Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige hogere voorziening is door U. Klinke (hierna: "requirant"), ambtenaar van het Hof van Justitie, ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 maart 1993 in zaak T-30/92.(1) In dit arrest heeft het Gerecht zijn beroep strekkende tot vaststelling dat zijn rangindeling bij zijn benoeming als ambtenaar van categorie A, niet met het geldende recht in overeenstemming was, verworpen.
2. Requirant trad op 1 april 1982 bij het Hof van Justitie als jurist-vertaler bij de Duitstalige vertaalafdeling in dienst. Hij werd ingedeeld in rang LA 6. Met ingang van 1 juni 1985 werd hij ter beschikking gesteld van de voorlichtingsdienst van het Hof, waar hij op 1 juli 1991 tot administrateur werd benoemd, nadat hij voor een intern vergelijkend onderzoek was geslaagd. Hij werd ingedeeld in rang A 7, derde salaristrap, en tevens werd besloten hem een vergoeding toe te kennen, die gelijk was aan het verschil tussen de netto bezoldiging die hij in rang LA 6, zesde salaristrap, ontving en die waarop hij ingevolge zijn nieuwe indeling in rang A 7, derde salaristrap, recht had.
3. Requirant diende een klacht in tegen dit besluit voor zover hij daarbij in rang A 7 was ingedeeld, en verzocht om herindeling in rang A 6. In de eerste plaats stelde hij, dat het tot aanstelling bevoegd gezag door hem in rang A 7 in te delen geen rekening had gehouden met het uitzonderlijke feit, dat hij de post waarop hij uiteindelijk werd benoemd, gedurende zes jaar had bezet. Hij erkende weliswaar, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in dit verband over een discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dit nam zijns inziens niet weg,
"dat de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid tot niets anders dan indeling in rang A 6 kan leiden. Het beginsel van gelijke behandeling verlangt dit namelijk: ook andere ambtenaren behoeven niet gedurende zes jaar in hun aanvangsrang te blijven werken."
In de tweede plaats betoogde hij, dat zijn terbeschikkingstelling onwettig was en dat hij op grond van de in artikel 24 van het Statuut neergelegde zorgplicht in rang A 6 had moeten worden ingedeeld ten einde de negatieve gevolgen van deze terbeschikkingstelling ongedaan te maken. Verder heet het in zijn klacht:
"de benoeming (...) van ondergetekende in deze functie vormt een soort regularisatie van zijn situatie; hij bekleedt deze functie al zes jaar in de hoedanigheid van ter beschikking gestelde ambtenaar. Indien deze regularisatie plaatsvindt op basis van een benoeming met indeling in de aanvangsrang (A 7) van de nieuwe categorie, zullen de negatieve gevolgen van de eerdere terbeschikkingstelling ° die in strijd met het Statuut was en dus onwettig ° ten nadele van ondergetekende voortduren."
4. Bij besluit van het administratief comité van 20 januari 1992 werd deze klacht afgewezen. Het administratief comité stelde vast, dat de bestreden indeling was geschied "(...) overeenkomstig de vaste praktijk van het Hof waartoe met inachtneming van de rechtspraak tijdens de administratieve zitting van 11 juli 1979 was besloten". In het besluit van het administratief comité heet het verder:
"Volgens de rechtspraak kan een ambtenaar slechts bij uitzondering in de hoogste rang van de basisloopbanen en van de middenloopbanen worden benoemd en beschikt de administratie ter zake van deze benoeming in elk geval over een discretionaire bevoegdheid.
In de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid heeft het Hof bij zijn reeds genoemde besluit van 11 juli 1979, dat is genomen met het oog op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel bij de aanwerving van ambtenaren, in beginsel besloten om ambtenaren die uit de talendienst afkomstig zijn, in de rang A 7 aan te stellen.
Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval heeft het administratief comité geconcludeerd, dat de administratie door dit beginselbesluit op u toe te passen de feiten niet verkeerd heeft beoordeeld en u niet anders heeft behandeld dan andere ambtenaren die soortgelijke functies moeten uitoefenen.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit, dat u gedurende ongeveer zes jaar ter beschikking van de voorlichtingsdienst was. In de eerste plaats mag u zich er niet op beroepen, dat dit onwettig zou zijn geweest, omdat u hiermee zelf heeft ingestemd en dit met uw persoonlijke ambities overeenkwam. In de tweede plaats is bij uw indeling in de salaristrap in uw nieuwe rang, binnen de door artikel 32 van het Statuut toegestane grenzen, rekening gehouden met de door u bij de uitoefening van deze functie opgedane beroepservaring."
