Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Termijnen ° Verval van recht ° Heropening ° Voorwaarden ° Nieuw feit ° Afwezigheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Partijen
In zaak T-63/92,
C. Gómez González, A. Sierra Santisteban, J. Mir Herrero, P. Arto Hijos, wonende in Spanje, en L. Torella Ramos, wonende in België, voormalige tijdelijke functionarissen van de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Vandersanden en J.-N. Louis, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur M. Sims als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de secretaris-generaal van de Raad van 16 juni 1986 en van de latere besluiten waarbij verzoekers met opeenvolgende contracten tot en met 31 maart 1989 zijn aangesteld als hulpfunctionarissen, alsmede van de besluiten van 4 juni 1992 waarbij hun klachten van 9 april 1992 uitdrukkelijk zijn afgewezen,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoekers werden op 16 juni 1986 door het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Raad") aangesteld als hulpfunctionaris met de functie van Spaanstalig vertaler. Deze aanstelling als hulpfunctionaris werd verlengd bij diverse opeenvolgende contracten, waarvan het laatste op 31 maart 1989 afliep. Daarna kreeg elk van de verzoekers een contract als tijdelijk functionaris voor de periode 1 april 1989 tot en met 31 juli 1990. Na afloop van dit contract werd geen van de verzoekers als ambtenaar aangesteld.
2 Bij brieven van 24 november 1989 aan de dienst Pensioenen van de Raad dienden alle verzoekers in gelijke bewoordingen het volgende verzoek in: "Overeenkomstig de mededeling aan het personeel nr. 210/83 verzoek ik u aan mijn vroeger contract van hulpfunctionaris het karakter te geven van een contract van tijdelijk functionaris, met het oog op de verwerving van pensioenrechten, en wel volgens de criteria van punt 4 van genoemde mededeling."
3 Bij besluiten van 27 juli 1990 willigde de directeur Personeelszaken en Algemeen beheer van het secretariaat-generaal van de Raad het verzoek van alle verzoekers in de volgende bewoordingen in:
"Betreft: artikel 39 RAP
Naar aanleiding van uw verzoek om gelijkstelling van uw contract van hulpfunctionaris met een contract van tijdelijk functionaris deel ik u mede, dat ik heb besloten dit verzoek in te willigen en dat bijgevolg de u verschuldigde bedragen zullen worden berekend vanaf de datum van ingang van uw contract van hulpfunctionaris.
Op het netto uit te betalen bedrag zullen in mindering worden gebracht de bijdragen die u als tijdelijk functionaris zou hebben betaald, alsmede het aan de RSZ betaalde werkgeversaandeel, respectievelijk 6,75 % en 8,87 % van de ontvangen basissalarissen."
4 Overeenkomstig dit besluit berekende de Raad het saldo van de aan verzoekers verschuldigde uitkering bij vertrek. Op het nettobedrag van deze uitkering bracht de Raad in mindering de persoonlijke bijdrage van 6,75 %, berekend overeenkomstig artikel 41 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP"), alsmede het aan de Belgische sociale zekerheid betaalde werkgeversaandeel van 8,87 %. Elk der verzoekers diende een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in tegen de toegepaste inhoudingen. Alle klachten werden afgewezen bij nota' s van de secretaris-generaal van de Raad van 18 januari 1991.
5 Op 19 april 1991 stelden verzoekers bij het Gerecht de beroepen T-24/91 en T-25/91 in, strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van 27 juli 1990, voor zover daarbij de betwiste inhoudingen op de uitkering bij vertrek werden gehandhaafd. Na de mondelinge behandeling van deze zaken ter terechtzitting van 15 januari 1992 werden de beroepen verworpen bij twee arresten van het Gerecht van 30 juni 1992, die in kracht van gewijsde zijn gegaan (zaak T-24/91, Gómez González e.a., en zaak T-25/91, Arto Hijos, Jurispr. 1992, blz. II-1881, resp. II-1907).
6 Op 9 april 1992 diende elk der verzoekers voor de eerste keer een klacht in bij het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad; zij verzochten de Raad de opeenvolgende contracten van hulpfunctionaris, die tussen 16 juni 1986 en 31 maart 1989 tussen partijen waren gesloten, te annuleren en nieuwe besluiten te nemen waarbij zij voor die periode als tijdelijk functionaris werden aangesteld, alsmede om hun het verschil te betalen tussen de reeds uitbetaalde bedragen en die welke hun "volgens de bepalingen van het Statuut hadden moeten worden uitbetaald".
