Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid, nader in te gaan op de anatomie van de kip (Gallus gallus domesticus).
2. M. Voogd Vleesimport en -export BV (hierna: "Voogd") exporteerde in de jaren 1987/1988 verschillende partijen vlees van pluimvee naar derde landen en verzocht daarvoor om uitvoerrestituties. Blijkens het verwijzingsarrest zijn de produkten die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige zaak, kippepoten met (een deel van) de rug (zonder staart) en voorste rugstukken met vleugels (hoofdzakelijk) afkomstig van Italiaanse leveranciers, door dezen onder meer aangeduid als "pipistrelli". Ik zal voor deze produkten hierna gemakshalve de termen "poten met rugstuk" en "vleugels met rugstuk" gebruiken.
3. Voogd zou die produkten in haar aanvragen om uitvoerrestituties "poten" respectievelijk "vleugels" hebben genoemd en de daarvoor vastgestelde uitvoerrestituties hebben gevraagd. De in Nederland voor de toekenning van de restituties bevoegde autoriteiten waren van mening, dat Voogd daardoor bedrieglijke aangiften had gedaan. Voogd werd daarvoor strafrechtelijk vervolgd en die zaak is thans aanhangig bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
4. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
1.1. Wat moet bij de juiste uitleg van de bijlagen bij de hierna te noemen verordeningen van de Commissie worden verstaan onder de telkens hierna onder a) tot en met f) aangegeven omschrijvingen van pluimveeprodukten, behorende bij de daarbij aangegeven tariefposten voor uitvoerrestitutie in de sector slachtpluimvee:
a) Omschrijving: "B. Delen van pluimvee (andere dan slachtafvallen):
II. niet uitgebeend:
e) Dijen en delen daarvan:
3. van ander pluimvee"
tariefpost: 02.02 B II e) 3
verordening: (EEG) nr. 1151/87 van de Commissie van 27 april 1987 (PB 1987, L 111, blz. 21), in werking getreden op 1 mei 1987 en (EEG) nr. 2800/87 van de Commissie van 18 september 1987 (PB 1987, L 268, blz. 47), in werking getreden op 21 september 1987
b) Omschrijving: "B. Delen van pluimvee (andere dan slachtafvallen):
II. niet uitgebeend:
a) Helften of vierendelen:
1. van hanen en kippen, en van kuikens daarvan"
tariefpost: 02.02 B II a) 1
verordening: (EEG) nr. 1151/87 en (EEG) nr. 2800/87
c) Omschrijving: "B. Delen van pluimvee (andere dan slachtafvallen):
II. niet uitgebeend:
ex g) andere"
tariefpost: 02.02 B II ex g)
verordening: (EEG) nr. 1151/87 en (EEG) nr. 2800/87
d) Omschrijving: "Delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren:
van hanen of van kippen:
delen:
met been:
dijen en delen daarvan"
tariefpost: 0207 41 51 000
verordening: (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 (PB 1987, L 366, blz. 1), in werking getreden op 1 januari 1988
e) Omschrijving: "Delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren:
van hanen of van kippen:
delen:
met been:
andere:
helften en vierendelen, zonder staarten"
tariefpost: 0207 41 71 100
verordening: (EEG) nr. 3846/87
f) Omschrijving: "Delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren:
van hanen of van kippen:
delen:
met been:
andere:
andere"
tariefpost: 0207 41 71 900
verordening: (EEG) nr. 3846/87?
1.2. Onder welke tariefpost dienen kippepoten met (een deel van) de rug (zonder staart) te worden gerangschikt,
° in de periode van 1 mei 1987 tot 1 november 1987,
° in de periode van 1 januari 1988 tot 1 oktober 1988?
1.3. Indien deze vraag niet in haar algemeenheid kan worden beantwoord, maar afhankelijk is van de grootte van het deel van de rug: hoe groot moet dit gedeelte zijn en op welke plaats of wijze moet dit zijn uitgesneden om de kippepoot met (dat gedeelte van) de rug (zonder staart) onder de ene dan wel een andere van de tariefposten genoemd onder 1.1. sub a) tot en met f) (geldend in de hierboven genoemde perioden) te kunnen rangschikken?
