Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Voorlopige maatregelen ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Zuiver geldelijke schade
(EEG-Verdrag, art. 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
Het spoedeisend karakter van een verzoek in kort geding als bedoeld in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
Zuiver geldelijke schade kan in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar worden beschouwd, aangezien zij naar haar aard later financieel kan worden vergoed. De rechter in kort geding dient echter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval na te gaan, of de verzoeker, zonder de gevraagde voorlopige maatregelen, een schade dreigt te leiden die na de eventuele nietigverklaring van de bestreden besluiten in de bodemprocedure niet meer kan worden goedgemaakt.
Partijen
In zaak T-115/92 R,
A. Hogan, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Senningerberg (Luxemburg), vertegenwoordigd door S. Giorgi, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, Rue des Bains 5,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos, bijgestaan door E. Perillo en E. Vandenbosch, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om bij wege van voorlopige maatregel de hervatting te gelasten van de uitbetaling van de toelage waarop de gelijkstelling van elk van beide ouders van verzoekster met een kind ten laste recht zou geven,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 december 1992, heeft verzoekster krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 13 augustus 1992 houdende afwijzing van haar klacht tegen het besluit van 22 april 1992, waarbij het tot aanstelling bevoegd gezag had geweigerd elk van beide ouders van verzoekster gelijk te stellen met een kind ten laste, hetgeen recht zou geven op de in artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut bedoelde toelage, alsmede tot nietigverklaring van de daaraan ten grondslag liggende of daaruit voortvloeiende besluiten, met name het uitdrukkelijk besluit van 7 december 1992 houdende afwijzing van haar "repliek" van 27 augustus 1992.
2 Bij op 2 februari 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft het Europees Parlement (hierna: Parlement) een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het door verzoekster ingestelde beroep opgeworpen, op grond dat dit niet is ingesteld binnen de in artikel 91, lid 3, van het Statuut bepaalde termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van het op de klacht genomen besluit.
3 Bij op 19 februari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster verzocht om een voorlopige maatregel in de vorm van een bevel tot hervatting, onder voorbehoud van eventuele terugvordering, van de "Onderhoudstoelage voor haar ouders" vanaf april 1992, subsidiair vanaf mei 1992 of, meer subsidiair, vanaf augustus 1992.
4 Het Parlement heeft op 9 maart 1993 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
5 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, moet worden herinnerd aan de context van deze zaak en met name aan de belangrijkste feiten die eraan ten grondslag liggen, zoals die blijken uit de memories van partijen.
6 Bij brief van 16 maart 1992 heeft verzoekster gevraagd om verlenging van de gelijkstelling van haar beide ouders met een kind ten laste. Verzoekster had namelijk van 1 april 1990 tot en met 31 maart 1991 en van 1 april 1991 tot en met 31 maart 1992 de toelage ontvangen waarop die gelijkstelling recht geeft.
7 Bij brief van 22 april 1992 deelde de afdeling Personeelszaken van het Parlement verzoekster mee, dat zij niet voldeed aan alle voorwaarden van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, aangezien uit het dossier bleek, dat de in aanmerking genomen "onderhoudslast" minder dan 20 % van haar belastbaar salaris bedroeg en dus geen "zware last" in de zin van het Statuut vormde.
8 Op 12 mei 1992 diende verzoekster bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut in tegen het jegens haar genomen besluit. Deze klacht werd afgewezen bij brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 13 augustus 1992; wel werd voldaan aan verzoeksters verzoek om duidelijke informatie over de berekening van de "onderhoudslast" en het "belastbaar salaris", waarnaar in het besluit van 22 april 1992 werd verwezen.
9 Na ontvangst van die inlichtingen deed verzoekster op 27 augustus 1992 het tot aanstelling bevoegd gezag een "repliek" toekomen, waarin zij, kort gezegd, de voor de berekening van de "onderhoudslast" en het "belastbaar salaris" in aanmerking genomen feiten betwistte en verzocht om onmiddellijke hervatting van de betalingen. Bij brief van 7 december 1992 antwoordde de secretaris-generaal van het Parlement aan verzoekster, dat hij het genomen besluit enkel maar kon bevestigen, aangezien de in haar brief van 27 augustus 1992 uiteengezette bezwaren reeds uitdrukkelijk waren beantwoord in zijn brief van 13 augustus 1992.
In rechte
10 Ingevolge de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag juncto artikel 4 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten of de noodzakelijke voorlopige maatregelen treffen.