7 Al deze klachten werden bij nota van de secretaris-generaal van de Raad van 4 juni 1992 uitdrukkelijk afgewezen in de volgende bewoordingen:
"Naar aanleiding van uw bovengenoemde klacht is een diepgaand onderzoek ingesteld.
Op grond van dit onderzoek bericht ik u, dat ik geen gevolg kan geven aan uw verzoek om de volgende redenen.
Artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalt, dat een klacht moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden, welke termijn ingaat op de dag van de kennisgeving van het bezwarende besluit. Uw klacht van 9 april 1992 is kennelijk te laat ingediend, aangezien zij gericht is tegen een besluit van de secretaris-generaal van de Raad van 16 juni 1986 en tegen de opeenvolgende verlengingsbesluiten tot en met 31 maart 1989, betreffende uw aanstelling als hulpfunctionaris.
U bent ten onrechte van mening, dat het optreden van de gemachtigde van de Raad ter terechtzitting van het Gerecht van eerste aanleg in de zaken T-24/91 en T-25/91 een nieuw feit vormt, waardoor de termijn voor de onderhavige klacht, die een ander voorwerp heeft, opnieuw zou gaan lopen."
8 Onder deze omstandigheden hebben verzoekers bij op 4 september 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
9 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
° te verstaan:
het besluit van de Raad van 16 juni 1986 en alle latere besluiten waarbij verzoekers tot en met 31 maart 1989 zijn aangesteld als hulpfunctionaris in een van de 36 vaste ambten van Spaanstalig vertaler, die voorkomen op de lijst van het aantal ambten opgenomen in de bijlage bij de begroting van de Raad, worden nietigverklaard.
° verweerder wordt verwezen in de kosten.
10 De Raad heeft bij afzonderlijke akte van 6 oktober 1992 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
° het door de vijf verzoekers ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekers krachtens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering te veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten, daar deze vexatoir zijn veroorzaakt.
11 Verzoekers hebben in hun op 16 november 1992 ingediende opmerkingen geconcludeerd tot afwijzing van de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
De ontvankelijkheid
12 Artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat indien een partij verzoekt, dat het Gerecht uitspraak zal doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, zij daartoe een afzonderlijke akte neemt. Het Gerecht beslist op het verzoek of voegt het met de zaak ten gronde.
13 Artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, het zonder de behandeling voort te zetten, kan beslissen bij met redenen omklede beschikking. Het Gerecht acht zich in casu voldoende voorgelicht door de processtukken en besluit dat er geen termen zijn om de procedure voort te zetten.
Argumenten van partijen
14 Verzoekers stellen, dat de vertegenwoordiger van de Raad op de terechtzitting van het Gerecht van 15 januari 1992 in de zaken T-24/91 en T-25/91 heeft verklaard, dat de Spaanse vertaalafdeling zich in 1986 in een moeilijke situatie bevond en dat door het onvoldoende aantal geslaagden voor de verschillende vergelijkende onderzoeken die waren gehouden, slechts 13 Spaanstalige vertalers aangesteld hadden kunnen worden, terwijl er 49 ambten beschikbaar waren. Uit deze verklaring was dus voor het eerst gebleken, dat zij als hulpfunctionaris waren aangesteld in een van de 36 ambten waarin niet kon worden voorzien door de aanstelling van voor een van de genoemde vergelijkende onderzoeken geslaagde kandidaten. Uit deze "gerechtelijke bekentenis" blijkt volgens verzoekers, dat zij in feite welomschreven permanente werkzaamheden van vertaler bij de Spaanse vertaalafdeling van de Raad hebben verricht, waarvoor ambten beschikbaar waren die waren opgenomen in de bij de begroting van de Raad gevoegde lijst van het aantal ambten.
15 Verzoekers herinneren aan de rechtspraak van het Hof, volgens welke "het kenmerkend onderscheid tussen een hulpfunctionaris en een tijdelijk functionaris hierin is gelegen, dat de tijdelijk functionaris een in de lijst van het aantal ambten opgenomen vast ambt bekleedt, terwijl de hulpfunctionaris ° behalve wanneer hij ad interim optreedt ° een administratieve werkzaamheid verricht zonder tewerkgesteld te zijn in een op die lijst vermeld ambt" (arrest van 23 februari 1983, gevoegde zaken 225/81 en 241/81, Toledano Laredo en Garilli, Jurispr. 1983, blz. 347, r.o. 6).
16 Verzoekers menen daarom, dat hun op onwettige wijze het statuut van hulpfunctionaris is toebedeeld en dat de Raad hun overeenkomstig de bepalingen van het Statuut en van de RAP het statuut van tijdelijk functionaris had moeten toekennen.
