Conclusie van de advocaat generaal
In de onderhavige zaak dient het Hof uitspraak te doen op de door de vennootschap DSM NV (hierna: "DSM") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG ingestelde hogere voorziening, strekkende tot vernietiging van de beschikking van 4 november 1992(1) en het arrest van 17 december 1991 van het Gerecht van eerste aanleg.(2) Bij de beschikking van 4 november 1992 werd een verzoek om herziening van voornoemd arrest van 17 november 1991, door rekwirante ingesteld krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, afgewezen. Bij dat arrest had het Gerecht een beroep van DSM krachtens artikel 173 EEG-Verdrag (hierna: "Verdrag") tegen de beschikking van de Commissie van 23 april 1986 (hierna: "polypropyleenbeschikking")(3) verworpen. De beschikking van de Commissie betrof een procedure op grond van artikel 85 van het Verdrag met betrekking tot de productie van polypropyleen.
I - De feiten en de procedure voor het Gerecht
1 De feitelijke omstandigheden van het geschil en het verloop van de procedure voor het Gerecht komen uit het voornoemde arrest van 17 december 1991 als volgt naar voren:
De West-Europese markt voor polypropyleen werd vóór 1977 bijna uitsluitend door tien producenten bevoorraad. Na 1977, toen de octrooien van Montedison verstreken, dienden zich zeven nieuwe producenten aan met een aanzienlijke productiecapaciteit. Dat ging niet gepaard met een overeenkomstige stijging van de vraag, waardoor vraag en aanbod niet in evenwicht waren, althans niet tot 1982. In het algemeen werd de polypropyleenmarkt over het grootste deel van de periode 1977-1983 gekenmerkt door een geringe rentabiliteit of aanzienlijke verliezen.
2 Op 13 en 14 oktober 1983 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962(4) tegelijkertijd verificaties uit bij een groep ondernemingen die polypropyleen vervaardigen. Na die verificaties verzocht de Commissie de voormelde ondernemingen evenals enkele andere met verwante activiteiten, krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen. Op grond van het bij die verificaties en verzoeken om inlichtingen verzamelde materiaal kwam de Commissie tot de slotsom, dat sommige fabrikanten, waaronder DSM, tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 van het Verdrag hadden gehandeld. Derhalve besloot de Commissie op 30 april 1984 de procedure bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en deed zij een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toekomen aan de betrokken ondernemingen.
3 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de litigieuze beschikking van 23 april 1986, waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
[De ondernemingen] (...) DSM NV (...) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen
(...)
- in het geval van BASF, DSM en Hüls, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot ten minste november 1983,
aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden:
a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het product in elke lidstaat van de EEG $richt'- (of minimum)prijzen bepaalden;
c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de productie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van $account management' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
e) de markt verdeelden, door aan elke producent een jaarlijks doel of $quotum' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor tenminste een gedeelte van 1983) of, bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst, door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).
(...) Artikel 3
Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
(...)
iv) DSM NV, 2 750 000 ECU, dat is 6 657 640 HFL."
4 Veertien van de vijftien adressaten van de beschikking, waaronder rekwirante, stelden beroep in tot nietigverklaring van voornoemde beschikking van de Commissie. Tijdens de van 10 tot en met 15 december 1990 gehouden terechtzitting voor het Gerecht hebben partijen pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord. Bij het arrest van 17 december 1991 heeft het Gerecht, de advocaat-generaal gehoord, het beroep verworpen.
5 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 mei 1992, heeft DSM om herziening van het arrest van het Gerecht verzocht. Tot staving van dat verzoek heeft zij zich op bepaalde feitelijke omstandigheden beroepen die haar, zo stelt zij, eerst na de uitspraak van het arrest van 17 december 1991 bekend waren geworden, en wel na de uitspraak van het arrest BASF e.a./Commissie(5), (hierna: "PVC-zaken"). Naar DSM stelt, komen uit deze gegevens belangrijke vormverzuimen in de beschikking van de Commissie naar voren, die als "nieuwe feiten" herziening van het arrest van 17 december 1991 rechtvaardigen. Het Gerecht heeft het verzoek om herziening afgewezen bij voornoemde beschikking van 4 nïvember 1992.
6 Tegen deze afwijzende beschikking heeft DSM hogere voorziening ingesteld, waarin zij het Hof verzoekt:
i) te verklaren dat het verzoek tot hogere voorziening tijdig is ingediend,
ii) de beschikking van het Gerecht van 4 november 1992 in zaak T-8/89 Rev. te vernietigen,
iii) het arrest van het Gerecht van 17 december 1991 in zaak T-8/89 te vernietigen,
iv) de polypropyleenbeschikking van de Commissie van 23 april 1986 in zaak IV/31.142, gericht tegen DSM, non-existent, althans nietig te verklaren, met annulering, althans vermindering, van de door de Commissie aan DSM opgelegde boete,
v) de Commissie te gelasten de door DSM op basis van een non-existente, althans nietige titel uit hoofde van deze beschikking en van het arrest van het Gerecht van 17 december 1991, op 19 februari 1992 betaalde boete, inclusief rente en kosten als nader omschreven in de brief van DSM aan de Commissie, onverwijld terug te betalen,
vi) subsidiair, de beschikking van het Gerecht van 4 november 1992 in zaak T-8/89 Rev. te vernietigen, met terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening,
vii) de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure.
De Commissie vordert gehele of gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of, subsidiair, afwijzing van de hogere voorziening, met veroordeling van DSM in de kosten.
