Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Bestaan van bezwarend besluit ° Verplichting direct klacht in te dienen ° Termijnen ° Van openbare orde
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Besluit met rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor rechtspositie van belanghebbende
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Onderscheid tussen klacht en verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Statuut ° Onderscheid ter beoordeling van rechter
(Ambtenarenstatuut, art. 90, leden 1 en 2)
Samenvatting
1. De klacht- en beroepstermijnen zijn van openbare orde en ook wanneer de administratie in de precontentieuze fase is ingegaan op door verzoeker aangevoerde argumenten, is het Gerecht toch niet ontslagen van de verplichting de ontvankelijkheid van het beroep te toetsen aan de statutaire termijnbepalingen.
De ambtenaar die om nietigverklaring, herziening of intrekking van een hem bezwarend besluit wil verzoeken, dient direct een klacht tegen dat besluit in te dienen en ook al kan hij de administratie verzoeken jegens hem een besluit in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut te nemen, dit veroorlooft hem niet, af te wijken van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde klacht- en beroepstermijnen.
2. Een als antwoord op een verzoek van een ambtenaar genomen besluit waarin ondubbelzinnig de wil van de administratie tot uitdrukking komt om de belanghebbende een statutaire toelage te weigeren, en waarin duidelijk de bepalingen worden genoemd waarop die weigering is gebaseerd, vormt voor de belanghebbende een bezwarend besluit voor zover het rechtstreeks en onmiddellijk afbreuk doet aan zijn rechtspositie.
3. De kwalificatie van een brief of nota als "verzoek" dan wel als "klacht" staat uitsluitend ter beoordeling van de rechter en is niet afhankelijk van de wil van de partijen.
Er is sprake van een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in het geval van een nota waarin een ambtenaar duidelijk doet blijken van zijn bedoeling de weigering van de administratie om hem een statutaire toelage toe te kennen, te betwisten, en waarin hij de administratie uitnodigt haar besluit te motiveren en om toelichting vraagt met betrekking tot de berekeningen waarop de administratie de weigering heeft gebaseerd. Immers, het verzoek om motivering kan hoogstens worden opgevat als de uitdrukking van een grief wegens het gebrek aan motivering van de weigering, en het verzoek om toelichtingen is geen zelfstandig verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut. Het is een onderdeel van de tegen die weigering aangevoerde grieven, ook al heeft de administratie, in haar afwijzing van de klacht, de gegrondheid ervan erkend en de belanghebbende uitgenodigd zich voor de gewenste preciseringen tot het bevoegde gezag te wenden.
Partijen
In zaak T-115/92,
A. Hogan, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Senningerberg (Luxemburg), vertegenwoordigd door S. Giorgi, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, Rue des Bains 5,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos, bijgestaan door E. Perillo en E. Vandenbosch, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement houdende weigering om aan verzoekster, ten gunste van haar ouders, de toelage voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen toe te kennen, en tot veroordeling van het Parlement om haar bedoelde toelage te betalen vanaf 1 april 1992, subsidiair 1 mei 1992,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, R. Schintgen en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoekster A. Hogan is sinds 30 juni 1974 ambtenaar in de rang C 1 bij het Europees Parlement (hierna: "Parlement").
2 Bij besluit van het hoofd van de afdeling Personeelszaken van 16 mei 1990 stelde het Parlement verzoekster overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut in het genot van de toelage voor personen ° haar ouders ° gelijkgesteld met ten laste komende kinderen, voor het tijdvak van 1 april 1990 tot 31 maart 1991.
3 Bij besluit van 9 oktober 1991 werd deze toelage hernieuwd voor het tijdvak van 1 april 1991 tot 31 maart 1992.
4 Op de door verzoekster op 16 maart 1992 ingediende aanvraag om hernieuwing voor het tijdvak na 1 april 1992 antwoordde de afdeling Personeelszaken van het Parlement bij brief van 22 april 1992 afwijzend, op grond dat verzoekster niet voldeed aan alle voorwaarden van de algemene bepalingen ter uitvoering van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, aangezien de door de administratie in haar geval in aanmerking genomen onderhoudslast van 8 312 BFR minder dan 20 % van haar belastbaar salaris, namelijk 10 295 BFR bedroeg, en voor haar dus geen zware last in de zin van het Statuut vormde.
