Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Procedure ° Inleidend verzoekschrift ° Vormvereisten ° Identificatie van voorwerp van geschil ° Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 19; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tegen regelgevende handeling ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Vordering tot schadevergoeding verbonden met vordering tot nietigverklaring ° Niet-ontvankelijkheid van vordering tot nietigverklaring, die niet-ontvankelijkheid van vordering tot schadevergoeding meebrengt
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
1. Niet-ontvankelijk is een verzoekschrift dat, wat de vordering tot nietigverklaring betreft, niet de identificatie toelaat van de handeling die de verzoeker nietig verklaard wenst te zien, en wat de vordering tot schadevergoeding betreft, niet de identificatie toelaat van het handelen of nalaten van de administratie, dat de door de verzoeker gestelde schade zou hebben veroorzaakt.
Een dergelijk verzoekschrift voldoet immers niet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat verlangt dat het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevat.
2. In het kader van de beroepswegen van het Statuut is niet-ontvankelijk een beroep tot nietigverklaring van een verordening van algemene strekking, die niet op één lijn kan worden gesteld met een besluit van de administratie dat, hoewel genomen in de vorm van een verordening, de verzoeker rechtstreeks en individueel raakt.
3. Wanneer een ambtenaar een beroep instelt dat enerzijds strekt tot nietigverklaring van een handeling van de administratie en anderzijds tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van die handeling stelt te hebben geleden, hangen die vorderingen zo nauw met elkaar samen, dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de schadevordering.
Partijen
In zaak T-72/92,
H. Benzler, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Terhulpen (België), vertegenwoordigd door M. Slusny, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de door verweerster genomen besluiten, alsmede tot veroordeling van verweerster tot betaling van een vergoeding voor de materiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, H. Benzler, is ambtenaar van de Commissie. Hij is tewerkgesteld in Brussel en ontvangt zijn salaris in Belgische franken. Op grond van een salariscessie waarin verzoeker heeft toegestemd ten gunste van de Duitse financieringsinstelling Beamtenheimstaettenwerk-BHW (hierna: "BHW"), die leningen verstrekt bij de bouw of aankoop van onroerend goed, maakt de Commissie sinds een aantal jaren maandelijks voor rekening van verzoeker bedragen in Duitse marken over aan BHW. Ook wordt sinds een aantal jaren voor rekening van verzoeker een maandelijkse verzekeringspremie overgemaakt aan een verzekeringsmaatschappij, die, bij overlijden van de lener, het nog aan BHW verschuldigde saldo garandeert.
2 Bij brief van 24 februari 1992, met de aanhef "Klacht", wees verzoeker erop, dat hij financieel nadeel had geleden door de toepassing van een onjuiste aanpassingscoëfficiënt. Hij verzocht om vergoeding van de geleden schade en toepassing van een hogere aanpassingscoëfficiënt.
3 Op 21 mei 1992 vroeg verzoeker de afdeling Bezoldigingen, met onmiddellijke ingang een gedeelte van zijn salaris, namelijk 20 DM per maand, over te maken op zijn rekening bij het Postgiroamt Essen.
4 Bij nota van 25 mei 1992 deelde de directeur van het directoraat Rechten en verplichtingen van het directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van de Commissie verzoeker mee, dat de Commissie niet voornemens was een formeel antwoord op zijn "klacht" te geven, en dat zij dat stuk zou klasseren, met het gevolg dat de klacht op 26 juni 1992 moest worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen.
5 Op 22 juli 1992 diende verzoeker een "klacht" in tegen de "inhouding van een excessief bedrag wegens het overmaken van Duitse marken naar Duitsland" bij de uitvoering van zijn verzoek van 21 mei 1992.
6 Bij nota van 20 augustus 1992 deed een afdelingshoofd van het directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van de Commissie aan verzoeker weten, dat de Commissie van oordeel was, dat de klacht van 22 juli 1992 identiek was aan die van 24 februari 1992; hij herinnerde hem eraan, dat hij tot 26 september 1992 beroep kon instellen.
Procesverloop en conclusies van partijen
7 Onder die omstandigheden heeft verzoeker bij op 21 september 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld. Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) de door de wederpartij genomen besluiten nietig en van onwaarde te verklaren;
2) de wederpartij te veroordelen verzoeker ter zake van materiële schade een bedrag van 200 000 BFR te betalen;
3) de wederpartij te veroordelen tot betaling van 8 % rente over bovengenoemde schadevergoeding;
4) de wederpartij te veroordelen in de kosten van het geding.