II - Argumenten van partijen
A - De door DSM in hogere voorziening voorgedragen middelen
7 a) Onder verwijzing naar de punten 14 en 15 van de bestreden beschikking stelt rekwirante, dat het Gerecht een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, dat de voorwaarden regelt voor het welslagen van het rechtsmiddel van de herziening. Volgens de door haar verdedigde uitlegging is voor herziening van een arrest enkel vereist "de ontdekking van een feit dat van beslissende invloed kan zijn", zonder dat dat feit vooraf dient te gaan aan de uitspraak van het arrest waarvan herziening wordt gevraagd: de door het Gerecht gestelde extra voorwaarde mist volgens DSM rechtsgrond. Tevens stelt DSM, dat het Gerecht zijn onderzoek heeft gericht op de vraag, op welk moment de door haar ingeroepen feiten "haar bekend waren geworden", zonder eerst te onderzoeken in hoeverre die feitelijke elementen "feiten" opleverden in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. DSM noemt de door haar ingeroepen feitelijke elementen geen "feiten", maar enkel vermoedens, waaruit eventueel, na onderzoek, "feiten" naar voren kunnen komen die voor de afloop van het geschil van beslissend belang blijken. Om die reden had zij trouwens op 5 mei 1992 de Commissie verzocht om inzage te geven in bepaald, van belang zijnd bewijsmateriaal. Rekwirante concludeert uit een en ander, dat het Gerecht een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG.
8 b) Rekwirante acht de bestreden beschikking gebrekkig gemotiveerd, omdat het Gerecht zich in zijn onderzoek heeft beperkt tot alleen enkele van de in het herzieningsverzoek aangevoerde feitelijke elementen. Zij doelt op de feitelijke elementen waarop in de punten 6 en 15 van de bestreden beschikking wordt ingegaan, en die zij in punt 2.3 van het herzieningsverzoek had aangevoerd. Het Gerecht zou daarmee voorbij zijn gegaan aan de in de punten 2.1 en 2.2 van het herzieningsverzoek genoemde feitelijke stellingen. Die stellingen betroffen de volgende punten:
In de eerste plaats had DSM zich veronderstellenderwijs afgevraagd, of de tekst van de Nederlandse "polypropyleenbeschikking" wel aan het college van commissarissen was voorgelegd.
In de tweede plaats had DSM het vermoeden geuit, dat aan de "polypropyleenbeschikking" "bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken" kleefden, van gelijke aard als het Gerecht in het kader van de "PVC-zaken" heeft geconstateerd.(6) Het gaat met name om de volgende procedurele onregelmatigheden:
i) aan het college van commissarissen is niet de authentieke tekst van de bestreden beschikking in de Nederlandse taal voorgelegd,
ii) de vaststelling van de tekst van de bestreden beschikking in de Nederlandse taal is ten onrechte aan de commissaris voor mededingingszaken gedelegeerd,
iii) de beschikking is in strijd met artikel 12 reglement van orde van de Commissie niet gewaarmerkt,
iv) de authentieke tekst van de beschikking is in strijd met artikel 12 reglement van orde van de Commissie niet gehecht aan de notulen van de Commissievergadering waarin het betrokken besluit is genomen,
v) na vaststelling van de "polypropyleenbeschikking" zijn wijzigingen in de tekst aangebracht, die meer behelzen dan eenvoudige "verbeteringen van spel- en grammaticafouten",
vi) het ontbreken van een Nederlandse authentieke tekst van de "polypropyleenbeschikking" betekent dat er geen "executoriale titel" is voor de inning van de boete, zoals vereist door artikel 192 van het Verdrag.
9 Deze stellingen wegen volgens DSM des te zwaarder, nu de Commissie ondanks een verzoek daartoe van rekwirante, heeft geweigerd om belangrijke documentatie te overleggen. Rekwirante betoogt, dat haar stellingen niet naar behoren door het Gerecht zijn onderzocht, zodat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd.
10 c) Rekwirante stelt voorts, dat het Gerecht de motiveringsplicht heeft geschonden door in punt 16 van de bestreden beschikking de "wijzigingen en aanvullingen" in de aan DSM betekende beschikking ten opzichte van de door het college van commissarissen vastgestelde tekst aan te merken als "nieuwe feiten". In het herzieningsverzoek wordt echter niet gesproken van "feiten" in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, maar enkel van vermoedens omtrent eventuele wijzigingen en aanvullingen van de inhoud van de door het college van commissarissen vastgestelde beschikking. De werkelijke feiten zijn tot dusver zowel voor DSM als voor het Gerecht onbekend.
11 d) Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 18 van de bestreden beschikking ten onrechte aangenomen, dat de achteraf in de tekst van de litigieuze polypropyleenbeschikking aangebrachte wijzigingen en aanvullingen aan DSM bekend waren vóór de uitspraak van het arrest waarvan de herziening wordt gevraagd. Het Gerecht wijst op het feit, dat verzoekster bij de behandeling van de PVC-zaken ter terechtzitting van 10 december 1991 aanwezig was en zich daarbij door dezelfde raadsman liet vertegenwoordigen als in de "polypropyleen"-zaak. Bij die gelegenheid hebben de vertegenwoordigers van de Commissie voldoende toelichting gegeven omtrent de strekking van de veronderstelde wijzigingen en aanvullingen. Derhalve was DSM van deze feiten op de hoogte en had deze vóór de uitspraak van het arrest van het Gerecht van 17 december 1991 kunnen aanvoeren, middels een verzoek om heropening van de mondelinge behandeling.
12 DSM bestrijdt deze redenering in de bestreden beschikking met de volgende argumenten: het feit dat haar raadsman aanwezig was bij de terechtzitting in de PVC-zaken is juridisch niet relevant; hij was daar aanwezig als vertegenwoordiger van een andere onderneming in het kader van een andere zaak, waarin de wettigheid van een andere beschikking van de Commissie in geding was. Ook is de vertegenwoordiger van de Commissie niet ingegaan op het achteraf wijzigen en aanvullen van reeds vastgestelde beschikkingen, maar alleen op de kwestie van de waarmerking van beschikkingen overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie. DSM haalt ten slotte punt 92 aan uit het PVC-arrest van het Gerecht, waarin het argument van de vertegenwoordigers van de Commissie, dat bij het uitvaardigen van beschikkingen door de Commissie een bepaalde, van de geldende voorschriften afwijkende praktijk wordt gevolgd, juridisch niet relevant werd bevonden.
