Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Franse Cour de cassation, chambre sociale, waarmee deze procedure is ingeleid, werpt een vraag op over de uitlegging en toepassing van artikel 49 van verordening (EEG) nr. 1408/71(1), met het oog op de bepaling van het percentage en het bedrag van een ouderdomspensioen. De verwijzende rechter vraagt om deze uitlegging in het bijzonder tegen de achtergrond van het in artikel 3, lid 1, van de verordening neergelegde gelijkheidsbeginsel.
2. Aan het hoofdgeding liggen de volgende feiten ten grondslag: de op 6 april 1924 geboren verzoeker in het hoofdgeding (hierna: "verzoeker"), die zowel de Franse als de Britse nationaliteit bezit, was tijdens zijn actieve loopbaan zowel in het Verenigd Koninkrijk als in Frankrijk werkzaam. Van 1948 tot 1955 was hij eerst in loondienst werkzaam in het Verenigd Koninkrijk en vervolgens van 1956 tot 1985 in Frankrijk, waar hij op 16 december 1985 op 61-jarige leeftijd om economische redenen werd ontslagen. Daarop vroeg hij bij de bevoegde werkloosheidsverzekering, ASSEDIC(2), een werkloosheidsuitkering aan. Op grond van artikel L 351-18 van de Code du travail en van het uitvoeringsdecreet 82-991 van 24 november 1982, waarin degenen die ouder dan 60 jaar zijn en 150 gevalideerde kwartalen uit hoofde van een ouderdomsverzekering hebben vervuld, van een werkloosheidsuitkering worden uitgesloten, verwees de ASSEDIC verzoeker naar de Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés (hierna: "CNAVTS").
3. Op 15 mei 1986 diende hij bij de CNAVTS een aanvraag in, waarin hij als tijdstip waarop zijn ouderdomspensioen diende in te gaan, 1 mei 1989 opgaf, dus de eerste dag van de maand, volgende op zijn 65ste verjaardag. De aanvraag werd hem op 25 augustus 1986 teruggezonden met de opmerking, dat deze datum te ver in het verschiet lag. De CNAVTS verzocht hem de aanvraag opnieuw te formuleren en wees er daarbij op dat er twee mogelijkheden waren:
° Eerste mogelijkheid: verzoeker heeft in het Franse en Britse stelsel tezamen zonder overlapping ten minste 150 kwartalen vervuld. Aangezien volgens de Britse wet een ouderdomspensioen pas vanaf het 65e levensjaar kan worden toegekend, zouden de rechten in het kader van de ouderdomsverzekering uitsluitend op basis van het Franse stelsel worden vastgesteld, zodat de keuze van de datum waarop verzoekers ouderdomspensioen zou ingaan, belangrijk was.
° Tweede mogelijkheid: verzoeker heeft geen 150 kwartalen vervuld. De ouderdomsverzekering wijst de aanvraag af, en de ASSEDIC moet hem dan verder schadeloos stellen.
4. Toen verzoeker om economische redenen werd ontslagen had hij in het Franse stelsel 120 kwartalen en in het Britse stelsel 53 kwartalen vervuld. Op 13 augustus 1987 diende hij bij de CNAVTS een nieuwe aanvraag in. Op basis van de in het Franse sociale zekerheidsstelsel vervulde 120 kwartalen werd verzoeker een ouderdomspensioen toegekend, dat volgens hem ongeveer twee derde bedroeg van een volledig ouderdomspensioen dat hem zou zijn toegekend, wanneer hij 150 kwartalen in het Franse stelsel zou hebben vervuld.
5. De Franse regering heeft aangevoerd, dat verzoeker een door de ASSEDIC uitbetaalde aanvullende uitkering van de Franse Staat heeft ontvangen tot hij 65 jaar werd, het tijdstip waarop zijn vooruitzicht op een ouderdomspensioen in het Verenigd Koninkrijk een realiseerbare aanspraak werd.
6. Verzoeker voelde zich benadeeld door het feit dat hem slechts een (gedeeltelijk) pensioen werd toegekend en stelde beroep in. Vanaf de administratieve procedure voor het ouderdomsverzekeringsorgaan tot zijn beroep bij de Cour de cassation heeft verzoeker het standpunt verdedigd, dat hem ofwel een volledig ouderdomspensioen op basis van 150 gevalideerde kwartalen moest worden toegekend door de Franse ouderdomsverzekering, ofwel dat enkel rekening mocht worden gehouden met de 120 in het Franse stelsel vervulde kwartalen, waardoor hij recht op een uitkering door de werkloosheidsverzekering zou hebben behouden.
