Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof om vast te stellen, dat het Koninkrijk Spanje de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door geen bezoldiging te betalen tijdens de duur van de opleidingen voor de medische specialismen die worden genoemd in paragraaf 3 van de bijlage bij Real Decreto nr. 127/1984 van 11 januari 1984.(1)
Meer in het bijzonder verwijt de Commissie het Koninkrijk Spanje, dat het richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten(2) (hierna: "de erkenningsrichtlijn"), en richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts(3) (hierna: "de cooerdinatierichtlijn"), beide gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG van 26 januari 1982(4), niet naar behoren in nationaal recht heeft omgezet, wat de bezoldiging tijdens de duur van bepaalde specialistenopleidingen betreft.
2. Om de strekking van de grieven en de argumenten van verweerder goed te begrijpen, is het noodzakelijk om zeer beknopt de in casu relevante bepalingen van beide betrokken richtlijnen(5), alsook de omstreden nationale regeling in herinnering te brengen.
De cooerdinatierichtlijn voorziet met het oog op de wederzijdse erkenning van diploma' s, certificaten en andere titels van de specialisten in een zekere cooerdinatie van de voorwaarden betreffende de opleiding en de toegang tot verschillende medische specialismen. Artikel 2 van deze richtlijn verplicht in het bijzonder tot naleving van de minimumvoorwaarden, onder meer betreffende de titels die toegang tot het specialisme geven, de opleidingsmodaliteiten, de plaats waar de opleiding moet plaatsvinden en het toezicht dat daarop moet worden uitgeoefend. In casu is bijzonder van belang, dat de specialistenopleiding "full-time is en onder controle van de bevoegde autoriteiten of instanties staat, overeenkomstig het bepaalde in punt 1 van de bijlage" (artikel 2, lid 1, van sub c). In de bepalingen van deze bijlage, die bij artikel 13 van richtlijn 82/76 aan de cooerdinatierichtlijn is toegevoegd en de "kenmerken van de full-time en van de part-time specialistenopleiding" betreft, wordt onder meer bepaald, dat de opleiding op passende wijze moet worden bezoldigd, teneinde te verzekeren, dat de specialist in opleiding al zijn beroepsactiviteit aan deze opleiding wijdt.(6)
Bovendien wordt in deze richtlijn de minimumduur voorgeschreven van de specialistenopleidingen die alle Lid-Staten gemeen hebben (artikel 4), en die welke in twee of meer Lid-Staten bestaan (artikel 5).
3. De erkenningsrichtlijn maakt onderscheid tussen diploma' s, certificaten en andere titels van de specialist die alle Lid-Staten gemeen hebben (hoofdstuk III), of die in twee of meer Lid-Staten bestaan (hoofdstuk IV). Met betrekking tot de eerstgenoemde diploma' s, certificaten en andere titels, die in artikel 5, lid 2, worden opgesomd, bepaalt artikel 4, dat zij volledig worden erkend, wanneer de opleidingen voldoen aan de in de cooerdinatierichtlijn vastgestelde minimumvoorwaarden. Met betrekking tot de diploma' s, certificaten en andere titels die in twee of meer Lid-Staten bestaan, en die in artikel 7 worden opgesomd, bepaalt artikel 6, dat zij enkel tussen deze staten onderling worden erkend, maar eveneens op voorwaarde dat zij aan de in de cooerdinatierichtlijn vastgestelde voorwaarden voldoen.