5. Daarop heeft requirant bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld, tot staving waarvan hij onder meer heeft aangevoerd kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, schending van het non-discriminatiebeginsel en schending van de in artikel 24 van het Statuut neergelegde zorgplicht. Het Gerecht heeft zijn beroep verworpen.
6. Tot staving van zijn hogere voorziening stelt requirant, dat het Gerecht de drie genoemde middelen onjuist heeft beoordeeld. Verweerder heeft ten principale geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening en, subsidiair, tot afwijzing ervan.
7. Tot staving van zijn conclusie van niet-ontvankelijkheid stelt verweerder, dat het Hof in hogere voorziening enkel bevoegd is rechtsvragen te onderzoeken, en dat de middelen van requirant slechts betrekking hebben op feitelijke vragen. Verweerder heeft deze exceptie van niet-ontvankelijkheid niet nader toegelicht.
8. Ter bepaling van mijn standpunt over deze exceptie moet ik in de eerste plaats erop wijzen, dat de feiten in de zaak door partijen niet worden betwist, en in de tweede plaats, dat het Hof heeft vastgesteld, dat het in het kader van een hogere voorziening eveneens tot taak heeft om "(...) na te gaan of het Gerecht van eerste aanleg bij zijn bevindingen en beoordelingen die enkel onder zijn bevoegdheid vallen, de feiten in het juiste rechtskader heeft geplaatst (...)".(2)
Aangezien het verzoekschrift in hogere voorziening in wezen enkel de mening van requirant tot uiting brengt, dat het Gerecht de strekking van het gemeenschapsrecht heeft miskend ° volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG een wettig middel tot staving van de hogere voorziening °, is de hogere voorziening mijns inziens ontvankelijk.
9. Alvorens in te gaan op de verschillende middelen betreffende de grond van de zaak, acht ik het nuttig om de omvang van de rechterlijke toetsing in een zaak als de onderhavige in herinnering te brengen.
10. Zowel requirant als het tot aanstelling bevoegde gezag zijn de mening toegedaan, dat het tot aanstelling bevoegde gezag over een discretionaire bevoegdheid beschikt voor het nemen van een besluit als thans in het geding. Requirant is evenwel van mening, dat de uitoefening van deze bevoegdheid noodzakelijkerwijze had moeten leiden tot zijn benoeming in rang A 6. Zijns inziens zou deze indeling zonder meer volgen uit het feit, dat hij gedurende zes jaar tot ieders tevredenheid had gewerkt op de post waarop hij uiteindelijk is benoemd. Wanneer ik het goed heb begrepen, is de kern van requirants standpunt, dat hij onder "normale" omstandigheden, dat wil zeggen indien hij bij zijn terbeschikkingstelling dadelijk op deze post was benoemd, een bevordering had kunnen verwachten, nadat hij zijn functie gedurende zes jaar naar behoren had uitgeoefend.
11. Uit de motivering van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag blijkt duidelijk, dat rekening is gehouden met de periode van zes jaar gedurende welke requirant de post heeft bezet. Duidelijk is evenwel ook, dat dit slechts één van de elementen is waarmee het tot aanstelling bevoegde gezag rekening heeft gehouden. Het ging waarschijnlijk om een moeilijke beslissing voor het tot aanstelling bevoegde gezag, want het door requirant aangevoerde argument is, althans volgens mij, tamelijk sterk.
12. De rechterlijke toetsing heeft evenwel niet tot doel het oordeel van de rechter in de plaats te stellen van dat van het tot aanstelling bevoegde gezag.
De rechter dient na te gaan of het genomen besluit geen gebreken bevat die tot de nietigverklaring ervan kunnen leiden, en moet zich in de onderhavige zaak dus uitspreken over de gegrondheid van requirants stelling dat de geldende regels hem het recht op benoeming in rang A 6 toekennen, omdat hij zijn post gedurende meer dan zes jaar tot ieders tevredenheid heeft bezet.