13 Tegen de opvatting van het Gerecht, dat DSM de mogelijkheid had om tijdig, voor de uitspraak van het arrest waarvan de herziening wordt gevraagd, om heropening van de mondelinge behandeling te verzoeken krachtens artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, brengt rekwirante het volgende in: in de eerste plaats droeg zij geen kennis van "feiten" waarop zij een dergelijk verzoek had kunnen baseren. In ieder geval was zij niet verplicht om de procedure van artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan te wenden, welke procedure facultatief is en niet verplicht. Bovendien behoren de in het herzieningsverzoek bedoelde belangrijke vormgebreken tot de categorie van door het Gerecht ambtshalve te toetsen punten, en het Gerecht had dus uit eigener beweging de heropening van de mondelinge behandeling moeten gelasten. Ten slotte voert DSM een praktisch argument aan: aangezien het arrest van het Gerecht op het beroep van DSM op 17 december 1991 is gewezen, stond de inhoud daarvan stellig reeds vóór 10 december 1991 definitief vast en was de tekst alleen nog in het stadium van vertaling. Er bestond onder deze omstandigheden dus geen mogelijkheid tot heropening van de mondelinge behandeling.
14 e) Rekwirante bestrijdt het oordeel van het Gerecht in punt 19 van de bestreden beschikking, dat "de door [rekwirante] genoemde wijzigingen en toevoegingen alsook de draagwijdte daarvan voldoende in het oog springend waren (...)". DSM herhaalt in de eerste plaats, dat haar feitelijke beweringen geen "feiten" behelsden in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. De kwalificatie "voldoende in het oog springend" is volgens haar trouwens in de praktijk weinig bruikbaar en vaag. Zij meent, dat deze omschrijving eigenlijk een parafrasering is van het arrest Consorzio Cooperative d'Abruzzo/Commissie(7), waarin wordt gesproken van "bijzonder ernstige en in het oog springende gebreken". De redenering in dat arrest is volgens rekwirante niet overdraagbaar op de onderhavige zaak. De gebreken van de polypropyleenbeschikking sprongen niet in het oog. Bij lezing van de tekst zoals die aan de betrokken ondernemingen werd betekend, blijkt niet van enig gebrek, behalve dat op bepaalde plaatsen in de tekst verschillende lettertypen zijn gebruikt. In hoeverre de bestreden beschikking wezenlijke vormgebreken bevat, blijft dus nog te onderzoeken, en is voor DSM of het Gerecht niet kenbaar, laat staan in het oog springend. Anders dan in het arrest Consorzio Cooperative d'Abruzzo/Commissie(8), strekt de in casu bestreden beschikking tot oplegging van een last en niet tot toekenning van een recht; daarom moet volgens rekwirante non-existentverklaring van de beschikking mogelijk zijn, ook al springen de gebreken ervan niet in het oog.
15 f) Rekwirante keert zich tegen punt 20 van de bestreden beschikking, welke zij in strijd acht met de gemeenschapsrechtelijke motiveringsplicht. In deze rechtsoverweging oordeelde het Gerecht, dat "het PVC-arrest als zodanig, alsmede de brief die verzoekster op 5 mei 1992 aan de Commissie heeft gezonden en het feit dat deze onbeantwoord is gebleven, irrelevant zijn (...)".
16 Rekwirante acht bedoelde brief die zij op 5 mei 1992 naar de Commissie had gezonden, alsmede het feit dat die brief onbeantwoord is gebleven, van bijzonder belang voor de afloop van onderhavige zaak. Zoals trouwens uit het PVC-arrest van het Gerecht af te leiden is, behoeven partijen in gevallen als deze geen sluitend bewijs te leveren van de door hen ingeroepen gebreken, maar alleen de gegevens waarover zij in de omstandigheden kunnen beschikken. Het gemeenschapsrecht verzet er zich evenmin tegen, aldus rekwirante, dat partijen om herziening verzoeken ingeval zij niet meer dan vermoedens hebben omtrent het bestaan van onbekende feiten in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, die voor de afloop van het geschil van beslissend belang kunnen zijn. Dat is de bedoeling die DSM aan artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG toeschrijft. Deze uitlegging is volgens haar des te meer aangewezen in gevallen waarin de nieuwe "feiten" nog niet bekend zijn doordat de Commissie weigert om de gegevens waarover zij beschikt over te leggen.
17 g) Rekwirante acht het eveneens met de motiveringsplicht in strijd, dat het Gerecht haar herzieningsverzoek niet inhoudelijk heeft willen onderzoeken; deze houding is in strijd met de rechtspraak, zoals DSM die interpreteert. Zij wijst in dit verband op de andere arresten van het Gerecht in de polypropyleen-zaken, met name op die van 10 maart 1992.(9)
18 h) Rekwirante stelt schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat het Gerecht anders dan in de PVC-zaken het herzieningsverzoek niet ten gronde heeft willen onderzoeken op basis van de door DSM verstrekte aanwijzingen. In de PVC-zaken had het Gerecht bij maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie gelast een reeks van belang zijnde documenten te overleggen, in verband met eventuele wezenlijke vormgebreken in de bestreden beschikking. Aan de hand van de gegevens die de Commissie uiteindelijk aan het Gerecht heeft voorgelegd, konden de verzoekende partijen de wezenlijke vormgebreken in de PVC-beschikking van de Commissie nader substantiëren, die tot de nietigverklaring hebben geleid. DSM beweert, dat zij in haar herzieningsverzoek even ernstige vermoedens naar voren heeft gebracht als de verzoekende partijen in de PVC-zaken; in deze zaak heeft het Gerecht echter geen maatregelen tot organisatie van de procesgang willen gelasten en het heeft deze weigering ook niet gemotiveerd.
19 i) Volgens rekwirante is het gelijkheidsbeginsel eveneens geschonden, doordat het Gerecht de ondernemingen die beroep hebben ingesteld tegen de polypropyleenbeschikking van de Commissie, verschillend heeft behandeld. Zoals bekend, heeft het Gerecht zijn arresten in de polypropyleen-zaken op drie verschillende data gewezen. Voor drie ondernemingen op 24 oktober 1991; voor vier ondernemingen, waaronder rekwirante, op 17 december 1991; voor de overige ondernemingen op 10 maart 1992. DSM merkt op, dat alleen de laatste ondernemingen van het arrest van het Gerecht in de PVC-zaken, gewezen op 27 februari 1992, kennis hebben kunnen nemen vóórdat zij tegen het hen betreffende arrest hogere voorziening instelden. Dat feit acht rekwirante van bijzondere betekenis, omdat het een ongunstiger positie meebrengt voor de ondernemingen op wier beroepen op 24 oktober respectievelijk 17 december 1991 is beslist.
