Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg heeft het Hof een reeks vragen voorgelegd over de uitlegging van de Algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Develop Dr. Eisbein en het Hauptzollamt Stuttgart-West. In dat geding gaat het om de vraag, of bouwpakketten van volledige fotokopieerapparaten ° bestaande uit 200 onderdelen ° als "afgewerkte goederen" of als "onderdelen" moeten worden ingedeeld.
2. De feiten van de zaak kunnen worden samengevat als volgt:
Eind augustus 1986 stelde de EG een voorlopig en vervolgens een definitief anti-dumpingrecht in op fotokopieerapparaten, werkend met een optisch systeem, vallende onder "post 90.10 A van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met Nimexe-code ex 90.10-22, van oorsprong uit Japan".(1)
3. Tariefpost 90.10 A van het GDT luidde in de in deze zaak relevante jaren(2) aldus: "A. Fotokopieerapparaten, werkend met een optisch systeem." De tariefpost was dus niet onderverdeeld, maar uit de inleidende aantekeningen op hoofdstuk 90 blijkt dat "delen, onderdelen en toebehoren" van de in dit hoofdstuk genoemde apparaten in beginsel moeten worden ingedeeld onder dezelfde tariefpost als de apparaten zelf.
Daarentegen vindt men wel een onderverdeling in de goederennomenclatuur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Staten (Nimexe), die in het betrokken jaar(3) in de met tariefpost 90.10 A overeenkomende post de volgende onderverdelingen bevatte: 90.10-22 apparaten, en 90.10-28 delen, onderdelen en toebehoren.
Zoals men ziet worden onderdelen van fotokopieerapparaten met een optisch systeem die onder Nimexe post 90.10-28 vallen, niet door het anti-dumpingrecht getroffen.
4. Develop Eisbein is een in Duitsland gevestigde onderneming die fotokopieerapparaten vervaardigt. Zoals uit de verwijzingsbeschikking blijkt, voerde de firma van 1 november 1985 tot 30 april 1987 uit Japan containers in met "bouwpakketten met telkens ongeveer 200 onderdelen van (complete) fotokopieerapparaten, werkend met een optisch systeem". In overeenstemming met Develop Eisbeins douaneaangifte deelde het Hauptzollamt Stuttgart-West de goederen in onder tariefpost 90.10 A van het GDT, overeenkomende met Nimexe-code 90.10-28, en liet ze als onderdelen van fotokopieerapparaten tot het vrije verkeer toe.
Na een controle in de onderneming wijzigde het Hauptzollamt de tariefindeling: de goederen werden thans aangemerkt als "niet gemonteerde" fotokopieerapparaten in de zin van tariefpost 90.10 A van het GDT, overeenkomende met Nimexe-code 90.10-22 (apparaten). Dit had tot gevolg, dat een anti-dumpingrecht van ongeveer 3 miljoen DM werd nageheven.
5. Het Hauptzollamt baseerde zijn gewijzigde opvatting op algemene bepaling 2 a) voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief.(4) Deze luidt:
"De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet complete of in niet afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevindt."(5)
6. Develop Eisbein bestreed de opvatting van de douanedienst, waarbij zij er in het bijzonder op wees, dat genoemde algemene bepaling in het onderhavige geval niet van toepassing was, daar voor de montage van de niet gemonteerde onderdelen gecompliceerde arbeidsprocessen noodzakelijk waren. De montage gebeurt namelijk door hoog gekwalificeerd en gespecialiseerd personeel in moderne, over een hoog ontwikkelde technische uitrusting beschikkende fabrieken, en met gebruikmaking van geperfectioneerd gereedschap en een zeer bijzondere know-how. Technici, elektrotechnici en ingenieurs houden zich bezig met het na iedere montagehandeling vereiste justeren en meten. In dit verband wees de firma op een van de toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad.(6) Volgens die toelichting "moet als een gedemonteerd of een niet gemonteerd artikel worden aangemerkt, een artikel waarvan de verschillende elementen zijn bestemd om te worden samengevoegd, hetzij met behulp van eenvoudige middelen (bouten en moeren, schroeven, enz.), hetzij bij voorbeeld door klinken of lassen, dit echter onder de voorwaarde dat het om eenvoudige montagebewerkingen gaat".(7)
7. Het Hauptzollamt bleef echter bij zijn beslissing, die Develop Eisbein aanvocht voor het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg.