Een derde mogelijkheid, waarop artikel 8 (eveneens in hoofdstuk IV) doelt, betreft verder de diploma' s, certificaten en andere titels die niet onder de genoemde categorieën vallen en die, hoewel genoemd in artikel 7, niet in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst zijn afgegeven. In dit artikel 8 wordt bepaald, dat de ontvangende Lid-Staat aan de onderdanen van andere Lid-Staten die de desbetreffende diploma' s of certificaten wensen te verkrijgen, "de opleidingseisen (kan) stellen die ter zake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen worden voorgeschreven" (lid 1). De ontvangende Lid-Staat moet daarbij evenwel geheel of gedeeltelijk rekening houden met de duur van de opleidingsperiode van de betrokken onderdanen, wanneer deze overeenkomt met die welke in de ontvangende Lid-Staat voor de desbetreffende gespecialiseerde opleiding wordt vereist (lid 2), en mag in een dergelijk geval enkel een aanvullende opleiding verlangen (lid 3).
Ten slotte kan de Lid-Staat op grond van artikel 22 van deze richtlijn, ingeval van gegronde twijfel, "van de bevoegde autoriteiten van een andere Lid-Staat een bevestiging verlangen van de echtheid van de in die Lid-Staat afgegeven in de hoofdstukken II tot en met V genoemde diploma' s, certificaten en andere titels, alsmede de bevestiging van het feit dat de begunstigde heeft voldaan aan alle opleidingsvoorwaarden die zijn opgenomen in de cooerdinatierichtlijn".
4. De erkennings- en de cooerdinatierichtlijn zijn in Spanje in nationaal recht omgezet bij Real Decreto nr. 1691/89 van 29 december 1989(7), dat evenwel geen enkele bepaling bevat betreffende de bezoldiging van artsen tijdens de duur van hun specialistenopleiding. Dit aspect is evenwel geregeld bij het reeds genoemde, vóór Spanje' s toetreding tot de Gemeenschappen vastgestelde Real Decreto nr. 127/1984 inzake de specialistenopleiding en de verkrijging van de desbetreffende diploma' s. In dit Real Decreto worden twee categorieën van opleidingen onderscheiden: "intern" en "student". Onder de laatstgenoemde categorie vallen de zes specialismen die in paragraaf 3 van de bijlage bij dit Real Decreto worden genoemd: stomatologie, medische hydrologie, ruimtegeneeskunde, sportgeneeskunde, forensische geneeskunde en arbeidsgeneeskunde. Deze specialismen, waarvoor geen opleiding in een ziekenhuis nodig is, vallen onder de regeling voor "studenten", waardoor deze opleidingen niet alleen onbezoldigd zijn, maar daarvoor bovendien cursusgeld moet worden betaald.
5. De grieven van de Commissie zijn toegespitst op de afwijkende behandeling in de betrokken Spaanse regeling van de specialismen waarvoor krachtens die regeling geen opleiding in een ziekenhuis nodig is. Het niet bezoldigen van artsen gedurende de opleidingsperiode voor deze specialismen is namelijk in strijd met artikel 2, lid 1, sub c, van de cooerdinatierichtlijn, waarin naast de andere minimumvoorwaarden betreffende de specialistenopleiding door een verwijzing naar punt 1 van de bijlage wordt bepaald, dat de opleiding "op passende wijze wordt bezoldigd".
Hoewel de aan het Koninkrijk Spanje verweten niet-nakoming eveneens is gebaseerd op de erkenningsrichtlijn, betreft zij dus in wezen enkel de cooerdinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76. De bepalingen in artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn zijn namelijk volgens de Commissie van toepassing op alle in de verschillende Lid-Staten bestaande diploma' s of certificaten, ongeacht of zij al dan niet in de erkenningsrichtlijn worden genoemd; het gaat hierbij namelijk om voorwaarden die inherent zijn aan de structuur van de titel zelf en dus minimumcriteria vormen, zonder welke een (gedeeltelijke) erkenning in de zin van artikel 8 onmogelijk zal zijn: dit laatste artikel betreft, zoals reeds gezegd, de specialismen die niet in artikel 5 of artikel 7 van de erkenningsrichtlijn worden genoemd.
