Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1 In het onderhavige beroep wegens niet-nakoming heeft de Commissie geconcludeerd dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat het Koninkrijk België, door in het Belgische recht bepalingen te laten voortbestaan krachtens welke bepaalde betrekkingen van zeeman, uitgezonderd die van kapitein en van eerste assistent, voorbehouden zijn aan Belgische onderdanen, de verplichtingen niet is nagekomen die op grond van artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en 4 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 op hem rusten;
- het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van de procedure.
2 De regering van het Koninkrijk België betwist niet, dat de door de Commissie gewraakte bepalingen van Belgisch recht in strijd zijn met het gemeenschapsrecht. Zij betoogt slechts, dat thans wetsontwerpen zijn voorbereid, waardoor deze bepalingen zullen worden gewijzigd om ze met het gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen. Deze ontwerpen zouden de Commissie zijn voorgelegd. Het zou de bedoeling zijn ze aan de bevoegde wetgevende organen te zenden, zodra de Commissie zich ermee akkoord heeft verklaard.
3 In haar met redenen omkleed advies van 23 april 1991 had de Commissie het Koninkrijk België uitgenodigd, binnen twee maanden na kennisgeving van haar standpunt een einde te maken aan de gewraakte niet-nakoming. Vaststaat, dat dit tot aan het einde van de schriftelijke procedure (en tot op heden) niet is gebeurd, hoewel het Koninkrijk België de Commissie reeds op 13 juni 1991 in zijn schriftelijk antwoord op het met redenen omkleed advies had meegedeeld, dat het besloten had de Belgische wetgeving aan te passen in de door de Commissie gewenste zin. Het Koninkrijk België heeft geen redenen aangevoerd die deze vertraging kunnen verklaren.
4 Onder deze omstandigheden kan ik u slechts voorstellen het beroep van de Commissie gegrond te verklaren.
Full & Egal Universal Law Academy