Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad der Nederlanden een aantal vragen gesteld over de verenigbaarheid met het EG-Verdrag van nationale voorschriften voor de jaarlijkse keuring van motorvoertuigen. Deze vragen zijn gesteld in een cassatieberoep van Van Schaik tegen zijn veroordeling wegens het in strijd met artikel 9a, lid 1, Wegenverkeerswet(1) een motorvoertuig hebben bestuurd zonder geldig keuringsbewijs.
2. Van Schaik betwist niet, dat hij een voertuig heeft bestuurd zonder geldig keuringsbewijs. Hij stelt evenwel, dat het Nederlandse autokeuringsstelsel strijdig is met het gemeenschapsrecht, met name de artikelen 5, 30, 62, 85 en 86 EG-Verdrag. Gelet op deze strijdigheid stelt hij het recht te hebben, een in Nederland ingeschreven voertuig te besturen dat geen technische controle heeft ondergaan.
3. Het geschil heeft de volgende achtergrond. Ingevolge artikel 9g Wegenverkeerswet kan de minister van Verkeer en Waterstaat aan natuurlijke of rechtspersonen een erkenning verlenen om keuringsbewijzen af te geven voor in Nederland ingeschreven motorvoertuigen. Ingevolge artikel 16 van het Besluit periodieke keuring van motorrijtuigen, aanhangers en opleggers van 28 april 1980(2) kunnen worden erkend personen die een keuringsstation exploiteren, of die een onderneming exploiteren welke onderhoud aan motorvoertuigen verricht, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aan deze voorwaarden kan in de praktijk blijkbaar alleen worden voldaan door personen die een onderneming in Nederland exploiteren. Van Schaik betoogt, dat ook personen die in andere Lid-Staten zijn gevestigd, krachtens het gemeenschapsrecht moeten kunnen worden erkend voor de afgifte van keuringsbewijzen voor in Nederland geregistreerde voertuigen.
4. De Hoge Raad heeft de navolgende vragen gesteld:
"1. (a) Moet artikel 30 van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals de (in het verwijzingsarrest) geschetste APK-regeling, gelet op de (in het verwijzingsarrest) vermelde omstandigheden, een maatregel van gelijke werking oplevert als bedoeld in dat artikel?
(b) Of dient artikel 30 daarentegen aldus te worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals de APK-regeling daarop geen inbreuk maakt, omdat zij strekt ter bescherming van een EEG-rechtelijk gerechtvaardigd algemeen belang, naar haar aard niet de handel in auto-onderdelen tot onderwerp heeft, en geen verdergaand handelsbelemmerend effect heeft dan nodig is?
2. Indien vraag 1 (a) bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 36 van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals de APK-regeling niettemin met artikel 30 van het Verdrag verenigbaar is, als gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de openbare veiligheid en de gezondheid en het leven van personen?
3. (a) Moet artikel 62 van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals de APK-regeling daarmee onverenigbaar is, nu deze meebrengt dat, als gevolg van de voor verlening van een erkenning als bedoeld in artikel 9g Wegenverkeerswet gestelde voorwaarden, buitenlandse garagebedrijven op het gebied van te verrichten onderhoudsdiensten mogelijk klandizie zijn komen te verliezen doordat zij met betrekking tot Nederlandse auto' s geen keuringsbewijzen kunnen verstrekken?
(b) Of dient, gelet op artikel 55 van het Verdrag, artikel 62 daarentegen aldus te worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling zoals de APK-regeling daarop geen inbreuk maakt omdat het door de erkende garages verrichten van keuringen voor het keuringsbewijs kan worden aangemerkt als werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de Staat?
4. (a) Moeten de artikelen 5 en 85 en 86 van het Verdrag aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als de APK-regeling, nu deze meebrengt dat in Nederland gevestigde en aldaar erkende garagehouders de klanten die een auto bij hen in onderhoud geven vrijstellen van de betaling van de kosten verbonden aan de keuring en de afgifte van het keuringsbewijs, zodat bezitters van motorvoertuigen worden aangemoedigd om aan deze garagehouders hun klandizie te geven?