6. De Spaanse regering betoogt daarentegen, dat de cooerdinatierichtlijn geen zelfstandig doel lijkt te hebben, maar in het licht van de doelstelling "erkenning" moet worden gelezen, en dat de Lid-Staten de bepalingen van deze richtlijn dus slechts behoeven na te leven met betrekking tot de uitdrukkelijk in de erkenningsrichtlijn genoemde specialismen, hetzij omdat zij in alle Lid-Staten worden erkend, hetzij omdat zij in een of meer Lid-Staten bestaan en enkel voor zover zij tussen de Lid-Staten die deze specialismen kennen, onderling worden erkend.
Aangezien van de zes betrokken specialismen enkel stomatologie in de erkenningsrichtlijn wordt genoemd onder de specialismen die in twee of meer Lid-Staten bestaan, waaronder ook Spanje, geeft de Spaanse regering de niet-nakoming enkel met betrekking tot het specialisme stomatologie toe. Volgens haar is zij daarentegen niet verplicht een bezoldiging te betalen tijdens de opleidingsperiode voor de vijf andere specialismen, omdat arbeidsgeneeskunde, hoewel zij wordt genoemd onder de rubriek van de specialismen die in twee of meer Lid-Staten bestaan (artikel 7), niet wordt vermeld ten aanzien van Spanje, en omdat de vier overige specialismen (forensische geneeskunde, sportgeneeskunde, ruimtegeneeskunde en medische hydrologie) in het geheel niet in de richtlijn voorkomen.
7. Het geschil tussen de Commissie en de Spaanse regering betreffende de vijf overige specialismen is dus uiteindelijk een gevolg van een verschil van inzicht over de draagwijdte van de cooerdinatierichtlijn, in het bijzonder van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn. Zijn de in deze bepaling vastgestelde minimumcriteria van toepassing op alle in de diverse Lid-Staten bestaande (en geregelde) specialismen of enkel op die waarvoor althans tussen twee Lid-Staten is voorzien in automatische erkenning en enkel met betrekking tot de Lid-Staten die de diploma' s en desbetreffende certificaten onderling erkennen?
Dit is de vraag die het Hof moet beantwoorden, om vast te stellen of Spanje al dan niet verplicht is een bezoldiging te betalen tijdens de periode van opleiding voor de betrokken specialismen; deze vraag betreft duidelijk twee verschillende en tegengestelde filosofieën met betrekking tot de globale structuur van de regeling die bij de beide betrokken richtlijnen is ingevoerd om het vrije verkeer van artsen te vergemakkelijken.
8. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst de Spaanse regering op de bewoordingen van de tweede overweging van de considerans van de cooerdinatierichtlijn waarin staat "dat, met het oog op de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de specialist (...) een bepaalde cooerdinatie van de opleidingseisen van de specialist noodzakelijk is gebleken, dat te dien einde enige minimumcriteria moeten worden vastgesteld (...); (...) dat deze criteria slechts betrekking hebben op die specialisaties die alle Lid-Staten dan wel of meer Lid-Staten gemeen hebben".(8)
Hiertegenover stelt de Commissie, dat de betrokken overweging, zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden, het resultaat is van een samenvoeging van twee verschillende overwegingen door de juristen-linguïsten, en dat deze overweging enkel de minimumduur van de opleidingen betreft en niet de in artikel 2 bedoelde criteria. Bovendien wijst zij met nadruk op de omstandigheid, dat artikel 2 geen enkele bepaling bevat waarmee de toepasselijkheid van dit artikel wordt beperkt tot specialismen die alle Lid-Staten gemeen hebben of ten minste in twee of meer Lid-Staten bestaan, doch een algemene strekking heeft die betrekking heeft op de verkrijging van alle diploma' s, certificaten en andere titels van specialist. De betrokken overweging kan dus niet in de plaats van de bepaling zelf komen, met alle gevolgen die de Spaanse regering daaraan zou willen verbinden.
