Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Deze twee beroepen van de Commissie strekken tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door diverse wettelijke regelingen vast te stellen zonder deze in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.(1)
Richtlijn 83/189/EEG
2. Deze richtlijn dient te voorkomen dat nieuwe maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen van het goederenverkeer worden ingevoerd als gevolg va de vaststelling door de Lid-Staten van technische voorschriften met betrekking tot produkten. Het middel om dit doel te bereiken, bestaat hierin, dat de Lid-Staten worden verplicht de Commissie ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee te delen en zich binnen een vastgestelde termijnen te onthouden van goedkeuring van deze regeling; gedurende deze tijd nemen de Commissie en de andere Lid-Staten kennis van het ontwerp en dienen zij opmerkingen in, indien zij van mening zijn dat het beoogde voorschrift een handelsbelemmering zou kunnen vormen. Een eerste wijzigingsrichtlijn werd vastgesteld in 1988(2) en een tweede in maart van dit jaar.(3)
De Commissie verwijt Nederland, de artikelen 8 en 9 van de richtlijn niet te hebben nageleefd. De verplichtingen van de Lid-Staten worden daarin omschreven als volgt:
"Artikel 8
1. De Lid-Staten delen de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met een eenvoudige vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan; zij doen de Commissie tevens in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp blijken.
(...)
Artikel 9
1. Onverminderd lid 2, stellen de Lid-Staten de goedkeuring van een ontwerp van technisch voorschrift zes maanden uit, te rekenen vanaf de datum van de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling, indien de Commissie of een andere Lid-Staat binnen een termijn van drie maanden na die datum de uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd ten einde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit die maatregel kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken.
2. De termijn bedoeld in lid 1 bedraagt twaalf maanden indien de Commissie binnen een termijn van drie maanden na de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over dit ontwerp voor te stellen of vast te stellen.
(...)"
De precontentieuze procedure
3. In het kader van het bij verzoekschrift van 26 januari 1993 ingestelde beroep (zaak C-52/93) verwijt de Commissie Nederland, op 9 oktober 1990 Wijziging XIII Verordening PVS Kwaliteitsvoorschriften Bloembollen (iris, lelie) te hebben vastgesteld zonder deze in het ontwerpstadium te hebben meegedeeld. Op 31 juli 1991 zond zij een aanmaningsbrief aan de Nederlandse autoriteiten, die op 4 november 1991 hun opmerkingen kenbaar maakten. Daarop bracht de Commissie op 18 mei 1992 een met redenen omkleed advies in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag uit, dat op 23 juli 1992 werd beantwoord.
In het kader van het bij verzoekschrift van 9 maart 1993 ingestelde beroep (zaak C-61/93) komt de Commissie op tegen drie Nederlandse regelingen:
1) een besluit van 16 januari 1989 inzake kilowattuurmeters, tot wijziging van een koninklijk besluit uit 1970 houdende toepassing van de IJkwet van 1937. Met betrekking tot dit besluit deed de Commissie Nederland op 16 oktober 1989 een aanmaningsbrief toekomen; Nederland maakte op 17 november 1989 zijn opmerkingen kenbaar. Op 30 oktober 1991 verstuurde de Commissie een met redenen omkleed advies, dat op 13 januari 1992 werd beantwoord;
2) een besluit van 24 augustus 1988 houdende wijziging van de regeling sterkte-eisen frisdrankflessen. Op 27 oktober 1989 werd een aanmaningsbrief verzonden en op 2 april 1991 een met redenen omkleed advies. De Nederlandse regering antwoordde bij brief van 9 juli 1991;
3) een besluit van 21 oktober 1988 tot wijziging van de beschikking samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen. Er werd eveneens een aanmaningsbrief verstuurd op 9 februari 1990 en een met redenen omkleed advies op 2 april 1991. De Nederlandse regering antwoordde bij brief van 9 juli 1991.