(b) Of brengt artikel 90, lid 2, van het Verdrag mede dat de erkende garagebedrijven zijn aan te merken als ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, waarvan de taakvervulling zou worden verhinderd indien zij de genoemde vrijstelling van kosten niet zouden kunnen verlenen?
5. In hoeverre maakt het voor de beantwoording van de bovengenoemde vragen verschil of de uit de nationale regeling voortvloeiende nadelige beïnvloeding van het intracommunautaire verkeer van goederen en diensten en van de intracommunautaire mededinging al dan niet zich slechts in de grensstrook en op beperkte schaal voordoet?
6. In hoeverre maakt het voor de beantwoording van de bovengenoemde vragen verschil, of de nationale wettelijke regeling uitsluitend betrekking heeft op voertuigen van categorieën als vermeld in de bijlage bij de richtlijn van de Raad van 29 december 1976 (77/143/EEG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de Lid-Staten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens(3), dan wel mede op andere voertuigen zoals personenauto' s (niet zijnde taxi' s) en andere lichte voertuigen?"
5. Het gaat in deze procedure om het vereiste, dat de keuringen moeten worden verricht in de Lid-Staat waar het voertuig is geregistreerd. De cruciale vragen van gemeenschapsrecht zijn mijns inziens de verenigbaarheid van dat vereiste met de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten en de werking van richtlijn 77/143. Eerst zal ik de richtlijn onderzoeken.
Richtlijn 77/143
6. Richtlijn 77/143 regelt de gedeeltelijke harmonisering van de inhoud en frequentie van technische controles van motorvoertuigen. Artikel 1 van de richtlijn bepaalt het volgende:
"In elke Lid-Staat moeten de in die Staat geregistreerde motorvoertuigen, alsmede hun aanhangwagens en opleggers, een periodieke technische controle ondergaan, overeenkomstig deze richtlijn en haar bijlagen."
Artikel 2, lid 1, luidt:
"De categorieën voertuigen die moeten worden gecontroleerd, de frequentie van de technische controle en de verplicht te controleren punten staan in de bijlagen I en II."
Artikel 3 bepaalt evenwel onder meer, dat de Lid-Staten het aantal te controleren punten en de frequentie van de verplichte controles kunnen verhogen en de verplichte periodieke controle uitbreiden tot andere categorieën voertuigen.
7. Artikel 4 luidt:
"De technische controle in de zin van deze richtlijn moet worden uitgevoerd door de Staat of door organen of instellingen die door de Staat zijn aangewezen en die onder rechtstreeks toezicht van de Staat staan."
Artikel 5 bepaalt:
"1. De Lid-Staten nemen de maatregelen die zij nodig achten voor het leveren van het bewijs dat het voertuig met goed gevolg een technische controle heeft ondergaan die minstens voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn.
(...)
3. Iedere Lid-Staat erkent het in een andere Lid-Staat afgegeven bewijs dat een motorvoertuig dat in deze laatste Lid-Staat is ingeschreven, alsmede de aanhangwagen of oplegger daarvan met goed gevolg een technische controle hebben ondergaan die minstens voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn, alsof hij dit bewijs zelf had afgegeven."
8. Oorspronkelijk eiste richtlijn 77/143 niet de keuring van motorvoertuigen (behalve taxi' s of ziekenwagens) met niet meer dan acht zitplaatsen. Later werd bijlage I bij de richtlijn evenwel in die zin gewijzigd, dat ook deze voertuigen periodiek moesten worden gekeurd.(4) Deze wijziging is eerst in werking getreden op 1 januari 1994(5) en is daarom niet van direct belang voor de onderhavige zaak. De Lid-Staten kunnen evenwel, zoals gezegd, ingevolge artikel 3 het vereiste van periodieke keuring uitbreiden tot niet in de richtlijn genoemde voertuigen. Naar het mij voorkomt, is deze bepaling voor de zaak relevant en is het daarom noodzakelijk, de werking van de richtlijn te onderzoeken.