17 Volgens verzoekers vormt de bekentenis van de gemachtigde van de Raad kennelijk een nieuw feit van wezenlijk belang, waardoor een nieuwe termijn is ingegaan voor een beroep tegen het besluit van de Raad van 16 juni 1986 om hen aan te stellen als hulpfunctionaris met de functie van Spaanstalig vertaler ter vervulling van in de lijst van het aantal ambten van de Raad opgenomen vaste ambten.
18 De Raad betoogt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut bepaalde dwingende beroepstermijnen van openbare orde zijn en dienen om de zekerheid van rechtssituaties te waarborgen. Noch de partijen noch de rechter ° die ambtshalve de niet-inachtneming ervan moet opwerpen ° kan erover beschikken. Zij vormen geen middel waarvan partijen naar believen gebruik kunnen maken (zie onder meer arrest van 6 december 1990, zaak T-6/90, Petrilli, Jurispr. 1990, blz. II-765), maar "hebben veeleer tot doel de mogelijkheid tot betwisting te beperken, zodat na het verstrijken ervan het betrokken besluit definitief wordt" (conclusie van advocaat-generaal Lenz bij arrest Hof van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3149).
19 De Raad wijst erop, dat elk der verzoekers eerst op 9 april 1992 een klacht heeft ingediend tegen de besluiten van de secretaris-generaal van de Raad van 16 juni 1986 en tegen de latere besluiten tot verlenging van hun contracten van hulpfunctionaris, dus op een tijdstip meer dan drie jaar na het laatste beweerdelijk bezwarende besluit. Een klacht die na een zo lange termijn wordt ingediend, is kennelijk te laat en dus is het beroep niet-ontvankelijk.
20 Met betrekking tot het betoog van verzoekers, dat de heropening van de beroepstermijn een rechtvaardiging vindt in een nieuw feit van wezenlijk belang, te weten de verklaringen van de vertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting van het Gerecht van 15 januari 1992 in de zaken T-24/91 en T-25/91, wijst de Raad erop, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht uitsluitend een nieuw feit van wezenlijk belang dat voor de betrokkene bezwarend kan zijn, een nieuwe termijn kan doen ingaan en grond kan opleveren om een dergelijk verzoek in overweging te nemen (arrest Petrilli, reeds aangehaald).
21 De Raad stelt zich op het standpunt, dat zich in casu geen nieuw feit heeft voorgedaan, omdat de verklaringen van de gemachtigde van de Raad ter terechtzitting van 15 januari 1992 in de zaken T-24/91 en T-25/91 naar hun aard geen wijziging konden brengen in de rechtssituatie van verzoekers. Het feit dat de Raad herinnert aan de feitelijke situatie bij het secretariaat-generaal van de Raad in de periode waarin verzoekers op een contract van hulpfunctionaris en van tijdelijk functionaris waren tewerkgesteld, kan geen "nieuw feit" vormen dat een heronderzoek van hun administratieve positie rechtvaardigt.
Beoordeling door het Gerecht
22 Vooraf moet worden opgemerkt, dat de mededeling aan het personeel nr. 210/83 van het secretariaat-generaal van de Raad van 29 november 1983 (hierna: "mededeling aan het personeel nr. 210/83"), betreffende de "Pensioenrechten van ambtenaren met een contract als hulpfunctionaris voor hun benoeming tot tijdelijk functionaris of ambtenaar", het volgende bepaalt:
"1. Naar aanleiding van de recente rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het karakter van contracten van tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen, heeft de administratie de mogelijkheid onderzocht om aan bepaalde (oude) contracten van hulpfunctionaris het karakter toe te kennen van een contract van tijdelijk functionaris (arrest van het Hof van 23 februari 1983, Toledano Laredo, gevoegde zaken 225/81 en 241/81, Jurispr.1983, blz. 347). Een dergelijke erkenning zou leiden tot gelijkstelling voor de toekenning van pensioenrechten van de diensttijd als hulpfunctionaris bij de instellingen van de Gemeenschap met een overeenkomstige diensttijd als tijdelijk functionaris. In het dispositief van genoemd arrest bepaalde het Hof, dat de erkenning van een contract van hulpfunctionaris als een contract van tijdelijk functionaris mogelijk is onder de dubbele voorwaarde, dat in de eerste plaats wordt bewezen dat met de verrichte werkzaamheden overeenkomende ambten in de lijst van het aantal ambten van de instelling waren opgenomen en opengevallen, en in de tweede plaats dat de taken die als hulpfunctionaris zijn verricht, niet van voorbijgaande aard waren, met andere woorden dat het vaste taken in dienst van de Gemeenschappen betrof.
