Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. Verzoeker in het hoofdgeding, R. L. Aldewereld, is een Nederlands onderdaan. Volgens het verwijzingsarrest trad hij in 1985 in dienst van een in Duitsland gevestigde onderneming, die hem onmiddellijk naar Thailand uitzond, waar hij gedurende het hele jaar 1986 werkzaam was. Op grond van deze werkzaamheid vorderden de Duitse autoriteiten krachtens het Duitse recht sociale-zekerheidspremies. De premies voor de werkloosheids-, ziekte-, ouderdoms- en ongevallenverzekering werden op Aldewereld' s salaris ingehouden. Een verzoek om kinderbijslag werd door de Duitse autoriteiten evenwel afgewezen, op grond dat Aldewereld huns inziens niet voldeed aan de Duitse wettelijke vereisten.
2. Naar Nederlands recht is een ieder die in Nederland woont, verplicht sociale-zekerheidspremies te betalen. Volgens de verwijzende rechter had Aldewereld in 1986 zijn woonplaats (in de zin van die sociale-zekerheidswetgeving) in Nederland. Tegen de beslissing van de Nederlandse autoriteiten, dat hij voor het jaar 1986 in Nederland sociale-zekerheidspremies moest betalen, stelde Aldewereld beroep in bij het Gerechtshof te Arnhem, dat zijn beroep echter verwierp. Van deze uitspraak kwam Aldewereld in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden.
3. De Hoge Raad der Nederlanden stelde het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag:
"Staan de van het Europese gemeenschapsrecht deel uitmakende regels, die ertoe strekken het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap tot stand te brengen, in het bijzonder de regels betreffende de vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving, vervat in titel II van verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971, eraan in de weg, dat van degene die woont op het grondgebied van een Lid-Staat (hierna: 'de woonstaat' ) en die in loondienst van een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming uitsluitend buiten het grondgebied van de Lid-Staten werkzaamheden uitoefent, op grond waarvan hij wordt onderworpen aan de heffing van premies ingevolge de sociale wetgeving van die andere Lid-Staat, premies worden geheven ingevolge de sociale wetgeving van de woonstaat?"
B ° Discussie
4. In de onderhavige prejudiciële zaak gaat het in wezen om de vraag, of het gemeenschapsrecht toestaat, dat iemand in de situatie van Aldewereld aan de sociale-zekerheidswetgeving van meer dan één Lid-Staat wordt onderworpen. Het ligt voor de hand, het antwoord op deze vraag te zoeken in de in de prejudiciële vraag genoemde verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971(1), die de cooerdinatie van de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten beoogt.(2)
5. Volgens artikel 2, lid 1, is verordening nr. 1408/71 onder andere van toepassing op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, voor zover dezen onderdanen van één der Lid-Staten zijn. Alle partijen die aan de procedure voor het Hof hebben deelgenomen ° Nederland, Italië, de Commissie en Aldewereld °, zijn het er terecht over eens, dat dit in casu het geval is, en dat Aldewereld derhalve binnen de personele werkingssfeer van de verordening valt. Doorslaggevend is, dat de sociale-zekerheidswetgeving van (ten minste) één Lid-Staat op hem van toepassing was. Het feit dat Aldewereld in de betrokken periode buiten de Gemeenschap werkzaam was, is in dit opzicht derhalve van geen belang.(3)
6. De regels betreffende de vaststelling van de toe te passen wetgeving zijn opgenomen in titel II (artikelen 13 e.v.) van de verordening. Artikel 13, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
"Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld."(4)
7. Vaststaat, dat titel II van verordening nr. 1408/71 geen bepaling bevat die op de onderhavige zaak rechtstreeks van toepassing is. Ik ga er hierbij vanuit, dat het bij de door Aldewereld in Duitsland betaalde sociale-zekerheidspremies ging om premies die deze op grond van de Duitse wetgeving verplicht was te betalen. Ofschoon dit in het verwijzingsarrest niet uitdrukkelijk wordt gezegd, is de verwijzende rechter waarschijnlijk ook hiervan uitgegaan. De volgende opmerkingen gelden derhalve alleen voor deze hypothese.