8. De verwijzende rechter bezichtigde de montagefabriek van Develop Eisbein en won advies in van een deskundige. Zoals uit de processtukken blijkt, woonden de deskundige en de rechter-rapporteur in augustus 1982 de montage bij van een vergelijkbaar fotokopieerapparaat. De verwijzende rechter neigt tot de opvatting, dat de montage van deze apparaten de toepassing van veeleisende technieken nodig maakt en niet als eenvoudig kan worden aangemerkt. In het bijzonder wees hij erop, dat de hoogtechnische justeer-, meet- en controlewerkzaamheden tegelijk met de montage moeten worden uitgevoerd, in die zin dat zij een noodzakelijke voorwaarde zijn om tot het volgende montagestadium te kunnen overgaan.
9. De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt:
"1) a) Moet algemene bepaling 2 a), tweede volzin, voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat van een gedemonteerd of ° wat op hetzelfde neerkomt ° niet gemonteerd goed sprake is, wanneer de techniek voor het monteren van de te zamen ter inklaring aangeboden onderdelen geen ingewikkelde montagemethode vereist, of
b) komt het er alleen op aan, of de te monteren onderdelen, alvorens te worden samengevoegd, worden verwerkt of bewerkt, of
c) noopt reeds het grote aantal onderdelen tot de conclusie, dat de onderdelen geen niet gemonteerd goed vormen?"
10. Het Finanzgericht neigt tot de opvatting, dat de eerste van de drie alternatieve interpretaties van de algemene bepaling de juiste is. Het meent, dat de opvatting van het Hauptzollamt uitgaat van de veronderstelling, dat montagewerkzaamheden in beginsel "eenvoudige montagebewerkingen" zijn, zolang geen aanvullende bewerking van de onderdelen vereist is. Het Finanzgericht deelt niet de opvatting van het Hauptzollamt, dat de algemene bepaling technisch ingewikkelde montagemethoden niet uitsluit. Het acht het echter noodzakelijk hierover een prejudiciële vraag te stellen, daar deze opvatting niet als kennelijk onjuist kan worden aangemerkt, temeer daar zij ook in de juridische literatuur wordt verdedigd.
11. Om te beginnen wil ik erop wijzen, dat Develop Eisbein en de Commissie, de enigen die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben gemaakt, het erover eens zijn dat de derde in de vraag genoemde uitleggingsmogelijkheid ° het grote aantal onderdelen ° niet overeenkomt met het hier toepasselijke indelingscriterium.
Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft het Finanzgericht deze uitleggingsmogelijkheid enkel mede vermeld, omdat volgens een door Develop Eisbein overgelegde verklaring van een Engelse advocaat de Engelse douaneautoriteiten dit criterium in gevallen als het onderhavige in aanmerking nemen.
Ik ben ervan overtuigd, dat het aantal onderdelen niet het enige beslissende indelingscriterium kan zijn. Noch de formulering van de algemene bepaling noch de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur bieden hiervoor een grondslag. Wanneer mocht blijken dat het beslissende criterium is, of de toegepaste montagemethode eenvoudig of ingewikkeld is, kan het aantal onderdelen echter wel van een zeker belang zijn.
12. Het lijdt nauwelijks twijfel, dat ofwel de door de Commissie ofwel de door Develop Eisbein voorgestane uitlegging van de algemene bepaling juist is.
13. Volgens de Commissie moet de algemene bepaling aldus worden uitgelegd, dat er een gedemonteerd ° of niet gemonteerd ° goed is, wanneer alle onderdelen van het afgewerkte goed te zamen ter inklaring worden aangeboden. De montagetechniek of de gecompliceerdheid van de montagemethode is dan zonder belang.
Volgens Develop Eisbein daarentegen moet de bepaling aldus worden uitgelegd, dat er een gedemonteerd ° of niet gemonteerd ° goed is, wanneer de montage van de onderdelen geen ingewikkelde montagemethode vergt.
14. Het is niet eenvoudig te beslissen, welke van deze uitleggingen juist is. Zoals hierna zal blijken, bestaat het probleem voornamelijk in de vraag, welk belang toekomt aan de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur en in de moeilijkheid om uit te maken, wat het doel is van de hier toepasselijke algemene bepaling.
15. Het is wellicht goed er eerst op te wijzen, dat het mijns inziens verkeerd zou zijn bij de uitlegging van de algemene bepaling de bijzondere omstandigheden in aanmerking te nemen die in dit geval die uitlegging noodzakelijk maken. Naar in de verwijzingsbeschikking wordt uiteengezet, kan er nauwelijks twijfel over bestaan, dat Develop Eisbein(8) anti-dumpingrecht moet betalen wanneer wordt uitgegaan van de uitlegging van de Commissie, terwijl het tegendeel het geval is wanneer de uitlegging van de firma zelf wordt gevolgd.