9. Het spreekt vanzelf, dat de door de Commissie gegeven toelichting betreffende de voorbereidende werkzaamheden(9) van geen enkel belang is in een geval als het onderhavige, waarin eerder akte moet worden genomen van de omstandigheid, dat de tekst met een dergelijke motivering is goedgekeurd. Bovendien is in de recente richtlijn, waarin de betrokken richtlijnen in één enkele tekst zijn gecodificeerd, de oude formulering van de betrokken overweging van de considerans gehandhaafd.(10)
Verder beperkt artikel 2 zijn toepasselijkheid weliswaar niet uitdrukkelijk tot de in de erkenningsrichtlijn genoemde specialismen, maar in het artikel wordt evenmin met zoveel woorden verklaard, dat het van toepassing dient te zijn op alle in de diverse Lid-Staten bestaande specialismen, met inbegrip van die welke in één enkele Lid-Staat bestaan.
10. Ik merk in dit verband op, dat aan de verplichting van artikel 5 van de cooerdinatierichtlijn, waarin de minimumduur wordt vastgesteld voor de verschillende specialismen die in twee of meer Lid-Staten bestaan, niet alleen moet worden voldaan door de Lid-Staten die de betrokken specialismen onderling erkennen. Integendeel, in deze bepaling wordt uitdrukkelijk verklaard, dat zij van toepassing is op alle Lid-Staten "waar wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen ter zake bestaan", dat wil zeggen alle Lid-Staten waarin de genoemde specialismen bestaan en zijn geregeld. Toch aanvaardt de Commissie, dat de aldus vastgestelde minimumduur enkel van toepassing is op Lid-Staten die de betrokken specialismen onderling erkennen en niet op alle daarin genoemde specialismen die in de verschillende Lid-Staten bekend zijn en "worden erkend".(11)
Evenmin wordt in artikel 8 van de erkenningsrichtlijn, waarin wordt bepaald, dat de ontvangende staat voor de afgifte van titels voor niet in de artikelen 5 en 7 van deze richtlijn genoemde specialismen aan de onderdanen van andere Lid-Staten "opleidingseisen (kan) stellen die terzake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen worden voorgeschreven", een voorbehoud gemaakt (althans niet uitdrukkelijk) met betrekking tot de toepassing van artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn.
11. Mijns inziens kunnen de conclusies die de Commissie uit de letterlijke inhoud van artikel 2 trekt, dan ook niet worden aanvaard, in het bijzonder gelet op de zeer duidelijke tweede overweging van de considerans van de cooerdinatierichtlijn. Bijgevolg moet rekening worden gehouden met de globale structuur van de door de beide betrokken richtlijnen ingevoerde regeling.
Dat de cooerdinatierichtlijn geen zelfstandig doel lijkt te hebben, maar logischerwijze is vastgesteld met de erkenning van diploma' s en certificaten voor ogen, lijkt mij een onontkoombaar gegeven; dit wordt bevestigd wanneer beide richtlijnen in onderlinge samenhang worden gelezen; dan blijkt de (automatische) wederzijdse erkenning verplicht te zijn, indien is voldaan aan de minimumvoorwaarden die in de cooerdinatierichtlijn zijn gesteld; dit wordt bevestigd in zowel de considerans van de erkenningsrichtlijn ("dat het noodzakelijk is bepaalde cooerdinatievoorschriften vast te stellen waardoor de Lid-Staten kunnen overgaan tot wederzijdse erkenning van de diploma' s, certificaten of andere titels"), als de considerans van de cooerdinatierichtlijn ["dat met het oog op de onderlinge erkenning (...)]."
12. De overigens onbetwiste omstandigheid dat de cooerdinatie ten dienste staat van de erkenning, kan echter op zich niet verklaren of de in de cooerdinatierichtlijn gestelde voorwaarden op alle verschillende bestaande medische specialismen van toepassing zijn, of enkel op die welke in de erkenningsrichtlijn worden genoemd.
