Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze niet-nakomingsprocedure treedt de Commissie op tegen het feit dat het arrest van het Hof van 12 juli 1988 in zaak 322/86(1) niet is uitgevoerd. Daarin stelde het Hof vast: "Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659/EEG(2) van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen."
2. De Commissie verzoekt het Hof:
- vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek, door niet alle maatregelen te nemen die ter uitvoering van het arrest van 12 juli 1988 (zaak 322/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 3995) vereist zijn, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
3. De Commissie wijst op de vaste rechtspraak van het Hof, dat artikel 171 van het Verdrag weliswaar niet bepaalt binnen welke termijn een arrest moet worden uitgevoerd, doch dat het belang van een rechtstreekse en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat met die uitvoering onmiddellijk wordt begonnen en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid.(3)
4. Na een briefwisseling tussen partijen over de uitvoering van het arrest leidde de Commissie op 15 mei 1990 de onderhavige niet-nakomingsprocedure in. Op 31 juli 1991 bracht zij een met redenen omkleed advies uit, waarin zij Italië een termijn van twee maanden stelde om de verdragsinbreuk te beëindigen.
5. Op 25 januari 1992 stelde de Italiaanse Republiek besluitwet nr. 130(4) ter uitvoering van de richtlijn vast. Daarin werden de regio' s gemachtigd en verplicht de in de artikelen 4 en 5 van richtlijn 78/659 neergelegde verplichtingen na te komen.
6. De Commissie was hiermee niet tevreden en stelde op 18 mei 1993 het onderhavige beroep in. Noch aan het einde van de schriftelijke procedure noch op het tijdstip van de mondelinge behandeling had de Italiaanse Republiek volledig voldaan aan de aanwijzingsverplichting van artikel 4 en aan de verplichting programma' s op te stellen, bedoeld in artikel 5 van de richtlijn. Daar het deze verplichtingen waren waarop het arrest in zaak 322/86 betrekking had(5), levert de niet-nakoming ervan tevens niet-uitvoering van het arrest op.
7. De Italiaanse regering betwist dit niet. Derhalve geef ik in overweging, het beroep van de Commissie toe te wijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Arrest van 12 juli 1988 (zaak 322/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 3995).
(2) - Richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 (PB 1978, L 222, blz. 1).
(3) - Arrest van 19 januari 1993 (zaak C-101/91, Commissie/Italië, Jurispr. 1993, blz. I-191, r.o. 20).
(4) - Gewoon supplement nr. 34 bij GURI nr. 41 van 19.2.1992, met rectificaties in GURI nr. 121 van 25.5.1992 en nr. 175 van 27.7.1992.
(5) - Zie arrest in zaak 322/86 (reeds aangehaald, r.o. 6).
Full & Egal Universal Law Academy