In de procedure is niets aangevoerd wat de opvatting zou kunnen ondersteunen, dat de algemene bepaling is ingevoerd om het gevaar van ontduiking van de anti-dumpingregeling van de Gemeenschap te beperken. De uitlegging van het Hof zal bepalend zijn voor de toepassing van deze bepaling in verband met de algemene problemen die rijzen bij de indeling van goederen in het GDT; en zij moet uitgaan van de bewoordingen van die bepaling in het licht van de systematiek en de doelstelling ervan onder inaanmerkingneming van eventuele toelichtingen.
16. Zo heeft ook de Commissie de bewoordingen van de algemene bepaling als uitgangspunt van haar uitlegging genomen. Zij is van mening, dat het antwoord op de prejudiciële vraag volgt uit de ondubbelzinnige formulering van de bepaling. Zij wijst erop, dat de algemene bepaling volgens de rechtspraak van het Hof slechts toepasselijk is, wanneer alle onderdelen die voor de montage van het afgewerkte goed noodzakelijk zijn, tegelijkertijd ter inklaring worden aangeboden.(9) En zij betoogt, dat wanneer alle onderdelen terzelfder tijd ter inklaring worden aangeboden, ervan kan worden uitgegaan dat deze onderdelen slechts bruikbaar zijn voor één enkel doel, te weten de montage van het afgewerkte produkt.(10) Wanneer goederen in de vorm van bouwpakketten worden aangeboden, zijn het, aldus de Commissie, in de regel complete goederen, omdat zij alle essentiële kenmerken van die goederen vertonen, behalve dat zij nog niet kunnen functioneren, wat voor de tariefindeling zonder belang is. Het zijn afgewerkte goederen, ook omdat bewerking met het oog op de montage niet vereist is.
De opvatting van de Commissie is principieel dus deze, dat de bepaling van toepassing is wanneer alle onderdelen van een goed tegelijkertijd ter inklaring worden aangeboden (ongeacht of het gaat om twee of om 2 000 onderdelen). Zij wijst erop, dat de bepaling niets zegt over de montagemethode, zodat de vraag of de montagemethode eenvoudig of ingewikkeld is, zonder belang is.
17. De Commissie heeft ontegenzeglijk een sterk argument. Wanneer onderdelen als een bouwpakket met het oog op montage tot een afgewerkt goed ter inklaring worden aangeboden, ligt het op het eerste gezicht voor de hand aan te nemen, dat het gaat om een gedemonteerd goed in de zin van genoemde algemene bepaling. De onderdelen zijn door de afzender geconcipieerd en vervaardigd met de bedoeling dat zij een eenheid vormen; het is deze eenheid die de ontvanger wenst; de afzender verschaft de nodige aanwijzingen voor de montage in de vorm van instructietekeningen, handleidingen enzovoort; het bouwpakket bevat alle nodige onderdelen, en de afzonderlijke onderdelen zijn niet bedoeld om als zodanig een eigen functie te hebben.
18. De Commissie heeft voorts betoogd, dat het Hof in zijn rechtspraak steeds heeft beklemtoond, dat om wille van de rechtszekerheid en de controlemogelijkheden de tariefindeling zoveel mogelijk op de grondslag van objectieve kenmerken en eigenschappen moet plaatsvinden en dat slechts wanneer bijzondere argumenten daarvoor pleiten, de fabricagemethode als criterium mag worden genomen.(11) Op het eerste gezicht lijkt het volledig in overeenstemming met deze rechtspraak te zijn, dat een goed dat in een bouwpakket bestaat, op dezelfde wijze wordt ingedeeld als het afgewerkte goed dat uit dat bouwpakket kan worden gemaakt, zonder dat de douaneautoriteiten de ingewikkeldheid van de montagemethode behoeven te beoordelen.
19. Er mag stellig van worden uitgegaan, dat genoemde algemene bepaling tot doel had de douanebehandeling te vereenvoudigen.(12)
De importeur die alle onderdelen invoert die voor de vervaardiging van een afgewerkt goed noodzakelijk zijn, heeft de mogelijkheid die onderdelen als een afgewerkt goed te laten indelen, dat wil zeggen dat de goederen niet worden ingedeeld in de posten voor onderdelen of toebehoren van het betrokken goed ° voor zover die posten bestaan ° of in de tariefposten waartoe de onderdelen anders zouden behoren.(13)
Het valt aan te nemen, dat de bepaling onder meer ten doel heeft, importeurs de mogelijkheid te bieden op deze wijze één enkele douanebehandeling te krijgen. De bepaling is uiteraard toepasselijk wanneer aan de voorwaarden daarvoor is voldaan ° ongeacht of dit voor de importeur met het oog op de inklaring al dan niet voordelig is °. Wanneer echter, zoals gezegd, het een voorwaarde voor de toepassing is dat de onderdelen tegelijk ter inklaring worden aangeboden, moet worden toegegeven dat het in de praktijk moeilijk kan zijn de importeurs te beletten de toepassing van de bepaling te ontduiken.