8 Bij op 23 oktober 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, stellende, in de eerste plaats, dat het verzoekschrift enerzijds niet voldoet aan de vereisten van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering en, in de tweede plaats, dat er geen correcte precontentieuze procedure is gevolgd. Met betrekking tot de schadevordering stelt de Commissie, dat verzoeker bedragen heeft meegerekend die betaald zijn op basis van definitief geworden afrekeningen. De Commissie verzoekt het Gerecht, uitspraak te doen op de exceptie zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
9 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° te beslissen over de kosten naar recht.
10 Bij op 21 januari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie concludeert verzoeker tot verwerping van de door de Commissie opgeworpen exceptie.
De ontvankelijkheid van het beroep
11 Het Gerecht is van oordeel, dat het over de niet-ontvankelijkheid kan beslissen overeenkomstig artikel 114, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering. Het acht zich voldoende voorgelicht door de processtukken, zodat er geen reden is om over te gaan tot mondelinge behandeling, en meent, dat eerst het middel van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan schending van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering, moet worden onderzocht.
Argumenten van partijen
12 De Commissie stelt in de eerste plaats, dat verzoeker in strijd met de vereisten van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in zijn verzoekschrift niet heeft aangegeven, tegen welke besluiten het beroep gericht is. Zij vraagt zich af, of het gaat om verzoekers salarisafrekening over juli 1992, die bij het verzoekschrift is gevoegd, dan wel om die van januari 1992 of die van februari 1992.
13 De schadevordering is volgens de Commissie niet-ontvankelijk, omdat het verzoekschrift, in strijd met hetzelfde artikel, geen summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevat. Verzoeker spreekt nergens van een onrechtmatig handelen van de Commissie.
14 In antwoord op het eerste argument van de Commissie zegt verzoeker, dat de klacht van 24 februari 1992, die is verworpen bij het stilzwijgend genomen besluit van 26 juni 1992, gericht was tegen het feit dat de Commissie voor de betrokken boekhoudkundige verrichtingen een wisselkoers heeft gebruikt die niet gebaseerd is op het Ambtenarenstatuut en die minder gunstig is dan die welke uit een juiste toepassing van het Statuut zou voortvloeien. De strekking van die klacht was, de annulering te verkrijgen van een eerdere handeling, te weten dat gedeelte van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 3834/91 van de Raad van 19 december 1991 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 1991 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 1991, L 361, blz. 13), waarin was besloten tot toepassing van een onjuiste aanpassingscoëfficiënt. Volgens verzoeker wordt het voorwerp van het geding, te weten verordening nr. 3834/91, dus wel degelijk in het verzoekschrift vermeld.
15 In antwoord op het tweede argument van de Commissie betoogt verzoeker, dat hij duidelijk heeft aangetoond dat de administratie onrechtmatig heeft gehandeld door een onjuiste aanpassingscoëfficiënt toe te passen. Bijgevolg moet ook de schadevordering ontvankelijk worden verklaard, gelet op de op bladzijde 2 van het verzoekschrift genoemde bedragen.
Beoordeling door het Gerecht
16 Artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering vermeldt de voorwaarden waaraan een aan het Gerecht voorgelegd verzoekschrift moet voldoen. Lid 6 van dat artikel laat herstel van verzuimen slechts toe indien het verzoekschrift niet aan de in de leden 3 tot en met 5 vermelde voorwaarden beantwoordt. Niet-inachtneming van artikel 44, lid 1, sub c, bepalende dat het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, leidt tot formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift.
17 Het onderhavige verzoekschrift luidt als volgt:
"1. Uiteenzetting van de feiten
1) Verzoeker verwijst naar de bekendmakingen in het Publikatieblad L 361-15 van 31.12.1991 (verordeningen nr. 3830/91 en nr. 3834/91); deze zijn door de Commissie ter kennis van de ambtenaren gebracht en verzoeker heeft er kennis van gekregen op 24.2.1992 (bijlage 1).
2) Verzoeker heeft de redenen van zijn klacht van 22.7.1992 vermeld (bijlage 2).