4. De aanmaningsbrieven van de Commissie van 16 oktober 1989 (electriciteitsmeters), 27 oktober 1989 (flessen), 9 februari 1990 (bestrijdingsmiddelen) en 31 juli 1991 (bloembollen) zijn nagenoeg gelijkluidend. De Commissie vestigt de aandacht van de regering op de nationale technische maatregel waarvan zij in bijlage bij haar brief een kopie voegt. Zij stelt vast, dat deze maatregel onder het toepassingsgebied van richtlijn 83/189 valt, maar dat hiervan in het ontwerpstadium geen mededeling is gedaan overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn, en de goedkeuring ervan niet is opgeschort overeenkomstig artikel 9. De Commissie concludeert derhalve, dat "het hier een geval betreft waarin duidelijk de uit genoemde richtlijn voor de Lid-Staten voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen; de genoemde maatregel dient (...) dan ook onverwijld te worden opgeschort". Voorts is de Commissie, zoals zij heeft gepreciseerd in haar mededeling 86/C 245/05(4), "van mening, dat deze schending van de procedure ten gevolge heeft dat het technisch voorschrift geen rechtsgevolgen kan hebben en dus niet aan derden kan worden tegengeworpen". Derhalve verzoekt de Commissie "overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag uw regering haar (...) haar opmerkingen omtrent het hierboven uiteengezette standpunt te doen geworden", waarbij zij zich het recht voorbehoudt om nadien een met redenen omkleed advies uit te brengen.
In het geval van de electriciteitsmeters erkende Nederland, dat het vergeten was van het ontwerpbesluit mededeling te doen volgens de in de richtlijn voorgeschreven procedure, maar wees het erop, dat de regeling de Commissie onder andere titel was gezonden. Voorts merkte het op, dat de nieuwe regeling gunstiger voor het goederenverkeer was dan de oude regeling. In het geval van de bloembollen erkende het eveneens zijn fout, maar verzette het zich tegen intrekking van de regeling, waardoor een ongewenst juridisch vacuuem zou ontstaan. In het geval van de flessen en de bestrijdingsmiddelen liet de Nederlandse regering de aanmaningsbrieven onbeantwoord.
5. In de diverse met redenen omklede adviezen stelt de Commissie opnieuw vast, dat Nederland zijn verplichtingen niet is nagekomen om mededeling te doen van de ontwerpen voor technische voorschriften en de goedkeuring ervan op te schorten gedurende de in de richtlijn voorgeschreven termijn. In het bijzonder stelt zij zich op het standpunt, dat een zonder voorafgaande mededeling conform artikel 8 van richtlijn 83/189 goedgekeurd voorschrift niet op grond van de wetgeving van de betrokken Lid-Staat ten aanzien van derden kan worden toegepast. Dit beginsel zou zijn bevestigd in de rechtspraak van het Hof inzake de rechtstreekse werking van richtlijnen en zou een toepassing zijn zowel van het adagium "nemo auditur turpitudinem suam allegans" (met redenen omklede adviezen van 30 oktober 1991 en 18 mei 1992), als van het verbod van "venire contra factum proprium" (met redenen omklede adviezen van 2 april 1991). De Commissie concludeert, dat "de desbetreffende maatregel moet worden ingetrokken om een einde te maken aan deze situatie. Nadien zou hij als ontwerp kunnen worden medegedeeld". Ten slotte verzoekt zij Nederland, "de nodige maatregelen te treffen ten einde binnen een termijn van twee maanden (...) hieraan te voldoen".
In zijn antwoorden op de met redenen omklede adviezen erkent Nederland, dat de besluiten in het ontwerpstadium hadden moeten worden meegedeeld, merkt het op, dat het niet altijd gemakkelijk is om onderscheid te maken tussen wat een technische norm is en wat niet, en zegt het toe een dergelijke fout in de toekomst te voorkomen. Het weigert evenwel zijn besluiten in te trekken op grond dat zij geen handelsbelemmeringen veroorzaken (electriciteitsmeters, flessen, bestrijdingsmiddelen), hetgeen door de Commissie niet wordt betwist, en dat door intrekking een ongewenst juridisch vacuuem zou ontstaan.