20 Rekwirante acht het voorts ongerechtvaardigd, dat de arresten op verschillende data zijn gewezen, nu het om gevoegde zaken ging. Naar zij stelt, erkent het Gerecht in punt 18 van de bestreden beschikking, dat de positie van DSM verschilt van die van de ondernemingen in wier zaak op 10 maart 1992 arrest is gewezen; maar het Gerecht heeft aan dit verschil geen betekenis gehecht, omdat DSM de betrokken feiten vóór de uitspraak van het PVC-arrest reeds zou hebben gekend. Rekwirante verwijst naar haar voorafgaande analyse ten betoge dat die redenering niet opgaat. Ten slotte wijst zij erop dat de Eerste kamer van het Gerecht, die op het herzieningsverzoek heeft beslist, op de hoogte was van hetgeen in de PVC-zaken naar voren was gekomen, met name na de door de Tweede kamer van het Gerecht bevolen instructiemaatregelen, waarbij van de Commissie de overlegging van bepaalde documenten werd verlangd.
21 j) Rekwirante beweert ten slotte, dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden doordat het, anders dan in het PVC-arrest, thans niet heeft geoordeeld, dat ieder middel of argument betreffende de non-existentie van de bestreden beschikking door partijen zonder termijnbeletsel kan worden opgeworpen en ambtshalve moet worden onderzocht. Ter zake beroept zij zich op punt 68 van het PVC-arrest van het Gerecht, waaruit volgens haar het volgende af te leiden is: ieder middel dat is gebaseerd op de non-existentie van de bestreden handeling is van openbare orde, kan door partijen ook buiten de procedurele termijnen worden aangevoerd en moet door de gemeenschapsrechter ambtshalve worden onderzocht. Volgens het bovenstaande is het Gerecht, wanneer nieuwe maatregelen ter organisatie van de procesgang nodig zijn om de gegrondheid van zulke middelen te onderzoeken, verplicht zulke maatregelen te gelasten, anders dan uit de letterlijke interpretatie van de artikelen 64 tot en met 67 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te maken is. Voor deze afwijking van de letter van genoemde bepalingen is steun te vinden in de rechtspraak, met name in de punten 71 tot en met 77 van het PVC-arrest van het Gerecht, waarin wordt gesproken van "de stabiliteit van de rechtsorde en de rechtszekerheid van de rechtssubjecten tot wie de handelingen van de gemeenschapsinstellingen zijn gericht". In dit licht bezien heeft het Gerecht met zijn weigering om bij de behandeling van het herzieningsverzoek, zo nodig door middel van nieuwe instructiemaatregelen, na te gaan in hoeverre de polypropyleenbeschikking wezenlijke vormgebreken kent, volgens rekwirante zijn rechterlijke taak niet juist uitgeoefend. In ieder geval stelt DSM, dat het Gerecht ambtshalve had moeten onderzoeken, of de litigieuze beschikking non-existent was.
B - De argumenten van verweerster
a) De ontvankelijkheid
22 In haar memorie van antwoord vordert de Commissie niet-ontvankelijkverklaring van de hogere voorziening in haar geheel. Zij stelt, dat de hogere voorziening de vraag betreft, of zich in de onderhavige zaak een "nieuw feit" heeft voorgedaan of eenvoudig een "feit", dat herziening van het arrest kan rechtvaardigen. Deze vraag nu is van feitelijke aard en geen rechtsvraag en kan dus volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG niet in hogere voorziening worden aangevochten.
23 Subsidiair stelt de Commissie, dat het onderdeel van het petitum in hogere voorziening, waarbij het Hof wordt gevraagd de Commissie te gelasten de betaalde boete terug te betalen, niet-ontvankelijk is wegens strijd met artikel 176 van het Verdrag.
b) De gegrondheid
24 De Commissie stelt, dat de door DSM ingestelde hogere voorziening in ieder geval ongegrond is.
i) De Commissie begint met een analyse van de vragen die rekwirante in haar tweede middel formuleert, en merkt daaromtrent het volgende op:
25 Dat de litigieuze polypropyleenbeschikking niet aan het college van commissarissen is voorgelegd in de authentieke, Nederlandstalige versie, heeft volgens de Commissie geen praktisch belang. Beslissend is, of die beschikking daadwerkelijk door het college van commissarissen in een van de vijf authentieke talen is vastgesteld; een beschikking behoeft niet in alle authentieke taalversies afzonderlijk te worden vastgesteld. Dat het ontwerp van de polypropyleenbeschikking in de Franse taal aan het college van commissarissen ter goedkeuring werd voorgelegd, levert dus geen procedurefout op.
26 Tegen het argument, dat de vaststelling van de Nederlandse tekst van de polypropyleenbeschikking onwettig aan de Commissaris voor mededingingszaken zou zijn gedelegeerd, brengt de Commissie in, dat in de onderhavige zaak niet kan worden gesproken van gedelegeerde besluitvorming, omdat het besluit reeds in een van de authentieke talen was genomen. Maar ook al zou hier sprake zijn van delegatie, dan is die in ieder geval mogelijk, omdat het gaat om een zuiver uitvoerende taak. De Commissie voegt hier subsidiair aan toe, dat in casu niet is gebleken dat de Nederlandse tekst van de polypropyleen-beschikking door de Commissaris voor mededingingszaken zou zijn vastgesteld op grond van een gedelegeerde bevoegdheid daartoe.
27 Wat betreft de ontbrekende waarmerking van de beschikking overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie betoogt verweerster, dat die bepaling geen rechten ten behoeve van derden in het leven roept. De adressaat van een beschikking van de Commissie kan zich niet op de niet-naleving van deze bepaling, of op het reglement van orde in het algemeen, beroepen als grond voor nietigverklaring van de hem betreffende beschikking. Evenmin kan hij zich beroepen op het feit, dat de gewaarmerkte tekst van de beschikking niet aan de notulen is gehecht van de vergadering waarin de beschikking werd vastgesteld.