Op grond van het doel van de erkenning zou namelijk verlangd kunnen worden, dat alle bestaande specialismen aan minimumvoorwaarden voldoen, wanneer men er van uitgaat, dat de cooerdinatie van de minimumvoorwaarden slechts een eerste stap op weg naar de erkenning vormt en in elk geval onontbeerlijk is om de nuttige werking van artikel 8 van de erkenningsrichtlijn met betrekking tot niet uitdrukkelijk in deze richtlijn genoemde specialismen te waarborgen. Dit is overigens het standpunt van de Commissie.
Zo gezien, moet dus worden onderzocht, of een uitlegging van de cooerdinatierichtlijn in de door de Spaanse regering voorgestane zin strookt met de kenmerken en de essentiële doeleinden van de regeling in haar geheel, dan wel de regeling juist, zoals de Commissie betoogt, zinledig maakt.
13. Welnu, de bewoordingen van de reeds meermaals genoemde tweede overweging van de considerans van de cooerdinatierichtlijn zijn duidelijk: voor alle in ten minste twee Lid-Staten bestaande specialismen gelden de in de cooerdinatierichtlijn gestelde opleidingseisen en deze specialismen moeten dus automatisch worden erkend. A contrario mogen de Lid-Staten enkel zelf de toegang tot en de voorwaarden van de specialistenopleidingen regelen, wanneer het betrokken specialisme in geen enkele andere Lid-Staat bestaat (is geregeld), dat wil zeggen enkel wanneer het desbetreffende diploma, certificaat of andere titel in geen enkele andere Lid-Staat wordt afgegeven.
Dat dit de enige uitlegging is, die niet alleen in overeenstemming is met de bewoordingen, maar ook met de geest van de betrokken richtlijnen, wordt behalve door artikel 5 van de cooerdinatierichtlijn(12) ook bevestigd door de zevende overweging van de considerans van de erkenningsrichtlijn(13) en door artikel 8 van deze laatste richtlijn, dat niet voor de niet uitdrukkelijk in de artikelen 5 en 7 vermelde titels en diploma' s een andere vorm van erkenning invoert, maar betrekking heeft op de gevallen waarin diploma' s of certificaten zijn behaald die niet in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst zijn afgegeven.(14)
14. De structuur van de bij de betrokken richtlijnen ingevoerde regeling is dus volkomen duidelijk en coherent: alle in ten minste twee Lid-Staten bestaande specialismen moeten onderling worden erkend en vallen dus om te beginnen onder de bepaling van de cooerdinatierichtlijn; alle specialismen die slechts in één enkele Lid-Staat bestaan en zijn geregeld, behoeven (zeg maar: per definitie) niet onderling te worden erkend, hetgeen tot gevolg heeft dat de toepassing van de bepalingen van de cooerdinatierichtlijn op deze specialismen, hoe wenselijk dit in het licht van de mogelijke ontwikkeling ter zake ook moge zijn(15), niet als een verplichting kan worden beschouwd, doch enkel als een bevoegdheid.