7. De door hem aan het nationale recht ontleende juridische bezwaren buiten beschouwing latend, is verzoeker van mening, dat deze toestand in strijd is met het gemeenschapsrecht, aangezien de gevolgen ervan discriminerend zijn ten opzichte van werknemers die gedurende hun gehele beroepsloopbaan onder vigueur van het Franse sociale-zekerheidsstelsel vielen. Iemand die 150 kwartalen in het Franse verzekeringsstelsel zou hebben vervuld, zou recht op een volledig ouderdomspensioen hebben gehad, terwijl hem slechts een evenredig ouderdomspensioen was toegekend. Doch ook een werknemer die slechts 120 kwartalen in het Franse stelsel zou hebben vervuld, zou zonder dat in een andere Lid-Staat vervulde kwartalen zouden worden meegerekend, uiteindelijk beter af zijn, omdat hij dan recht blijft behouden op een werkloosheidsuitkering. Deze ongelijke behandeling is onverenigbaar met het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde discriminatieverbod en met artikel 51 EEG-Verdrag.(3)
8. De Cour de cassation, die in laatste instantie over verzoekers vordering moet beslissen, legt het Hof de volgende vraag voor:
Moeten de artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 aldus worden uitgelegd, dat zij ten aanzien van een werknemer die jonger is dan 65 jaar, die volgens het wettelijk basisstelsel van een Lid-Staat met ingang van zijn zestigste levensjaar recht heeft op een ouderdomspensioen en die tijdvakken van arbeid heeft vervuld in een andere Lid-Staat waar het recht op pensioen eerst op 65-jarige leeftijd ontstaat, eraan in de weg staat, dat de in deze laatste staat vervulde tijdvakken uitsluitend in aanmerking worden genomen ter bepaling van het percentage van het pensioen dat door het orgaan van de eerste staat onmiddellijk kan worden vastgesteld?
9. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeker, de Franse regering, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie. Ik zal hierna op deze opmerkingen terugkomen.
B ° Juridische beoordeling
De prejudiciële vraag
10. Met zijn vraag lijkt de verwijzende rechter te willen vernemen, of de door verzoeker in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken van verzekering enkel in aanmerking moeten worden genomen ter bepaling van het percentage van het ouderdomspensioen of ook ter bepaling van het bedrag van de uitkeringen. Dit betekent, dat het de verwijzende rechter enkel gaat om de vraag of verzoeker enkel aanspraak kan maken op een evenredig ouderdomspensioen op grond van de 120 in Frankrijk vervulde kwartalen of op een volledig pensioen op grond van in totaal 150 gevalideerde kwartalen.
11. De Bondsregering heeft de prejudiciële vraag kennelijk in die zin begrepen, wanneer zij in haar schriftelijke opmerkingen van de volgende onderstelling uitgaat:
"In deze prejudiciële procedure gaat het om de beginselvraag of een Lid-Staat, volgens welks wettelijke regeling een aanspraak op ouderdomspensioen bestaat, ook een uitkering moet toekennen op grond van in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, terwijl in deze andere staat nog geen aanspraak op een uitkering is ontstaan, in casu wegens een hogere leeftijdsgrens."
De schriftelijke opmerkingen vervolgen:
"Verzoeker zou in casu willen worden behandeld, alsof hij zijn gehele leven in Frankrijk heeft gewerkt, zodat bij de berekening van het Franse ouderdomspensioen een tijdvak van arbeid van 150 kwartalen in aanmerking zou moeten worden genomen."
12. Uit de context van de prejudiciële vraag alsook uit de opmerkingen van partijen valt op te maken, dat bij de vraag naar de inaanmerkingneming van in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering bij de berekening van het bedrag van de uitkering slechts een deel van het vraagstuk aan de orde wordt gesteld dat in het gemeenschapsrecht rijst. Wat het gemeenschapsrecht betreft, is het namelijk reeds twijfelachtig, of de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering bij de bepaling van het percentage van het ouderdomspensioen in aanmerking konden of moesten worden genomen. Het Hof is verplicht, prejudiciële vragen in hun context uit te leggen, teneinde de verwijzende rechter een vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt compleet antwoord te geven en hem alle criteria aan de hand te doen die hij ter beslechting van het bij hem aanhangig geschil nodig heeft. Daarom moeten hierna beide aspecten van de gemeenschapsrechtelijke problematiek worden onderzocht.