11 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat een verzoek tot verkrijging van voorlopige maatregelen, bedoeld in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag, een duidelijke omschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter dragen in die zin, dat zij niet vooruitlopen op de beslissing ten gronde (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 15 december 1992, zaak T-96/92 R, CCE de la Société générale des Grandes Sources, Jurispr. 1992, blz. II-2579).
Argumenten van partijen
12 In haar verzoek om voorlopige maatregelen beperkt verzoekster zich tot het betoog, dat de toelage voor een met een kind ten laste gelijkgestelde persoon een spoedeisende uitgave is die wegens haar onderhoudskarakter geen uitstel kan lijden. Verzoekster meent voorts dat, enerzijds, de fumus boni juris, het aan uitstel verbonden gevaar en het risico van ander ernstig en onherstelbaar nadeel bewezen zijn, en dat, anderzijds, zo haar vorderingen in het hoofdgeding zouden worden verworpen, het tot aanstelling bevoegd gezag op basis van artikel 85 van het Statuut gemakkelijk terugbetaling van het onverschuldigd betaalde kan verkrijgen.
13 Het Parlement begint met te zeggen dat, gezien het vergevorderde stadium van de behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid in het hoofdgeding, voorkomen moet worden dat verzoekster, via een na de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend verzoek om voorlopige maatregelen, de rechter in kort geding kan dwingen over te gaan tot een ° zij het ook prima facie ° onderzoek van dat wat het Gerecht volgens bedoelde exceptie juist niet zou moeten onderzoeken.
14 Verweerder betwist voorts dat de toelage voor een met een kind ten laste gelijkgesteld persoon een onderhoudskarakter heeft, en betoogt dat die toelage een gezinstoelage is in de zin van artikel 67 van het Statuut, die in het algemeen uitsluitend aan de belanghebbende ambtenaar wordt uitbetaald en geen ander doel kan hebben dan het deze financiëel gemakkelijker te maken om te voldoen aan zijn wettelijke onderhoudsverplichtingen jegens derden.
15 Ten slotte meent het Parlement, dat verzoekster niet heeft aangetoond, in hoeverre het nadeel dat zij zegt te hebben geleden of te zullen lijden, ernstig en onherstelbaar is; verzoekster en haar echtgenoot beschikken immers over ruim voldoende inkomen om aan hun wettelijke onderhoudsverplichtingen te kunnen voldoen.
Beoordeling van de rechter in kort geding
16 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het spoedeisend karakter van een verzoek in kort geding als bedoeld in artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
17 Daarbij moet erop worden gewezen, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name beschikking van de president van het Gerecht van 23 november 1990, zaak T-45/90 R, Speybrouck, Jurispr. 1990, blz. II-705) zuiver geldelijke schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, aangezien zij naar haar aard later financiëel kan worden vergoed. De rechter in kort geding dient echter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval na te gaan, of verzoekster, zonder de gevraagde voorlopige maatregelen, een schade dreigt te leiden die na de eventuele nietigverklaring van de bestreden besluiten in de bodemprocedure niet meer kan worden goedgemaakt.
18 Blijkens het dossier bedroeg verzoeksters netto maandsalaris, vóór de salarisaanpassing van eind 1992, 126 356 BFR en de maandelijkse bijdrage aan haar ouders 37 000 BFR.
19 Bij artikel 1, sub b, tweede streepje, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 3761/92 van 21 december 1992 houdende aanpassing, vanaf 1 juli 1992, van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (PB 1992, L 383, blz. 1), is het bedrag van de toelage voor een kind ten laste vastgesteld op 7 959 BFR per maand. Indien haar beide ouders werden gelijkgesteld met een kind ten laste, zou verzoekster dus recht hebben op een toelage ten bedrage van 15 918 BFR per maand.
20 Gezien het voorgaande en nu verzoekster verder niets heeft aangevoerd waaruit van spoedeisendheid blijkt, moet worden opgemerkt, dat de extra financiële last die verzoekster door de afwijzing van haar verzoek om de toelage tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak zal hebben te dragen, te weten 15 918 BFR per maand, voor haar geen ernstige en onherstelbare schade kan opleveren, zelfs wanneer het inkomen van haar echtgenoot buiten beschouwing wordt gelaten.
21 Zonder dat behoeft te worden nagegaan of verzoeksters beroep in de hoofdzaak voorshands gegrond voorkomt, moet worden vastgesteld, dat niet is voldaan aan de voorwaarden rechtens voor toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen en dat het verzoek bijgevolg moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 23 maart 1993.
Full & Egal Universal Law Academy