9. De opzet van de richtlijn is duidelijk. Ingevolge artikel 1 moeten de in bijlage I genoemde voertuigen een periodieke technische keuring ondergaan. Deze keuring moet worden verricht in de staat waar het voertuig is geregistreerd. Krachtens artikel 4 moeten de door een Lid-Staat aangewezen keuringsinstellingen onder rechtstreeks toezicht van de staat staan. Ofschoon de richtlijn minimumeisen vaststelt voor de te controleren categorieën voertuigen, de te controleren punten en de frequentie van de keuringen, worden de Lid-Staten uitdrukkelijk gemachtigd strengere normen aan te leggen en de vereisten van de richtlijn uit te breiden tot andere categorieën voertuigen. Men mag aannemen, dat dergelijke nadere eisen enkel mogen worden gesteld aan in de betrokken Lid-Staat geregistreerde voertuigen.
10. Ingevolge deze bepalingen mag een Lid-Staat eisen, dat alle in die staat ingeschreven motorvoertuigen periodieke technische controles ondergaan, die worden uitgevoerd door op zijn grondgebied gevestigde organen of instellingen. Ingevolge artikel 5 kan de betrokken Lid-Staat bepalen, welk certificaat als bewijs van keuring wordt afgegeven. De Lid-Staten moeten in een andere Lid-Staat afgegeven keuringsbewijzen erkennen, maar enkel voor voertuigen die in die Lid-Staat zijn ingeschreven.
11. De regeling van de richtlijn lijkt mij ervan uit te gaan, dat een Lid-Staat enkel over op zijn eigen grondgebied gelegen keuringsstations rechtstreeks toezicht kan uitoefenen. Dat is de reden waarom een voertuig moet worden gekeurd in de staat waar het is ingeschreven. De bestuurder van een dergelijk voertuig heeft niet het recht, het in een andere Lid-Staat te laten keuren. Anderzijds moeten door de Lid-Staat waar het voertuig ingeschreven staat, afgegeven keuringsbewijzen door de autoriteiten van andere Lid-Staten worden erkend als voldoende bewijs dat aan de vereisten van de richtlijn is voldaan.
12. Het lijdt mijns inziens dan ook geen twijfel, dat van de bestuurder van een in een Lid-Staat ingeschreven motorvoertuig ingevolge het bepaalde in de richtlijn mag worden gevergd, dat hij in het bezit is van een in die Lid-Staat afgegeven geldig keuringsbewijs.
13. In casu wordt niet gesteld, dat de richtlijn ongeldig is. Zou men menen, dat de richtlijn een ongeoorloofde beperking van het vrije verkeer van diensten of een andere door het EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid inhield, dan zou haar geldigheid uiteraard in twijfel kunnen worden getrokken. Zoals hierna zal blijken, zijn beperkingen van de in de richtlijn gestelde soort mijns inziens evenwel verenigbaar met het EG-Verdrag; de geldigheid van de richtlijn is dan ook niet in geding.
14. Dan kom ik nu toe aan de vraag, of beperkingen als de onderhavige met het EG-Verdrag verenigbaar zijn.
De bepalingen van het EG-Verdrag
15. Ofschoon de Hoge Raad een aantal vragen heeft gesteld over verschillende bepalingen van het EG-Verdrag, moet ervan worden uitgegaan, dat Van Schaik zich in hoofdzaak beroept op het vrije verkeer van diensten, zoals gewaarborgd bij artikel 59. Hij betoogt in wezen dat, doordat hem wordt belet zijn voertuig in een andere Lid-Staat te laten keuren, het hem moeilijker wordt gemaakt diensten te ontvangen van tweeërlei aard. In de eerste plaats wordt hem in de praktijk belet zijn auto in een andere Lid-Staat te laten keuren, aangezien die keuring geen naar Nederlands recht erkend keuringsbewijs oplevert. In de tweede plaats wordt hij ervan weerhouden, zijn auto in een andere Lid-Staat te laten herstellen en onderhouden, daar hij niet kan profiteren van het voordeel dat een keuring wordt gecombineerd met het algemeen onderhoud van de auto. Hij wijst erop, dat naar Nederlands recht geen extra bedrag in rekening mag worden gebracht voor de afgifte van een keuringsbewijs, indien het wordt afgegeven door een garage die een algemene onderhoudsbeurt heeft verricht.