Inaanmerkingneming van in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering bij de berekening van het bedrag van de uitkering
13. In de artikelen 44 e.v. van verordening nr. 1408/71 wordt bepaald hoe ouderdomspensioenen(4) moeten worden berekend. Artikel 44, lid 2, luidt als volgt:
"Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 49 moet ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen, zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan. Van deze regel wordt slechts afgeweken, indien de betrokkene uitdrukkelijk verzoekt de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen, welke op grond van wettelijke regelingen van één of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, uit te stellen."
14. De vaststellingsprocedure begint dus met de aanvraag van de rechthebbende. Verzoeker heeft gesteld, dat hij zijn aanvraag tot vaststelling van zijn ouderdomspensioen bij de CNAVTS slechts gedwongen en onvrijwillig ("contraint et forcé") heeft ingediend. Deze verklaring moet aldus worden begrepen, dat hij de voorkeur had gegeven aan een werkloosheidsuitkering.
15. Ter uitvoering van het gebod van artikel 51, sub a, EG-Verdrag regelt artikel 45 de "inaanmerkingneming van tijdvakken van verzekering of van wonen vervuld krachtens de wettelijke regelingen welke op de werknemer of zelfstandige van toepassing zijn geweest, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen".(5)
16. Artikel 46 bevat de eigenlijke bepalingen betreffende de berekeningen die het bevoegde orgaan ter vaststelling van de uitkering moet maken. De berekening dient in meerdere stappen te verlopen.
17. In de eerste plaats berekent het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 46, lid 1, de zelfstandige uitkering, ook autonome uitkering genoemd. Hiervoor bepaalt het volgens zijn eigen wettelijke regeling het bedrag van de uitkering waarop de werknemer volgens deze regeling aanspraak zou kunnen maken, wanneer enkel rekening wordt gehouden met de in het kader van deze regeling vervulde tijdvakken van verzekering en wonen.(6) In artikel 46, lid 1, wordt uitdrukkelijk opgemerkt, dat de berekening plaatsvindt "zonder dat daarbij artikel 45 behoeft te worden toegepast", dat wil zeggen de regel betreffende de inaanmerkingneming van tijdvakken van verzekeringen of van wonen die krachtens de wettelijke regelingen van een andere Lid-Staat zijn vervuld.
18. In de tweede plaats berekent het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 46, lid 2, de geproratiseerde uitkering, ook evenredige uitkering genoemd. Deze berekening vindt op haar beurt plaats in twee etappes. Met toepassing van artikel 45 telt het bevoegde orgaan eerst alle krachtens de verschillende wettelijke regelingen van de Lid-Staten vervulde tijdvakken op en berekent op basis daarvan een theoretisch uitkeringsbedrag, alsof alle vervulde tijdvakken in het kader van de toepasselijke regeling werden vervuld. Pas daarna gaat het bevoegde orgaan over tot een evenredige vermindering van het theoretische bedrag op basis van de verhouding van de werkelijk krachtens deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken tot de krachtens de wettelijke regelingen van één of meer andere Lid-Staten vervulde tijdvakken.
19. In de derde plaats vergelijkt het bevoegde orgaan overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, sub a, oude versie, respectievelijk artikel 46, lid 3, nieuwe versie(7), het bedrag van de zelfstandige uitkering met het bedrag van de geproratiseerde uitkering. Enkel het hoogste van beide bedragen is voor definitieve vaststelling van de uitkering doorslaggevend.
20. De berekening van de geproratiseerde uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, is een typisch gemeenschapsrechtelijke berekeningswijze, omdat op grond van het gemeenschapsrecht(8) voor de vaststelling van het recht tijdvakken die krachtens een andere wettelijke regeling werden verworven, bij de berekening mede in aanmerking worden genomen. Evenwel mag niet uit het oog worden verloren, dat beide berekeningsmethodes, zowel die ter berekening van de zelfstandige uitkering als die ter berekening van de geproratiseerde uitkering, en de daaropvolgende vergelijking door het gemeenschapsrecht worden voorgeschreven.