De schriftelijke procedure voor het Hof
6. Het door de Commissie in de petita van haar verzoekschriften gevorderde is eenvoudig weer te geven, omdat het kan worden samengevat als vaststelling van niet-nakoming van de artikelen 8 en 9 van de richtlijn en veroordeling in de kosten. Dit neemt niet weg, dat het vraagstuk van schorsing van de litigieuze regelingen in het geschil centraal staat. Juist zoals in haar met redenen omklede adviezen stelt de Commissie zich op het standpunt, dat de niet vooraf in het ontwerpstadium meegedeelde nationale regeling niet aan derden kan worden tegengeworpen, en lijkt zij te concluderen dat er nog steeds sprake is van niet-nakoming omdat "de desbetreffende maatregel moet worden ingetrokken om een einde te maken aan deze situatie. Nadien zou hij als ontwerp kunnen worden medegedeeld."
Los van de voor elk besluit specifieke feitelijke argumenten betwist Nederland in zijn verweerschriften de strekking van de verzoekschriften van de Commissie. Uit de omstandigheid dat het steeds heeft erkend een fout te hebben begaan door te vergeten de ontwerpen voor regelingen mee te delen, en dat het de Commissie heeft laten weten dat het zijn leven zal beteren, leidt het af, dat het enige belang dat de Commissie bij voortzetting van de niet-nakomingsprocedure heeft, is een principiële uitspraak te verkrijgen in die zin, dat een zonder voorafgaande mededeling goedgekeurde regeling niet aan derden kan worden tegengeworpen en dat een Lid-Staat verplicht is de uitvoering van die regeling op te schorten zolang zij niet is meegedeeld. Nederland concludeert tot "oneigenlijk gebruik" van de niet-nakomingsprocedure en probeert aan te tonen, waarom het standpunt van de Commissie niet kan worden aanvaard.
In haar memories van repliek komt de Commissie tegen deze conclusies op en verklaart zij, de grenzen van haar bevoegdheden niet te hebben overschreden door verzoekschriften in te dienen waarvan het voorwerp enkel in de petita wordt bepaald. De door Nederland aangevochten gronden waren uitsluitend bedoeld om het doel en de draagwijdte van de bepalingen van richtlijn 83/189 in herinnering te brengen.
Akte nemende van de aldus beperkte strekking van de verzoekschriften, betwijfelt Nederland in zijn memories van dupliek, of de aldus bijgestelde vorderingen kunnen worden toegewezen. Het gaat bij de verweten niet-nakoming enkel om verzuimen van ettelijke jaren geleden. Bovendien gaat het slechts om niet-nakoming van procedureregels en wordt geen schending van artikel 30 EEG-Verdrag gesteld. Nederland concludeert, dat de verzoekschriften niet-ontvankelijk zijn of althans grondslag ontberen, en vordert veroordeling van de Commissie in de kosten.
Precedenten met betrekking tot richtlijn 83/189
7. Alvorens de gegrondheid van de beroepen te onderzoeken, dienen de zaken in herinnering te worden gebracht die met betrekking tot de toepassing van richtlijn 83/189 bij het Hof aanhangig zijn gemaakt. In deze verschillende zaken ging het immers om de vraag, of de niet vooraf meegedeelde nationale regeling aan derden kon worden tegengeworpen.