Voorts, gelet op de slechts gedeeltelijke cooerdinatie op dit gebied en het daarmee nagestreefde doel, zou het standpunt van de Commissie slechts zin hebben, wanneer de Lid-Staten verplicht waren alle in de cooerdinatierichtlijn gestelde minimumvoorwaarden te eerbiedigen, dus met inbegrip van voorwaarden betreffende de minimumduur van de opleiding voor de verschillende specialismen.(16) Enkel in dat geval zal namelijk het resultaat worden bereikt, dat door naleving van alle in de cooerdinatierichtlijn vastgestelde minimumcriteria ook de diploma' s of certificaten die (nog) niet in de erkenningsrichtlijn zijn genoemd, (althans wat sommige Lid-Staten betreft) nagenoeg automatisch worden erkend, hetzij omdat zij pas na de vaststelling van de betrokken richtlijnen in ten minste twee Lid-Staten gemeen werden, hetzij omdat zij daarin nog niet zijn opgenomen met betrekking tot een Lid-Staat waarin het desbetreffende specialisme pas na de vaststelling van deze richtlijnen is geregeld.(17)
15. Ter terechtzitting is evenwel gebleken, dat de Lid-Staten om opneming van een bepaald specialisme in de erkenningsrichtlijn moeten verzoeken, zodat logischerwijze de toepasselijkheid van de regels van de cooerdinatierichtlijn, indien het standpunt van de Spaanse regering zou worden aanvaard, aan de goede wil van de Lid-Staten zou worden overgelaten. Met andere woorden, de Lid-Staten zouden aldus de bepalingen van de richtlijn enkel mogen naleven, voor zover zij met de onderlinge erkenning van de desbetreffende diploma' s of certificaten instemmen (overigens staat vast dat dit reeds het geval is met betrekking tot de minimumduur van de opleiding voor specialismen die in twee of meer Lid-Staten bestaan).(18)
Deze omstandigheid verandert echter niets aan de aard van het probleem. Weliswaar is duidelijk, dat een dergelijke praktijk tot resultaten kan leiden die onaanvaardbaar en in elk geval in strijd met de letter en de geest van beide richtlijnen zijn, maar ook is duidelijk dat het de taak van de Commissie is om ervoor te zorgen ° en eventueel voorstellen in die zin bij de Raad in te dienen °, dat alle in ten minste twee Lid-Staten geregelde specialismen, gelet op de structuur van de zoëven beschreven regeling, onder de werkingssfeer van de betrokken richtlijnen vallen. Dit blijkt trouwens noodzakelijk ten einde de nuttige werking van de regeling te behouden en aan elke (communautaire) specialist die gebruik wil maken van het vrije verkeer, de mogelijkheid te bieden zich op de onderlinge erkenning te beroepen telkens wanneer zijn diploma, certificaat of andere titel ook wordt afgegeven in de Lid-Staat waarin hij zijn beroep wil uitoefenen.
16. Op grond van het voorgaande ben ik dus van mening, dat de Spaanse regering de krachtens de erkenningsrichtlijn en de cooerdinatierichtlijn op hem rustende verplichtingen enkel ten aanzien van het specialisme stomatologie niet is nagekomen; zoals reeds gezegd, wordt deze niet-nakoming niet door de Spaanse regering betwist.
De grieven van de Commissie met betrekking tot de vijf overige specialismen moeten daarentegen worden afgewezen, omdat de arbeidsgeneeskunde voor Spanje niet uitdrukkelijk in de erkenningsrichtlijn wordt genoemd en de overige specialismen zelfs niet onder de werkingssfeer van de betrokken richtlijnen vallen, waaruit zou moeten worden afgeleid, dat het daarbij gaat om specialismen die enkel bestaan en zijn geregeld (...) in Spanje.
17. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, het beroep met betrekking tot het specialisme stomatologie gegrond te verklaren en met betrekking tot de vijf overige specialismen te verwerpen.
Aangaande de kosten geef ik in overweging, elk der partijen, haar eigen kosten te laten dragen, aangezien zij beide gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° BOE van 31.1.1984, blz. 2524.
(2) ° PB 1975, L 167, blz. 1.
(3) ° PB 1975, L 167, blz. 14.
(4) ° PB 1982, L 43, blz. 21.
(5) ° N.B. de betrokken richtlijnen zijn gecodificeerd en in één tekst samengebracht in richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma' s, certificaten en andere titels (PB 1993, L 165, blz. 1).
(6) ° Ik acht het nuttig om de bepalingen in punt 1 van de betrokken bijlage integraal te citeren. Deze luiden als volgt: deze opleiding vindt plaats in het kader van door de bevoegde autoriteiten erkende specifieke opleidingsplaatsen.