De vertegenwoordiger van de Nederlandse regering heeft ter terechtzitting evenwel geopperd, er niet geheel zeker van te zijn, of Aldewereld in Duitsland wel wettelijk verplicht was sociale-zekerheidspremies te betalen. Indien deze twijfel terecht is, ligt de hier te beantwoorden vraag natuurlijk totaal anders. Zo de in Duitsland betaalde bijdragen premies voor een vrijwillige verzekering waren, kan het conflict met de naar Nederlands recht verplichte verzekering op basis van verordening nr. 1408/71 (zie artikel 15 ervan) worden opgelost. Dit is evenwel een feitelijke vraag, die uitsluitend de nationale rechter dient te beantwoorden.
8. Niet van toepassing in de onderhavige zaak is om te beginnen de algemene regel van artikel 13, lid 2, sub a, volgens welke ° voor zover de artikelen 14 tot en met 17 niet anders bepalen ° een werknemer is onderworpen aan de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaam is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel of het domicilie van zijn werkgever zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat bevindt. Deze bepaling kan hier niet worden toegepast, aangezien Aldewereld in een derde staat werkzaam was.
Ook de bijzondere regelingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de onderhavige casus.(5) Artikel 14, lid 1, heeft betrekking op gevallen waarin een werknemer die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst verricht, door zijn werkgever tijdelijk wordt gedetacheerd op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Artikel 14, lid 2, bevat een bijzondere regeling voor gevallen waarin een werknemer op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen.
Artikel 17 van de verordening bepaalt, dat twee of meer Lid-Staten (of de bevoegde autoriteiten van deze staten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen) in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of groepen van personen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16 kunnen vaststellen. Een dergelijke overeenkomst, die op het onderhavige geval zou kunnen worden toegepast, lijkt evenwel te ontbreken.
9. De Nederlandse regering trekt hieruit de conclusie, dat titel II van verordening nr. 1408/71 in casu helemaal niet van toepassing is, of althans geen regeling voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving bevat. In een dergelijk geval zou het tot de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staten behoren, vast te stellen of iemand in de situatie van Aldewereld aan hun sociale-zekerheidsstelsel onderworpen is. Ofschoon dit in het onderhavige geval (ten dele) tot dubbele verzekering leidt, vertoont titel II geen leemte, aangezien de aan verordening nr. 1408/71 ten grondslag liggende bepalingen ° de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag ° slechts de totstandkoming van het vrije verkeer binnen de Gemeenschap tot doel hadden.
10. Dit betoog kan ik niet aanvaarden. Het mag open blijven, of reeds de omstandigheid dat Aldewereld begon te werken voor een onderneming uit een andere Lid-Staat, die hem vervolgens naar een derde staat uitzond, als gebruikmaking van het door artikel 48 EEG-Verdrag gewaarborgde recht van vrij verkeer kan worden aangemerkt, gelijk de Italiaanse regering heeft betoogd. Doorslaggevend is in ieder geval, dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 volgens de rechtspraak van het Hof "een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels"(6) vormen. De bepalingen van deze titel hebben onder meer tot doel, de betrokkenen "onder de sociale-zekerheidsregeling van één enkele Lid-Staat te brengen, ten einde samenloop van nationale regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen".(7) Aangezien Aldewereld binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, moet dit voor hem ook gelden. De vaststelling van de toe te passen wetgeving dient derhalve in de onderhavige zaak eveneens op basis van titel II van verordening nr. 1408/71 te geschieden.