2.1. Wat moet bij de juiste uitleg van de bijlagen bij de hierna te noemen verordeningen van de Commissie worden verstaan onder de telkens hierna onder a) en b) aangegeven omschrijvingen van pluimveeprodukten, behorende bij de daarbij aangegeven tariefposten voor uitvoerrestitutie in de sector slachtpluimvee:
a) Omschrijving: "B. Delen van pluimvee (andere dan slachtafvallen):
II. niet uitgebeend:
b) hele vleugels, ook indien zonder spits"
tariefpost: 02.02 B II b)
verordening: (EEG) nr. 267/87 van de Commissie van 28 januari 1987 (PB 1987, L 26, blz. 33), in werking getreden op 1 februari 1987 en (EEG) nr. 1151/87
b) Omschrijving: "Delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren:
van hanen of van kippen:
delen:
met been:
hele vleugels, ook indien zonder spits"
tariefpost: 0207 41 21 000
verordening: (EEG) nr. 3846/87?
2.2. Onder welke van de onder 2.1. sub a) of b) dan wel onder 1.1. sub c) vermelde tariefposten dienen voorste rugstukken met vleugels van hanen of kippen te worden gerangschikt:
° in de periode van 1 februari 1987 tot 1 november 1987,
° in de periode van 1 januari 1988 tot 1 september 1988?
2.3. Indien deze vraag niet in haar algemeenheid kan worden beantwoord, maar afhankelijk is van de wijze waarop het desbetreffende deel is uitgesneden:
hoe moet die uitsnijding zijn om vleugels met daartussen een rugstuk onder de ene dan wel een andere van de tariefposten genoemd onder 2.1. sub a) en b) en onder 1.1. sub c) (geldend in de hierboven genoemde perioden) te kunnen rangschikken?
B ° Standpuntbepaling
5. Ik ben het met de Commissie eens, dat de prejudiciële vragen moeten worden geherformuleerd. Voor het beantwoorden van de vragen 1.1 en 2.1 zou het Hof een zuiver abstracte en zeer algemene uitlegging van de betekenis en de inhoud van de aldaar genoemde tariefposten moeten geven. Dit is niet de taak van het Hof. Uit de samenhang van de prejudiciële vragen blijkt evenwel overduidelijk, dat de verwijzende rechter eigenlijk wenst te vernemen, onder welke van de door hem genoemde tariefposten een poot met rugstuk en een vleugel met rugstuk moeten worden ingedeeld. Voor het geval het antwoord op deze vragen afhankelijk zou zijn van de grootte van het rugstuk en/of van de wijze waarop dit is uitgesneden, verlangt de verwijzende rechter van het Hof ook dienaangaande de nodige toelichtingen.
6. Met zijn vragen 1.2 en 2.2 wenst de verwijzende rechter te vernemen, onder welke van de door hem genoemde tariefposten de betrokken produkten moesten worden ingedeeld in de periode van 1 mei 1987 tot 1 november 1987 en van 1 januari 1988 tot 1 oktober 1988 (voor poten met rugstuk) en in de periode van 1 februari 1987 tot 1 november 1987 en van 1 januari 1988 tot 1 september 1988 (voor vleugels met rugstuk).
Voor de overzichtelijkheid geef ik eerst een chronologische opsomming met vermelding van de datum van inwerkingtreding van de in de betrokken perioden geldende verordeningen van de Commissie tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector slachtpluimvee:
° verordening nr. 267/87: 1 februari 1987
° verordening nr. 1151/87: 1 mei 1987
° verordening nr. 2303/87(1): 1 augustus 1987
° verordening nr. 2800/87: 21 september 1987
° verordening nr. 3205/87(2): 1 november 1987
° verordening nr. 3865/87(3): 1 januari 1988
° verordening nr. 158/88(4): 23 januari 1988
° verordening nr. 717/88(5): 21 maart 1988
° verordening nr. 1792/88(6): 1 juli 1988
° verordening nr. 2882/88(7): 1 oktober 1988.
Verordening nr. 2303/87 wordt in de prejudiciële vragen niet genoemd. Daar de in de bijlage bij deze verordening genoemde tariefposten die relevant zijn voor de onderhavige zaak, evenwel overeenstemmen met die welke in de bijlage bij de verordeningen nrs. 267/87, 1151/87 en 2800/87 worden genoemd, dient deze verordening niet afzonderlijk te worden behandeld. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de verordeningen nrs. 2303/87 en 2800/87, die in vraag 2 niet worden genoemd, ofschoon zij golden in de periode waarop vraag 2.2 betrekking heeft.
Alle voor de periode van 1 januari 1988 tot 1 september (respectievelijk 1 oktober) 1988 geldende verordeningen gebruiken de bij verordening nr. 3846/87 ingevoerde nomenclatuur. Daar verordening nr. 3846/87 in die periode niet is gewijzigd met betrekking tot de litigieuze produkten, dient hier dus niet nader te worden ingegaan op elke verordening tot vaststelling van de uitvoerrestituties voor 1988.