5 Op 12 mei 1992 diende verzoekster bij het tot aanstelling bevoegde gezag een "Klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut tegen besluit nr. 12869 van de afdeling Personeelszaken van het Parlement van 22 april 1992" in, waarin zij opkwam tegen de weigering om haar, ten behoeve van haar ouders, de toelage voor een ten laste komend kind toe te kennen, en verzocht om herziening van dit besluit en onmiddellijke hervatting van de uitkering vanaf 1 april 1992, behoudens eventuele latere terugvordering van het onverschuldigd betaalde. Subsidiair verzocht zij om een toelichting op de berekeningen op grond waarvan bedoeld besluit was genomen.
6 Bij brief van 13 augustus 1992 berichtte de secretaris-generaal van het Parlement aan verzoekster, dat haar bezwaren tegen het besluit van 22 april 1992, houdende weigering om haar, ten behoeve van haar ouders, de toelage voor een ten laste komend kind toe te kennen, niet gegrond waren, omdat ingevolge de Luxemburgse wet inzake bedoelde onderhoudsverplichting ook haar echtgenoot een onderhoudsplicht jegens haar ouders had en volgens de algemene uitvoeringsbepalingen bij de berekening van het beschikbaar inkomen ook rekening moest worden gehouden met zijn invaliditeitspensioen. Voorts kon het verzoek om onmiddellijke hervatting van de betaling van de toelage niet worden ingewilligd, aangezien het besluit tot toekenning was verlopen en niet was hernieuwd. Daarentegen achtte de secretaris-generaal haar verzoek om een toelichting op de berekening van de onderhoudslast en het belastbare salaris, waarnaar het besluit van 22 april verwees, gegrond en stelde hij haar voor ter zake contact op te nemen met de administratie.
7 Op 19 augustus 1992 ontving verzoekster een document getiteld "Gelijkstelling", opgesteld op 7 april 1992, dat een overzicht bevat van de door het Parlement uitgevoerde berekeningen.
8 Op 27 augustus 1992 zond verzoekster aan het tot aanstelling bevoegd gezag haar "Repliek op de nota van de secretaris-generaal van 13 augustus 1992 houdende bevestiging van zijn besluit van 22 april 1992", waarin zij in de eerste plaats bezwaar maakte tegen de rechtsgrondslag waarop de administratie haar berekeningen had gebaseerd, dat wil zeggen toepassing van Luxemburgs recht op haar geval, zodat rekening was gehouden met het inkomen van haar echtgenoot, en in de tweede plaats tegen de weigering, om bij wijze van voorlopige maatregel en behoudens eventuele terugvordering van het onverschuldigd betaalde, betaling te gelasten van de betrokken toelage.
9 Op 7 december 1992 antwoordde de secretaris-generaal van het Parlement op verzoeksters nota van 27 augustus 1992, dat hij het genomen besluit slechts kon bevestigen, aangezien de in die nota opgeworpen bezwaren reeds waren behandeld in zijn met redenen omklede antwoordbrief van 13 augustus 1992.
10 Daarop heeft verzoekster bij op 31 december 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
11 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 2 februari 1993, heeft het Parlement op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
12 In haar schriftelijke opmerkingen, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 19 februari 1993, concludeert verzoekster tot verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid.
13 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 februari 1993, heeft zij een verzoek ingediend om voorlopige maatregelen, inhoudende een bevel tot hervatting, behoudens eventuele terugvordering van het onverschuldigd betaalde, van de "onderhoudstoelage voor haar ouders" vanaf april 1992, subsidiair vanaf mei 1992, meer subsidiair vanaf augustus 1992.
14 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 23 maart 1993 (zaak T-115/92 R, Hogan, Jurispr. 1993, blz. II-339) is het verzoek in kort geding afgewezen op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen, daar de financiële last die verzoekster tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak door de afwijzing van haar verzoek om een toelage had te dragen, voor haar geen ernstig en onherstelbaar nadeel kon meebrengen ongeacht of het inkomen van haar echtgenoot in aanmerking werd genomen.