16. Van Schaik beroept zich tevens op het in artikel 30 EG-Verdrag neergelegde vrije verkeer van goederen. Het komt mij evenwel voor dat, ofschoon het keuren en onderhouden van een voertuig in een andere Lid-Staat, aanleiding kan geven tot de levering van goederen, te weten de ter vervanging van defecte onderdelen benodigde onderdelen, deze levering ondergeschikt is aan de levering van diensten. De in aanmerking te nemen bepaling is derhalve artikel 59. In elk geval is duidelijk, dat in beide gevallen soortgelijke beginselen gelden.
17. Het komt mij voor, dat een weigering om keuringsstations te erkennen die in andere Lid-Staten zijn gevestigd, inderdaad kan worden gezien als een beperking van het bij artikel 59 gewaarborgde vrije verkeer van diensten, al kan een dergelijke beperking, zoals ik hierna zal bespreken, ingevolge artikel 56, lid 1, gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de gezondheid en de openbare veiligheid. Anders dan de Commissie meen ik, dat het keuren van voertuigen en de afgifte van keuringsbewijzen een "dienst" is in de zin van artikel 60, aangezien keuringen normaal gesproken tegen betaling worden verricht. De keuring van voertuigen is een activiteit die valt onder richtlijn 82/470/EEG van de Raad, die tot doel heeft de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten te vergemakkelijken, onder meer voor bepaalde activiteiten op het gebied van het vervoer.(6) Bovendien is de afgifte van keuringsbewijzen voor voertuigen mijns inziens niet te beschouwen als een activiteit verband houdend met de uitoefening van het openbaar gezag in de zin van artikel 55. Het Hof heeft beklemtoond, dat artikel 55 een uitzondering vormt op de bij het EG-Verdrag gewaarborgde fundamentele rechten en daarom eng moet worden uitgelegd.(7)
18. Bovendien zou mijns inziens, ook indien de activiteit van het keuren en afgeven van keuringsbewijzen op zichzelf niet zou zijn te beschouwen als een dienst, de weigering om in andere Lid-Staten gevestigde garages toe te staan keuringen te verrichten die tot de afgifte van een keuringsbewijs leiden, neerkomen op de indirecte beperking van de levering van de diensten van algemeen onderhoud en herstel; deze diensten zullen immers dikwijls worden geleverd door de garage die de keuring verricht.
19. Artikel 59 is derhalve in beginsel toepasselijk. Dit wordt voorts niet uitgesloten door artikel 61, lid 1, EG-Verdrag, dat luidt:
"Het vrije verkeer van de diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel betreffende het vervoer" (te weten de artikelen 74 tot 84).
Immers, ofschoon de harmonisering van de vereisten voor autokeuringen duidelijk onder de bepalingen van het EG-Verdrag omtrent het vervoer vallen, behoeft het verrichten van de keuringen zelf niet te worden gezien als een onderwerp dat bij artikel 61, lid 1, wordt uitgesloten. Zo omvatten de "diensten op het gebied van het vervoer" die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 59, geen diensten als het keuren van voertuigen (of ook het onderhoud aan voertuigen), die ondergeschikt zijn aan of een hulpfunctie hebben ten opzichte van de levering van vervoersdiensten in eigenlijke zin.(8)
20. Zoals Van Schaik stelt, brengt de vrijheid van dienstverrichting voor de consument een overeenkomstige vrijheid mee om zich naar een andere Lid-Staat te begeven teneinde de aangeboden diensten te ontvangen.(9) In het arrest Luisi en Carbone(10) verklaarde het Hof:
"De vrijheid van dienstverrichting impliceert (...) de vrijheid van degenen te wier behoeve diensten worden verricht, om zich met het oog daarop naar een andere Lid-Staat te begeven zonder daarbij door betalingsbeperkingen te worden gehinderd (...)."
In de zaak "toegang tot musea"(11) aanvaardde het Hof het betoog van de Commissie, dat
"(...) de in artikel 59 EEG-Verdrag erkende vrijheid van dienstverrichting onder meer impliceert, dat degenen te wier behoeve diensten worden verricht, waaronder toeristen, zich vrijelijk naar een andere Lid-Staat kunnen begeven om aldaar onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Lid-Staat van de betrokken diensten gebruik te maken".