De indeling van poten met rugstuk
7. Uit de eerste prejudiciële vraag blijkt, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of een poot met rugstuk moet worden ingedeeld onder een van de volgende drie tariefposten, die gemakshalve kunnen worden samengevat als vierendelen, dijen en andere.
Vaststaat, dat deze tariefposten in geen enkele van de hier te onderzoeken verordeningen ° nrs. 1151/87, 2800/87 en 3846/87 ° worden omschreven.
8. Het ligt voor de hand, dat in die omstandigheden te rade moet worden gegaan met de douanebepalingen. Volgens artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee(8) ° op welke verordening genoemde verordeningen van de Commissie zijn gebaseerd ° gelden immers voor de classificatie van de produkten die onder deze verordening vallen, de algemene bepalingen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de bijzondere regels voor de toepassing ervan.
9. Uit deze douanebepalingen kan weliswaar niet worden opgemaakt, hoe de hier aan de orde zijnde tariefposten "dijen (en delen daarvan)" en "andere" moeten worden uitgelegd, maar zij bevatten, gelijk de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven, aanwijzingen voor de uitlegging van de begrippen "helften" en "vierendelen". In de toelichtingen op het douanetarief(9) wordt daaromtrent gezegd, dat onder "helften" moet worden verstaan de linker en de rechter helft, "verkregen door het overlangs scheiden van elke vogel in twee symmetrische delen". Tot de "vierendelen" behoren volgens deze toelichtingen:
"achterste kwarten, bestaande uit de onderdij, de dij, het achterste deel van de rug en het zadel of de stuit, alsmede voorste kwarten, die in hoofdzaak bestaan uit de helft van de borst met de daarbijbehorende vleugel".
10. Volgens de gegevens van de verwijzende rechter omvat het betrokken produkt geen zadel of stuit. Derhalve zijn deze poten met rugstuk geen "vierendelen" en vallen zij dus niet onder tariefpost 02.02 B II a) 1 van de verordeningen nrs. 1151/87 en 2800/87. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van Voogd weliswaar opgemerkt, dat de stuit van een kip in verhouding tot de andere delen zeer klein en nagenoeg te verwaarlozen is, doch dit is geen voldoende grond om niet vast te houden aan de eis, dat een achterste kwart een stuit moet omvatten. De wettelijke regeling zou daarvoor een aanknopingspunt moeten bieden, en dat is hier niet het geval. Gelet op de bepalingen van verordening nr. 3846/87 mag ook worden aangenomen, dat de aanwezigheid van de stuit wel degelijk van belang is voor de uitvoerrestituties.
11. Tariefpost 0207 41 71 100 van verordening nr. 3846/87 geldt daarentegen voor helften en vierendelen "zonder staarten". Dit is geen toeval, daar in dezelfde verordening nog een andere tariefpost (0207 41 11 000) voor "helften en kwarten" voorkomt. Het verschil tussen die twee tariefposten bestaat derhalve hierin, dat in het ene geval de stuit (of een deel daarvan) aanwezig moet zijn, doch in het andere geval niet. De betrokken poten met rugstuk zouden dus onder tariefpost 0207 41 71 100 van verordening nr. 3846/87 kunnen worden ingedeeld, doch daartoe is vereist, dat zij "achterste kwarten, bestaande uit de onderdij, de dij" en het "achterste deel van de rug" zijn.(10)
Of dit het geval is, dient de nationale rechter uit te maken. Hij zal daartoe, bij gebreke van nadere bepalingen in het gemeenschapsrecht, rekening moeten houden met de nationale gebruiken en gewoonten over hoe een achterste kwart moet worden uitgesneden. De reeds genoemde Toelichtingen op het douanetarief helpen hem mijns inziens daarbij niet veel vooruit. In die Toelichtingen wordt weliswaar beschreven, hoe een "helft" moet worden uitgesneden, doch er wordt niet gezegd, dat een "achterste kwart" noodzakelijk uit een aldus verkregen helft moet worden gesneden.(11)
12. Laten wij nu nagaan, of poten met rugstuk onder "dijen" dan wel onder "andere" in de zin van genoemde verordeningen vallen. Voor de periode na de inwerkingtreding van verordening nr. 3846/87 rijst deze vraag natuurlijk enkel wanneer de nationale rechter tot de conclusie komt, dat het betrokken produkt geen "vierendeel" in bovengenoemde zin is.
13. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie in dit verband op de thans geldende regeling inzake de handelsnormen voor vlees van pluimvee gewezen. Ware deze regeling hier van toepassing, dan zou daaruit inderdaad zonder meer het antwoord op de onderhavige vraag kunnen worden geput. In artikel 1, sub 2, van verordening nr. 1538/91(12) wordt onder het opschrift "Delen van pluimvee" bepaald:
"e) Hele poot/hele dij: het dijbeen, het scheenbeen en het kuitbeen met de daaraan gehechte spiermassa. De twee sneden worden gemaakt in de gewrichten;
f) Poot/dij met rugdeel (bout): waarbij het gewicht van het rugdeel niet meer mag bedragen dan 25 % van het gewicht van het gehele deel."
Opgemerkt zij, dat ook verordening nr. 3846/87 inmiddels dienovereenkomstig is gewijzigd. Zij bevat thans een tariefpost 0207 41 71 200 met de omschrijving "delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren: van hanen of van kippen: delen: met been: andere: delen bestaande uit een hele dij of een deel van een dij en een deel van de rug, waarbij het deel van de rug niet meer dan 25 % van het totaalgewicht bedraagt".(13)
Gelijk de vertegenwoordiger van Voogd ter terechtzitting heeft uiteengezet, zijn deze bepalingen blijkbaar juist vastgesteld om de in gevallen als het onderhavige aan het licht getreden onduidelijkheden uit de weg te ruimen. Het spreekt vanzelf, dat deze na de hier relevante periode (1987-1988) vastgestelde bepalingen geen invloed mogen hebben op de uitlegging van de ten tijde van de feiten geldende teksten.(14)
14. Derhalve rijst de vraag, hoe de tariefpost "dijen" in de hier relevante periode moest worden verstaan. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Commissie dit scherper geformuleerd: Kan een "dij" niet meer als een "dij" worden beschouwd wanneer er een rugstuk aan vastzit?
De Commissie heeft tijdens de mondelinge behandeling terecht opgemerkt, dat het bij machinale versnijding ° hetgeen wel meestal het geval zal zijn ° nagenoeg niet te vermijden is, dat een klein stukje van de rug aan de dij blijft vastzitten. Dit wordt ook bevestigd in de door mij geraadpleegde vakliteratuur.(15) Volgens de reeds genoemde verordening nr. 1538/91 moeten bij een dij de sneden "in de gewrichten" worden gemaakt. Ofschoon deze verordening ° zoals reeds gezegd ° in casu niet van toepassing is, kunnen daar toch enkele conclusies uit worden getrokken voor het onderhavige geval. Aan het einde van artikel 1, sub 2, van deze verordening wordt namelijk bepaald, dat voor sommige produkten (waaronder "dijen") de sneden tot 31 december 1991 "bij de gewrichten" mogen worden gemaakt. Daaruit kan worden geconcludeerd, dat bij de vaststelling van deze verordening een dergelijke "dij" naar de in de Lid-Staten overheersende opvatting niet tot de "dij als zodanig"(16) moest worden beperkt. De door Voogd in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof geponeerde stelling, dat het begrip "kippepoot" in Nederland niet tot de anatomische dij is beperkt, maar steeds "nog wat meer" omvat, kan dus wel degelijk juist zijn.
15. De Commissie heeft aangevoerd, dat het antwoord op de vraag naar de afbakening van beide tariefposten zonder meer kan worden afgeleid uit de handelsnormen voor vlees van pluimvee. De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee is neergelegd in de reeds genoemde verordening nr. 2777/75. Volgens artikel 5, lid 1, van deze verordening wordt de heffing op delen van pluimvee berekend naar maatstaf van de gewichtsverhouding tussen de verschillende produkten.(17) Met deze coëfficiënten wordt ook rekening gehouden bij de vaststelling van de uitvoerrestituties.(18) Volgens de Commissie zou het evenwicht waarop de berekening van de verschillende uitvoerrestituties berust, grovelijk worden verstoord wanneer produkten waaraan nog andere delen van pluimvee vastzitten, toch nog onder de desbetreffende tariefpost worden ingedeeld.
16. Tegen dit betoog van de Commissie valt moeilijk wat in te brengen. Zolang er in het gemeenschapsrecht uitvoerrestituties bestaan en zolang er voor verschillende delen van pluimvee uiteenlopende bedragen zijn vastgesteld, moeten deze delen duidelijk van elkaar worden onderscheiden, want anders staat de deur wagenwijd open voor misbruik.(19)
Mijns inziens kan dit betoog evenwel niet ten nutte worden gemaakt voor het onderhavige geval. Uit de uiteenzetting van de Commissie kan namelijk niet worden opgemaakt, hoe die afbakening concreet dient te gebeuren. De Commissie overweegt eerst, of een dij waaraan een klein stuk van de rug vastzit, toch niet als een "dij" in de zin van de hier te onderzoeken verordeningen kan worden beschouwd. Wanneer het gewicht van het rugstuk meer dan 25 % van het gewicht van het gehele deel bedraagt, zou deze tolerantiemarge evenwel in ieder geval overschreden zijn. In haar conclusie stelt de Commissie zich evenwel op het standpunt, dat een dij met rugstuk onder de tariefpost "andere" moet worden ingedeeld. Dit berust blijkbaar op de opvatting (die de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting heeft toegelicht), dat onder "dij" slechts de anatomische dij moet worden verstaan, en dat een dij waaraan nog een stuk van de rug vastzit, daardoor in ieder geval onder de tariefpost "andere" valt.