De eerste zaak werd beslist bij arrest van 2 augustus 1993.(5) De Italiaanse Republiek had een decreet vastgesteld, dat aanvankelijk bedoeld was ter uitvoering van een richtlijn, maar dat de facto dit resultaat niet had. Daar dit decreet technische normen bevatte, had de Commissie geëist dat het haar werd meegedeeld, en blijkens een noot bij de conclusie van advocaat-generaal Gulmann had de Italiaanse Republiek de Commissie het decreet eerst doen toekomen ná de in het met redenen omkleed advies gegunde termijn voor het treffen van de nodige maatregelen. Ook al werd de vraag, of de regeling niet aan derden kon worden tegengeworpen, door partijen uitvoerig besproken, advocaat-generaal Gulmann wees erop, dat het Hof, in overeenstemming met zijn rechtspraak, enkel een standpunt kon innemen over wat het voorwerp was van de door de Commissie in haar verzoekschrift geformuleerde conclusies. Derhalve veroordeelde het Hof de Italiaanse Republiek enkel en alleen wegens niet-nakoming van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189.
De rechtstreekse werking van richtlijn 83/189 en de onmogelijkheid een niet vooraf in het ontwerpstadium meegedeelde nationale bepaling aan derden tegen te werpen, vormden het voorwerp van twee prejudiciële vragen in de zaak Decoster.(6) Het antwoord op een andere vraag leek het Hof evenwel meer relevant voor het voorwerp van het geschil en dit stelde het Hof in staat de verwijzende rechter voldoende uitleggingsgegevens te verschaffen, waardoor beantwoording van de vragen betreffende richtlijn 83/189 achterwege kon blijven. Wel viel te constateren, dat Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zich met betrekking tot die vragen krachtig tegen de Commissie verzetten.
Het vraagstuk is ook aan de orde in de nog aanhangige zaak C-317/92 (Commissie/Duitsland), waarin advocaat-generaal Darmon op 15 december 1993 conclusie heeft genomen. De vraag staat daar echter in een geheel ander licht, omdat de niet vooraf in het ontwerpstadium meegedeelde nationale regeling in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag. Volgens advocaat-generaal Darmon is er naast de niet-nakoming van artikel 30 EEG-Verdrag sprake van niet-nakoming van artikel 8 van de richtlijn. Volgens hem is er geen sprake van niet-nakoming van artikel 9 van de richtlijn, aangezien deze bepaling eerst toepassing vindt ná de mededeling uit hoofde van artikel 8, lid 1, van de richtlijn, die in dat geval juist achterwege was gebleven. Wat de vraag betreft, of de regeling niet aan derden kan worden tegengeworpen, is de advocaat-generaal van oordeel, dat deze niet in het kader van een dergelijk beroep moet worden beantwoord.
Bepaling van het onderwerp van de beroepen
8. Hoewel het petitum van de Commissie slechts betrekking heeft op de vaststelling, dat Nederland de krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, heeft het verweer van Nederland betrekking op iets anders. Verweerder heeft in feite nimmer betwist, te zijn vergeten overeenkomstig de door richtlijn 83/189 voorgeschreven procedure mededeling te doen van zijn verschillende ontwerpregelingen. Wat hij bestrijdt, zijn de verplichtingen die de Commissie hem heeft willen opleggen op grond van haar standpunt inzake de rechtstreekse werking van de richtlijn en de onmogelijkheid niet-meegedeelde nationale regelingen aan derden tegen te werpen. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie het uiterst beperkte voorwerp van de beroepen bevestigd, te weten de vaststelling van de niet-nakoming wegens niet-mededeling van de ontwerpregelingen. Volgens haar was dat ook het voorwerp van de aanmaningsbrieven en de met redenen omklede adviezen. Bij nauwkeurige lezing van de verschillende bij de verzoekschriften van de Commissie gevoegde stukken blijkt evenwel, dat deze ook zo konden worden opgevat, dat het om meer ging dan om een simpel verzoek om opmerkingen te maken over het bestaan van een niet-nakoming. De Commissie sprak daarin uitdrukkelijk over opschorting of intrekking van de wettelijke bepalingen ("dient te worden opgeschort"(7) en "moet worden ingetrokken"(8)) en zette er haar opvatting uiteen, dat niet in het ontwerpstadium meegedeelde technische normen niet aan derden kunnen worden tegengeworpen.