28 Wat betreft het ontbreken van een executoire titel in de zin van artikel 192 van het Verdrag, als gevolg van het ontbreken van een authentieke versie van de polypropyleenbeschikking in het Nederlands, merkt de Commissie op, dat een dergelijke uitlegging van artikel 192 onjuist is. In ieder geval vormt de aan DSM betekende beschikking een executoire titel.
29 Wat ten slotte de wijzigingen betreft die in de bestreden beschikking zouden zijn aangebracht na de vaststelling ervan, haalt de Commissie eerdere rechtspraak aan van het Hof(10), waaruit zij opmaakt dat steeds beslissend is, of de bewuste wijzigingen in conflict komen met de wil van de auteur van de beschikking. In ieder geval moeten de verschillende taalversies op elkaar worden afgestemd, en dat kan veranderingen achteraf in de tekst nodig maken.
30 Ten slotte merkt de Commissie op dat alle hierboven besproken vragen buiten het bestek van de herzieningsbeschikking vallen. Het onderzoek van de gemeenschapsrechter gaat in gevallen als deze niet verder dan een toetsing van de argumenten van verzoekster aan de voorwaarden van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. Bovendien kan geen van de voormelde procedurele gebreken en onregelmatigheden, voorzover daar al sprake van mocht zijn, van invloed zijn op de geldigheid van de litigieuze polypropyleenbeschikking van de Commissie, omdat zij betrekking hebben op vormvoorschriften die de interne gang van zaken bij de Commissie regelen en geen rechten scheppen ten gunste van particulieren die door de uitgevaardigde beschikkingen worden geraakt. De adressaten van de betrokken beschikkingen worden gebonden door de hun betekende tekst, die zijn effect behoudt zolang de beschikking niet wordt herroepen of gewijzigd.
ii) In een tweede stadium gaat de Commissie in op de door DSM aangevoerde middelen
31 Haars inziens klaagt rekwirante in haar eerste en tweede middel ten onrechte erover, dat het Gerecht eerst heeft onderzocht op welk tijdstip de in het herzieningsverzoek gestelde feitelijke omstandigheden aan rekwirante bekend waren geworden, alvorens te onderzoeken in hoeverre die feitelijke argumenten al dan niet "feiten" waren in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. Die bepaling stelt de cumulatieve vereisten, ten eerste dat een "feit van beslissende invloed" wordt aangevoerd, en ten tweede dat dit feit vóór de uitspraak van het arrest "onbekend" was aan de gemeenschapsrechter en aan de partij die de herziening verzoekt. Terecht heeft het Gerecht zijn onderzoek dus geconcentreerd op de vraag, in hoeverre de feitelijke argumenten die DSM in haar herzieningsverzoek heeft aangevoerd, haar onbekend waren vóór 17 december 1991, de dag waarop het arrest werd gewezen waarvan de herziening is gevraagd. Het stond het Gerecht vrij om eerst te onderzoeken, of was voldaan aan de voorwaarde, dat de aangevoerde feitelijke argumenten voor de betrokken partij en voor het Gerecht onbekend waren, alvorens - voor zover nog nodig - te onderzoeken, in hoeverre die argumenten "feiten van beslissende invloed" behelsden.
32 Aangaande het derde, vierde en vijfde middel betoogt verweerster het volgende: met deze middelen vervalt rekwirante in tegenstrijdigheden omdat zij haar oorspronkelijke argumenten, zoals in het herzieningsverzoek geformuleerd, weerspreekt. Met het derde en vijfde middel stelt DSM, dat de oorspronkelijk in het herzieningsverzoek aangevoerde feitelijke argumenten geen "feiten" zijn maar enkel hypothesen en geen bijzonder in het oog springende vormgebreken in de polypropyleenbeschikking aanwijzen, maar eigenlijk niet zozeer in het oog springende als wel hypothetische gebreken. Het vierde middel richt zich tegen een feitelijk oordeel van het Gerecht en is volgens verweerster dus niet-ontvankelijk. De Commissie meent dat DSM hoe dan ook reeds voordat het Gerecht arrest had gewezen, dus vóór 17 december 1991, van de feitelijke gegevens waarop zij zich in haar herzieningsverzoek beriep, op de hoogte was. Waar de raadsman van DSM heeft deelgenomen aan de schriftelijke en mondelinge procedure in de PVC-zaak, kon hij reeds vanaf 19 juli 1989 op de hoogte zijn van de relevante feitelijke omstandigheden, namelijk door de bekendmaking van de in de PVC-zaken aangevoerde middelen in het Publicatieblad, of althans op 10 december 1991, de datum waarop de mondelinge behandeling in die zaken werd afgesloten.
33 Met betrekking tot het zesde middel verklaart de Commissie, de motivering van punt 20 van de bestreden beschikking juist te achten.
34 Het zevende en achtste middel berusten volgens verweerster op een onjuiste uitlegging van de relevante procesrechtelijke bepalingen. Zij gaan uit van de misvatting, dat de gemeenschapsrechter in het geval van een herzieningsverzoek dezelfde procedure moet volgen als bij de behandeling van een beroep.
35 Het negende middel klaagt over discriminatie van DSM door het Gerecht, doordat het niet in alle gevoegde zaken op dezelfde dag arrest heeft gewezen. De Commissie merkt op, dat een dergelijke verplichting van het Gerecht uit geen enkele procesrechtelijke of materiële regel van gemeenschapsrecht af te leiden is. In ieder geval was rekwirante op zijn laatst 10 december 1991 bekend met de door haar aangevoerde feitelijke argumenten, dat wil zeggen voordat het Gerecht besliste op het beroep tegen de polypropyleenbeschikking.
36 In haar tiende middel stelt rekwirante, dat het Gerecht evenals in het PVC-arrest ambtshalve had moeten onderzoeken, of er wezenlijke vormgebreken aan de polypropyleenbeschikking kleven, die deze non-existent maken. Zoals de Commissie het PVC-arrest van het Gerecht evenwel interpreteert, is ambtshalve onderzoek door de rechter alleen vereist in de gevallen waarin de partijen "voldoende indiciën" verschaffen voor een eventuele non-existentie van de bestreden handeling.