Deze opvatting heeft het voordeel van de duidelijkheid en vertolkt dan wellicht ook de huidige rechtssituatie. Voor de in casu relevante periode kan zij evenwel niet worden gevolgd, daar om de redenen die ik hierboven heb genoemd(20), dient te worden aangenomen, dat in de jaren 1987/1988 een dij met een klein rugstuk wel degelijk onder de tariefpost "dijen" kon vallen.
17. Ook de filologische uiteenzetting die de vertegenwoordiger van Voogd ter terechtzitting heeft gegeven over de betekenis van het begrip "dij", biedt geen antwoord op de hier aan de orde zijnde vraag. Of in deze context de woorden "poot" en "dij" in het Nederlands een verschillende betekenis hebben, kan in het midden blijven. Zelfs wanneer dit het geval zou zijn, is daarmee nog niet uitgemaakt, hoe een dij met rugstuk voor de toekenning van uitvoerrestituties moet worden ingedeeld.
18. In zijn arrest in de zaak Ekro heeft het Hof overwogen, dat zowel het beginsel van de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht als het beginsel van gelijke behandeling vereisen, dat een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het nationale recht verwijst, "in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze wordt uitgelegd".(21) Zoals wij hebben gezien, kan evenwel noch uit de structuur van de regeling noch uit het doel van de betrokken bepalingen worden opgemaakt, welke anatomische begrenzing bepalend dient te zijn voor het begrip "dij".
Net als in de zaak Ekro kan bij gebreke van een bepaling als die welke bij voorbeeld in verordening nr. 1538/91 voorkomt, niet worden aangenomen, dat de communautaire wetgever in de regeling betreffende de uitvoerrestituties de uitsnijmethoden heeft willen harmoniseren of uniformeren.(22) De gemeenschapsregeling verwijst derhalve "impliciet" naar de in de Lid-Staten gebruikelijke methoden. De juiste anatomische begrenzing van het als "dij" aangeduide deel van pluimvee dient derhalve door de nationale rechter aan de hand van de in de betrokken Lid-Staat of streek heersende gebruiken te worden vastgesteld.(23)
19. Zonder op de uitspraak van de nationale rechter te willen vooruitlopen, mag evenwel worden aangenomen, dat de uitkomst van dat onderzoek in het gunstigste geval zal zijn, dat een deel van pluimvee nog als dij kan worden beschouwd wanneer er een klein deel van de rug aan vastzit. In het onderhavige geval zit er evenwel blijkbaar nog een vrij groot stuk van de rug aan de dij vast. Derhalve rijst uiteraard de verdere vraag, of een deel van pluimvee dat naar het oordeel van de nationale rechter als "dij" in bovengenoemde zin kan worden aangemerkt, die hoedanigheid ook behoudt wanneer er een (in voorkomend geval groot) deel van de rug aan vastzit.
20. Het antwoord op deze vraag moet mijns inziens, net als in de zaak Ekro(24) in de algemene bepalingen voor de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief worden gezocht. In die zaak ging het om uitvoerrestituties voor rundvlees. In de omschrijving van de relevante tariefpost was sprake van stukken vlees "met uitzondering van de vang en de schenkel". Derhalve rees onder meer de vraag, of een stuk vlees met vang en schenkel nog onder deze tariefpost viel. De betrokken exporteur was van mening, dat maximaal 20 % vang en schenkel geen gevolgen had.
