Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Inleidend verzoekschrift ° Overlegging van legitimatiebewijs van advocaat van verzoeker ° Legitimatiebewijs niet overgelegd bij afloop van termijn voor regularisatie van verzoekschrift ° Niet-inachtneming van wezenlijk vormvoorschrift ° Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 17; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, leden 3 en 6)
Samenvatting
Het vereiste van artikel 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat de advocaat die een partij bijstaat of vertegenwoordigt, een legitimatiebewijs moet overleggen, is een van de voorwaarden voor regelmatigheid van het verzoekschrift. Het vindt zijn rechtvaardiging in de noodzaak, de gemeenschapsrechter in staat te stellen toe te zien op de naleving van artikel 17 van 's Hofs Statuut-EEG, volgens hetwelk andere partijen dan de Lid-Staten moeten worden vertegenwoordigd door een bij de balie van een der Lid-Staten ingeschreven advocaat. Dit vereiste is derhalve een wezenlijk vormvoorschrift, dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift wanneer er aan het einde van de termijn die de belanghebbende voor het regulariseren van zijn verzoekschrift is gesteld, niet aan is voldaan.
Partijen
In zaak T-101/92,
D. Stagakis, wonende te Rethymno (Griekenland),
verzoeker,
tegen
Europees Parlement
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de reservelijst van vergelijkend onderzoek PE/149/LA voor de aanwerving van Griekstalige vertalers, wegens onregelmatig verloop van de examens,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en A. Saggio, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Het onderhavige beroep is ingesteld bij verzoekschrift, geadresseerd aan de griffie van het Hof en aldaar ontvangen op 9 november 1992. Nadat verzoeker bij brief van de griffie van het Hof van 13 november 1992 was verzocht aan te geven, of het beroep was gericht aan het Gerecht van eerste aanleg, en hij dit bij een op 26 november 1992 ter griffie van het Hof ingekomen brief had bevestigd, is het verzoekschrift ingevolge artikel 47, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG doorgezonden naar de griffie van het Gerecht, waar het op 27 november 1992 is ingeschreven.
2 Het verzoekschrift was in één exemplaar ingediend en ging niet vergezeld van een staat van bijgevoegde stukken en bescheiden. Het droeg de handtekening van verzoeker en van Giorgios Dim. Kartalis, met de mededeling dat laatstgenoemde advocaat is. Het bevatte een domiciliekeuze te Luxemburg bij I. Seïtani, Rue des Glacis 42, die bij telefonische navraag van de griffie verklaarde, de met de domiciliekeuze verbonden taken te hebben aanvaard. Bij het verzoekschrift was geen enkel stuk gevoegd waaruit bleek, dat Kartalis bij een balie was ingeschreven. In het verzoekschrift vroeg verzoeker voorts om gratis rechtsbijstand en om ontheffing van de verplichting om in het kader van zijn beroep gebruik te maken van de diensten van een advocaat, zonder evenwel de in het verzoekschrift vermelde verklaringen van de belastingontvanger bij te voegen, waaruit moest blijken dat hij onvermogend was.
3 Na een vergeefse poging om Kartalis rechtstreeks per telefoon te bereiken, verzocht de griffie hem bij een brief van 30 november 1992, die op 2 december 1992 aan de gekozen woonplaats te Luxemburg aan de daartoe aangewezen persoon werd betekend, de verzuimen in het verzoekschrift te herstellen en daartoe uiterlijk op 18 december 1992 bij de griffie te deponeren: een document waaruit blijkt dat hij bij een balie is ingeschreven, een staat van de bijlagen bij het verzoekschrift, en zes voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van het verzoekschrift. In dezelfde brief nodigde de griffie verzoeker uit, zijn verzoek om gratis rechtsbijstand overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in te dienen bij afzonderlijke akte, vergezeld van een verklaring van de bevoegde autoriteiten, waaruit van zijn onvermogen blijkt.
4 Aan deze brief is vóór noch na 18 december 1992 enig gevolg gegeven.
5 Op 22 december 1992 diende verzoeker een stuk in, getiteld "bezwaarschrift" en gericht aan "de commissie voor bezwaarschriften (Gerecht van eerste aanleg ° Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen)", waarin een aantal punten uit het verzoekschrift werden verbeterd en aangevuld, maar waarvan de tekst voor het overige gelijk was aan die van het verzoekschrift. Bij dit nieuwe stuk, dat eveneens door verzoeker en Kartalis was getekend, bevond zich geen legitimatiebewijs van de advocaat, geen staat van bijlagen en evenmin inlichtingen of documenten waaruit van het onvermogen van verzoeker bleek. Het is in het register ingeschreven als corrigendum op het verzoekschrift.
6 Ingevolge artikel 43, leden 1 en 4, van het Reglement voor de procesvoering dient elk processtuk vergezeld te gaan van een staat van de stukken en bescheiden waarop een beroep wordt gedaan en die als bijlagen zijn bijgevoegd, en moet het worden ingediend met vijf afschriften voor het Gerecht. Op grond van artikel 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering is de advocaat die een partij bijstaat of vertegenwoordigt, gehouden ter griffie een legitimatiebewijs te deponeren waaruit blijkt, dat hij bij een balie van een Lid-Staat is ingeschreven.
7 Het vereiste van artikel 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering om een legitimatiebewijs over te leggen, is een van de voorwaarden voor de regelmatigheid van het verzoekschrift. Bij niet-inachtneming daarvan wordt ingevolge artikel 44, lid 6, een redelijke termijn bepaald om de verzuimen te herstellen en het betrokken stuk over te leggen. Vindt overlegging niet binnen de gestelde termijn plaats, dan beslist het Gerecht, of het niet in acht nemen van bedoelde voorwaarde tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leidt.
8 Het vereiste om een legitimatiebewijs over te leggen, vindt zijn rechtvaardiging in de noodzaak het Gerecht in staat te stellen, toe te zien op de naleving van artikel 17 van 's Hofs Statuut-EEG, volgens hetwelk andere partijen dan de Lid-Staten moeten worden vertegenwoordigd door een bij de balie van een der Lid-Staten ingeschreven advocaat. Dit vereiste is dus een wezenlijk vormvoorschrift, waarvan de niet-inachtneming leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
9 Het Gerecht stelt allereerst vast, dat het onderhavige verzoekschrift niet voldoet aan artikel 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering.
10 Vervolgens constateert het, dat verzoeker, bij een brief die aan zijn Luxemburgse domicilie aan de daartoe aangewezen persoon is betekend, naar behoren is verzocht aan de vereisten van dat artikel te voldoen, dat hij daartoe over een redelijke termijn beschikte en dat hij desondanks geen enkel stuk heeft overgelegd aan de hand waarvan het Gerecht kan verifiëren, of Kartalis bij de balie van een van de Lid-Staten is ingeschreven.
11 Het beroep moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
12 Daar deze beschikking is gegeven voordat het verzoekschrift aan verweerder is betekend en voordat deze kosten heeft kunnen maken, kan met betrekking tot de kosten worden volstaan met de beslissing, dat verzoeker zijn eigen kosten zal dragen.
13 Het verzoek om gratis rechtsbijstand, dat niet vergezeld was van de inlichtingen en stukken die artikel 94, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering verlangt, moet worden afgewezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker zal zijn eigen kosten dragen.
3) Het verzoek om rechtsbijstand wordt afgewezen.
Luxemburg, 8 februari 1993.
Full & Egal Universal Law Academy