Onder deze omstandigheden lijkt het mij niet noodzakelijk de bepaling eng uit te leggen.(14) Ook dit pleit ervoor, de uitlegging van de Commissie als juist aan te merken.
20. Wanneer ik niettemin sterk twijfel aan de juistheid van dit resultaat, komt dit door de IDR-toelichting.
Daar wordt, zoals reeds opgemerkt, gezegd dat "als een gedemonteerd of niet gemonteerd" goed moet worden aangemerkt een goed "waarvan de verschillende elementen zijn bestemd om te worden samengevoegd, hetzij met behulp van eenvoudige middelen (bouten en moeren, schroeven, enz.), hetzij bij voorbeeld door klinken of lassen, dit echter onder de voorwaarde dat het om eenvoudige montagebewerkingen gaat".
Deze toelichting is het essentiële argument voor Develop Eisbeins uitlegging; zij vormt ook de achtergrond voor de opvatting van het Finanzgericht, dat het het meest voor de hand ligt bij de uitlegging van de algemene bepaling als criterium te nemen, of de montagemethode eenvoudig of ingewikkeld is.
21. De Commissie betoogt daartegenover in de eerste plaats, dat blijkens 's Hofs rechtspraak de toelichtingen niet een uitleggingsmiddel met bindende kracht zijn en dat steeds de verenigbaarheid ervan met het GDT moet worden getoetst. In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat de toelichting duidelijk maakt dat onbelangrijke, bij de toepassing van eenvoudige montagetechnieken ontstane wijzigingen in de substantie van de afzonderlijke onderdelen niet tot niet-toepasselijkheid van de algemene bepaling leiden, maar dat deze bepaling niet van toepassing is wanneer de onderdelen vóór de montage een substantiële bewerking moeten ondergaan.
22. Gelet op een en ander zou ik allereerst een standpunt willen bepalen ten aanzien van de vraag, of aan de toelichting in principe belang kan worden gehecht.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet voor de uitlegging van het GDT stellig belang worden gehecht aan de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur. Het Hof heeft echter ook overwogen, dat deze toelichtingen niet in aanmerking behoeven te worden genomen wanneer zij onverenigbaar zijn met de bewoordingen van de betrokken post of de aan de Internationale Douaneraad gegeven beoordelingsbevoegdheid kennelijk te buiten gaan.(15)
Ondanks wat ik zojuist heb gezegd over de meest voor de hand liggende uitlegging van de algemene bepaling, kan mijns inziens niet worden vastgesteld, dat de bewoordingen ervan zo duidelijk zijn, dat de toelichting als ermee onverenigbaar kan worden beschouwd.
23. Het beslissende woord in de algemene bepaling is "gedemonteerd" (of "niet gemonteerd"). Het Hof heeft daaromtrent opgemerkt: "Het algemeen spraakgebruik verstaat onder monteren een bewerking waarbij de onderdelen (van een mechanisme, een apparaat, een samengesteld voorwerp) worden samengevoegd, waardoor een afgewerkt produkt ontstaat dat bruikbaar is en functioneert."(16) Men kan niet zonder meer zeggen, dat er geen behoefte bestaat aan verduidelijking van de eisen die aan een bepaalde bewerking moeten worden gesteld, om deze als een relevante etappe tussen de niet gemonteerde onderdelen en het afgewerkte goed te kunnen aanmerken.
In ieder geval kan men zeggen, dat de leden van de Internationale Douaneraad het erover eens waren, dat er aanleiding bestond om de toepassing van de algemene bepaling door een toelichting te vergemakkelijken en daardoor een eenvormige toepassing te waarborgen. Ik beschik over geen enkele aanwijzing, dat de instellingen of de Lid-Staten van de Gemeenschap hebben gemeend bezwaren te moeten maken tegen deze toelichting. In deze situatie kunnen wij er gebruik van maken om de betekenis van de algemene bepaling te achterhalen.
24. De vraag is dus, hoe de toelichting moet worden begrepen. De Commissie poogt ze, zoals opgemerkt, zo uit te leggen, dat de inhoud ervan verenigbaar is met de door haar voorgestane uitlegging van de algemene bepaling. Zij legt de toelichting uit op basis van de bepaling die de toelichting beoogt uit te leggen. Het door de Commissie bepleite resultaat leidt ertoe, dat de algemene bepaling door de toelichting een ruimere werkingssfeer krijgt, namelijk in die zin, dat zij tot op zekere hoogte ook de montage van onderdelen omvat wanneer deze nog een bewerking ondergaan.
