Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige zaak betreft nogmaals een conflict tussen het in artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG(1) neergelegde beginsel van gelijke behandeling en de nationale bepalingen die, zoals voorgeschreven door Verdrag nr. 89 van de IAO van 9 juli 1948, beperkingen stellen op het verrichten van nachtarbeid door vrouwen.
2. De feiten. M. Minne, als werkloze ingeschreven bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, verklaarde aan deze dienst, dat zij om gezinsredenen niet bereid was 's nachts te werken in de sector van haar vroegere tewerkstelling (hotel- en restaurantbedrijf).
3. De nationale autoriteit was derhalve van mening, dat Minne had geweigerd een passende dienstbetrekking te aanvaarden en besloot haar dus van werkloosheidsuitkeringen uit te sluiten.
4. In rechte verkreeg Minne de nietigverklaring van dat besluit. Met name wees de rechtbank erop, dat de toepasselijke nationale bepalingen het verrichten van nachtarbeid (van middernacht tot zes uur 's ochtends) door vrouwen in het hotelbedrijf verbieden, en dat Minne dus in casu niet kon worden geacht een passende dienstbetrekking te hebben geweigerd.
5. In het daaropvolgende hoger beroep heeft de rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof gevraagd, of het in artikel 5 van richtlijn 76/207 neergelegde beginsel van gelijke behandeling zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die enkel aan vrouwen het verrichten van nachtarbeid in de betrokken sector verbiedt.
6. In de verwijzingsbeschikking beklemtoont de rechter:
- dat de litigieuze Belgische regeling in een zowel voor mannen als voor vrouwen geldend algemeen verbod op nachtarbeid voorziet;
- dat de uitzonderingsregeling voor mannen niettemin ruimer en flexibeler is (aangezien de uitzonderingen niet in de wet zijn bepaald, maar door de administratieve autoriteiten worden vastgesteld);
- dat de betrokken nationale regeling met name in een verbod op nachtarbeid door vrouwen in het hotelbedrijf voorziet, terwijl een dergelijk verbod krachtens bijzondere uitzonderingsbepalingen niet voor mannelijke personeelsleden geldt;
- dat volgens de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 12 juli 1984, zaak 184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047) bedoeld verschil in behandeling geen rechtvaardiging vindt in objectieve vereisten betreffende de bescherming van vrouwelijke arbeidskrachten, zoals met name de bescherming tegen de risico' s van agressie of de verplichting specifieke gezinsverantwoordelijkheden op zich te nemen;
- dat de nationale regeling bijgevolg het in artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG neergelegde beginsel van gelijke behandeling zou schenden;
- dat evenwel rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid, dat de litigieuze nationale regeling is vastgesteld ten einde de verplichtingen na te komen, die voortvloeien uit verscheidene internationale overeenkomsten, waaronder met name Verdrag nr. 89 van de IAO van 9 juli 1948 (dat overigens, zij het na de feiten van de zaak, door het Koninkrijk België is opgezegd).
7. Derhalve rijst de vraag van de verhouding tussen artikel 5 van richtlijn 76/207 en een nationale regeling die nachtarbeid door vrouwen beperkt en die is vastgesteld overeenkomstig genoemd Verdrag nr. 89 van de IAO. Het Hof sprak zich daarover uit in het recente arrest Levy(2) en bevestigde in wezen, dat krachtens artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag de bepalingen van gemeenschapsrecht geen afbreuk kunnen doen aan de tenuitvoerlegging door de Lid-Staten van de verplichtingen die zij op grond van vóór het EEG-Verdrag gesloten internationale overeenkomsten tegenover derde staten hebben aangegaan.
8. Het is dus juist, dat, zoals in genoemd arrest is herhaald, artikel 5 van richtlijn 76/207, dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen poneert, een rechtstreeks toepasselijke bepaling is; het is ook juist, dat die bepaling zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die nachtarbeid door vrouwen beperkt, zonder in overeenkomstige beperkingen voor mannelijke werknemers te voorzien. Het is echter eveneens juist, dat precies krachtens artikel 234 EEG-Verdrag de verplichting van de nationale rechter, de gelding van artikel 5 van richtlijn 76/207 volledig te laten eerbiedigen en in voorkomend geval de strijdige nationale regeling buiten toepassing te laten, niet geldt wanneer de inachtneming van die nationale bepalingen op haar beurt noodzakelijk is om de nakoming door de betrokken Lid-Staat te verzekeren van de internationale verplichtingen die hij tegenover derde staten heeft aangegaan krachtens een overeenkomst als Verdrag nr. 89 van de IAO, die vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag is gesloten.
9. In het licht van deze beschouwingen geef ik het Hof in overweging, de vraag van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:
"Artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad verzet zich ertegen, dat een Lid-Staat een regeling vaststelt die het verrichten van nachtarbeid door vrouwen beperkt, zonder ook voor mannen in overeenkomstige beperkingen te voorzien. Ingevolge artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag bestaat de verplichting van de nationale rechter, met bedoeld artikel 5 van de richtlijn strijdige bepalingen van het nationale recht buiten toepassing te laten echter niet, wanneer de toepassing van die bepalingen noodzakelijk is om de nakoming door de betrokken Lid-Staat te verzekeren van de internationale verplichtingen die hij tegenover derde staten heeft aangegaan krachtens een overeenkomst als Verdrag nr. 89 van de IAO van 9 juli 1948, die vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag is gesloten."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Richtlijn van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
(2) - Arrest van 2 augustus 1993, zaak C-158/91, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
Full & Egal Universal Law Academy