CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 20 juni 1995 ( *1 )
1.
In deze zaak heeft advocaat-generaal C. Gulmann conclusie genomen op 12 juli 1994 (hierna: de „conclusie”). In deze — bijzonder uitvoerige — conclusie wordt de zaak op zeer grondige en zeer bevredigende wijze behandeld.
2.
Voor de feitelijke omstandigheden en het rechtskader van de zaak kan ik derhalve geheel naar de conclusie verwijzen.
3.
Zoals uit de conclusie blijkt, rijzen in de onderhavige zaak twee hoofdvragen. In de eerste plaats de vraag, of artikel 1 van indelingsverordening nr. 482/74 ( 1 ) van de Commissie nog steeds geldig is. In voorkomend geval moet vervolgens worden bepaald, of dit voorschrift ongeldig is, voor zover hierin als voorwaarde voor de indeling van afvallen verkregen bij de uitwinning van maïskiemolie onder GN-code 23069091 het vereiste wordt gesteld, dat de produkten een zetmeelgehalte van minder van 45 % hebben.
Is verordening nr. 482/74 nog geldig?
4.
De in de conclusie aangevoerde argumenten met betrekking tot deze vraag zijn gebaseerd op het arrest van het Hof van 27 maart 1990 in de zaak Pennacchiotti ( 2 ) en op de uitlegging van artikel 15, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad. ( 3 )
5.
Artikel 15, lid 1, van de verordening van de Raad regelt de overgang van de nomenclatuur van het GDT naar de gecombineerde nomenclatuur. Het bepaalt dat de codes en de goederenomschrijvingen, opgesteld op basis van de gecombineerde nomenclatuur, die welke zijn opgesteld op basis van de nomenclaturen van het gemeenschappelijk douanetarief en van de Nimexe vervangen, en dat de „gemeenschapsbesluiten waarin de tarief- of statistieknomenclaturen zijn vervat, (...) door de Commissie dienovereenkomstig (worden) gewijzigd” (cursivering van mij).
6.
Zoals in punt 30 van de conclusie wordt opgemerkt, moet artikel 15, lid 1, worden gezien als de uitdrukking van het stilzwijgende besluit van de communautaire wetgever, op de vroegere rechtsgrondslag vastgestelde voorschriften te handhaven. Het gebruik van de term „gewijzigd” in artikel 15, lid 1, stelt immers voorop, dat sommige, te wijzigen, voorschriften worden gehandhaafd; deze term lijkt niet aldus te kunnen worden uitgelegd, dat deze voorschriften vóór die wijziging vervallen. Indien het de bedoeling was geweest, dat deze voorschriften eerst zouden gelden na te zijn aangepast, had de bepaling moeten worden geformuleerd als een bevoegdheid voor de Commissie, nieuwe aangepaste verordeningen vast te stellen zonder de in de artikelen 9 en 10 van de verordening voorgeschreven procedure te volgen.
7.
Er kan voorts op worden gewezen, dat artikel 15 ingevolge artikel 17 van de verordening eerst van toepassing was met ingang 1 januari 1988, de dag waarop ook de gecombineerde nomenclatuur in werking trad. Voor zover het de bedoeling zou zijn geweest, de in artikel 15, lid 1, voorgeschreven aanpassing een geldigheidsvoorwaarde te doen zijn, zou het voor de hand hebben gelegen, de Commissie vóór de inwerkingtreding van de gecombineerde nomenclatuur een zekere tijdsruimte te gunnen om tot die aanpassing over te gaan.
8.
Derhalve moet worden geconcludeerd, dat verordening nr. 482/74 ook onder de gecombineerde nomenclatuur bleef gelden, voor zover zij niet door de Commissie werd gewijzigd.
9.
Uit het voorgaande blijkt, dat voor de beantwoording van de vraag, in hoeverre verordening nr. 482/74 onder de gecombineerde nomenclatuur bleef gelden, de beschouwingen die uit het arrest Pennacchiotti (reeds aangehaald) kunnen worden afgeleid, terzijde kunnen worden gelaten. Bij de beoordeling van doelmatigheid van de algemene rechtstoestand, waarvan dit arrest de uitdrukking vormt, mag men niet uit het oog verliezen, dat het niet alleen ten behoeve van het begrip en de aanvaarding door de burger van de Gemeenschap en het gemeenschapsrecht, maar ook voor een doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht uiterst belangrijk is, dat de regels zo duidelijk en doorzichtig mogelijk zijn. Het is voorts wenselijk, dat rechtsvoorschriften in veel grotere omvang dan tot nu toe het geval was, worden gecodificeerd. ( 4 ) Het Hof dient dit streven naar een voor de burger zo duidelijk en doorzichtig mogelijk gemeenschapsrecht te steunen. Ik ben er niet van overtuigd, dat het in het arrest Pennacchiotti vastgelegde beginsel deze prioriteit van duidelijkheid en doorzichtigheid van het gemeenschapsrecht kan bevorderen. Voor de burger is de situatie duidelijker en doorzichtiger, wanneer de uitvoeringsverordening tegelijk met de machtigingsverordening vervalt, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.
10.
