft aangevoerd (zie arrest Hof van 21 oktober 1980, zaak 101/79, Vecchiolo, Jurispr. 1980, blz. 3069, r.o. 31). Deze in artikel 90 van het Statuut geregelde precontentieuze procedure heeft al met al ten doel, een minnelijke schikking van een tussen ambtenaren en administratie gerezen geschil mogelijk te maken en te bevorderen (zie arrest Hof van 23 oktober 1986, zaak 142/85, Schwiering, Jurispr. 1986, blz. 3177, r.o. 11).
17 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van een schadevordering blijkt uit de rechtspraak van het Hof, zoals door het Gerecht geanalyseerd en verduidelijkt (zie arresten Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35, r.o. 38, en 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731, r.o. 49), dat enkel wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen een vordering tot nietigverklaring en een schadevordering, deze laatste ontvankelijk is als accessoir van de eerste, zonder dat zij per se vooraf moet worden gegaan door een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de beweerdelijk geleden schade te vergoeden, en door een klacht waarmee de gegrondheid van de stilzwijgende dan wel uitdrukkelijke afwijzing van het verzoek wordt betwist.
18 Het onderhavige beroep behelst geen enkele vordering tot nietigverklaring van een handeling, doch strekt tot vergoeding van materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden doordat zij eerst na acht jaar en verscheidene gerechtelijke procedures is toegelaten tot de examens van een vergelijkend onderzoek, waardoor ook de ontwikkeling van haar loopbaan zou zijn vertraagd. Het beroep is dus niet gebaseerd op schade die het gevolg zou zijn van één bepaalde handeling waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, doch op verscheidene gevallen van beweerdelijk onrechtmatig handelen of nalaten van de administratie. De aan de instelling van het beroep voorafgaande administratieve procedure had dus dwingend moeten aanvangen met een verzoek van de belanghebbende aan het tot aanstelling bevoegd gezag om haar schade te vergoeden (zie beschikking Gerecht van 6 februari 1992, zaak T-29/91, Castelletti e.a., Jurispr. 1992, blz. II-77), in voorkomend geval gevolgd door een klacht tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek.
19 Het Gerecht stelt vast, dat de nota die verzoekster op 11 december 1991 tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gericht, niet tijdig is voorafgegaan of gevolgd door een andere stap bij de administratie, overeenkomend met wat artikel 90 van het Statuut vereist.
20 Dus zelfs indien bedoelde nota ware te beschouwen als een klacht in de zin van het Statuut, zoals verzoekster stelt, is de precontentieuze procedure niet verlopen in twee fasen overeenkomstig artikel 90 van het Statuut, aangezien die klacht niet door een verzoek is voorafgaan. Zou daarentegen, zoals de Commissie stelt, de nota van 11 december 1991 als een verzoek moeten worden beschouwd, dan staat evenzeer vast, dat geen klacht is ingediend tegen het besluit tot afwijzing van dat verzoek. Het is derhalve duidelijk, dat het beroep, voor zover daarin schadevergoeding wordt gevorderd, niet is ingesteld in overeenstemming met de statutaire voorwaarden, en dat het dus kennelijk niet-ontvankelijk is.
De overige conclusies van het beroep
21 Met betrekking tot de vordering, dat het Gerecht "verklaart voor recht" dat de Commissie en de jury van het vergelijkend onderzoek verantwoordelijk zijn voor de loopbaanachterstand en dat verzoeksters loopbaan bijgevolg moet worden "hersteld" door haar de rang B 4, salaristrap 8, toe te kennen, moet worden opgemerkt, dat de gemeenschapsrechter kennelijk niet bevoegd is van die vordering kennis te nemen. Hij is immers niet bevoegd, de instellingen bevelen van dien aard te geven (zie in die zin arrest Hof van 9 juni 1983, zaak 225/82, Verzyck, Jurispr. 1983, blz. 1991). Deze vordering is dus kennelijk niet-ontvankelijk.
22 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, volgt uit het voorgaande, dat het beroep, ook al zou het in de in artikel 44, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering voorgeschreven vorm zijn ingesteld, in ieder geval kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement evenwel blijven in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 28 januari 1993.
Full & Egal Universal Law Academy