In dit verband kan om te beginnen niet worden betwist en wordt ook niet betwist, dat administrateurs in de regel in rang A 7 en slechts bij hoge uitzondering in rang A 6 worden benoemd, en voorts dat het Statuut geen specifieke beperkingen oplegt aan de mogelijkheid van het tot aanstelling bevoegde gezag om niet in rang A 6 te benoemen.
13. Tot staving van de hogere voorziening zijn verschillende middelen aangevoerd. Het eerste middel houdt in, dat het Gerecht het tot staving van het beroep aangevoerde middel betreffende een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, verkeerd heeft beoordeeld.
Voor het Gerecht had requirant gesteld dat het tot aanstelling bevoegde gezag, gelet op zijn lange ervaring bij de voorlichtingsdienst en zijn kundigheid die door zijn hiërarchieke meerdere zeer werd gewaardeerd, niet van mening kon zijn, zonder daarbij een duidelijke beoordelingsfout te begaan, dat zijn persoonlijke situatie zijn aanstelling in rang A 7 rechtvaardigde.
Het Gerecht heeft vastgesteld, dat in deze redenering werd ondersteld, dat bij de vraag of artikel 31, lid 2, van het Statuut al dan niet zal worden toegepast, de beoordeling van zijn kwalificaties door het tot aanstelling bevoegde gezag een rol speelt (r.o. 24 van het bestreden arrest).
Het arrest vervolgde evenwel, dat blijkens 's Hofs rechtspraak (arrest van 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1723), "de aanwerving in de hoogste rang van een loopbaan slechts bij hoge uitzondering is toegestaan, wanneer de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut gerechtvaardigd is op grond van de specifieke behoeften van de dienst, uit hoofde waarvan een ambtenaar met bijzondere kwalificaties moet worden aangeworven". Artikel 31, lid 2, van het Statuut strekt er dus toe het tot aanstelling bevoegde gezag in staat te stellen in de specifieke behoeften van een bepaalde dienst te voorzien, door aantrekkelijke voorwaarden te bieden, waardoor personen met bijzondere kwalificaties kunnen worden aangeworven.
14. Vervolgens heeft het Gerecht vastgesteld, dat verzoeker geen enkele aanwijzing heeft geleverd, waaruit blijkt, dat de behoeften van de voorlichtingsdienst het in casu noodzakelijk maakten een ambtenaar met bijzondere kundigheden aan te werven (r.o. 27). Daarom heeft het Gerecht geconcludeerd, dat "verzoekers kundigheden niet relevant waren voor de vaststelling van de indeling in de rang bij zijn aanstelling, en dat verzoeker weliswaar buitengewoon geschikt was voor de post waarop hij in rang A 7 is benoemd en die post tot ieders tevredenheid bezet, wat evenwel nog niet betekent, dat voor die post uitzonderlijke kwalificaties vereist waren" (r.o. 28).
15. Requirant en ook verweerder zijn het met deze redenering niet eens. Zij verwijzen met name naar de arresten van 1 december 1983 (zaak 343/82, Michael, Jurispr. 1982, blz. 4023), 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 314/86 en 315/86, De Szy-Tarisse en Feyaerts, Jurispr. 1988, blz. 6013), en 7 mei 1991 (zaak T-18/90, Jongen, Jurispr. 1991, blz. II-187), en stellen, dat artikel 31, lid 2, volgens deze rechtspraak het tot aanstelling bevoegd gezag een ruime discretionaire bevoegdheid laat bij de beoordeling van onder meer de beroepservaring van iemand die wordt aangesteld.(3)
16. Wat betreft het antwoord op de vraag of ingevolge artikel 31, lid 2, bij de rangindeling rekening kan worden gehouden met de individuele kundigheden van de aangestelde ambtenaar, moet uiteraard worden uitgegaan van de bewoordingen van de bepaling.(4)
17. Zoals partijen terecht aanvoeren, zwijgen de bepalingen over de criteria waarmee rekening moet worden gehouden om een ambtenaar in de hoogste rang te kunnen benoemen. Volgens de bewoordingen ervan staat dus vast, dat artikel 31, lid 2, niet uitsluit, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij de rangindeling rekening houdt met de kwalificaties van de ambtenaar. Nu deze bepaling hierover zwijgt, zijn er mijns inziens tamelijk overtuigende argumenten nodig om de bepaling aldus te kunnen uitleggen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag volkomen rechtmatige overwegingen met betrekking tot de kwalificaties van de ambtenaar buiten beschouwing zou moeten laten.