21. De door de CNAVTS in het hoofdgeding verrichte vaststelling van de uitkering is in overeenstemming met in artikel 46, lid 2, voorgeschreven berekening van het geproratiseerde ouderdomspensioen. Wat dit aangaat, is het in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, dat de in een andere Lid-Staat ° in casu het Verenigd Koninkrijk ° vervulde gevalideerde kwartalen bij de berekening in aanmerking zijn genomen. De evenredige vermindering van het theoretische bedrag tot een met de 120 krachtens het Franse stelsel vervulde kwartalen overeenkomende uitkering is eveneens in overeenstemming met de gemeenschapsregels betreffende de berekening. Weliswaar geven tijdvakken die in het stelsel van een andere Lid-Staat zijn vervuld, aanspraak op een uitkering, maar zij leiden niet tot verhoging van de uitkering. Overigens leiden de "elders" vervulde tijdvakken van verzekering bij de berekening van de zelfstandige ouderdomspensioenen noch bij de berekening van de geproratiseerde ouderdomspensioenen tot verhoging van de uitkering. Uiteindelijk moet elk bevoegd orgaan naar evenredigheid voor de in zijn rechtsstelsel verdiende uitkering opkomen.
22. Als tussenresultaat moet dus worden vastgesteld, dat verzoeker niet op grond van het gemeenschapsrecht tegenover het Franse orgaan aanspraak heeft op een ouderdomsuitkering waarvan het bedrag overeenkomt met 150 kwartalen.
Inaanmerkingneming van in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering ter verkrijging van de aanspraak
23. Zoals hiervoor reeds gezegd, is de gemeenschapsrechtelijke problematiek daarmee geenszins uitgeput.
24. Artikel 49 van de verordening bevat een speciale bepaling betreffende de berekening van de uitkering, indien de betrokkene niet gelijktijdig voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld in alle wettelijke regelingen, krachtens welke tijdvakken van verzekering of wonen zijn vervuld.(9) Om een dergelijk geval gaat het bij verzoeker. De verwijzende rechter heeft daarom uitdrukkelijk om uitlegging van artikel 49 verzocht.
25. Artikel 49, lid 1, luidt:
"Indien de betrokkene (...) op een bepaald tijdstip niet ten volle voldoet aan de voorwaarden welke door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten waaraan hij onderworpen is geweest, voor het recht op uitkeringen worden gesteld, doch uitsluitend voldoet aan de voorwaarden van één of meer van deze wettelijke regelingen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) Elk der bevoegde organen welke een wettelijke regeling toepassen aan de voorwaarden waarvan is voldaan, berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering overeenkomstig artikel 46 (...)"
26. Tot zover bevat artikel 49 een oppervlakkige verwijzing naar de reeds genoemde berekeningsregels van artikel 46 van de verordening.
27. In artikel 49, lid 1, sub b, wordt echter verder bepaald:
"Evenwel,
i) indien de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van ten minste twee wettelijke regelingen zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vervuld zijn krachtens de wettelijke regelingen aan de voorwaarden waarvan niet is voldaan, wordt voor de toepassing van artikel 46, lid 2, met deze tijdvakken geen rekening gehouden."
28. Deze bijzondere regeling kan zeker niet in het onderhavige geval worden toegepast, want verzoeker voldoet tot zijn 65ste jaar enkel aan de voorwaarden uit hoofde van de wettelijke regelingen van één Lid-Staat. Onder deze omstandigheden zou artikel 49, lid 1, sub b, ii, van toepassing kunnen zijn. Deze bepaling luidt:
"Indien de betrokkene voldoet aan de voorwaarden van één enkele wettelijke regeling zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vervuld zijn krachtens de wettelijke regelingen aan de voorwaarden waarvan niet is voldaan, wordt het bedrag van de verschuldigde uitkering uitsluitend berekend overeenkomstig de wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan, en uitsluitend rekening houdend met de tijdvakken welke krachtens deze wettelijke regeling zijn vervuld."
29. Partijen zijn het niet eens over de vraag of deze bepaling in het hoofdgeding van toepassing is. In het verzoekschrift wordt bijvoorbeeld verklaard:
"étant entendu que l' exposant ne remplit aucune des conditions des 2 cas prévus par le § b".