3) Voorts heeft verzoeker in zijn klacht van 22.7.1992 verzocht een gedeelte van zijn salaris, ten bedrage van 20 DM, maandelijks af te trekken (bijlage 2 bis).
4) Verzoeker beroept zich voorts op een document van juli 1992, waarin het bedrag van 20 DM wordt genoemd, met de preciseringen vermeld in bijgevoegd document (bijlage 3).
5) De administratie verklaart bij schrijven van H. Richardson van 25.5.1992, dat de klacht zal worden geklasseerd zonder verder gevolg (bijlage 4).
Deze tekst bevat een ongerechtvaardigde weigering van de zijde van de administratie, welke in strijd is met Publikatieblad L 361-14 van 31.12.1992, artikel 2, punt 2.
2. Argumenten rechtens
1) Verzoeker verwijst naar de punten die hij heeft ontwikkeld in bijlage 1, 1)-4).
Om bovengenoemde redenen en alle andere daaruit af te leiden, nader aan te voeren of ook ambtshalve aan te vullen middelen concludeert verzoeker, die de Commissie van de Europese Gemeenschappen aanwijst als wederpartij, dat het het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen behage (...)" (Zie r.o. 7 supra.)
18 Wat de conclusies tot nietigverklaring betreft, blijkt hieruit, dat het verzoekschrift zonder enige specificatie en in verwarde en onduidelijke bewoordingen enkel verwijst naar besluiten van de Commissie, zodat niet duidelijk kan worden vastgesteld, op welk door het tot aanstelling bevoegd gezag jegens verzoeker genomen besluit of besluiten het verzoekschrift betrekking heeft.
19 Bijgevolg voldoet het verzoekschrift wat de conclusies tot nietigverklaring betreft, niet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering.
20 Zelfs indien het Gerecht rekening zou kunnen houden met de precisering in verzoekers opmerkingen over de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, te weten dat het beroep is gericht tegen verordening nr. 3834/91, moet worden vastgesteld, dat volgens vaste rechtspraak een beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is wanneer het is ingesteld tegen een verordening van algemene strekking die niet op één lijn kan worden gesteld met een besluit dat, hoewel genomen in de vorm van een verordening, verzoeker rechtstreeks en individueel raakt (zie met name beschikking Hof van 10 november 1981, gevoegde zaken 532/79, 534/79, 567/79, 600/79, 618/79 en 660/79, Amesz e.a., Jurispr. 1981, blz. 2569).
21 Wat de vordering tot vergoeding van de door verzoeker beweerdelijk geleden materiële schade betreft, is het vaste rechtspraak, dat wanneer een schadevordering nauw verband houdt met een niet-ontvankelijk verklaarde vordering tot nietigverklaring, de schadevordering eveneens niet-ontvankelijk is, in het bijzonder wanneer zij uitsluitend strekt tot compensatie van "gederfde bezoldiging" die de belanghebbende niet zou hebben gederfd indien hij in zijn beroep tot nietigverklaring was geslaagd (zie met name arrest Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35, r.o. 38, en de aldaar aangehaalde rechtspraak van het Hof).
22 In casu vordert verzoeker vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door beweerdelijk onwettige handelingen van verweerster, waarvan hij eveneens nietigverklaring vordert, maar die in zijn verzoekschrift niet voldoende zijn geïdentificeerd. Onder deze omstandigheden is het Gerecht van voordeel, dat voor zover deze schadevordering haar grond vindt in dezelfde gedraging van verweerster als waartegen de vordering tot nietigverklaring is gericht, zij nauw verband houdt met deze laatste en dus evenals deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
23 Maar ook los van de vraag of de schadevordering nauw verband houdt met de vordering tot nietigverklaring, kan aan de hand van de tekst van het verzoekschrift niet worden vastgesteld, welk handelen of nalaten tot aansprakelijkheid van de Commissie zou kunnen leiden en de materiële schade zou hebben veroorzaakt die verzoeker zegt te hebben geleden en die hij zonder enige nadere berekening op 200 000 BFR stelt. Het verzoekschrift voldoet in dit opzicht dus niet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering.
24 Uit het voorgaande volgt, dat het verzoek in volle omvang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist over het andere middel dat de Commissie tegen de ontvankelijkheid van het beroep heeft opgeworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 24 maart 1993.
Full & Egal Universal Law Academy