18. Dergelijke argumenten zijn moeilijk te vinden. Een argument zou kunnen zijn, dat artikel 32 van het Statuut uitdrukkelijk de wijze regelt waarop de beroepservaring van de aangestelde ambtenaar in aanmerking moet worden genomen. Artikel 32 bepaalt namelijk:
"De aangestelde ambtenaar wordt ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang.
Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter, ten einde rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring van de betrokkene, hem een salarisanciënniteit toekennen die overeenkomt met een bepaalde diensttijd in deze rang; deze mag in de rangen A 1 tot en met A 4, L/A 3 en L/A 4 72 maanden en in de andere rangen 48 maanden niet te boven gaan."
Men zou kunnen stellen, dat artikel 32 tot doel heeft de opgedane beroepservaring van de aangestelde ambtenaar te belonen, terwijl artikel 31, lid 2, ertoe strekt, rekening te houden met de specifieke behoeften van de dienst, op grond waarvan een ambtenaar met bijzondere kwalificaties moet worden aangeworven; aldus zou uitgesloten zijn, dat de opgedane beroepservaring dubbel wordt beloond. Een dergelijk argument kan evenwel alleen slagen, wanneer goede redenen kunnen worden aangevoerd om te menen, dat artikel 32 uitputtend regelt hoe de opleiding en de beroepservaring van de aangestelde ambtenaar in aanmerking worden genomen. Het valt mij moeilijk dergelijke redenen te vinden, te meer omdat de beslissing over rangindeling en salaristrap op hetzelfde moment wordt genomen. Onder verwijzing naar de door partijen aangehaalde rechtspraak, geef ik dan ook in overweging dit gedeelte van het arrest van het Gerecht te vernietigen.
19. Gelet op artikel 54 van 's Hofs Statuut-EEG, en omdat de zaak in staat van wijzen is, geef ik het Hof bovendien in overweging de zaak zelf af te doen.
20. In het kader van het eerste middel rest dus nog de vraag, of het tot aanstelling bevoegde gezag inderdaad een beoordelingsfout heeft gemaakt door requirant in rang A 7 te benoemen, ondanks zijn lange ervaring bij de voorlichtingsdienst en zijn door zijn hiërarchieke meerdere zeer gewaardeerde kundigheid, met dien verstande dat de rechterlijke toetsing beperkt blijft tot de vraag of het tot aanstelling bevoegde gezag niet kennelijk verkeerd gebruik van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft gemaakt.(5)
21. Dit middel moet worden afgewezen, omdat requirant niet eens heeft gepoogd de gegrondheid aan te tonen van de stelling die ten grondslag ligt aan zijn zienswijze, te weten dat een zekere beroepservaring de betrokken ambtenaar recht geeft op benoeming in de hoogste rang van de loopbaan.
22. Met betrekking tot het tweede middel, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, moet eraan worden herinnerd, dat het Gerecht dit middel heeft afgewezen in de volgende bewoordingen (r.o. 35-37):
"In elk geval is het Gerecht van mening, dat de discriminatie waarvan verzoeker stelt het slachtoffer te zijn, moet worden onderzocht met inachtneming van de ratio van de naar zijn zeggen discriminerend op hem toegepaste bepaling, zoals deze is vastgesteld in het arrest van 6 juni 1985 (zaak 146/84, De Santis, reeds aangehaald).
In dit verband zij opgemerkt, dat het relevante element van vergelijking niet wordt gevormd door de categorie of de dienst waaruit de aangestelde ambtenaren afkomstig zijn, en evenmin door hun kundigheden, doch door de specifieke eisen van de verschillende te bezetten posten.
Het Gerecht heeft evenwel ter terechtzitting akte kunnen nemen van het feit, dat sedert de bekendmaking van het besluit van 11 juli 1979 aan de belanghebbende personeelsleden geen enkele ambtenaar die afkomstig was uit de groep van de talendienst en naar categorie A is overgegaan, in een andere rang dan A 7 is aangeworven. Onder die omstandigheden kan verzoeker niet stellen, dat posten die met de zijne vergelijkbaar zijn, in de rang A 6 zijn bezet."