Het Hof ging evenwel uit van Algemene bepaling 3b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief.(25) Volgens deze bepaling "worden mengsels ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan [zij] hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald".(26) Wat bij een dergelijk stuk vlees bepalend is voor het wezenlijk karakter ervan, kan volgens het Hof niet worden uitgedrukt in een vast percentage, "maar moet worden vastgesteld aan de hand van de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke uitsnij- en uitbeenmethodes voor rundvlees. Het staat aan de nationale rechter dit te beoordelen".(27)
21. Dit moet ook in het onderhavige geval als uitgangspunt worden genomen. De nationale rechter dient derhalve te onderzoeken, of het aan de dij(28) vastzittend rugstuk een dergelijke omvang heeft, dat het bepalend is voor het wezenlijk karakter van het gehele deel van pluimvee. Pas wanneer dat het geval is, moet dit deel van pluimvee onder de tariefpost "andere" worden ingedeeld.(29) Ofschoon daarvoor geen vast percentage kan worden vastgesteld, mag de nationale rechter mijns inziens bij zijn onderzoek wel degelijk in overweging nemen, dat Voogd zelf zich (in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof) op het standpunt heeft gesteld, dat niet meer van een "dij" kan worden gesproken wanneer het gewicht van het eraan vastzittend deel van de rug meer dan 25 % van het totaalgewicht bedraagt.
22. Het valt niet te loochenen, dat deze oplossing een handige marktdeelnemer de mogelijkheid biedt, uitvoerrestituties (of hogere uitvoerrestituties) te verkrijgen voor delen van pluimvee waarvoor de wetgever deze niet heeft willen toekennen. Dit lijkt evenwel om twee redenen aanvaardbaar: enerzijds had de wetgever dit door een duidelijke omschrijving van de betrokken delen kunnen voorkomen, en anderzijds geldt dit resultaat slechts voor het verleden, daar de wetgever die onduidelijkheid inmiddels heeft weggewerkt. Zonder op de beslissing van de Nederlandse rechter te willen vooruitlopen, zou ik hierbij nog willen opmerken, dat in het onderhavige geval ten zeerste kan worden betwijfeld, of Voogd, gelet op de uiteengezette onzekerheid en onduidelijkheid, wel enig kwaad opzet kan worden verweten.
De indeling van vleugels met rugstuk
23. Met betrekking tot de indeling van vleugels met rugstuk rijst de vraag, of dit produkt als "hele vleugels, ook indien zonder spits" in de zin van de verordeningen nrs. 1151/87 en 3846/87 moet worden beschouwd, dan wel onder de rubriek "andere" valt.(30) Ik kan hierbij ° mutatis mutandis ° in ruime mate verwijzen naar hetgeen ik hierboven heb gezegd.
24. Ook het begrip vleugel wordt in de hier te onderzoeken verordeningen niet omschreven. Verder moet ook hier volledigheidshalve worden opgemerkt, dat dit euvel in de thans geldende regeling is verholpen. In artikel 1, sub 2, van verordening nr. 1538/91(31) wordt onder het opschrift "delen van pluimvee" bepaald:
"i) Vleugel: het opperarmbeen, de ellepijp en het spaakbeen met de daaraan gehechte spiermassa. (...) De sneden worden gemaakt in de gewrichten.
j) Niet-gescheiden vleugels: beide vleugels, die met elkaar zijn verbonden door een deel van de rug, waarbij het gewicht van dit laatste niet meer mag bedragen dan 45 % van het gewicht van het gehele deel."
Verordening nr. 3846/87 bevat thans een tariefpost 0207 41 71 400 met de navolgende omschrijving: "Delen en slachtafvallen van pluimvee, andere dan levers, bevroren: van hanen of van kippen: delen: met been: delen bestaande uit de beide vleugels en een deel van de rug, waarbij het deel van de rug niet meer dan 45 % van het totaalgewicht bedraagt."(32)
Deze bepalingen zijn evenwel niet relevant voor de in casu te onderzoeken periode (1987-1988).
25. Ook hier staat het om genoemde redenen(33) aan de verwijzende rechter, voor het relevante tijdstip de juiste anatomische begrenzing van "vleugels" vast te stellen. Verder dient de nationale rechter ook uit te maken, of het aan de vleugels vastzittend rugstuk een dergelijke omvang heeft, dat het bepalend is voor het wezenlijk karakter van dat deel van pluimvee als zodanig. Zelf ben ik van mening, die er hier inderdaad veel voor te zeggen valt, het betrokken produkt onder de tariefpost "andere" in te delen. Het definitieve antwoord op deze vraag ligt natuurlijk bij de verwijzende rechter.
C ° Conclusie
26. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1.1. Een kippepoot met (een deel van) de rug (zonder staart) is geen "vierendeel" in de zin van tariefpost 02.02 B II a) 1 van de lijst in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1151/87 van de Commissie van 27 april 1987, in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2303/87 van 30 juli 1987 en in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2800/87 van de Commissie van 18 september 1987.
1.2. Een dergelijk produkt is ° voor de periode van 1 januari 1988 tot 1 oktober 1988 ° een "vierendeel, zonder staart" in de zin van tariefpost 0207 41 71 100 van de lijst in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 wanneer het als achterste kwart, bestaande uit de onderdij, de dij en het achterste deel van de rug kan worden aangemerkt. Het staat aan de nationale rechter, vast te stellen of het litigieuze produkt aan die definitie voldoet.