Conclusies van partijen
15 Verzoekster concludeert in haar verzoekschrift, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) nietig te verklaren het besluit van het Parlement van 13 augustus 1992 en alle handelingen waarop dit berust of die daarmee verband houden en daaruit voortvloeien en/of waarop het is gebaseerd, aangezien zij een gebrek vertonen, inzonderheid wegens onwettigheid, overschrijding van bevoegdheid en onvoldoende motivering; mitsdien te verstaan, dat:
° het door het tot aanstelling bevoegd gezag van het Parlement aangenomen geval van een gedeelde alimentatieverplichting in casu niet van toepassing is;
° de verlaging van de onderhoudslast van 23 089 BFR tot 8 312 BFR bijgevolg willekeurig is;
° verzoekster in ieder geval recht heeft op toepassing van de bepalingen van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut ten gunste van haar ouders, aangezien de benedendrempel van 15 442 BFR lager is dan de feitelijke onderhoudslast;
3) het Parlement te veroordelen, haar de omstreden toelage toe te kennen met de daarop gevallen rente, inzonderheid de bankrente, rekening houdend met de waardevermindering van de valuta over het tijdvak van april 1992 tot december 1992 subsidiair het tijdvak van mei 1992 tot december 1992;
4) verweerder te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding voor de procedure alsmede de kosten van het onderhavige geding, en betaling daarvan te gelasten aan verzoekster of haar advocaat op het aangegeven adres;
subsidiair te verstaan, dat het afhankelijk stellen van de toekenning van bedoelde toelage van het bezit van een bepaalde nationaliteit of woonplaats met uitsluiting van ambtenaren met een andere nationaliteit (of woonplaats) inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling, het beginsel van de meest gunstige behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, voorzien in het Statuut.
16 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep in zaak T-115/92 niet-ontvankelijk te verklaren;
2) uitspraak te doen over de kosten overeenkomstig de artikelen 87, lid 2, en 88 van het Reglement voor de procesvoering.
17 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster, dat het het Gerecht behage:
1) primair, de door het tot aanstelling bevoegd gezag op 2 februari 1993 opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, voor zover die betrekking heeft op het verzoek om een toelage vanaf april 1992;
2) subsidiair, genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, voor zover die betrekking heeft op het verzoek om een toelage vanaf mei 1992;
3) meer subsidiair, genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, voor zover die betrekking heeft op het verzoek om een toelage vanaf augustus 1992.
De ontvankelijkheid
18 Artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat indien een partij verzoekt dat het Gerecht uitspraak zal doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, de verdere behandeling van het verzoek mondeling geschiedt, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht is van mening, dat het aan de hand van de documenten in het dossier over voldoende inlichtingen beschikt, en besluit dat er geen aanleiding is de procedure ten gronde voort te zetten.
Argumenten van partijen
19 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid voert verweerder aan, dat het beroep te laat is ingesteld. Volgens artikel 91, lid 3, van het Statuut moet een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een klacht worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag van kennisgeving van het naar aanleiding van de klacht genomen besluit; volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht zijn de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene beroepstermijnen voor het indienen van een klacht en het instellen van een beroep van openbare orde en staan zij niet ter vrije beschikking van partijen.
20 Verweerder merkt op, dat uit het feit dat verzoekster op 27 augustus 1992 een "brief in antwoord" op de afwijzing van haar klacht heeft gestuurd, blijkt dat deze afwijzing haar vóór die datum moet hebben bereikt. Bijgevolg moet het meer dan drie maanden na 27 augustus 1992 ingestelde beroep worden verworpen, omdat het te laat is ingesteld.
21 Het document getiteld "Gelijkstelling", dat verzoekster op 19 augustus 1992 is gestuurd, is volgens verweerder slechts een zuiver voorbereidend stuk, dat niet rechtstreeks van invloed is op verzoeksters rechtspositie en niet het karakter van een besluit heeft. Verzoekster heeft trouwens erkend, dat deze berekening als grondslag heeft gediend voor het afwijzende besluit van 22 april 1992, waartegen een klacht is ingediend. In ditzelfde besluit van 22 april 1992 werd verzoekster uitgenodigd, contact op te nemen met de betrokken dienst om nadere inlichtingen over het stuk "Gelijkstelling" te verkrijgen.
22 Ten slotte betoogt verweerder, dat de brief van 7 december 1992 van de secretaris-generaal van het Parlement slechts een bevestiging is van het besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht en er dus niet toe kan leiden, dat de beroepstermijn tegen de afwijzing van de klacht van 13 augustus 1992 wordt heropend.