III - Bespreking van de middelen en argumenten van partijen
A - De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie
37 Eerst wil ik de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid onderzoeken. In dit verband zij herinnerd aan artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG: "Hogere voorziening (...) kan alleen rechtsvragen betreffen (...). Zij moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht." De artikelen 113, lid 2, en 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verbieden de rekwirant voorts om in zijn verzoekschrift of zijn memorie van antwoord het voorwerp van het geding voor het Gerecht te wijzigen. Omdat de hogere voorziening uitsluitend handelt over de vraag, of in eerste aanleg een "nieuw feit" naar voren is gebracht dat kan leiden tot herziening van het desbetreffende arrest, is zij volgens de Commissie in haar geheel niet-ontvankelijk: het gaat immers niet om een rechtsvraag, maar om een feitelijke kwestie.
38 Ik meen daarentegen, dat deze vraag zich niet a priori aan toetsing in hogere voorziening onttrekt. De uitlegging van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en het brengen van feitelijke omstandigheden onder het begrip "(...) een feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat (...) onbekend was aan (...) de partij die de herziening verzoekt" vergt een juridisch oordeel, dat in hogere voorziening kan worden getoetst. De vaststelling van de feiten daarentegen en de beoordeling daarvan door het Gerecht zijn niet vatbaar voor toetsing in hogere voorziening, en daarop gebaseerde middelen zijn dus niet-ontvankelijk. Derhalve is interpretatie van het verzoekschrift waarmee de hogere voorziening is ingesteld, en van elk voorgedragen middel nodig om na te gaan, in hoeverre er sprake is van hetzij onjuiste uitlegging van het rechtsbegrip "(...) een feit dat van beslissende invloed kan zijn en dat (...) onbekend was aan (...) de partij, die de herziening verzoekt", welke vraag, zoals gezegd, voor toetsing in hogere voorziening vatbaar is(11), hetzij een onjuiste vaststelling of beoordeling van de relevante feiten door het Gerecht, welke vraag niet kan worden getoetst(12) in hogere voorziening.(13)
B - De door DSM voorgedragen middelen
Het onderzoek van het verzoekschrift van DSM en de daarin vervatte middelen brengt mij tot de volgende opmerkingen.
39 Naar mijn mening berusten de middelen in hun geheel op een onjuiste premisse, aangezien zij zijn gebaseerd op een onjuiste lezing en opvatting van de bestreden beschikking en een onjuiste uitlegging van de communautaire procesregels die voor de rechtsmiddelen herziening en hogere voorziening gelden.(14) DSM baseert haar redenering met name op de in haar eerste middel gegeven uitlegging aan artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG.(15) Volgens rekwirante kon het Gerecht niet onderzoeken op welk tijdstip zij kennis kreeg van de in haar herzieningsverzoek aangevoerde feitelijke omstandigheden, vóórdat het had uitgemaakt, of die feitelijke omstandigheden "feiten van beslissende invloed" vormden in de zin van genoemde bepaling.
40 Ik geloof evenwel dat de gedachtegang die het Gerecht heeft gevolgd, volledig in overeenstemming is met de letter en de geest van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG. Een herzieningsverzoek is alleen ontvankelijk, wanneer de feitelijke omstandigheden waarop het berust voor de verzoekende partij en het Gerecht onbekend waren tot de uitspraak van het arrest waarvan herziening wordt gevraagd. In casu kunnen de feitelijke omstandigheden niet eerder bekend zijn geworden dan op 17 december 1991, de dag waarop het Gerecht arrest wees in zaak T-8/89. Los dus van de vraag, in hoeverre de in het herzieningsverzoek aangevoerde omstandigheden "feiten" vormden in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG, mogen ze ieder geval pas nà 17 december 1991 ter kennis van DSM zijn gekomen. Het Gerecht heeft na onderzoek van die feitelijke omstandigheden vastgesteld, dat DSM ze reeds eerder kende. Daarmee was het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk en werd dus ook de juridische kwalificatie van die feitelijke argumenten overbodig; er hoefde met andere worden niet meer te worden onderzocht, of die feitelijke omstandigheden al dan niet "feiten" waren in de zin van de communautaire procesregel.(16)
41 Gelet op het bovenstaande zijn het derde en het vijfde middel, waarin rekwirante stelt dat de in het herzieningsverzoek aangevoerde feitelijke argumenten geen "feiten" zijn maar enkel "vermoedens" omtrent niet in het oog springende, maar veronderstelde gebreken in de polypropyleenbeschikking van de Commissie, eveneens niet-ontvankelijk of althans ongegrond.
42 Voorts faalt naar mijn mening ook het tweede middel, inzake onvoldoende motivering van de bestreden beschikking. DSM stelt, dat het Gerecht zijn onderzoek heeft beperkt tot alleen sommige van de in het herzieningsverzoek aangevoerde feitelijke gegevens, namelijk die met betrekking tot de achteraf, na vaststelling van de polypropyleenbeschikking van de Commissie in de tekst aangebrachte wijzigingen. Het Gerecht heeft alle feitelijke argumenten van DSM onderzocht. Meer in het bijzonder staat in punt 18 van de bestreden beschikking het volgende: "Verzoekster nu was bij die terechtzitting [bedoeld wordt de terechtzitting in de PVC-zaken op 10 december 1991] aanwezig en werd er vertegenwoordigd door dezelfde raadsman als in de procedure die tot het arrest van 17 december 1991 heeft geleid. Zij had bijgevolg voor de uitspraak van het arrest met een beroep op de hierboven in punt 6 vermelde feiten om heropening van de mondelinge behandeling kunnen verzoeken." In punt 6 van de bestreden beschikking worden, onder verwijzing naar het onmiddellijk daaraan voorafgaande punt 5, alle feitelijke argumenten van DSM op een rij gezet. Uit deze passages van de bestreden beschikking in onderling verband beschouwd volgt derhalve, dat het Gerecht alle feitelijke argumenten waarop DSM zich in haar herzieningsverzoek had gebaseerd, in aanmerking heeft genomen voor zijn oordeel, dat DSM van de relevante feitelijke omstandigheden kennis had gekregen doordat haar raadsman bij de terechtzitting in de PVC-zaken aanwezig was. Dit middel faalt derhalve.