Zij houdt deelneming in aan alle medische activiteiten van de afdeling waar de opleiding wordt genoten, inclusief de wachtdiensten, zodat de specialist in opleiding aan deze praktische en theoretische opleiding al zijn beroepsactiviteit wijdt gedurende de gehele werkweek en gedurende het gehele jaar op de wijze vastgesteld door de bevoegde autoriteiten. Bijgevolg wordt deze opleiding op passende wijze bezoldigd.
De opleiding kan worden onderbroken om redenen zoals militaire dienst, wetenschappelijke opdrachten, zwangerschap en ziekte. Deze onderbrekingen mogen de totale duur van de opleiding niet verkorten.
(7) ° BOE van 15.1.1990, blz. 126.
(8) ° Cursivering van mij.
(9) ° Uit de desbetreffende door de Commissie aan het Hof overgelegde documenten blijkt enkel dat: a) het voorstel van de Commissie en de tekst van 27 november 1974, die het resultaat is van de werkzaamheden van de groep economische vraagstukken van de Raad, twee overwegingen bevatten: één betreffende de minimumduur van specialistenopleidingen en een andere betreffende overige minimumcriteria; b) enkel in de overweging betreffende de minimumduur wordt vermeld, dat het daarbij uitsluitend gaat om specialismen die alle Lid-Staten gemeen hebben of die in één of meer Lid-Staten bestaan; c) de tekst van 17 december 1974, zoals herzien door de juristen-linguïsten, een tweede overweging bevatte die vrijwel identiek was aan die in de nadien vastgestelde tekst; d) deze laatste tekst op 17 januari 1975, vergezeld van een nota over de stand van de werkzaamheden, de nog bestaande geschilpunten en de door sommige delegaties gemaakte voorbehouden, door het comité van permanente vertegenwoordigers aan de Raad is gezonden met het oog op de voortgang van de verdere werkzaamheden en de vaststelling van de richtlijn, hetgeen op 16 juni 1975 plaatsvond.
(10) ° Zie de veertiende overweging van de considerans van de reeds genoemde richtlijn 93/16. Bovendien herinner ik eraan ° hoewel dit argument niet doorslaggevend is ° dat ook richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB 1978, L 233, blz. 10), waarvan artikel 2, lid 1, de minimumcriteria voor de opleiding van tandarts-specialist voorschrijft, een tweede overweging bevat die analoog is aan de onderhavige.
(11) ° Bij een letterlijke uitlegging van artikel 5 zou arbeidsgeneeskunde ook voor Spanje onder de erkenningsrichtlijn vallen omdat het om een uitdrukkelijk in dit artikel genoemd specialisme gaat dat in dit land evenals in de andere Lid-Staten bestaat en is geregeld. Ook de zaak Commissie/België (arrest van 12 februari 1987, zaak 306/84, Jurispr. 1987, blz. 675), waarin het Hof werd verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België zijn verplichtingen niet was nagekomen door niet te voldoen aan artikel 5 van de cooerdinatierichtlijn, betreffende de minimumduur voor het specialisme tropische geneeskunde, vormt een aanwijzing in deze richting. Het Koninkrijk België is namelijk weliswaar door het Hof veroordeeld, omdat het had voorzien in een minimumduur van één jaar en niet van vier jaar, zoals de richtlijn voorschrijft, maar het heeft verzocht om de tropische geneeskunde voor België uit de erkenningsrichtlijn te schrappen. Dit is geschiedt, met als gevolg, dat België zich op dit punt niet aan artikel 5 van de cooerdinatierichtlijn behoefde te houden, ofschoon de tropische geneeskunde in dat land bestaat en wordt erkend.