1.3. Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van de in de betrokken Lid-Staat gebruikelijke methode voor het uitsnijden van kippen te bepalen, welke de juiste anatomische begrenzing is van het deel van de kip dat in tariefpost 02.02 B II e) 3 van de lijst in de bijlage bij de in het antwoord sub 1.1 genoemde verordeningen en in tariefpost 0207 41 51 000 in de bijlage bij verordening nr. 3846/87 (in de tot 1 oktober 1988 geldende versie) als "dijen en delen daarvan" is omschreven.
1.4. Komt de nationale rechter tot de conclusie, dat een kippepoot met (een deel van) de rug (zonder staart) geen "vierendeel" in de zin van het antwoord sub 1.2 is, maar een "dij of een deel daarvan" waaraan een rugstuk vastzit, in de zin van het antwoord sub 1.3, dan valt dat produkt onder de sub 1.3 genoemde tariefposten wanneer het aandeel van dit rugstuk in het gehele produkt, gelet op de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methoden voor het uitsnijden van kippen, niet bepalend is voor het wezenlijk karakter van het produkt.
Is het rugstuk evenwel bepalend voor het wezenlijk karakter van het gehele produkt, dan dient dit produkt te worden ingedeeld onder tariefpost 02.02 B II ex g) ("andere") van de lijst in de bijlagen bij de sub 1.1 van dit antwoord genoemde verordeningen, respectievelijk onder tariefpost 0207 41 71 900 ("andere") van verordening nr. 3846/87 in de versie die gold tot 1 oktober 1988.
2.1. Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van de in de betrokken Lid-Staat gebruikelijke methode voor het uitsnijden van kippen te bepalen, welke de juiste anatomische begrenzing is van het deel van de kip dat in tariefpost 02.02 B II b) van de lijst in de bijlage bij de verordeningen nrs. 267/87, 1151/87, 2303/87 en 2800/87 en in tariefpost 0207 41 21 000 in de bijlage bij verordening nr. 3846/87 (in de tot 1 september 1988 geldende versie) als "hele vleugels, ook indien zonder spits" is omschreven.
2.2. Komt de nationale rechter tot de conclusie, dat voorste rugstukken met vleugels zijn te beschouwen als "hele vleugels, ook indien zonder spits" waaraan een rugstuk vastzit, in de zin van het antwoord sub 2.1, dan valt dat produkt onder de sub 2.1 genoemde tariefposten wanneer het aandeel van dit rugstuk in het gehele produkt, gelet op de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methoden voor het uitsnijden van kippen, niet bepalend is voor het wezenlijk karakter van het produkt.
Is het rugstuk evenwel bepalend voor het wezenlijk karakter van het gehele produkt, dan dient dit produkt te worden ingedeeld onder tariefpost 02.02 B II ex g) ("andere") van de lijst in de bijlagen bij de sub 2.1 van dit antwoord genoemde verordeningen, respectievelijk onder tariefpost 0207 41 71 900 ("andere") van verordening nr. 3846/87 in de versie die gold tot 1 september 1988.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Verordening (EEG) nr. 2303/87 van 30 juli 1987 (PB 1987, L 209, blz. 56).
(2) - Verordening (EEG) nr. 3205/87 van 27 oktober 1987 (PB 1987, L 306, blz. 7).
(3) - Verordening (EEG) nr. 3865/87 van 22 december 1987 (PB 1987, L 363, blz. 40).
(4) - Verordening (EEG) nr. 158/88 van 20 januari 1988 (PB 1988, L 18, blz. 12).
(5) - Verordening (EEG) nr. 717/88 van 18 maart 1988 (PB 1988, L 74, blz. 37).
(6) - Verordening (EEG) nr. 1792/88 van 24 juni 1988 (PB 1988, L 158, blz. 24).
(7) - Verordening (EEG) nr. 2882/88 van 19 september 1988 (PB 1988, L 260, blz. 37).
(8) - PB 1975, L 282, blz. 77.
(9) - Vóór 1 januari 1988 golden de Toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur (Nomenclatuur van de Internationale Douaneraad). Sedert de invoering van de gecombineerde nomenclatuur op 1 januari 1988 zijn de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur beslissend. Beide teksten bevatten voor de betrokken periode (1987-1988) inhoudelijk overeenstemmende bepalingen betreffende het hier aan de orde zijnde probleem.
(10) - Zie hierboven punt 9 in fine.