23 Verzoekster betoogt in haar opmerkingen omtrent de exceptie van niet-ontvankelijkheid in de eerste plaats, dat haar brief van 12 mei 1992 in feite een verzoek op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut vormt en geen klacht. Hiertoe beroept zij zich op de beschikking van 25 februari 1992 (zaak T-64/91, Marcato, Jurispr. 1992, blz. II-243), waarin het Gerecht overweegt, dat het "niet gebonden is aan de wil van partijen bij de beoordeling van de vraag, of het door de verzoeker ingediende document is te beschouwen als een 'verzoek' of als een 'klacht' ". De kwalificatie van genoemde brief als "verzoek" wordt trouwens bevestigd door een brief van 21 juli 1992, waarin het Parlement verzoekster bericht dat haar klacht op grond van artikel 90 van het Statuut aan de juridische dienst is doorgegeven en dat de administratie ingevolge artikel 90, lid 1, beschikt over een termijn van vier maanden om haar besluit ter kennis van de betrokkene te brengen; daaruit blijkt dus, dat de administratie haar brief van 12 mei 1992 als een verzoek beschouwde.
24 Bovendien bevat verzoeksters reeds aangehaalde nota van 12 mei 1992 drie nauwkeurige verzoeken, namelijk een verzoek om hernieuwing van de toelage vanaf mei 1992, een verzoek om een met redenen omkleed besluit en subsidiair een verzoek om nauwkeurige inlichtingen over de door het tot aanstelling bevoegd gezag verrichte berekeningen.
25 Verzoekster betoogt in de tweede plaats, dat de brief van 13 augustus 1992 van de secretaris-generaal van het Parlement niet, zoals verweerder stelt, een antwoord was op haar klacht tegen het besluit houdende weigering van de toelage, maar een antwoord op de verzoeken in haar brief van 12 mei 1992; zij concludeert daaruit, dat de brief dus een haar bezwarend besluit vormt.
26 In de derde plaats betwist verzoekster, dat haar brief van 27 augustus 1992 slechts een voor de procedure irrelevante "repliek" is. Volgens verzoekster vormt deze brief integendeel een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen de nieuwe elementen vervat in het gemotiveerd besluit van 13 augustus 1992 en tegen het document getiteld "Gelijkstelling", dat haar op 19 augustus 1992 was toegezonden. Voorts bevat de brief een nieuw verzoek om een toelage voor ten laste komende kinderen ten gunste van haar ouders vanaf augustus 1992.
27 Verzoekster meent, dat de brief van de secretaris-generaal van 7 december 1992 het enige besluit tot afwijzing van haar klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormt, zodat de in artikel 91 genoemde termijn van drie maanden eerst op die datum is ingegaan.
28 Verzoekster betoogt voorts, dat de voor haar nadelige elementen haar in drie fasen zijn medegedeeld: de eerste bij brief van 22 april 1992, waarin haar wordt medegedeeld dat zij niet voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, de tweede bij de uitvoeriger gemotiveerde brief van 13 augustus 1992 en de derde bij het document "Gelijkstelling". Het bestaan van verscheidene achtereenvolgende "bezwarende handelingen" is voor haar aanleiding geweest, niet alleen op te komen tegen het besluit van 13 augustus 1992, maar ook tegen de "alle ermee verknochte handelingen die eraan ten grondslag liggen of er het gevolg van zijn".
29 Verzoekster betwist met name de opvatting, dat het document "Gelijkstelling" niet meer is dan een afrekening die niet rechtstreeks van invloed kan zijn op haar rechtspositie en niet het karakter van een besluit heeft. Volgens verzoekster bevat dit document integendeel subjectieve beoordelingen en uitleggingen van het beginsel van de meest gunstige behandeling, de keuze van het op haar toepasselijke nationale recht, het bestaan van een medeschuldenaar voor het onderhoud van haar ouders, alsmede een raming van haar inkomsten en de vaststelling van de in verband met deze beoordelingen op haar rustende onderhoudslast.
30 Ten slotte merkt verzoekster op, dat, mocht het Gerecht haar beroep niet-ontvankelijk verklaren omdat het te laat is ingesteld, dit toch niet zou moeten gelden voor haar verzoeken om toekenning van de betrokken toelage vanaf de maanden mei en augustus 1992.
Beoordeling door het Gerecht
31 Het Gerecht wijst er om te beginnen op, dat volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht (zie arrest Hof van 12 juli 1984, zaak 227/83, Moussis, Jurispr. 1984, blz. 3133; arrest Gerecht van 25 september 1991, zaak T-54/90, Lacroix, Jurispr. 1991, blz. II-749, en beschikking Gerecht van 25 februari 1992, zaak T-67/91, Torre, Jurispr. 1992, blz. II-261) de klacht- en beroepstermijnen van openbare orde zijn en dat ook wanneer de administratie in de precontentieuze fase is ingegaan op door verzoeker aangevoerde argumenten ten gronde, het Gerecht toch niet ontslagen is van de verplichting de ontvankelijkheid van het beroep te toetsen aan de statutaire termijnbepalingen.