30. In de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering staat daarentegen te lezen:
"C' est plus précisément le paragraphe 1, alinéa b), point ii), de l' article 49, qui doit s' appliquer, le droit à pension étant ouvert au regard de la seule législation française (régime général des travailleurs salariés en l' occurence) et ce, sans qu' il soit nécessaire de tenir compte des périodes accomplies au Royaume-Uni."
31. Of artikel 49, lid 2, sub b, ii, op de omstandigheden van het geval moet worden toegepast, hangt ook af van de betekenis die men aan dit artikel geeft. Mijns inziens gaat de bepaling ervan uit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor een zelfstandige ouderdomsuitkering. De bepaling zou dan zo moeten worden begrepen, dat bij een recht op een zelfstandige uitkering deze enkel volgens die berekeningsmethode wordt vastgesteld, dat wil zeggen dat de berekening van de geproratiseerde ouderdomsuitkering met vervolgens een vergelijking van de resultaten van beide berekeningen achterwege blijft.
32. Duidelijkheidshalve wil ik daarbij opmerken, dat een zelfstandige uitkering niet zonder meer ook een volledige uitkering behoeft te zijn. Een zelfstandige uitkering kan worden gekenmerkt als volgt: het moet om een recht op een uitkering gaan die "uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regelingen en uitsluitend op basis van onder deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken verschuldigd is".(10)
33. Een argument voor de opvatting dat een zelfstandig ouderdomspensioen geenszins een volledige uitkering behoeft te zijn, is dat meerdere zelfstandige uitkeringen naast elkaar kunnen bestaan. Bovendien kan een zelfstandige uitkering, in vergelijking tot een volledige "verzekeringsloopbaan", op grond van relatief korte tijdvakken van verzekering(11) worden verkregen, wanneer de desbetreffende wettelijke regeling zulks voorziet. Zou een zelfstandig ouderdomspensioen altijd een volledige uitkering zijn, dan zou de ingevolge artikel 46 voorschreven vergelijking van de zelfstandige uitkering met de geproratiseerde uitkering in de regel overbodig zijn, aangezien het met een volledige uitkering overeenkomende bedrag het plafond voor een evenredige uitkering vormt.(12)
34. In haar schriftelijke opmerkingen gaat de Commissie er kennelijk vanuit, dat een zelfstandige uitkering steeds een maximumuitkering zou moeten zijn.(13) De Commissie gaat hierbij uit van een verkeerde onderstelling. Hoewel in twee tamelijk recente arresten(14), waarin het ook om de berekening van een zelfstandige uitkering ging ° in het bijzonder met het oog op de toepasselijkheid van anti-cumulatiebepalingen °, de desbetreffende uitkering overeenkwam met een volledig ouderdomspensioen, is dit kenmerk geenszins een voorwaarde voor het ontstaan van een zelfstandige uitkering in de zin van het gemeenschapsrecht.
35. Het is niet de taak van het Hof om aan de hand van de Franse wettelijke regelingen na te gaan of verzoeker recht heeft op een zelfstandig ouderdomspensioen in de zin van de hiervoor gegeven definitie. Het staat aan de autoriteiten van de Lid-Staten, respectievelijk aan de verwijzende rechter, om het nationale recht op de feiten toe te passen. Uit de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering kan evenwel worden opgemaakt, dat zulks het geval is. In deze schriftelijke opmerkingen staat te lezen:
"En effet, aux termes de l' article L 351-1, 1er alinéa du code français de la sécurité sociale, 'l' assurance vieillesse garantit une pension de retraite à l' assuré qui en demande la liquidation (comme l' a fait M. McLachlan)(15) à partir d' un âge déterminé (fixé à 60 ans par l' article R 351-2)' , et ce quels que puissent être le taux et le montant(16) de cette pension."