2. (omissis)
3. (omissis)
4. Alvorens te kunnen concluderen tot de mogelijkheid van gelijkstelling van een diensttijd als hulpfunctionaris met een overeenkomstige periode van werkzaamheid als hulpfunctionaris, moet de administratie echter ieder individueel dossier onderzoeken en toetsen aan de door het Hof gehanteerde criteria, namelijk enerzijds of de functionaris gedurende zijn diensttijd als hulpfunctionaris was tewerkgesteld op een in de lijst van het aantal ambten van de instelling opgenomen ambt, en anderzijds of de betrokkene vaste taken in dienst van de Gemeenschappen heeft verricht."
23 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekers op 24 november 1989 op grond van de bekendmaking van deze mededeling van de Raad een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut hebben ingediend om aan hun oude contract van hulpfunctionaris het karakter van een contract van tijdelijk functionaris toe te kennen volgens de twee criteria genoemd onder punt 4 van de mededeling aan het personeel nr. 210/83.
24 Waar de Raad bij genoemde besluiten van 27 juli 1990 met betrekking tot de pensioenrechten gunstig heeft beschikt op het verzoek van elk der verzoekers om hun contract van hulpfunctionaris gelijk te stellen met een contract van tijdelijk functionaris, is het duidelijk dat de Raad daarmee impliciet doch noodzakelijkerwijs heeft erkend, dat verzoekers aan genoemde criteria voldeden.
25 Hieruit volgt, dat verzoekers uiterlijk vanaf de besluiten van de Raad van 27 juli 1990, waarin werd erkend dat zij voldeden aan de in de mededeling aan het personeel nr. 210/83 genoemde criteria, kennis hadden van het feit dat zij van 16 juni 1986 tot en met 31 maart 1989 als hulpfunctionaris waren tewerkgesteld in een ambt dat was opgenomen in de lijst van het aantal ambtenaren, en vaste taken in dienst van de Gemeenschappen hadden verricht.
26 De stelling van verzoekers, dat zij eerst uit de opmerkingen van de gemachtigde van de Raad ter terechtzitting van 15 januari 1992 in de zaken T-24/91 en T-25/91 kennis hebben gekregen van bovenbedoelde omstandigheden ° door hen aangemerkt als nieuw feit °, is derhalve ongegrond. Anders dan verzoekers stellen, vormde die verklaring geenszins een nieuw feit dat een nieuwe termijn kan doen ingaan voor het instellen van een beroep tegen de besluiten van 16 juni 1986 en de latere besluiten.
27 De bewering van verzoekers inzake het bestaan van een nieuw feit is te minder gegrond, nu zij blijkens de rechtsoverwegingen 30 en 33 van beide voornoemde arresten van het Gerecht van 30 juni 1992, reeds tijdens de schriftelijke behandeling van de zaken T-24/91 en T-25/91 hebben betoogd, dat zij door een fout van de administratie ten onrechte het statuut van hulpfunctionaris hadden gekregen. Het Gerecht heeft dat argument toen afgewezen, omdat het niet binnen het voorwerp van die zaken viel. Wat de gemachtigde van de Raad ook moge hebben verklaard ter terechtzitting van 15 januari 1992, die voorafging aan genoemde arresten van het Gerecht van 30 juni 1992, het is duidelijk dat verzoekers toen reeds kennis hadden van wat zij thans als een nieuw feit aanvoeren.
28 Hieruit volgt, dat de klachten van 9 april 1992 tegen de besluiten van 16 juni 1986 en de latere besluiten waardoor verzoekers tot en met 31 maart 1989 de hoedanigheid van hulpfunctionaris hebben behouden, zijn ingediend na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut, en dat bijgevolg het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 88 van het Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
30 De Raad is van mening, dat de vorderingen van verzoekers vexatoir zijn, en verzoekt om toepassing van artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, kan veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten, die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. De Raad meent, dat de onderhavige zaak in feite enkel en alleen uit "inhaligheid" aanhangig is gemaakt en dat het ontoelaatbaar is dat hulpfunctionarissen drie jaar nadat zij hun opeenvolgende contracten vrijwillig hebben ondertekend, opkomen tegen hun aanwervings- en salariëringsvoorwaarden.
31 Het Gerecht is van oordeel, dat hoewel het betoog van de Raad niet geheel ongegrond is, daar het onderhavige beroep getuigt van een betreurenswaardig querulantisme, de door het beroep aan de Raad opgekomen kosten toch niet als nodeloos of vexatoir in de zin van genoemde bepaling van het Reglement voor de procesvoering kunnen worden aangemerkt.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 23 maart 1993.
Full & Egal Universal Law Academy