9. Ik bestrijd niet het belang van dit standpunt, waaraan de Commissie veel gewicht schijnt te hechten. In dit verband rijst de vraag, waarom de Commissie, indien zij van mening is dat dit standpunt onmisbaar is voor de goede werking van de bij richtlijn 83/189 ingevoerde procedure, het Europees Parlement en de Raad nimmer heeft voorgesteld, het in een verwijzingsrichtlijn vast te leggen. Wat hier ook van zij, met advocaat-generaal Darmon(9) ben ik van mening, dat de juistheid van dit standpunt niet in het kader van een beroep wegens niet-nakoming moet worden onderzocht. Het Hof heeft tot taak vast te stellen, of de betrokken Lid-Staat de krachtens het gemeenschapsrecht, in casu de artikelen 8 en 9 van de richtlijn, op hem rustende verplichtingen al dan niet is nagekomen. Het is niet zijn taak, zich in het kader van dergelijke beroepen uit te spreken over de gevolgen die de vaststelling van een niet-nakoming kan hebben in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten. Het zijn immers de nationale rechterlijke instanties die krachtens artikel 171 van het Verdrag de consequenties uit s' Hofs arresten dienen te trekken en die alle maatregelen dienen te nemen om de volledige werking van het gemeenschapsrecht te vergemakkelijken.(10)
De Commissie heeft dus terecht ° en daarin overigens met eerbiediging van 's Hofs rechtspraak ° erkend, dat het onderwerp van haar beroepen door de formulering van de conclusies van haar verzoekschriften strikt was afgebakend.
Die formulering liet evenwel nog op één punt twijfel bestaan, want de verweten niet-nakoming had betrekking op artikel 8 van de richtlijn en bestond uit het niet mededelen van de regeling in het ontwerpstadium, terwijl er eveneens werd verwezen naar artikel 9 van de richtlijn, betreffende de opschorting van de goedkeuring van het ontwerp technisch-voorschrift. Op een desbetreffende vraag antwoordde de vertegenwoordiger van de Commissie, dat de beroepen uitsluitend betrekking hadden op het niet mededelen van de technische normen. Ik ben derhalve van mening, dat de arresten van het Hof slechts artikel 8 van de richtlijn kunnen betreffen, aangezien de verwijzing naar artikel 9 in casu niet ter zake dienend is.(11)
Beoordeling van het procesbelang
10. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van Nederland enkele malen verklaard, verheugd te zijn over het feit dat de Commissie het onderwerp van de beroepen had gepreciseerd. Maar juist zoals in de memories van dupliek betwistte hij het procesbelang bij de vaststelling van een niet-nakoming die steeds was erkend.
Dit argument kan evenwel niet worden aanvaard. Het staat immers aan de Commissie te beoordelen, of het zin heeft een beroep wegens niet-nakoming in te stellen; dienaangaande heeft haar vertegenwoordiger ter terechtzitting gewezen op de bezorgdheid van de Commissie over de niet-naleving van de in de richtlijn voorgeschreven mededelingsprocedure, met name door Nederland en met betrekking tot wettelijke regelingen die zijn vastgesteld nadat de aanmaningen en de met redenen omklede adviezen in de onderhavige zaken waren verzonden. Zoals advocaat-generaal Tesauro zei in zijn conclusie in de zaak Storebaelt-brug(12), "moet hoe dan ook worden aangenomen, dat de Commissie belang heeft bij de procedures die zij uit hoofde van artikel 169 inleidt, zelfs ingeval inbreuken niet worden betwist".