21. Het komt mij voor, dat een weigering van een Lid-Staat om keuringsinstellingen in een andere Lid-Staat (of de resultaten van door die keuringsinstellingen verrichte keuringen) te erkennen, kan worden beschouwd als een, zij het indirecte, beperking van het recht diensten te ontvangen. Deze weigering belet een automobilist op zich weliswaar niet, zijn voertuig in een andere Lid-Staat te laten keuren, maar in de praktijk zal hij daarvan worden weerhouden, aangezien deze keuring hem niet het rechtens erkend keuringsbewijs zal opleveren. Het is evenwel duidelijk, dat de beperking verenigbaar is met artikel 59, indien zij ingevolge artikel 56, lid 1, EG-Verdrag kan worden gerechtvaardigd. Artikel 56, lid 1, dat ingevolge artikel 66 ook de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de diensten omvat, bepaalt:
"De voorschriften van dit hoofdstuk (...) doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn."
22. Mijns inziens is de betrokken beperking ingevolge artikel 56, lid 1, te rechtvaardigen als een maatregel ter bescherming van de volksgezondheid, die uiteraard moet worden geacht ook de voorkoming van verkeersongevallen te omvatten. Een Lid-Staat mag het leven van zijn onderdanen beschermen door te eisen, dat in die Lid-Staat geregistreerde voertuigen periodieke technische controles ondergaan. Voorts is het gelet op het belang van deze doelstelling en bij gebreke van een volledige harmonisatie van de keuringsvereisten gerechtvaardigd, dat een Lid-Staat eist, dat de voertuigen worden gekeurd door op zijn grondgebied gevestigde keuringsinstellingen. In dat geval kan de Lid-Staat namelijk rechtstreeks toezicht houden op de betrokken instellingen en zal hij in staat zijn zo nodig strafrechtelijke sancties op te leggen (bij voorbeeld in geval van frauduleus afgegeven keuringsbewijzen). Zoals wij hebben gezien, is de richtlijn juist op deze beginselen gebaseerd.(12)
23. Een Lid-Staat mag dan ook mijns inziens weigeren, keuringsinstellingen in andere Lid-Staten te erkennen. Eveneens mag hij weigeren, keuringsbewijzen te erkennen die in andere Lid-Staten zijn afgegeven voor zijn eigen geregistreerde voertuigen. Er zij evenwel op gewezen, dat Van Schaik zich niet beroept op een in een andere Lid-Staat afgegeven keuringsbewijs, maar enkel stelt, het recht te hebben om een voertuig te besturen zonder geldig keuringsbewijs. Het is duidelijk, dat hij dit recht niet heeft.
24. Volledigheidshalve zal ik in het kort het belang van de mededingingsbepalingen van het EG-Verdrag bespreken, die eveneens door Van Schaik worden ingeroepen. De Hoge Raad vraagt in zijn vierde vraag, of de artikelen 5, 85 en 86 EG-Verdrag zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die het aan als keuringsinstelling erkende garagehouders toestaat, klanten vrij te stellen van de betaling van de kosten verbonden aan de keuring. Zoals wij hebben gezien, staat de betrokken Nederlandse regeling garagehouders niet alleen toe, klanten vrij te stellen van de betaling van deze kosten, maar verplicht zij hen zelfs daartoe, wanneer de keuring wordt verricht in het kader van algemeen onderhoud aan het voertuig.
25. Zoals de Commissie uiteenzet, wordt niet gesuggereerd, dat de Nederlandse wettelijke regeling tot doel heeft om een bestaande overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging toe te staan of te versterken, dan wel een dergelijke overeenkomst of gedraging op te leggen of te vergemakkelijken. Anders dan Van Schaik stelt, wijst het feit dat de Nederlandse regering een Raad van toezicht op de periodieke autokeuringen kan raadplegen die als leden onder andere vertegenwoordigers van de garagehouders telt, niet op een verband met een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging. Zelfs indien een overeenkomst om van deze kosten af te zien zou moeten worden gezien als bij artikel 85 verboden ° een stelling die op zichzelf twijfelachtig is °, dan nog zou het in de Nederlandse wettelijke regeling neergelegde vereiste niet zover gaan, dat het een inbreuk vormt op de verplichtingen van deze Lid-Staat ingevolge de artikelen 3, sub f, 5 en 85, lid 1, EG-Verdrag.(13)
26. Wat artikel 86 EG-Verdrag betreft, is niet aangetoond dat er sprake is van een machtspositie op de markt voor autokeuringen.