25. Mijns inziens kan de toelichting niet op de door de Commissie verdedigde wijze worden uitgelegd. Zij bevat een formulering die erop wijst, dat de aard van een montagemethode beslissend is, en niet of de onderdelen al dan niet een bewerking ondergaan. Er worden formuleringen gebruikt zoals "samengevoegd (...) met behulp van eenvoudige middelen".(17) Hierdoor wordt beklemtoond, dat als voorwaarde geldt, dat "het om eenvoudige montagebewerkingen gaat".(18)
26. In 's Hofs rechtspraak zijn argumenten te vinden die ervoor pleiten, de toelichting in aanmerking te nemen en de uitlegging te kiezen die Develop Eisbein en het Finanzgericht juist achten, dat wil zeggen dat de algemene bepaling geen toepassing kan vinden wanneer de montage met behulp van ingewikkelde montagemethoden plaatsvindt.
27. Zo heeft het Hof in zijn arresten van 8 mei 1974 in de zaak Osram(19) en van 30 september 1982 in de zaak IFF(20) naar de toelichting verwezen. In het arrest Osram overwoog het Hof (r.o. 7):
"dat voorts rekening dient te worden gehouden met de bij de nomenclatuur van Brussel op deze bepaling gegeven toelichting, volgens welke als een niet gemonteerd artikel moet worden aangemerkt 'een artikel waarvan de verschillende elementen bestemd zijn om te worden samengevoegd, hetzij met behulp van eenvoudige middelen (...), hetzij bij voorbeeld door klinken of lassen, dit echter onder de voorwaarde dat het om eenvoudige montagebewerkingen gaat' ; dat het aan de nationale rechter staat te bepalen of het vastgieten van lenzen op de litigieuze reflectoren aan deze voorwaarden beantwoordt".
28. De andere in de schriftelijke opmerkingen aangevoerde argumenten kunnen mijns inziens niet tot een ander resultaat leiden.
29. De Commissie heeft bestreden, dat het voor de uitlegging van de algemene bepaling van belang kan zijn dat er eventueel ° bij voorbeeld in verband met een eventueel verschillend douanerecht voor afgewerkte goederen en voor onderdelen voor de vervaardiging van afgewerkte goederen ° aanleiding kan bestaan, de ondernemingen in de Lid-Staten die de ingevoerde onderdelen monteren en er daardoor waarde aan toevoegen, een zekere bescherming te bieden.
30. Develop Eisbein heeft gewezen op punt V van de toelichtingen bij de IDR-Nomenclatuur inzake algemene bepaling 2 a), tweede zin, waar onder meer wordt gezegd, dat goederen vooral "om redenen van verpakking, behandeling en transport" in gedemonteerde toestand ter inklaring worden aangeboden. Uit deze passage blijkt volgens haar, dat de algemene bepaling niet situaties beoogt te regelen waarin de invoer met het oog op verwerking van de onderdelen plaatsvindt. Dit argument heeft stellig een zeker gewicht, maar is niet doorslaggevend.
31. Het arrest van het Hof van 13 december 1989, in zaak C-26/88, Brother International(21), is voor de beslissing van het Hof over de vraag van het Finanzgericht om verscheidene redenen van belang.
32. In die zaak heeft het Hof artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen" uitgelegd, dat luidt als volgt: "Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt."
Het Hof moest beslissen, in hoeverre assemblage als ingrijpende verwerking of bewerking kan worden beschouwd. In rechtsoverweging 17 overwoog het: "Als eenvoudige assemblagehandelingen zijn te beschouwen die welke geen personeel vergen dat bijzonder gekwalificeerd is voor de betrokken werkzaamheden, noch geperfectioneerd werktuig, noch speciaal voor de assemblage uitgeruste fabrieken. Van dergelijke handelingen kan niet gezegd worden, dat zij bijdragen tot de wezenlijke kenmerken of eigenschappen van de betrokken goederen."
33. Develop Eisbein voert dit arrest aan ter ondersteuning van haar opvatting inzake het op de eerste vraag van het Finanzgericht te geven antwoord en betoogt, dat de in het arrest Brother International geformuleerde criteria ook in de onderhavige zaak moeten worden toegepast.