(12) ° Zoals reeds gezegd in punt 10, gelden de bepalingen van dit artikel namelijk voor alle Lid-Staten waar wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen ter zake bestaan en niet alleen voor die Lid-Staten die krachtens de erkenningsrichtlijn de betrokken specialismen onderling erkennen. Verder wordt in lid 1 van artikel 7 van de erkenningsrichtlijn, dat in lid 2 een lijst van specialismen bevat die in twee of meer Lid-Staten bestaan, en deze Lid-Staten vermeldt, verklaard dat bedoeld zijn de titels en diploma' s die voor de desbetreffende specialismen ° in de Lid-Staten waarin zij bestaan ° beantwoorden aan de in lid 2 opgenomen benamingen.
(13) ° Deze overweging luidt als volgt: overwegende dat, hoewel de vorenbedoelde cooerdinatie niet de harmonisatie van alle voorschriften der Lid-Staten betreffende de opleiding van specialisten ten gevolge heeft, toch moet worden overgegaan tot de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van specialist, die niet aan alle Lid-Staten gemeen zijn, zonder dat de mogelijkheid van latere harmonisatie op dit terrein wordt uitgesloten; dat evenwel een beperking nodig werd geacht van de erkenning van deze diploma' s, certificaten en andere titels van specialist tot uitsluitend die Lid-Staten, welke de desbetreffende specialismen kennen . Dit betekent kennelijk, dat de diploma' s en certificaten die in ten minste twee Lid-Staten bestaan, onderling moeten worden erkend, en dus a contrario, dat enkel de diploma' s en certificaten die in een enkele Lid-Staat zijn afgegeven, buiten de werkingssfeer van de beide betrokken richtlijnen blijven.
(14) ° De in de leden 2 en 3 van dit artikel aan de ontvangende Lid-Staat opgelegde verplichting rekening te houden met de duur van de opleiding in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst, wanneer deze overeenkomt met die welke in de ontvangende Lid-Staat wordt vereist, moet dus ° kennelijk ° aldus worden uitgelegd, dat deze Lid-Staat in elk geval dergelijke opleidingsperiodes in aanmerking moet nemen, ook al hebben zij betrekking op een ander specialisme, wanneer de met het desbetreffende diploma of certificaat afgesloten opleiding gedeeltelijk overeenkomt met die welke in de ontvangende Lid-Staat is voorzien voor het behalen van een diploma of certificaat dat niet in de Lid-Staat van oorsprong of herkomst is afgegeven.
(15) ° Ik wijs er in dit verband slechts op, dat in de betrokken richtlijnen aanvankelijk 47 specialismen werden genoemd en thans 50. De mogelijkheid dat nieuwe specialismen worden gecreëerd, alsook de mogelijkheid dat in een enkele Lid-Staat bestaande specialismen later eveneens in andere Lid-Staten worden gecreëerd en geregeld, maakt dus duidelijk welk voordeel een gemeenschappelijke basis heeft, op grond waarvan de betrokken specialismen onder de werkingssfeer van de richtlijnen kunnen worden gebracht en kunnen worden erkend.
(16) ° Wat dit betreft valt, ook logisch gezien, moeilijk te begrijpen waarom een verschil in opleidingsduur ter verkrijging van het desbetreffende specialisme minder belangrijk zou zijn dan het niet bezoldigen ervan, gelet op de in beide gevallen onvermijdelijke invloed op de inhoud van het specialisme.
(17) ° Weliswaar mag worden aangenomen, dat de specialismen die alle Lid-Staten of sommigen van hen gemeen hadden, onder de werkingssfeer van beide richtlijnen zijn gebracht bij de vaststelling ervan (in 1975), maar het is duidelijk dat zich een probleem voordoet met betrekking tot de specialismen die niet gemeen zijn geworden, of pas na de vaststelling van de richtlijnen in een Lid-Staat zijn geregeld en erkend, met als gevolg dat zij pas onder de werkingssfeer van beide richtlijnen kunnen worden gebracht na een uitdrukkelijke wijziging van deze richtlijnen; dit is bijvoorbeeld gebeurd bij richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 341, blz. 19).
(18) ° Zie in dit verband voetnoot 11.
Full & Egal Universal Law Academy