36. Gelet op de naar alle waarschijnlijkheid bestaande zelfstandige uitkering op grond van de enkel in het Franse stelsel vervulde verzekeringstijdvakken, had verzoekers aanvraag aldus kunnen worden toegewezen, dat hij niet van de werkloosheidsverzekering werd uitgesloten, voordat hij recht had verkregen op een volledige uitkering, hetzij in de vorm van een zelfstandig ouderdomspensioen, hetzij door cumulering van evenredige ouderdomspensioenen (zoals op 65-jarige leeftijd ook inderdaad is geschied).(17)
37. In de voorgaande overwegingen ben ik ervan uitgegaan, dat artikel 49, lid 1, sub b, ii, van toepassing is. Ik heb daarbij ondersteld, dat dit artikel de vergelijkende berekening van artikel 46 overbodig maakt. Zelfs bij toepassing van artikel 46 zijn de rechtsgevolgen vergelijkbaar. Hetgeen ik hiervoor heb verklaard geldt mutatis mutandis ook voor de berekening van de zelfstandige uitkering in de zin van artikel 46, lid 1, de eerste stap van de berekening.
38. Voordat het bevoegde orgaan de geproratiseerde uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, berekent, moet eerst een zelfstandige uitkering worden berekend. Enkel wanneer bij vergelijking van de resultaten van beide berekeningen de geproratiseerde ouderdomsuitkering hoger is dan de zelfstandige uitkering, wordt de evenredige ouderdomsuitkering betaald.
39. Wanneer verzoeker het recht op een zelfstandige uitkering zou hebben gehad en die zuiver rekenkundig minstens even hoog zou zijn geweest als de berekende evenredige uitkering, had het bij de zelfstandige uitkering moeten blijven.(18)
40. Verzoeker heeft herhaaldelijk en met nadruk gesteld, dat hij wordt benadeeld ten opzichte van een werknemer met dezelfde tijdvakken van verzekering in hetzelfde stelsel, omdat hij daarnaast verzekeringstijdvakken in een andere Lid-Staat heeft vervuld.
41. Bij de toepassing van het gemeenschapsrecht moet rekening worden gehouden met het doel van de desbetreffende regels. Ter uitlegging van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 heeft het Hof vastgesteld dat:
"het doel der artikelen 48 tot en met 51 (van het Verdrag) niet zou worden bereikt, indien de werknemers tengevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd".(19)
In een recenter arrest gaat het Hof zelfs nog verder, door in een soortgelijke overweging te zeggen "(...) of indien zij in een minder gunstige situatie komen te verkeren dan wanneer zij heel hun loopbaan in één Lid-Staat hadden volbracht".(20)
42. Met betrekking tot de samentelling van tijdvakken van verzekering overwoog het Hof dat:
"Artikel 51 van het Verdrag wezenlijk betrekking heeft op het geval dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat op zichzelf voor de belanghebbende geen recht op uitkering zou doen ontstaan, omdat hij onder die wettelijke regeling onvoldoende verzekeringstijdvakken heeft vervuld, of hem slechts een lagere uitkering dan het maximum zou toekennen."(21)
43. Met betrekking tot de geproratiseerde ouderdomsuitkering trekt het Hof de volgende conclusie:
"Samentelling en pro-rataberekening zijn derhalve niet mogelijk, wanneer zulks een vermindering meebrengt van de uitkeringen waarop de betrokkenen krachtens de wettelijke regeling van één enkele Lid-Staat aanspraak kan maken op grond van de alleen onder die wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken (...)"(22)
44. De grondgedachte van de aangehaalde rechtspraak is dus, dat een migrerend werknemer door de toepassing van het gemeenschapsrecht in geen geval in een ongunstigere situatie mag komen te verkeren dan bij toepassing van slechts één van de betrokken wettelijke regelingen. Dit beginsel moet mijns inziens niet enkel bij de rekenkundige vergelijking van de volgens de verschillende methoden van artikel 46 berekende uitkeringen worden toegepast, maar ook op andere gevallen waarin migrerende werknemers in het kader van de ouderdomsverzekering in een ongunstigere situatie komen te verkeren. Verzoeker mocht daarom niet in een ongunstiger situatie komen te verkeren dan wanneer uitsluitend het nationale recht was toegepast. Het bevoegde orgaan moet vergelijken, welke berekeningswijze voor de aanvrager gunstiger is.
45. De Franse regering heeft aangevoerd, dat de 150 gevalideerde kwartalen in aanmerking hadden moeten worden genomen, wanneer alleen het Franse recht was toegepast. Hiertegen kan worden ingebracht, dat de betrokken instanties van de Lid-Staten de nationale wettelijke regelingen bij de toepassing ervan zo moeten uitleggen, dat zij in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn. Een van de voorschriften van het gemeenschapsrecht bij de berekening van een zelfstandige uitkering is, dat deze "uitsluitend op basis van onder deze wettelijke regeling vervulde tijdvakken verschuldigd is".(23) Slechts wanneer onder die voorwaarde geen recht bestaat, zullen ° zoals ik reeds heb verklaard °, in verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken voor de aanspraak op de uitkering worden samengeteld.