34. Uitgangspunt van de tweede en de derde vraag van het Finanzgericht is het arrest in de zaak Brother International. Met zijn tweede vraag wenst het Finanzgericht te vernemen, of de algemene bepaling, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, dat wil zeggen wanneer geen van de drie genoemde criteria van toepassing is, "aldus [moet] worden uitgelegd, dat van een niet gemonteerd goed sprake is, wanneer de montage van de tegelijkertijd ter inklaring aangeboden onderdelen ervan geen personeel vergt dat bijzonder gekwalificeerd is voor de betrokken werkzaamheid, noch geperfectioneerd werktuig, noch speciaal voor de assemblage uitgeruste fabrieken".
Met zijn derde vraag wil het Finanzgericht vernemen of, indien vraag 1a bevestigend wordt beantwoord, de in vraag 2 genoemde criteria dan aanvullend kunnen worden toegepast.
35. De Commissie merkt dienaangaande op, dat haar beantwoording van de vraag de beantwoording van de vragen 2 en 3 overbodig maakt. Voorts merkt zij op, dat de doelstellingen die ten grondslag liggen aan enerzijds de regels inzake de oorsprong van goederen en anderzijds de regels inzake de tariefindeling zo van elkaar verschillen, dat 's Hofs uitlegging van de oorsprongregels zonder betekenis is voor de uitlegging van de regels inzake de tariefindeling.
36. Hier kan worden gewezen op de opmerkingen van het Finanzgericht in de verwijzingsbeschikking met betrekking tot deze vraag. Het overweegt: "Met de tariefindeling enerzijds en de bepaling van oorsprong anderzijds worden uiteenlopende doeleinden nagestreefd. De regeling betreffende de bepaling van oorsprong dient in wezen om het land van de laatste ingrijpende verwerking of bewerking (land van oorsprong) vast te stellen; (...) algemene bepaling 2 a) beoogt een vereenvoudiging van de tariefindeling, met name wanneer een groot aantal onderdelen van een goed tegelijkertijd ter inklaring wordt aangeboden; de 'eenvoudige montagebewerking' leidt tot toepassing van slechts één tariefpost voor alle onderdelen. Deze verschillende doelstellingen kunnen, doch behoeven niet tot gevolg te hebben, dat het door het Hof gebruikte oorsprongsrechtelijke begrip 'eenvoudige assemblagehandelingen' en het tariefindelingsbegrip 'eenvoudige montagebewerkingen' niet dezelfde inhoud hebben. Bij de genoemde begrippen gaat het niet om rechtsbegrippen, waarvan de inhoud door het doel van de betrokken regeling wordt beïnvloed, doch telkens om louter feitelijke begrippen. Hun bestanddelen 'eenvoudig' en 'assemblage/montage' hebben geen vooraf bepaalde, doelgerichte betekenis, maar worden zowel in de IDR-toelichtingen bij algemene bepaling 2 a) als in het arrest van het Hof duidelijk volgens het spraakgebruik uitgelegd. Dit pleit ervoor, in elk geval rechtsoverweging 17 van het arrest bij de uitlegging van algemene bepaling 2 a), tweede volzin, te betrekken."
37. Mijns inziens dienen wij ervan uit te gaan, dat de regeling inzake de oorsprong en de hier relevante algemene bepaling verschillende doelstellingen hebben. Het is derhalve niet mogelijk in het arrest Brother International doorslaggevende argumenten te vinden voor de beslissing of de door de Commissie dan wel de door Develop Eisbein verdedigde uitlegging de juiste is.
Wanneer echter de uitlegging van Develop Eisbein de juiste is ° wat, zoals gezegd, naar mijn mening wegens de inhoud van de toelichting het geval is °, dan bestaan er goede gronden om aan te nemen, dat bij de beslissing over de vraag of er sprake is van een ingewikkelde montagemethode, de in het arrest Brother International genoemde criteria mede in aanmerking moeten worden genomen.
Conclusie
38. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de gestelde vragen te antwoorden als volgt:
Algemene bepaling 2 a), tweede volzin, moet aldus worden uitgelegd, dat van een niet gemonteerd goed sprake is, wanneer de techniek die bij de montage van de onderdelen moet worden toegepast, geen ingewikkelde montagemethode vereist. Bij de beslissing, of er sprake is van een eenvoudige of ingewikkelde montagemethode, moet onder meer als criterium worden genomen, of de montage van de onderdelen personeel vergt dat bijzonder gekwalificeerd is voor de betrokken werkzaamheden, geperfectioneerd werktuig of speciaal voor de montage uitgeruste fabrieken.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - Zie verordening nr. 2640/86 van de Commissie (PB 1986, L 239, blz. 5) en verordening nr. 535/87 van de Raad (PB 1987, L 54, blz. 12).