27. Ten slotte is, zelfs indien de Nederlandse wettelijke regeling aantoonbaar strijdig zou zijn met de mededingingsbepalingen van het EG-Verdrag, niet duidelijk gemaakt, hoe Van Schaik zich op deze onverenigbaarheid kan beroepen om het vereiste van een geldig keuringsbewijs te ontlopen.
28. In ieder geval staat richtlijn 77/143, zoals gezegd, de Lid-Staten toe, periodieke technische controles voor te schrijven voor alle in die Lid-Staat geregistreerde voertuigen, en schrijft zij voor, dat die controles worden uitgevoerd door op zijn grondgebied gevestigde keuringsinstellingen, die onder rechtstreeks toezicht van de Lid-Staat staan. Naar het mij voorkomt, vormt de richtlijn derhalve voldoende antwoord op de bezwaren van Van Schaik.
Conclusie
29. Ik ben derhalve van mening, dat de vragen van de Hoge Raad moeten worden beantwoord als volgt:
Artikel 3 van richtlijn 77/143/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat het een Lid-Staat toestaat, de in de richtlijn neergelegde vereisten voor periodieke controles uit te breiden tot in die Lid-Staat geregistreerde motorvoertuigen welke niet onder een in bijlage I bij de richtlijn genoemde categorie vallen. Ingevolge de artikelen 1 en 4 van de richtlijn kan een Lid-Staat eisen, dat deze controles worden uitgevoerd door op zijn grondgebied gevestigde organen of instellingen die door de staat zijn aangewezen en die onder zijn rechtstreeks toezicht staan.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
(1) ° Ingevoerd bij wet van 26 oktober 1978 (Stb. 595), zoals gewijzigd bij wet van 19 juni 1985 (Stb. 375).
(2) ° Stb. 217, zoals gewijzigd bij besluit van 3 december 1985 (Stb. 640).
(3) ° PB 1977, L 47, blz. 47.
(4) ° Zie artikel 1 van richtlijn 91/328/EEG van 21 juni 1991 (PB 1991, L 178, blz. 29).
(5) ° Zie artikel 7, lid 3, van richtlijn 77/143, zoals ingevoegd bij artikel 1 van richtlijn 91/328 (aangehaald in voetnoot 4).
(6) ° Zie artikel 2, D, sub a, van richtlijn 82/470/EEG van de Raad van 29 juni 1982 houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen op het gebied van het vervoer en van reisbureaubedrijven (groep 718 CITI) alsmede van opslagbedrijven (groep 720 CITI) (PB 1982, L 213, blz. 1).
(7) ° Zie zaak 2/74, Reyners, Jurispr. 1974, blz. 631, r.o. 43-45.
(8) ° Zie de in voetnoot 6 aangehaalde richtlijn 82/470.
(9) ° Zie gevoegde zaken 286/82 en 26/83, Luisi en Carbone, Jurispr. 1984, blz. 377, r.o. 10; zaak 186/87, Cowan, Jurispr. 1989, blz. 195, r.o. 15; en recent het arrest van 15 maart 1994, zaak C-45/93, Commissie/Spanje, Jurispr. 1994, blz. I-911.
(10) ° Aangehaald in voetnoot 9; zie r.o. 16.
(11) ° Aangehaald in voetnoot 9; r.o. 5 en 10.
(12) ° Zie hiervóór de punten 9 tot 12.
(13) ° Zie de zaken C-2/91, Meng, Jurispr. 1993, blz. I-5751, en C-245/91, Ohra, Jurispr. 1993, blz. I-5851.
Full & Egal Universal Law Academy