(11) - Het probleem is opgelost door de thans geldende regeling inzake handelsnormen voor vlees van pluimvee. Bij verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad van 26 juni 1990 (PB 1990, L 173, blz. 1) zijn handelsnormen voor vlees van pluimvee vastgesteld. Bij verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 (PB 1991, L 143, blz. 11) zijn bepalingen ter uitvoering van die verordening vastgesteld. In artikel 1, sub 2, a, wordt een helft omschreven als de helft van het hele dier, verkregen door een overlangse doorsnede door het borstbeen en de ruggegraat; onder een kwart moet een door middel van een dwarse doorsnede in twee stukken verdeelde helft worden verstaan (sub 2, b). Deze bepalingen zijn evenwel pas na het voor de onderhavige zaak relevante tijdstip vastgesteld, en kunnen derhalve niet worden aangewend (zie hieronder punt 13).
(12) - Zie hierboven voetnoot 11.
(13) - Zie verordening (EG) nr. 3567/93 van de Commissie van 21 december 1993 tot wijziging van de bijlage van verordening (EEG) nr. 3846/87 (PB 1993, L 327, blz. 1).
(14) - Arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro, Jurispr. 1984, blz. 107, r.o. 22.
(15) - Zie S. Scholtyssek, Gefluegel, Stuttgart 1987, blz. 91 (met schetsen). Dit werk is mij welwillend ter beschikking gesteld door het Lycée technique agricole te Ettelbrueck.
(16) - Ik gebruik deze uitdrukking hier (zonder aanspraak op wetenschappelijkheid) ter aanduiding van een in de gewrichten uitgesneden dij.
(17) - Voor zover nodig gebeurt die berekening naar maatstaf van de gemiddelde verhouding tussen de handelswaarde van deze produkten. Die coëfficiënten zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 3011/79 van de Commissie van 20 december 1979 (PB 1979, L 337, blz. 65).
(18) - Artikel 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2779/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende algemene voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij de uitvoer en criteria voor het bepalen van het restitutiebedrag in de sector slachtpluimvee (PB 1975, L 282, blz. 90).
(19) - Opgemerkt zij, dat de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting als zijn mening te kennen heeft gegeven, dat de door Voogd geëxporteerde produkten bewust aldus waren uitgesneden, dat er een nog een rugstuk aan vastzat.
(20) - Zie hierboven punt 14.
(21) - T.a.p. (voetnoot 14), r.o. 11.
(22) - T.a.p. (voetnoot 14), r.o. 13.
(23) - T.a.p. (voetnoot 14), r.o. 15.
(24) - Zie voetnoot 14.
(25) - T.a.p. (voetnoot 14), r.o. 20.
(26) - Het citaat komt uit de voor 1987 geldende versie van het gemeenschappelijk douanetarief, die was neergelegd in verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Raad van 24 november 1986 (PB 1986, L 345, blz. 1). In de Duitse versie van de op 1 januari 1988 in werking getreden verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 (PB 1987, L 256, blz. 1), waarbij de reeds genoemde gecombineerde nomenclatuur is ingevoerd, is deze passage wat anders geformuleerd, namelijk: Mischungen (...) werden nach dem Stoff oder Bestandteil eingereiht, der ihnen ihren wesentlichen Charakter verleiht, wenn dieser Stoff oder Bestandteil ermittelt werden kann. Een inhoudelijk verschil ten opzichte van de vroegere versie valt daarin evenwel niet te ontwaren.
(27) - T.a.p. (voetnoot 14), r.o. 24.
(28) - Het zij herhaald, dat het aan de nationale rechter staat, uit te maken hoe een dij in deze zin anatomisch moet worden begrensd (zie punt 18 hierboven).
(29) - Verder zij gewezen op Algemene bepaling 3c voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (respectievelijk voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur): In de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder a en b niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst .
(30) - In de prejudiciële vragen 2.2 en 2.3 wordt met betrekking tot laatstgenoemde tariefpost weliswaar enkel naar cijfer 1.1.c van de prejudiciële vragen, en dus naar de verordeningen nrs. 1151/87 en 2800/87 verwezen, doch men mag aannemen, dat de verwijzende rechter ook de overeenkomstige tariefpost van verordening nr. 3846/87 op het oog had. Dit is wellicht een ° gelet op de omvang van de prejudiciële vragen geenszins verwonderlijke ° verschrijving, zodat ik laatstgenoemde verordening bij mijn uiteenzetting zal betrekken. Voor de zaak zelf maakt dit hoe dan ook geen verschil uit.
(31) - Zie hierboven voetnoot 11.
(32) - Zie hierboven voetnoot 13.
(33) - Zie hierboven punt 18.
Full & Egal Universal Law Academy