Het ware misschien wenselijk geweest, indien de Raad in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2658/87 duidelijk te kennen had gegeven, dat de oude uitvoeringsverordeningen bleven gelden. Maar aangezien dit resultaat ook met een algemene uitlegging kan worden bereikt, beletten overwegingen van rechtszekerheid mijns inziens niet vast te stellen, dat verordening nr. 482/74 na de invoering van de gecombineerde nomenclatuur nog gold.
Was artikel 1 van verordening nr. 482/74 op het in de onderhavige zaak relevante tijdstip ongeldig?
11.
Volgens artikel 9, lid 1, sub a, van verordening nr. 2658/87 kan de Commissie volgens de procedure van artikel 10 (raadpleging van het comité) maatregelen vaststellen betreffende de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur en de toelichtingen daarbij. Hiermee wordt zowel een uniforme toepassing in de Lid-Staten als een administratieve vereenvoudiging verzekerd.
12.
Bij de beoordeling van de vraag, of de Commissie de grenzen van haar bevoegdheid heeft overschreden door te bepalen, dat afvallen verkregen bij de winning van maïskiemolie slechts onder GN-code 23069091 kunnen worden ingedeeld indien zij een zetmeelgehalte van minder dan 45 % hebben, wordt in de conclusie uitgegaan van het arrest Vismans Nederland. ( 5 ) In dit arrest stelde het Hof overeenkomstig zijn vaste rechtspraak vast, dat de Commissie weliswaar bevoegd is de inhoud van een tariefpost te verduidelijken, maar dat de door haar vastgestelde bepalingen geen wijziging mogen brengen in de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief. Omwille van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles, aldus het Hof, moet de indeling van goederen geschieden op grond van de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de tariefposten zijn vastgelegd. ( 6 )
13.
De onderhavige zaak verschilt van de zaak Vismans Nederland, doordat de Commissie geen onjuiste beoordeling ten tijde van de vaststelling van haar maatregel kan worden verweten. Daarentegen heeft de latere ontwikkeling de verordening van de Commissie om zo te zeggen achterhaald, zodat het probleem is, dat de verordening niet aan die ontwikkeling is aangepast. Terzijdestelling van de verordening zal derhalve in de praktijk betekenen, dat moet worden vastgesteld, dat de Commissie gehouden is die regels voortdurend aan te passen. Dit verschil kan mijns inziens niet doorslaggevend zijn, omdat dezelfde overwegingen van rechtszekerheid zich opdringen.
14.
De verwijzende rechter gaat ervan uit, dat het bij de ingevoerde produkten gaat om afvallen verkregen bij de uitwinning van maïskiemolie, waaraan geen vreemde bestanddelen zijn toegevoegd. Dit is door de Commissie voor het Hof niet bestreden. Zoals in de conclusie wordt opgemerkt, moet derhalve worden aangenomen, dat er objectief gezien sprake is van afvallen, die volgens de toepasselijke voorschriften moeten worden ingedeeld onder post 23069091. Het in verordening nr. 482/74 voorgeschreven maximumgehalte van 45 % heeft er dan ook toe geleid, dat de tariefindeling niet is geschied overeenkomstig de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, zoals deze worden vermeld in de nomenclatuur. De importeur heeft daardoor ten onrechte een verlies geleden, dat moeilijk zal kunnen worden hersteld indien de verordening wordt gehandhaafd. Voorts staat vast, dat de door de Commissie vastgestelde maatregel slechts een verduidelijking vormt en de inhoud van de betrokken postonderverdeling derhalve niet kan wijzigen.
15.
Gelet op de aard van de maatregel en op grond van bovengenoemde overwegingen van rechtszekerheid ben ik derhalve van oordeel, dat het in artikel 1 van verordening nr. 482/74 gestelde vereiste betreffende het zetmeelgehalte terzijde moet worden gesteld, ook al bestond de ontstane situatie oorspronkelijk, ten tijde van de vaststelling van de verordening, niet, maar is deze een gevolg van de latere ontwikkeling. Derhalve kan ik mij voor de beantwoording van de tweede vraag eveneens bij de conclusie aansluiten.
Conclusie
16.
Gezien het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de gestelde vragen te beantwoorden in de door advocaat-generaal Gulmann in diens conclusie van 12 juli 1994 voorgestane zin.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 482/74 van de Commissie van 27 februari 1974 betreffende de indeling van goederen onder postonderverdeling 23.04 B van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1974, L 57, blz. 23).
( 2 ) Zaak C-315/88, Jurispr. 1990, blz. I-1323.
( 3 ) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1).
( 4 ) Zie bij voorbeeld het „Rapport sur un accord interinstitutionnel en matière de codification officielle de la législation communautaire”, 1995, van het Parlement; de „Résolution sur la transparence du droit communautaire et la nécessité de la codification”, eveneens van het Parlement, en het advies van de Commissie, COM(93) 391 final, Codification constitutive pour le renforcement de la transparence du droit communautaire dans le domaine du marché intérieur.
( 5 ) Arrest van 18 september 1990, zaak C-265/89, Vismans Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-3411.
( 6 ) Zie arrest Vismans Nederland, reeds aangehaald, r. o. 13 en 14. Zie voorts arresten van 13 december 1994, zaak C-401/93, GoldStar Europe, Jurispr. 1991, blz. I-5587, r. o. 19, en 19 mei 1994, zaak C-11/93, Siemens Nixdorf, Jurispr. 1994, blz. I-1945, r. o. 11.
Full & Egal Universal Law Academy