32 In dit verband zij gewezen op de algemene opzet van de precontentieuze procedure, voorzien in de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Deze artikelen stellen de ontvankelijkheid van een beroep van een ambtenaar tegen de instelling waartoe hij behoort, afhankelijk van de voorwaarde dat de voorafgaande administratieve procedure regelmatig is verlopen. Is er een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag en vormt dit een bezwarende handeling, dan heeft een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut geen enkele zin en moet de ambtenaar gebruik maken van de klachtprocedure, voorzien in artikel 90, lid 2, van het Statuut, wanneer hij om nietigverklaring, herziening of intrekking van het hem bezwarende besluit wil verzoeken. De bevoegdheid van de ambtenaar om de administratie te verzoeken jegens hem een besluit in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut te nemen, veroorlooft hem niet af te wijken van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde klacht- en beroepstermijnen.
33 In dit geval staat buiten kijf, dat het oorspronkelijke besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 22 april 1992 een bezwarende handeling vormt, aangezien het rechtstreeks en onmiddellijk afbreuk doet aan verzoeksters rechtspositie (zie arresten Gerecht van 18 februari 1993, zaak T-45/91, Mc Avoy, Jurispr. 1993, blz. II-83, en 16 maart 1993, zaken T-33/89 en T-74/89, Blackman, Jurispr. 1993, blz. II-249). In dat besluit, dat een antwoord vormt op het door verzoekster op 16 maart 1992 gedane verzoek om hernieuwing van de toelage, komt ondubbelzinnig de wil van de administratie tot uitdrukking om haar de toelage voor met een ten laste komend kind gelijkgestelde personen ten gunste van haar ouders te weigeren, een weigering waaraan uitvoering wordt gegeven door de stopzetting van de uitbetaling van de toelage vanaf 1 april 1992. Voorts vermeldt dit besluit duidelijk de bepalingen op grond waarvan in verzoeksters geval de in aanmerking genomen onderhoudslast niet als een zware last voor haar wordt beschouwd, namelijk artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut (zie beschikking Torre, reeds aangehaald, en arrest Gerecht van 11 maart 1993, zaak T-87/91, Boessen, Jurispr. 1993, blz. II-235).
34 Het Gerecht is voorts van oordeel, dat het stuk getiteld "Gelijkstelling", met de berekeningen die het tot aanstelling bevoegd gezag heeft verricht ter bepaling van verzoeksters onderhoudslast en belastbaar inkomen, de rekenkundige verklaring van voornoemd besluit inhoudt en niet kan worden beschouwd als een nieuw besluit, nu het geen nieuw element bevat ten opzichte van de feitelijke en rechtssituatie waarvan is uitgegaan bij de vaststelling van het besluit van 22 april 1992. Het kan derhalve niet tot gevolg hebben dat aan dit besluit de intrinsieke hoedanigheid van bezwarende handeling wordt ontnomen en dat een nieuwe beroepstermijn begint te lopen (zie arresten Hof van 14 april 1970, zaak 24/69, Nebe, Jurispr. 1970, blz. 145; 8 mei 1973, zaak 33/72, Gunnella, Jurispr. 1973, blz. 475; 10 december 1980, zaak 23/80, Grasselli, Jurispr. 1980, blz. 3709, en arrest Gerecht van 22 november 1990, zaak T-4/90, Lestelle, Jurispr. 1990, blz. II-689).
35 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut rechtstreeks een klacht tegen het besluit van 22 april 1992 had kunnen indienen. Inderdaad heeft zij op 12 mei 1992 een nota aan de administratie gericht, getiteld "Klacht in de zin van artikel 90 van het Statuut tegen het besluit van 22 april 1992", doch zij heeft in haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogd, dat deze nota een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut was.