11. Aangezien deze titel geen bepalingen bevat die rechtstreeks op de onderhavige zaak kunnen worden toegepast, rijst de vraag, of daaraan niet bij wege van uitlegging een ter zake dienende oplossing kan worden ontleend. Daarbij moet als uitgangspunt worden genomen, dat verordening nr. 1408/71 in wezen drie criteria geeft voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving: 1) aanknoping bij het recht van de Lid-Staat waarin de werknemer zijn werkzaamheden verricht (hierna: "staat van tewerkstelling"); 2) aanknoping bij het recht van de Lid-Staat waarin de werknemer woont (hierna: "woonstaat"), en 3) aanknoping bij het recht van de Lid-Staat waarin de werkgever zijn domicilie of zetel heeft (hierna: "staat van de zetel").(8)
12. Zoals gezegd, is volgens artikel 13, lid 2, sub a, in beginsel de wetgeving van de staat van tewerkstelling beslissend. Indien Aldewereld, voordat hij naar Thailand werd uitgezonden, ° zij het slechts korte tijd ° in Duitsland had gewerkt, zou er nauwelijks twijfel over bestaan, dat de Duitse sociale-zekerheidswetgeving moest worden toegepast, zoals de Commissie terecht heeft betoogd. Aangezien Aldewereld door zijn werkgever onmiddellijk naar Thailand is uitgezonden, is het criterium van de staat van tewerkstelling in het onderhavige geval evenwel niet bruikbaar.
13. Ook aan de bijzondere regeling van artikel 14, lid 2, ligt een situatie ten grondslag waarin het criterium van de staat van tewerkstelling niet tot zinvolle resultaten leidt. Deze bepaling geldt voor gevallen waarin een werknemer op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden pleegt uit te oefenen.
Volgens artikel 14, lid 2, sub a, moet in deze gevallen de wetgeving van de staat van de zetel worden toegepast.(9) Is de werknemer evenwel in hoofdzaak werkzaam op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont, dan moet de wetgeving van de woonstaat worden toegepast. De Italiaanse regering lijkt hieruit te willen afleiden, dat bij keuze tussen de wetgeving van de staat van de zetel en die van de woonstaat, aan eerstgenoemde de voorkeur moet worden gegeven.
14. Opgemerkt zij evenwel, dat artikel 14, lid 2, sub a, slechts voor een strikt omschreven groep van personen geldt, namelijk personen die behoren tot het rijdend, varend of vliegend personeel van een onderneming welke internationaal vervoer van personen of goederen per spoor, over de weg, door de lucht of over de binnenwateren verricht. Voor alle andere personen geldt artikel 14, lid 2, sub b. Dit artikel bepaalt, dat de wetgeving van de woonstaat moet worden toegepast, indien de werknemer een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die staat uitoefent, of indien hij is verbonden aan meer dan één onderneming of meer dan één werkgever die hun zetel of domicilie op het grondgebied van verschillende Lid-Staten hebben (artikel 14, lid 2, sub b-i). Woont de werknemer niet op het grondgebied van een der Lid-Staten waar hij zijn werkzaamheden uitoefent, dan is de wetgeving van de staat van de zetel van toepassing (artikel 14, lid 2, sub b-ii).
Volgens deze bepaling moet dus de wetgeving van de woonstaat worden toegepast wanneer de werknemer ook in die Lid-Staat werkzaam is.
15. Mijns inziens biedt uiteindelijk evenwel geen van de twee zojuist genoemde bepalingen een overtuigende oplossing voor gevallen als het onderhavige. Vaststaat enkel, dat de verordening in gevallen waarin de wetgeving van de staat van tewerkstelling niet tot bruikbare resultaten leidt, in sommige gevallen de wetgeving van de staat van de zetel en in andere gevallen de wetgeving van de woonstaat van toepassing verklaart. Er valt evenwel geen algemeen beginsel te ontwaren, op grond waarvan aan het ene criterium principieel de voorkeur moet worden gegeven boven het andere.
In zoverre is de verordening inderdaad "neutraal", gelijk de Commissie heeft aangevoerd. Voor gevallen als het onderhavige vertoont zij een leemte, die door uitlegging van de gegeven regeling niet op bevredigende wijze kan worden opgevuld. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat er verschillende mogelijkheden zijn om deze leemte op passende wijze op te vullen. Het is daarom de wetgever die dit probleem uiteindelijk zal moeten oplossen. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen beklemtoond, dat zij zich realiseert dat het op haar weg ligt een voorstel ter zake in te dienen.