46. Als tussenresultaat moet dus worden vastgesteld, dat ter verkrijging van een recht op een zelfstandige uitkering uit hoofde van de in het stelsel van een Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken enkel rekening moet worden gehouden met deze tijdvakken. Samentelling van alle in de verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken ter verkrijging van dat recht, vindt enkel plaats bij de berekening van de geproratiseerde uitkering.
Het discriminatieverbod
47. Verzoeker heeft als grief aangevoerd, dat in zijn geval het recht is toegepast op een wijze die onverenigbaar is met het gemeenschapsrechtelijke discriminatieverbod, dat in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is neergelegd. Deze bepaling luidt:
"Personen die op het grondgebied van één der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, (...)"
48. Voor zover uit de stukken is op te maken, is in de relevante nationale bepalingen geen sprake van ongelijke behandeling op grond van nationaliteit.(24)
49. Zowel het gemeenschapsrechtelijke verbod van discriminatie op grond van nationaliteit(25), alsook het verbod van indirecte discriminatie(26) hebben tot doel te verhinderen, dat werknemers die gebruik maken van het vrije verkeer, in een ongunstiger situatie komen te verkeren. Dit beginsel van het gemeenschapsrecht moet eveneens bij de toepassing van het recht van de Lid-Staten in acht worden genomen. Uiteindelijk geldt het algemene gelijkheidsbeginsel(27) ook in het gemeenschapsrecht als algemeen rechtsbeginsel. Ingeval het niet reeds rechtstreeks als grondrecht in het nationale recht geldt, kan het beginsel via het gemeenschapsrecht toepasselijk worden.
50. Ingeval in het kader van het Franse recht inzake pensioenen ook in een ander stelsel vervulde tijdvakken van verzekering als gelijkwaardig worden erkend, moet worden onderzocht of het daarbij om tijdvakken gaat waar een realiseerbaar recht tegenover staat. Eventueel zou een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling een gevolg kunnen zijn van het feit dat in een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking worden genomen, voor zover deze niet een realiseerbaar recht kunnen opleveren.
51. Gelet op het voorgaande moet de vraag van de verwijzende rechter aldus worden beantwoord, dat voor de berekening van een zelfstandige uitkering zowel met betrekking tot het percentage als met betrekking tot het bedrag van het ouderdomspensioen enkel rekening moet worden gehouden met de tijdvakken die in het toepasselijke stelsel zijn vervuld. Wanneer op grond van deze tijdvakken geen recht bestaat, alsmede ten behoeve van de vergelijking, worden de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering opgeteld bij de in het toepasselijke stelsel vervulde tijdvakken. Voor de berekening van het bedrag van de op die basis te berekenen uitkering blijven deze tijdvakken echter buiten toepassing. In het verdere verloop wordt enkel het voor de aanvrager gunstigste resultaat van beide berekeningen in aanmerking genomen.
C ° Conclusie
52. Ik geef in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
Artikel 49, junctis de artikelen 46 en 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971, moet aldus worden uitgelegd, dat in een geval als bedoeld in het hoofdgeding, bij de berekening van het ouderdomspensioen door het bevoegde orgaan de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken niet in aanmerking worden genomen voor het verkrijgen van een recht op een zelfstandige uitkering. Wanneer geen recht op een zelfstandige uitkering bestaat, worden voor het verkrijgen van een recht ° evenals voor de vergelijking overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, oude versie, respectievelijk lid 3, nieuwe versie ° de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken in aanmerking genomen. Voor de berekening van het bedrag van de evenredige uitkering blijven deze tijdvakken evenwel buiten beschouwing. In het verdere verloop wordt enkel het voor de aanvrager gunstigste resultaat van beide berekeningen in aanmerking genomen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) ° Geconsolideerde versie van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1992, C 325, blz. 1), in de voor het geding relevante versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(2) ° Association pour l' emploi dans l' industrie et le commerce.
(3) ° Sinds 1 november 1993 EG-Verdrag op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (PB 1992, C 224).