(2) - Het gaat om het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van 's Raads verordeningen nr. 3400/84 (PB 1984, L 320, blz. 1), nr. 3331/85 (PB 1985, L 331, blz. 1) en nr. 3618/86 (PB 1986, L 345, blz. 1).
(3) - Het gaat om de Nimexe in de versie van de verordeningen van de Commissie nr. 3529/84 (PB 1984, L 337, blz. 1), nr. 3631/85 (PB 1985, L 353, blz. 1) en nr. 3840/86 (PB 1986, L 368, blz. 1).
(4) - Zie deel I, titel I, sub A, van het GDT. Deze bepaling zou zijn ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1/72 van de Raad van 20 december 1971 (PB 1972, L 1, blz. 1).
(5) - Enkel de Duitse taalversie bevat het begrip zerlegt , dat overeenkomt met de woorden adskilt eller ikke samlet in de Deense, démonté ou non monté in de Franse, disassembled or unassembled in de Engelse en gedemonteerde of in niet gemonteerde in de Nederlandse taalversie.
(6) - De Internationale Douaneraad is opgericht in verband met het Verdrag van Brussel van 15 december 1950 inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven, en heeft tot taak een eenvormige uitlegging en toepassing van de verdragsbepalingen te verzekeren, in het bijzonder ten aanzien van de toepassing van de nomenclatuur van het douanetarief.
(7) - Oorspronkelijk paragraaf VI, thans paragraaf VII van de toelichtingen bij de algemene bepalingen.
(8) - In mei 1986 werd de firma in feite overgenomen door de Japanse vennootschap Minolta (zie overweging 76 van de considerans van verordening nr. 535/87 van de Raad). Dit blijkt ook uit de processtukken van het hoofdgeding.
De achtergrond van de beslissing van de Commissie en de Raad om anti-dumpingrecht enkel op afgewerkte goederen en niet op onderdelen daarvan in te stellen, blijkt onder meer uit overweging 97 van de considerans van verordening nr. 535/87 van de Raad en overweging 101 van de considerans van verordening nr. 2640/86 van de Commissie. Daar wordt gezegd, dat een aanzienlijk deel van de Europese industrie fotokopieerapparaten uit Japanse onderdelen vervaardigt en dat het niet redelijk is, produkten uit te sluiten van het voordeel van beschermende maatregelen alleen omdat er in de Gemeenschap betrekkelijk weinig toegevoegde waarde ontstaat. Wanneer in een concrete situatie het gevaar van ontduiking van de anti-dumpingbepalingen bestaat, kan dit eventueel door bijzondere bepalingen in de betrokken anti-dumpingverordeningen worden tegengegaan, zoals dit zuiver feitelijk bij het in geding zijnde anti-dumpingrecht is gebeurd [vergelijk dienaangaande verordening (EEG) nr. 1761/87 van de Raad van 22 juni 1987 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2176/84 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1987, L 167, blz. 9)]. De achtergrond en de inhoud van de verordening worden in de considerans ervan beschreven als volgt:
Overwegende dat uit de bij de tenuitvoerlegging van verordening (EEG) nr. 2176/84 opgedane ervaring is gebleken dat bepaalde moeilijkheden kunnen ontstaan door assemblage in de Gemeenschap van afgewerkte produkten waarvan de invoer aan een anti-dumpingrecht is onderworpen;
Overwegende dat met name:
- wanneer de assemblage of produktie wordt uitgevoerd door een onderneming die verbonden of geassocieerd is met een fabrikant wiens uitvoer van soortgelijke produkten aan een anti-dumpingrecht is onderworpen, en
- wanneer de waarde van de bij de assemblage of produktie gebruikte onderdelen of materialen uit het land van oorsprong van het produkt dat aan een anti-dumpingrecht is onderworpen, de waarde van alle andere gebruikte onderdelen of materialen overschrijdt,
een dergelijke assemblage of produktie kan worden geacht tot ontduiking van het anti-dumpingrecht te leiden;
Overwegende dat het, om ontduiking te voorkomen, noodzakelijk is een anti-dumpingrecht op aldus geassembleerde of geproduceerde produkten te innen.
(9) - Zie arrest van 8 mei 1974 (zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, blz. 477, 485).
(10) - Zie arrest van 30 september 1982 (zaak 295/81, IFF, Jurispr. 1982, blz. 3239).
(11) - Zie bij voorbeeld arrest van 31 maart 1992 (zaak C-338/90, Hamlin, Jurispr. 1992, blz. I-2347, r.o. 8).