16. In deze omstandigheden lijkt de door de Commissie voorgestelde oplossing, namelijk dat de werknemer tot aan de inwerkingtreding van een dergelijke regeling de keuze heeft tussen toepassing van de wetgeving van de staat van de zetel (in casu Duitsland) en die van de woonstaat (in casu Nederland), mij het verstandigst. Deze oplossing legt de beslissing in de handen van de persoon wiens belangen het meest rechtstreeks worden geraakt. In dit verband zij erop gewezen, dat Aldewereld zelf in zijn schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, dat in geval van keuze de wetgeving van Duitsland kan worden toegepast.
Zoals uit artikel 16(10) blijkt, is de mogelijkheid van een keuze tussen de wetgeving van verschillende Lid-Staten verordening nr. 1408/71 niet vreemd. Deze oplossing heeft bovendien als voordeel, dat zij op geen enkele wijze vooruitloopt op de toekomstige regeling van de wetgever.
C ° Conclusie
17. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Hoge Raad der Nederlanden te beantwoorden als volgt:
De bepalingen van het gemeenschapsrecht, en met name die van titel II van verordening (EEG) nr. 1408/71, staan eraan in de weg, dat een werknemer die op het grondgebied van een Lid-Staat woont, doch door een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming wordt tewerkgesteld en zijn werkzaamheden uitsluitend buiten het grondgebied van de Gemeenschap verricht, aan de sociale-zekerheidswetgeving van meer dan één van de betrokken Lid-Staten ontworpen wordt. Tot aan de vaststelling door communautaire wetgever van bepalingen voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving kan de werknemer in een dergelijk geval kiezen van welke van de twee Lid-Staten de sociale-zekerheidswetgeving wordt toegepast.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(2) - Hierbij moet worden uitgegaan van de tekst van de verordening die in de betrokken periode (1986) gold. De verordening werd intussen een aantal malen gewijzigd [laatstelijk bij verordening (EEG) nr. 1945/93 van de Raad van 30 juni 1993, PB 1993, L 181, blz. 1]. Deze wijzigingen zijn evenwel niet van belang voor de hier te beantwoorden vraag.
(3) - Zie arrest van 23 oktober 1986, zaak 300/84, Van Roosmalen, Jurispr. 1986, blz. 3097, r.o. 30.
(4) - Artikel 14 quater bevat een (in casu niet relevante) bijzondere regeling voor personen die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van een Lid-Staat en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van een andere Lid-Staat uitoefenen.
(5) - De bijzondere regelingen voor zelfstandigen (artikel 14 bis) en zeelieden (artikel 14 ter) zijn in de onderhavige zaak niet relevant.
(6) - Arrest van 3 mei 1990, zaak C-2/89, Kits van Heijningen, Jurispr. 1990, blz. I-1755, r.o. 12; arrest van 4 oktober 1991, zaak C-196/90, De Paep, Jurispr. 1991, blz. I-4815, r.o. 18.
(7) - Arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Luijten, Jurispr. 1986, blz. 2365, r.o. 12.
(8) - In artikel 16, dat bijzondere regels inzake het bedienende personeel van diplomatieke zendingen en consulaire posten alsmede de hulpfunctionarissen van de Europese Gemeenschappen bevat, worden nog een aantal andere aanknopingscriteria genoemd (bij voorbeeld het recht van de Lid-Staat waarvan de werknemer onderdaan is).
(9) - Is de werknemer werkzaam bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging buiten het grondgebied van de staat van de zetel van de onderneming, dan is evenwel de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan dat filiaal of die vaste vertegenwoording zich bevindt, van toepassing (artikel 14, lid 2, sub a-i).
(10) - Zie dienaangaande voetnoot 8.
Full & Egal Universal Law Academy