43 Deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is het vierde middel, waarmee DSM ontkent dat de relevante feitelijke omstandigheden haar bekend waren vóór de uitspraak van het arrest waarvan de herziening is gevraagd. De meeste grieven van rekwirante richten zich tegen de beoordeling van het Gerecht van de feitelijke omstandigheden rond het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder die feiten haar bekend werden; de beoordeling van feitelijke omstandigheden is geen rechtsvraag in de zin van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG, maar behoort tot de bevoegdheid van de feitenrechter, dat wil zeggen het Gerecht.(17)
44 Weliswaar richt dit middel zich indirect ook tegen de uitlegging van het Gerecht met betrekking tot de vraag wat een "bekend" feit is, en in zoverre is het ook ontvankelijk. Maar dan nog is het ongegrond. De communautaire procesregels inzake de herziening kennen geen voorwaarden en beperkingen ten aanzien van de wijze waarop een feit ter kennis komt of ten aanzien van de gegevens waaruit zulks kan worden afgeleid. Het Gerecht kan dus hiertoe ieder gegeven beoordelen, ook de betrokkenheid van de verzoekende partij of diens vertegenwoordiger bij een andere rechtszaak met een ander voorwerp, in het kader waarvan de van belang zijnde feitelijke omstandigheden aan het licht zijn gekomen, waarop het herzieningsverzoek is gebaseerd.(18)
45 Het zesde middel klaagt over het feit dat het Gerecht niet als relevante feiten heeft willen aanmerken, ten eerste de uitspraak van het PVC-arrest van 27 februari 1992 en ten tweede het feit dat de Commissie de brief van DSM van 5 mei 1992 aan de Commissie onbeantwoord heeft gelaten. Het Gerecht oordeelde ter zake, dat door die elementen generlei ander "feit" bekend was geworden, maar enkel precies dezelfde vermoedens waren gewekt aangaande de formele wettigheid van de litigieuze beschikking als reeds door een reeks andere, eerdere omstandigheden bij DSM waren gewekt of moesten zijn gewekt. Voor zover het Gerecht dus van oordeel was, dat die vermoedens reeds aan DSM bekend waren of in ieder geval op zijn laatst op 10 december 1991 konden zijn ontstaan - dus op een moment vóór de uitspraak van het arrest in eerste aanleg op het beroep tegen de polypropyleenbeschikking van de Commissie -, heeft het terecht geen rekening gehouden met latere feiten of feitelijke omstandigheden die dezelfde formele gebreken deden vermoeden. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek is steeds beslissend het moment waarop voor het eerst kennis werd verkregen van "feiten van beslissende invloed".(19)
46 Met haar negende middel klaagt DSM over discriminatie door het Gerecht, doordat het arrest op haar beroep tegen de polypropyleenbeschikking van de Commissie op een andere datum werd uitgesproken dan de arresten op de beroepen van andere ondernemingen tegen dezelfde beschikking. Volgens een algemeen beginsel van communautair procesrecht leidt de rechter de voor hem aanhangige procedure en is hij volledig vrij in de keuze van het tijdstip waarop hij arrest wijst. Uit geen enkel ander procesrechtelijk beginsel, bijvoorbeeld het beginsel van een goede rechtsbedeling of het recht op rechterlijke bescherming van communautaire rechtssubjecten, kan trouwens een verplichting van het Gerecht worden afgeleid om in alle verwante zaken, zelfs wanneer die zijn gevoegd, op hetzelfde tijdstip arrest te wijzen.
47 Ten slotte meen ik, dat de drie overblijvende middelen eveneens falen. Rekwirante stelt dat het Gerecht ten onrechte, ten eerste het herzieningsverzoek niet inhoudelijk heeft onderzocht, ten tweede geen maatregelen heeft gelast ter organisatie van de procesgang om vervolgens de vermoedens van veronderstelde vormgebreken in de bestreden beschikking te onderzoeken, en ten derde die gebreken niet ambtshalve heeft onderzocht, met name in het licht van de door DSM aangedragen elementen; deze opstelling is volgens rekwirante in strijd met het gemeenschapsrecht en in tegenspraak met hetgeen het Gerecht in de PVC-zaken heeft geoordeeld.
48 De redenering van rekwirante gaat uit van de juridische misvatting, dat de gemeenschapsrechter in het kader van het rechtsmiddel van herziening de zaak altijd ten gronde moet onderzoeken, met eventuele gelasting van de nodige maatregelen ter organisatie van de procesgang en met ambtshalve onderzoek van de te toetsen punten. Volgens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 127 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is het onderzoek ten gronde door de rechter in herziening alleen zinvol, wanneer in het herzieningsverzoek feiten van beslissende invloed zijn aangevoerd, die de verzoekende partij vóór de uitspraak van het bestreden arrest onbekend waren.(20) Waar het Gerecht dus oordeelde, dat de verzoekende partij op de hoogte was van alle feitelijke argumenten die zij als "feiten van beslissende invloed" had aangevoerd, was het verzoek niet-ontvankelijk en heeft het Gerecht het terecht niet ten gronde onderzocht.
IV - Conclusie
49. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
1) De hogere voorziening van DSM NV in haar geheel af te wijzen.
2) Rekwirante te verwijzen in de kosten.
(1) - DSM/Commissie (T-8/89 Rev., Jurispr. blz. II-2399).
(2) - DSM/Commissie (T-8/89, Jurispr. blz. II-1833).
(3) - IV/31.149 - Polypropyleen (PB L 230, blz. 1).
(4) - Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204).
(5) - Arrest van 27 februari 1992 (T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315).
(6) - Zie hierboven voetnoot 5.
(7) - Arrest van 26 februari 1987 (15/85, Jurispr. blz. 1005).
(8) - Zie hierboven voetnoot 7.
(9) - Namelijk de zaken Hüls/Commissie (T-9/89), Hoechst/Commissie (T-10/89), Shell/Commissie (T-11/89) (Jurispr. 1992, blz. II-499, resp. II-629 en II-757).
(10) - Arrest van 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk/Raad (131/86, Jurispr. blz. 905).