23. In hogere voorziening betoogt requirant, dat het Gerecht ten onrechte van oordeel was, dat het bij het relevante element van vergelijking enkel ging om de specifieke eisen van de te bezetten posten. Hij stelt, dat het element van vergelijking ter beoordeling van de vraag of hij is gediscrimineerd "enkel de individuele situatie zou kunnen zijn van de, in casu theoretische, concurrenten die met goed gevolg hebben deelgenomen aan het vergelijkend onderzoek" voor de post waarop hij uiteindelijk is benoemd. In het verzoekschrift in hogere voorziening is bovendien gesteld, dat requirants positie "verschilt van de positie van alle andere concurrenten voor deze post, alsook van alle andere concurrenten die een nieuwe benoeming op een of andere post verwachten: requirant bezet de post die hij nu rechtens dient te bezetten, in feite al meer dan zes jaar en verricht de daarbij behorende werkzaamheden".
24. Gelet op wat ik reeds eerder heb gezegd over de beoordelingsbevoegdheid die artikel 31, lid 2 aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekent, kan ik mij niet bij de redenering van het Gerecht aansluiten. Met het standpunt van requirant kan ik evenmin instemmen.
25. Requirant stelt, dat uit het bestreden besluit blijkt, dat hij wordt gediscrimineerd, doordat het tot aanstelling bevoegde gezag vergelijkbare situaties verschillend, dan wel verschillende situaties gelijk heeft behandeld, zonder dat dit objectief valt te rechtvaardigen.
Requirant heeft niet gesteld, dat het tot aanstelling bevoegde gezag anderen die in dezelfde positie als hij verkeren, in rang A 6 heeft aangesteld. Daarom moet zijn middel aldus worden opgevat, dat het tot aanstelling bevoegde gezag verschillende situaties gelijk heeft behandeld, hetgeen mijns inziens zijn voornaamste argument is: hoewel hij de post gedurende zes jaar naar ieders tevredenheid heeft bezet, is hij op dezelfde wijze behandeld als iemand zonder die relevante beroepservaring.
Dit middel betreffende discriminatie is slechts een herformulering van het uitgangspunt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag de door requirant gewenste conclusie had moeten trekken uit het feit, dat hij de betrokken post zes jaar lang heeft bezet.
Dit middel wijzigt volgens mij niets aan de grond van de zaak. Die zes dienstjaren op de post vormen één van de elementen waarmee het tot aanstelling bevoegde gezag in het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid rekening moest houden en heeft gehouden; zoals reeds opgemerkt, brengt dit element voor het tot aanstelling bevoegde gezag niet de verplichting mee, zijn beoordelingsbevoegdheid op een bepaalde manier uit te oefenen en dus een besluit in de door requirant gewenste zin te nemen.
26. Ik geef het Hof dus in overweging de motivering waarmee het Gerecht dit middel betreffende schending van het discriminatieverbod heeft afgewezen, te vernietigen, maar toch de afwijzing van het middel te handhaven door vast te stellen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden.
27. Ten slotte is requirant van mening, dat het Gerecht het door hem aangevoerde middel betreffende de zorgplicht naast zich neer heeft gelegd. Meer in het bijzonder stelt hij, dat de in artikel 24 van het Statuut neergelegde zorgplicht voor tot aanstelling bevoegde gezag de verplichting meebrengt om de negatieve gevolgen ongedaan te maken waarmee hij door zijn onwettige of met het Statuut strijdige terbeschikkingstelling was geconfronteerd.
28. Het Gerecht heeft dit middel niet-ontvankelijk verklaard in de volgende bewoordingen (r.o. 41 en 42):
"Het Gerecht wijst erop, dat volgens verzoekers verklaring zijn terbeschikkingstelling van de voorlichtingsdienst ongeveer zes jaar heeft geduurd en eindigde bij zijn benoeming tot administrateur op 1 juli 1991. Hij heeft bij zijn verzoekschrift bovendien een kopie van een memorandum van 5 juni 1985 gevoegd waarmee de griffier van het Hof hem in kennis stelde van het tijdens de administratieve zitting van 22 mei 1985 door het Hof genomen besluit, waarbij zijn terbeschikkingstelling van de voorlichtingsdienst was goedgekeurd. In dit memorandum heette het, dat hij zijn functie van administrateur in deze dienst tijdelijk zou uitoefenen, met behoud van zijn oorspronkelijke rang.
Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn om de wettigheid van de terbeschikkingstelling ter discussie te stellen, reeds lang is verstreken."
29. In zijn verzoekschrift in hogere voorziening heeft requirant deze redenering bestreden met het argument, dat de terbeschikkingstelling slechts nadelige gevolgen opleverde doordat zij meer dan zes jaar had geduurd. Hij vervolgt: "Dit argument betreffende de duur van een niet in het Statuut voorziene terbeschikkingstelling van meer dan zes jaar, heeft een andere bedoeling dan het Gerecht van eerste aanleg meende te begrijpen. Het is enkel het aanslepen van een situatie die nauwelijks met de statutaire regels verenigbaar is", die voor hem nadelig was.
30. Ik zou willen opmerken, dat dit middel evenmin iets verandert aan de grond van de zaak; door zich op de zorgplicht te beroepen, kan requirant het tot aanstelling bevoegde gezag bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid geen resultaatsverplichting opleggen die niet in het Statuut is voorzien.
31. Afgezien van deze opmerking ben ik van mening, dat het Gerecht dit middel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, want er zou afbreuk worden gedaan aan de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene rechtsgang, wanneer men een ambtenaar eerst zou toestaan de negatieve gevolgen van een vermeende onwettige maatregel van tot aanstelling bevoegde gezag te aanvaarden, om daarna op elk gewenst tijdstip te kunnen stellen, dat deze gevolgen op grond van het algemene zorgplichtbeginsel ongedaan moeten worden gemaakt.
Ook wanneer men het standpunt van requirant, dat de duur van de terbeschikkingstelling bezwarend voor hem is geweest, zou aanvaarden, neemt dit niet weg, dat de juiste reactie voor hem zou zijn geweest om beëindiging van zijn terbeschikkingstelling te verzoeken, en dus de in de genoemde artikelen bedoelde procedure in te leiden.
32. De hogere voorziening van requirant is dus in haar geheel ongegrond. Ook wanneer uit het onderzoek is gebleken, dat de motivering van het bestreden arrest niet op alle punten behoeft te worden bevestigd, komt het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voor, en moet de hogere voorziening overeenkomstig de rechtspraak in de zaak Lestelle worden afgewezen.(6)
33. Nu de motivering van het arrest niet helemaal juist blijkt te zijn geweest en de hogere voorziening dus niet ongerechtvaardigd voorkwam, ben ik van mening, dat ingevolge artikel 122, tweede alinea, tweede streepje van het Reglement voor de procesvoering elke partij zijn eigen kosten dient te dragen.
Conclusie
34. Gelet op het voorgaande geef ik in overweging
° de hogere voorziening te verwerpen
en
° partijen in de eigen kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Jurispr. 1993, blz. II-375.
(2) ° Zie arrest Hof van 18 mei 1993, zaak C-220/91 P, Stahlwerke Peine-Salzgitter, Jurispr. 1993, blz. I-2393, r.o. 30.
(3) ° Zie bij voorbeeld rechtsoverweging 26 van het arrest De Szy-Tarisse en Feyaerts, waarin het Hof verklaarde:
(...) volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag, binnen het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut of van de interne besluiten ter uitvoering hiervan, bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangesteld, over een ruime discretionaire bevoegdheid, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als ten aanzien van de mate waarin zij relevant is voor de te bezetten post .
(4) ° Artikel 31, leden 1 en 2, van het Statuut bepalen het volgende:
1. De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld:
° in de aanvangsrang van hun categorie of groep, indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst;
(...)
2. Het tot aanstelling bevoegd gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
a) voor de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3:
(...)
b) voor de overige rangen:
° voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
° voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen (...) .
(5) ° Zie onder meer arrest Gerecht van 14 februari 1990, zaak T-38/89, Hochbaum, Jurispr. 1990, blz. II-43, r.o. 24.
(6) ° Arrest van 9 juni 1992, zaak C-30/91 P, Jurispr. 1992, blz. I-3755. In rechtsoverweging 28 verklaarde het Hof, (...) dat wanneer blijkt dat door de rechtsoverwegingen van een arrest van het Gerecht het gemeenschapsrecht is geschonden, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, de hogere voorziening moet worden afgewezen .
Full & Egal Universal Law Academy