(12) - Genoemde algemene bepaling is met ingang van 1 januari 1972 op grond van een aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 9 juni 1970 in het gemeenschappelijk douanetarief opgenomen en door de Lid-Staten van de Gemeenschap aanvaard bij beschikking 71/227/EEG van de Raad van 21 juni 1971 (PB 1971, L 137, blz. 10). In de onderhavige zaak zijn geen concrete mededelingen over het doel van deze bepaling beschikbaar.
(13) - Zie dienaangaande arrest van 29 mei 1979 (zaak 165/78, IMCO, Jurispr. 1979, blz. 1837) waarin het Hof overwoog: Wat de eerste en tweede vraag betreft: tariefpost 98.03 omvat enerzijds complete waren, zoals vulpennen, kogelpennen en kogelpotloden, vilt- en vezelstiften, en anderzijds onderdelen en toebehoren. Uit de structuur van deze post alsmede uit het begrip onderdelen en toebehoren zelf volgt, dat deze tariefcategorie het ° zij het ook toekomstige ° bestaan van een compleet goed onderstelt, waarvan de genoemde artikelen onderdelen of toebehoren zijn. Daaruit volgt, dat de onderdelen van een compleet goed ° gedemonteerd dan wel nog niet gemonteerd °, gelet op het complete goed waarvan zij de bestanddelen zijn, niet als onderdelen en toebehoren in de zin van post 98.03 C II kunnen worden gekwalificeerd.
Op de eerst twee vragen van het Bundesfinanzhof dient dus te worden geantwoord, dat algemene bepaling 2 a) voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief zowel betrekking heeft op nog niet gemonteerde als op gedemonteerde artikelen en dat, voor zover uit de nog niet gemonteerde artikelen een compleet goed kan worden vervaardigd, zij onder de bepalingen betreffende dit goed vallen, ook indien het gemeenschappelijk douanetarief een bijzondere post voor onderdelen en toebehoren bevat (r.o. 7 en 8).
(14) - Develop Eisbein heeft betoogd dat de algemene bepaling, als uitzondering op de algemene regel dat slechts afgewerkte goederen in de afzonderlijke posten van het GDT ingedeeld mogen worden, eng moet worden uitgelegd. De juistheid van deze opvatting schijnt mij twijfelachtig. De algemene bepaling bevat een algemene verduidelijking van hetgeen onder de posten van het GDT valt. Het is werkelijk niet doelmatig ze als een uitzondering op een algemeen geldende regel aan te merken. Zij moet op grond van voornoemde uitleggingsbeginselen worden uitgelegd.
(15) - Zie arresten van 19 november 1975 (zaak 38/75, Nederlandse Spoorwegen, Jurispr. 1975, blz. 1439, r.o. 24 en 25), 8 februari 1990 (zaak C-233/88, Van de Kolk, Jurispr. 1990, blz. I-265, r.o. 9 en 19) en 10 oktober 1985 (zaak 200/84, Daiber, Jurispr. 1985, blz. 3363, r.o. 14).
(16) - Arrest van 30 september 1982 (zaak 295/81, IFF, Jurispr. 1982, blz. 3239).
(17) - In de Franse versie: être assemblés ... à l' aide de moyens simples , in de Engelse versie: to be assembled by means of simple fixing devises en in de Duitse vertaling: durch einfache Hilfsmittel .
(18) - In de Franse versie: qu' il s' agisse bien de simples opérations de montage , in de Engelse versie: provided only simply assembly operations are involved en in de Duitse vertaling: wenn es sich dabei tatsaechlich um einfaches Zusammensetzen handelt .
(19) - Arrest van 8 mei 1974 (zaak 183/73, Jurispr. 1974, blz. 477).
(20) - Arrest van 30 september 1982 (zaak 295/81, Jurispr. 1982, blz. 3239). Het Hof overwoog: Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur, sub VI, volgens welke als een gedemonteerd of niet gemonteerd artikel moet worden aangemerkt een artikel waarvan de verschillende elementen zijn bestemd om te worden samengevoegd, hetzij met behulp van eenvoudige middelen (bouten en moeren, schroeven enz.), hetzij bij voorbeeld door klinken of lassen. In zijn conclusie merkte advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, na de toelichting te hebben geciteerd, het volgende op: Ongeacht of de woorden eenvoudige montagebewerkingen zowel betrekking hebben op de eenvoudige samenvoegingsmiddelen als op het klinken en lassen ° gelijk ik meen ° dan wel enkel op dit laatste, de wezenlijke bedoeling is duidelijk. Wat vereist is, is eenvoudig mechanisch samenvoegen.
(21) - Jurispr. 1989, blz. 4253.
Full & Egal Universal Law Academy