36 De precieze juridische kwalificatie van een brief of een nota staat volgens vaste rechtspraak uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht en is niet afhankelijk van de wil van partijen (zie beschikkingen Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich, Jurispr. 1991, blz. II-235; 1 oktober 1991, zaak T-38/91, Coussios, Jurispr. 1991, blz. II-763; de beschikkingen Torre en Marcato, reeds aangehaald, en arrest van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143). Zo is een brief waarmee een ambtenaar, zonder uitdrukkelijk om intrekking van een besluit te verzoeken, duidelijk tracht te bereiken dat in onderling overleg wordt tegemoet gekomen aan zijn bezwaren, of een brief waaruit duidelijk de bedoeling van verzoeker blijkt om het hem bezwarende besluit aan te vechten, aangemerkt als "klacht" (zie arresten Hof van 28 mei 1970, zaak 30/68, Lacroix, Jurispr. 1970, blz. 301; 22 november 1972, zaak 19/72, Thomik, Jurispr. 1972, blz. 1155; 14 juli 1988, gevoegde zaken 23/87 en 24/87, Aldinger en Virgili, Jurispr. 1988, blz. 4395, en de beschikkingen Weyrich en Torre, reeds aangehaald).
37 In casu stelt het Gerecht in de eerste plaats vast, dat uit de bewoordingen van de nota van 12 mei 1992 blijkt, dat verzoekster het besluit van 22 april 1992 aanvecht en wil bereiken dat wordt tegemoetgekomen aan haar bezwaren. Enerzijds blijkt uit het verzoek om hervatting van de betaling van de toelage vanaf april 1992 duidelijk de wens van verzoekster, dat wordt tegemoetgekomen aan haar bezwaren tegen de weigering van de administratie om haar beide ouders gelijk te stellen met een ten laste komend kind, en kan dit verzoek niet worden beschouwd als een nieuw verzoek met een zelfstandig karakter. Voorts komt het verzoek om motivering van het afwijzende besluit van 22 april 1992 hoogstens neer op een grief wegens motiveringsgebrek van dat besluit.
38 Het Gerecht meent voorts, dat het verzoek om nadere gegevens over de berekeningen die ten grondslag hebben gelegen aan het afwijzende besluit van 22 april 1992, niet kan worden beschouwd als een zelfstandig verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, doch een onderdeel vormt van de tegen dit besluit aangevoerde grieven, ook al heeft de administratie in haar antwoord van 13 augustus 1992 de gegrondheid van dit verzoek erkend en verzoekster uitgenodigd zich tot het bevoegde gezag te wenden. In dit verband zij opgemerkt, dat verzoekster reeds in het besluit van 22 mei 1992 was uitgenodigd zich voor nadere inlichtingen tot de bevoegde dienst te wenden.
39 Hieruit volgt, dat de nota van 12 mei 1992 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormt en geen verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, zoals verzoekster beweert.
40 Bovendien kunnen de bewoordingen van de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 13 augustus 1992 niet aldus worden uitgelegd, dat daaruit nieuwe feiten blijken ten opzichte van het besluit van 22 april 1992, die als zodanig de inleiding van een nieuwe precontentieuze procedure zouden rechtvaardigen. Integendeel, bedoelde brief vormt een gemotiveerde afwijzing van verzoeksters klacht na het besluit van het Parlement haar beide ouders niet gelijk te stellen met een ten laste komend kind waarvan het onderhoud haar een zware last oplegt.
41 Bijgevolg zijn verzoeksters "repliek" van 27 augustus 1992 en de brief van de secretaris-generaal van 7 december 1992 slechts te beschouwen als een herhaling van de klacht van 12 mei 1992 en van de afwijzing van 13 mei 1992, en kunnen zij niet tot gevolg hebben dat nieuwe beroepstermijnen ingaan.
42 Hieruit volgt, dat het meer dan drie maanden na het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van de klacht ° en daarmee laattijdig ° ingestelde beroep, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
43 Ten slotte stelt het Gerecht vast, dat de in het kader van de klacht van 12 mei 1992 en de "repliek" van 27 augustus 1992 gedane verzoeken om hervatting van de betaling van de toelage vanaf 1 mei 1992 of vanaf 1 augustus 1992 feitelijk samenvallen met het eigenlijke onderwerp van de op 12 mei 1992 ingediende klacht. Waar het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de klacht van 12 mei 1992 niet ontvankelijk is, dienen verzoeksters subsidiaire conclusies om het Parlement te veroordelen tot betaling van de toelage over het tijdvak van 1 mei tot 31 december 1992, derhalve eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Volgens artikel 88 van het Reglement blijven echter in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient elke partij in de eigen kosten te worden verwezen, zowel in het onderhavige beroep als in de procedure in kort geding T-115/92 R.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal haar eigen kosten dragen, daaronder begrepen die welke op het kort geding (T-115/92 R) zijn gevallen.
Luxemburg, 15 juli 1993.
Full & Egal Universal Law Academy