(4) ° Eventueel ook andere pensioenen, zoals invaliditeitspensioenen en weduwen- en wezenpensioenen (vgl. de artikelen 39, lid 5 en 44, lid 1, van verordening nr. 1408/71, nieuwe versie).
(5) ° Zie opschrift van het artikel.
(6) ° Vgl. arrest van 6 juni 1990, zaak C-342/88, Spits, Jurispr. 1990, blz. I-2259.
(7) ° Vgl. voetnoot 1.
(8) ° Vgl. artikel 51 EG-Verdrag en artikel 45 van verordening nr. 1408/71.
(9) ° Sinds wijzigingsverordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7) geldt artikel 49 ook voor gevallen waarin de betrokkene uitdrukkelijk heeft verzocht, de vaststelling van de ouderdomsuitkering uit te stellen; vgl. de artikelen 44, lid 2, en 49, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71.
(10) ° Vgl. de zaak Spits (reeds aangehaald, r.o. 12); vgl. ook artikel 46, lid 1.
(11) ° Bijvoorbeeld 5, respectievelijk 7 jaar (zaak Spits, reeds aangehaald).
(12) ° Artikel 46, lid 2, sub c, oude versie; vgl. ook arrest Hof van 15 december 1993, gevoegde zaken C-113/92, C-114/92 en C-156/92, Fabrizii e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6707, r.o. 28.
(13) ° Or, M. McLachlan ne remplit pas les conditions prévues par la législation française, en l' occurrence l' accomplissement d' une période d' assurance de 150 trimestres en France, pour avoir une pension autonome. M. McLachlan ne réunit pas les conditions prévues par la législation française (150 trimestres) pour faire valoir l' égalité de traitement et bénéficier ainsi d' une prestation autonome (pension au taux plein).
(14) ° Vgl. arresten van 18 februari 1993, zaak C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897, en in de zaak Fabrizii, reeds aangehaald.
(15) ° Naar eigen zeggen gedwongen en onvrijwillig (contraint et forcé).
(16) ° Cursivering van mij.
(17) ° Vgl. de plicht tot herberekening ingevolge artikel 49, lid 2, van de verordening en de opmerkingen van de Franse regering betreffende de feiten.
(18) ° Overeenkomstig artikel 46, lid 1, sub b, nieuwe versie, kan het bevoegde orgaan zelfs van de berekening overeenkomstig het bepaalde onder a, ii, (van de geproratiseerde uitkering) afzien, wanneer het resultaat van deze berekening (...) gelijk of lager is dan het resultaat van de berekening overeenkomstig het bepaalde onder a, i, (van de zelfstandige uitkering) .
(19) ° Arrest van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149, r.o. 13; zo ook betreffende de uitlegging van de vergelijkbare bepaling van verordening nr. 3, arrest van 24 mei 1974, zaak 191/73, Niemann, Jurispr. 1974, blz. 571, r.o. 5.
(20) ° Arrest van 21 maart 1990, zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023, r.o. 24.
(21) ° Vgl. de zaak Petroni, reeds aangehaald, r.o. 14 en de zaak Niemann, reeds aangehaald, r.o. 6. Vgl. ook zaak C-199/88, Cabras, reeds aangehaald, r.o. 25 en 26.
(22) ° Zaak Petroni, reeds aangehaald, r.o. 16 en zaak Niemann, reeds aangehaald, r.o. 6.
(23) ° Vgl. de zaak Spits, reeds aangehaald, r.o. 12.
(24) ° Volgens de Franse regering heeft verzoeker zowel de Britse als de Franse nationaliteit.
(25) ° Vgl. bijvoorbeeld artikel 48, lid 2, EG-Verdrag.
(26) ° Vgl. bijvoorbeeld arresten van 15 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr. 1986, blz. 1, r.o. 23, en 27 september 1988, zaak 313/86, Lenoir, Jurispr. 1988, blz. 5391, r.o. 14.
(27) ° Vgl. bijvoorbeeld arresten van 19 oktober 1977, gevoegde zaken 177/76 en 16/77, Ruckdeschel, Jurispr. 1977, blz. 1753, r.o. 7; 19 oktober 1977, gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1795, r.o. 14-17, en 5 maart 1980, zaak 265/78, Ferwerda, Jurispr. 1980, blz. 617, r.o. 7.
Full & Egal Universal Law Academy