(11) - Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in hogere voorziening de begrippen getoetst "kind ten laste" (arrest van 7 mei 1992, Raad/Brems, C-70/91 P, Jurispr. blz. I-2973), "verschoonbare dwaling" (arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie, C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619), "klaarblijkelijke fout", een constitutief element voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap (arrest van 18 mei 1993, Commissie/Stahlwerke Peine-Salzgitter, C-220/91 P, Jurispr. blz. I-2393), "beïnvloeding" van de handel tussen de lidstaten in de zin van artikel 86 van het Verdrag (arrest van 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C-241/91 P en C-242/91 P, Jurispr. blz. I-743), "juiste vergoeding van morele schade" in het communautaire ambtenarenrecht (arrest van 1 juni 1995, Coussios/Commissie, C-119/94 P, Jurispr. blz. I-1439).
(12) - Zie bijvoorbeeld arrest Hof van 8 april 1992, F./Commissie (zaak C-346/90 P, Jurispr. blz. I-2691): het middel gericht tegen de beoordeling van het Gerecht met betrekking tot de medische aard van de bevindingen van de commissie die moet beslissen over de beroepsmatige oorzaak van invaliditeit, is niet ontvankelijk.
(13) - Omtrent de subsidiaire stelling van de Commissie inzake de niet-ontvankelijkheid van een van de vorderingen in het petitum van de hogere voorziening moet het volgende worden opgemerkt: in de eerste plaats vordert rekwirante, zoals zij zelf stelt en door de Commissie niet wordt bestreden, de vernietiging van de beschikking van het Gerecht van 4 november 1992, waarbij haar verzoek om herziening van het oorspronkelijke arrest van het Gerecht van 17 december 1991 werd verworpen. De ontvankelijkheid van de overige vorderingen, waaronder ook de vordering dat het Gerecht de Commissie gelast de betaalde boete terug te betalen, tegen welke vordering de Commissie zich verweert, zal in een later stadium worden onderzocht, na onderzoek van de middelen in hogere voorziening en uitgaande van de veronderstelling, dat die middelen of een daarvan door het Hof worden aanvaard.
In dit stadium volsta ik met de opmerking, dat de vorderingen van de Commissie in de bestaande rechtspraak steun lijken te vinden. Er is reeds uitgemaakt, dat het Hof niet bevoegd is zich in de plaats te stellen van de andere gemeenschapsorganen door in het dictum dwingende uitvoeringsmaatregelen op te nemen of die organen bevelen te geven (zie arresten Hof van 20 juni 1985, De Compte/Parlement (141/84, Jurispr. blz. 1951, punt 22), en 24 juli 1986, AKZO Chemie/Commissie (53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 23).
(14) - In dit licht bezien zou in deze zaak aan artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof toepassing kunnen worden gegeven, op grond waarvan het Hof een hogere voorziening die kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, bij met redenen omklede beschikking kan afwijzen.
(15) - Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om herziening aan het Gerecht krachtens artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
(16) - Er zijn gevallen geweest waarin de gemeenschapsrechter in het kader van een herzieningsverzoek heeft vastgesteld, dat de aangevoerde feitelijke argumenten bekend waren hetzij aan het Hof (arrest van 10 mei 1969, Acciaieria Ferreira di Roma/Hoge Autoriteit EGKS, 1/60, Jurispr. blz. 353) dan wel aan de verzoekende partij (arrest van 7 maart 1995, ISAE/VP en Interdata/Commissie, C-130/91 REV, Jurispr. blz. I-407). Er zijn ook gevallen geweest, waarin de feitelijke omstandigheden wel onbekend waren aan het Hof en aan de verzoekende partij, maar niet van beslissende invloed voor de uitkomst van het geschil (zie arresten van 20 oktober 1992, Raad/Parlement e.a., C-295/90 REV, Jurispr. blz. I-5299, en 24 november 1983, Schuerer/Commissie, 107/79 REV, Jurispr. blz. 3805). Ten slotte hanteert het Hof soms ook beide criteria (arresten van 5 april 1984, Geist/Commissie, 285/81 REV I en REV II, Jurispr. blz. 1789, en 16 januari 1996, ISAE/VP en Interdata, C-130/91 REV II, Jurispr. blz. I-65).
(17) - Rekwirante heeft niet gesteld of aangetoond, dat het Gerecht de inhoud van het bewijsmateriaal geweld heeft aangedaan, hetgeen voor toetsing in hogere voorziening vatbaar is (zie arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 49).
(18) - Kennis van een "feit" kan volledig toevallig verkregen zijn: zie arrest Hof van 10 januari 1980, Bellintani e.a./Commissie (116/87 Rev., Jurispr. blz. 19).
(19) - Een verzoek om herziening is alleen ontvankelijk in geval van "absolute onbekendheid" aan het Hof of de verzoekende partij: zie het reeds in voetnoot 18 aangehaalde arrest Bellintani e.a./Commissie. De partij die door eigen toedoen niet tijdig van een feit op de hoogte was kan zich niet beroepen op het feit dat hij te laat werd geïnformeerd om heropening van de mondelinge behandeling te bewerkstelligen. Zie arrest van 21 januari 1971, Mandelli/Commissie (56/70, Jurispr. blz. 1). In die zaak beriep de verzoekende partij zich op een rapport van de Italiaanse autoriteiten, waarvan zij eerst na afloop van het oorspronkelijke geding kennis had genomen. Het Hof oordeelde echter dat verzoekster niet van het bestaan van dat rapport onkundig kon zijn en dat niets haar had verhinderd "(...) het Hof voor te stellen (...) een maatregel van instructie te gelasten ter overlegging van dit document en van alle andere dienstige gegevens, waarover de Italiaanse bestuursdienst mocht beschikken". Met deze motivering werd het verzoek om herziening afgewezen.
(20) - De herziening is een buitengewoon rechtsmiddel, onderworpen aan strenge ontvankelijkheidsvoorwaarden, en mag niet worden beschouwd als een vorm van hoger beroep. Dat heeft het Hof meermaals benadrukt in zijn vaste rechtspraak: zie de reeds aangehaalde arresten Bellintani e.a./Commissie (voetnoot 18) en ISAE/VP en Interdata/Commissie (voetnoot 16).
Full & Egal Universal Law Academy