Dit belang kan overigens hierin bestaan, dat de niet-nakoming voor het verleden wordt vastgesteld, gezien de gevolgen die een dergelijke vaststelling kan hebben in de rechtsorde van de Lid-Staten, waar het, zoals ik al zei, aan de bevoegde autoriteiten en met name aan de rechterlijke instanties staat, alle maatregelen te nemen om de volledige werking van het gemeenschapsrecht te vergemakkelijken.
De kosten
Ter terechtzitting verzocht de vertegenwoordiger van Nederland het Hof, bij de kostenbeslissing rekening te houden met de verwarring die de Commissie heeft gesticht ten aanzien van het werkelijke voorwerp van de beroepen. Ingevolge artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof immers de proceskosten wegens bijzondere redenen over de partijen verdelen.
Ik meen, dat er in casu inderdaad sprake is van dergelijke bijzondere redenen. Het feit da het voorwerp van de aanmaningen en van de met redenen omklede adviezen niet klopte met dat van de verzoekschriften, kan weliswaar geen afbreuk hebben gedaan aan het recht van verweer van Nederland, aangezien het in ieder geval de gelegenheid heeft gehad zijn opmerkingen in te dienen over het bestaan van de verweten niet-nakoming van de artikelen 8 en 9 van de richtlijn, doch wel moet worden vastgesteld, dat het aan de Commissie toe te rekenen ontbreken van duidelijkheid dit verweer toch heeft bemoeilijkt. Het voorwerp van de aanmaningen en de met redenen omklede adviezen was overigens ook de Commissie zelf niet helemaal duidelijk, want volgens haar vertegenwoordiger werd daarin niet gesproken van "opschorting" van de wettelijke regelingen, terwijl de tekst zelf van de stukken in tegengestelde zin kon worden uitgelegd. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de proceskosten over de partijen te verdelen.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te verklaren, als volgt:
In zaak C-52/93:
"1) Door op 9 oktober 1990 Wijziging XIII Verordening PVS Kwaliteitsvoorschriften Bloembollen (iris, lelie) vast te stellen zonder deze regeling in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen."
In zaak C-61/93:
"1) Door 1) op 16 januari 1989 een besluit inzake kilowattuurmeters, (2) op 24 augustus 1988 een besluit houdende wijziging van de regeling sterkte-eisen frisdrankflessen, en (3) op 21 oktober 1988 een besluit tot wijziging van de beschikking samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen, vast te stellen zonder deze regelingen in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8).
(2) ° Richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988 tot wijziging van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1988, L 81, blz. 75).
(3) ° Richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 tot tweede substantiële wijziging van richtlijn 83/189/EEG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1994, L 100, blz. 30).
(4) ° PB 1986, C 245, blz. 4.
(5) ° Zaak C-139/92, Commissie/Italië, Jurispr. 1993, blz. I-4707.
(6) ° Arrest van 27 oktober 1993, zaak C-69/91, Jurispr. 1993, blz. I-5335.
(7) ° Aanmaningsbrief van 16 oktober 1989 in de procedure inzake het besluit betreffende elektriciteitsmeters.
(8) ° Met redenen omkleed advies van 30 oktober 1991 in dezelfde procedure.
(9) ° Conclusie van 15 december 1993 in zaak C-317/92, Commissie/Duitsland, punt 67.
(10) ° Arresten van 14 december 1982 (gevoegde zaken 314/81, 315/81, 316/81 en 83/82, Waterkeyn, Jurispr. 1982, blz. 4337, r.o. 16) en 19 januari 1993 (zaak C-101/91, Commissie/Italië, Jurispr. 1993, blz. I-191, r.o. 24).
(11) ° Zie hiervoor de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 15 december 1993 in zaak C-317/92, Commissie/Italië, punten 65 en 66.
(12) ° Conclusie van 17 november 1992 in zaak C-243/89, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1993, blz. I-3373, I-3379, waarin het Hof arrest heeft gewezen op 22 juni 1993 (Jurispr. 1993, blz. I-3353).
Full & Egal Universal Law Academy