Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige procedure betreft de verenigbaarheid van een in België over de uitvoer van aardappelen geheven verplichte bijdrage met de artikelen 9 en 12 van het Verdrag.
2. De bestreden regeling is neergelegd in de wet van 27 december 1938, later gewijzigd bij wet van 11 april 1983, houdende oprichting van een Nationale Dienst voor Afzet van Land- en Tuinbouwprodukten (hierna: "NDALTP"), die tot taak heeft de binnen- en buitenlandse afzet van landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten te bevorderen. Krachtens artikel 4, sub c, van de betrokken wet kan de NDALTP per produkt of per groep van produkten ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten voortbrengen, verwerken, vervoeren, verkopen of in de handel brengen, een verplichte bijdrage innen.
Op grond van die bepaling voerde de Belgische overheid bij koninklijk besluit van 15 mei 1986, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 juli 1987, een aantal verplichte bijdragen in voor de financiering van de activiteiten van de NDALTP op het gebied van de verkoopbevordering. Artikel 4, sub 4, van dit koninklijk besluit bepaalt in het bijzonder, dat exporteurs van aardappelen een bijdrage van twee Belgische frank per honderd kilogram uitgevoerde aardappelen dienen te betalen. Om deze bijdrage gaat het in de onderhavige procedure.
3. De vennootschap Lamaire exploiteert een aardappelhandel waarvan de activiteiten in belangrijke mate op de uitvoer zijn gericht. In het kader van die activiteiten betaalde zij voor de referentieperioden 1986 en 1987 de bij artikel 4, sub 4, van het koninklijk besluit van 15 mei 1986 voorgeschreven bijdrage. De bijdrage voor de referentieperiode 1988 weigerde zij te betalen.
Naderhand wendde zij zich tot de rechter, waar zij betoogde dat de betrokken bijdrage onverenigbaar is met de artikelen 9 en 12 van het Verdrag, en ze om die reden terugvorderde. In eerste aanleg werd haar vordering afgewezen.
4. In hoger beroep erkende de rechter, dat het in de artikelen 9 en 12 van het Verdrag neergelegde verbod van heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten rechtstreekse werking heeft. Op grond daarvan heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag, of de artikelen 9 en 12 van het Verdrag eraan in de weg staan, dat over de uitvoer van een landbouwprodukt een verplichte bijdrage wordt geheven, zoals de bijdrage van twee Belgische frank per honderd kilogram uitgevoerde aardappelen overeenkomstig artikel 4, sub 4, van het koninklijk besluit van 15 mei 1986, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 juli 1987.
5. Dienaangaande wil ik om te beginnen eraan herinneren, dat het verbod van heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten volgens vaste rechtspraak iedere eenzijdig opgelegde, ook geringe last omvat, ongeacht de benaming en de structuur ervan, die wegens grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de staat wordt geheven, geen enkele beschermende of discriminerende werking heeft en het belaste produkt niet met enige nationale produktie concurreert.(1)
Ook heeft het Hof verklaard(2), dat een dergelijke last niet als een heffing van gelijke werking wordt gekwalificeerd, wanneer de betrokken heffing deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale en in- of uitgevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden belast(3), wanneer zij de tegenprestatie vormt voor een aan de marktdeelnemer daadwerkelijk en individueel verleende dienst en evenredig is aan de kosten daarvan(4), of ook, onder bepaalde voorwaarden, wanneer zij wordt geheven ter zake van keuringen die worden verricht ter nakoming van door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichtingen.(5)
6. In casu zij in de eerste plaats opgemerkt, dat vaststaat, dat de betrokken bijdrage een eenzijdig door een Lid-Staat opgelegde geldelijke last is die wegens de uitvoer op een bepaald produkt wordt gelegd. Voorts blijkt uit voormeld arrest Sociaal Fonds Diamantarbeiders, dat het feit dat een wegens de invoer of de uitvoer van een goed geheven verplichte bijdrage niet ten behoeve van de staat, doch ten behoeve van een ander, van de staat onderscheiden orgaan wordt geheven, geen enkele invloed heeft op de kwalificatie van die bijdrage als heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag. Daaruit volgt, dat de ten behoeve van de NDALTP bij de uitvoer van aardappelen geheven verplichte bijdrage, als bedoeld in artikel 4, sub 4, van het koninklijk besluit van 15 mei 1986, als een bij de artikelen 9 en 12 van het Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht moet worden beschouwd.
7. In de tweede plaats zij opgemerkt, dat de litigieuze bijdrage onder geen van de uitzonderingen valt die in de hiervoor aangehaalde rechtspraak zijn genoemd. Om te beginnen staat vast, dat zij niet wordt geheven ter zake van keuringen die worden verricht ter nakoming van door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichtingen. Verder staat vast, dat zij uitsluitend de uitvoer van het betrokken produkt treft en dat zij dus geen deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen, waardoor de belaste produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden belast, ongeacht hun oorsprong, herkomst of bestemming. Ten slotte blijkt uit de verwijzingsbeschikking en de bij het Hof ingediende opmerkingen, dat de bijdrage bestemd is om in het algemeen de activiteiten van de NDALTP op het gebied van de verkoopbevordering te financieren, en dat zij bijgevolg niet als tegenprestatie voor een "bijzonder of individueel voordeel voor de deelnemer aan het economisch verkeer", dat wil zeggen als tegenprestatie voor een "daadwerkelijk en individueel aan de verkeersdeelnemer verleende dienst"(6) is aan te merken.
8. Hieraan wil ik nog een laatste opmerking toevoegen. De artikelen 9 en 12 van het Verdrag hebben uitsluitend betrekking op het verbod van heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten in het verkeer "tussen de Lid-Staten onderling", zodat die bepalingen niet van toepassing zijn bij invoer (of uitvoer) van produkten uit (of naar) derde landen.(7) Bijgevolg staan de artikelen 9 en 12 van het Verdrag niet in de weg aan de heffing van een verplichte bijdrage als de litigieuze heffing, voor zover zij wordt geheven over produkten die naar derde landen en niet naar andere Lid-Staten worden uitgevoerd. In casu dient derhalve de nationale rechter te onderzoeken, in hoeverre de door Lamaire verrichte exporten voor andere Lid-Staten dan wel voor derde landen bestemd waren, en dus te bepalen in hoeverre hierover de betrokken bijdrage verschuldigd was.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt:
"De artikelen 9 en 12 van het Verdrag staan eraan in de weg, dat over de uitvoer van een landbouwprodukt een verplichte bijdrage wordt geheven, zoals de bijdrage van twee Belgische frank per honderd kilogram uitgevoerde aardappelen overeenkomstig artikel 4, sub 4, van het koninklijk besluit van 15 mei 1986, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 juli 1987, voor zover deze bijdrage bij uitvoer naar andere Lid-Staten wordt geheven."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Arrest van 1 juli 1969 (gevoegde zaken 2/69 en 3/69, Sociaal Fonds Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211).
(2) - Arrest van 27 september 1988 (zaak 18/87, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1988, blz. 5427).
(3) - Arrest van 31 mei 1979 (zaak 132/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 1923).
(4) - Arresten van 9 november 1983 (zaak 158/82, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1983, blz. 3573) en 30 mei 1989 (zaak 340/87, Commissie/Italië, Jurispr. 1989, blz. 1483).
(5) - Arrest van 25 januari 1977 (zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5).
(6) - Arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald.
(7) - Arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787).
Full & Egal Universal Law Academy