Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met dit niet-nakomingsberoep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk Spanje, door een regeling toe te passen volgens welke enkel Spanjaarden, in Spanje wonende buitenlanders en jongeren onder de 21 jaar uit andere Lid-Staten gratis toegang hebben tot de nationale musea, terwijl toeristen boven de 21 jaar uit andere Lid-Staten toegangsgeld moeten betalen, de krachtens de artikelen 7 en 59 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2. De regeling inzake de nationale musea en het Spaanse museumwezen is vastgesteld bij koninklijk besluit nr. 620/1987 van 10 april 1987. Artikel 22 van dat besluit, dat betrekking heeft op de "gratis openstelling voor het publiek", bepaalt onder meer:
"1. Spaanse onderdanen hebben, onder de door de ministerraad vastgestelde voorwaarden, gratis toegang tot de nationale musea, in elk geval vier dagen per maand à raison van één dag per week (...)
(...)
3. De regering kan bij besluit van de ministerraad bepalen, dat de in lid 1 bedoelde voorwaarden voor het museumbezoek ook gelden voor onderdanen uit andere Lid-staten."
Ingevolge besluiten van de ministerraad van 7 december 1982 en 21 februari 1986 gelden de bepalingen inzake het gratis museumbezoek behalve voor Spanjaarden ook voor in Spanje wonende buitenlanders en voor jongeren onder de 21 jaar.
3. Volgens de Commissie impliceert de in artikel 59 EEG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting, dat degenen te wier behoeve diensten worden verricht, waaronder toeristen, zich vrijelijk naar een andere Lid-Staat kunnen begeven om aldaar op dezelfde voet als de onderdanen van die Lid-Staat van de betrokken diensten gebruik te maken. Dit recht op gelijke behandeling omvat niet alleen de eigenlijke toegang tot de betrokken diensten, in casu de fysieke toegang tot het museum, maar ook de daarmee samenhangende voordelen, in casu de gratis toegang.
De Commissie merkt op, dat museumbezoek een van de redenen kan zijn waarom toeristen, als ontvangers van diensten, besluiten een Lid-Staat te bezoeken. Zij beschouwt de toegang tot musea dan ook als een van de factoren die bepalend zijn voor een toeristisch bezoek aan een Lid-Staat. Er bestaat een nauw en onlosmakelijk verband met het aan toeristen toekomende recht op vrij verkeer. De rechtssituatie in Spanje, waar onderdanen van andere Lid-Staten openlijk op grond van hun nationaliteit worden gediscrimineerd, is volgens de Commissie duidelijk in strijd met de artikelen 7 en 59 EEG-Verdrag.
De Commissie beroept zich tot staving van haar standpunt met name op het arrest van het Hof van 2 februari 1989 in de zaak Cowan.(1)
4. Aanvankelijk, dat wil zeggen tijdens de - reeds in juli 1987 ingeleide - precontentieuze procedure, bestreed de Spaanse regering het standpunt van de Commissie. Zij betoogde in het bijzonder, dat de gewraakte regeling buiten de werkingssfeer van het Verdrag viel. Na de uitspraak van het arrest in de zaak Cowan is zij hiervan echter teruggekomen.
Toch concludeert de Spaanse regering tot verwerping van het beroep. Zij wijst er in dit verband op, dat een voorstel tot wijziging van artikel 22 van het koninklijk besluit is uitgewerkt en dat de voorgestelde bepaling "in volstrekt ondubbelzinnige bewoordingen enkel de inhoud van het te wijzigen artikel preciseert, voor zover dit artikel niet toestaat, dat onderdanen van andere Lid-Staten dan Spanje ter zake van de gratis toegang tot musea worden gediscrimineerd, aangezien lid 3 ervan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voor Spaanse onderdanen geldende regeling bij besluit van de ministerraad ook van toepassing kan worden verklaard op onderdanen van andere Lid-Staten".
5. Het is duidelijk, dat dit betoog niet kan worden aanvaard. De Commissie stelt in haar verzoekschrift, dat het Spaanse recht in werkelijkheid onderdanen van andere Lid-Staten geen gelijke behandeling garandeert, hetgeen door de Spaanse regering niet is weersproken. Het staat vast, dat de Spaanse ministerraad nog geen gebruik heeft gemaakt van de bestaande wettelijke mogelijkheid om gelijke behandeling te garanderen, en dat Spanjaarden en buitenlanders dus nog steeds niet gelijk worden behandeld.
Conclusie
6. Daar de Commissie terecht stelt, dat om de door haar aangevoerde reden uit het Verdrag de verplichting volgt, onderdanen van andere Lid-Staten op het punt van de betaling voor museumbezoek gelijk te behandelen, geef ik het Hof in overweging, het Koninkrijk Spanje overeenkomstig het door de Commissie gevorderde te veroordelen en in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) - Zaak 186/87, Jurispr. 1989, blz. 195. Het Hof stelde daar in het bijzonder vast, dat de vrijheid van dienstverrichting impliceert dat degenen te wier behoeve diensten worden verricht, zich met het oog daarop vrijelijk naar een andere Lid-Staat kunnen begeven zonder daarbij door betalingsbeperkingen te worden gehinderd, en dat met name toeristen zijn te beschouwen als personen te wier behoeve diensten worden verricht (r.o. 15), en overwoog voorts: De door het gemeenschapsrecht aan een natuurlijke persoon gewaarborgde vrijheid om zich naar een andere Lid-Staat te begeven, brengt mee dat de integriteit van die persoon in de betrokken Lid-Staat op dezelfde wijze moet worden beschermd als die van de onderdanen van die Lid-Staat en van de personen die er hun woonplaats hebben. Bijgevolg kunnen ontvangers van diensten in de zin van het Verdrag zich op het non-discriminatiebeginsel beroepen ter zake van de bescherming tegen het risico van geweldsmisdrijven en van het recht op de door de nationale wettelijke regeling bepaalde financiële vergoeding bij verwezenlijking van dat risico. (r.o. 17).
Full & Egal Universal Law Academy