Conclusie van de advocaat generaal
++++
1. De prejudiciële vragen die de Centrale Raad van Beroep aan het Hof van Justitie heeft gesteld, hebben betrekking op de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(1), en op de uitlegging van bijlage VI, onderdeel J (Nederland), punt 2, van deze verordening.(2)
Meer bepaald wenst de nationale rechter te vernemen, of het beginsel van gelijkheid van behandeling van migrerende en nationale werknemers in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat iemand die geen Nederlands onderdaan is en gedurende een bepaalde periode niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt, voor het betrokken tijdvak toch aanspraak kan maken op dezelfde premiekorting als een vrijwillig verzekerde onderdaan, zulks in zijn hoedanigheid van gezinslid en/of weduwe of weduwnaar van een migrerende werknemer.
2. Voor een beter begrip van de strekking van de vraag geef ik om te beginnen een overzicht van het relevante nationale en gemeenschapsrecht.
Bij de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW"), die in werking is getreden op 1 januari 1957, is een pensioenstelsel ingevoerd, waaronder het bedrag van het ouderdomspensioen in beginsel uitsluitend op basis van de vervulde verzekeringsjaren wordt berekend. Krachtens de AOW zijn verplicht verzekerd alle Nederlanders die in Nederland wonen, alsmede zij die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting zijn onderworpen.
Behalve de verplichte verzekering voorziet de AOW eveneens in de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering. De bedoeling daarvan is de "verkrijging" mogelijk te maken van pensioenrechten over niet door de verplichte verzekering gedekte tijdvakken. De voorwaarden voor de vrijwillige verzekering zijn ingevolge artikel 35 AOW vastgesteld in een aantal koninklijke besluiten betreffende vrijwillige premiebetaling. In casu zijn met name van belang artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 februari 1961 en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 1971. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 februari 1961 bepaalt: "De premie bedraagt over ieder in het tijdvak gelegen vol kalenderjaar het bedrag, dat een verzekerde ingevolge de Algemene Ouderdomswet over het desbetreffende jaar ten hoogste verschuldigd kan zijn" (lid 1); in afwijking hiervan bedraagt de premie voor een Nederlander "voor ieder in het tijdvak gelegen vol kalenderjaar, ten aanzien waarvan hij ten genoegen van de Sociale Verzekeringsbank kan aannemelijk maken, dat zulks voor hem gunstiger is, eenzelfde percentage van zijn inkomen in het desbetreffende kalenderjaar als ingevolge artikel 28 van de Algemene Ouderdomswet voor dat jaar geldt doch ten minste 5 % van het bedrag, dat een verzekerde ingevolge die wet over het betreffende jaar ten hoogste verschuldigd kan zijn" (lid 2). De bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 1971 zijn analoog aan voornoemde bepalingen; het enige verschil is dat laatstgenoemd koninklijk besluit ook verwijst naar de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Voorts zij erop gewezen, dat ingevolge artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1961 de vrouw, die van degene die van zijn bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling gebruik maakt, echtgenote is of was in het tijdvak, waarop de premiebetaling betrekking heeft, gedurende de tijd, dat zij zulks is of was, als verzekerde in de zin van de AOW wordt aangemerkt, indien en voor zover zij over bedoelde tijd de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft of had bereikt.
3. Wie krachtens de AOW verplicht of vrijwillig verzekerd is geweest, heeft aanspraak op een ouderdomspensioen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Het maximale ouderdomspensioenbedrag wordt bereikt na een verzekeringsloopbaan van 50 jaar, welke aanvangt bij de 15de en eindigt bij de 65ste verjaardag; voor ieder niet-verzekerd jaar wordt een korting van 2 % toegepast.
Aangezien de AOW in werking is getreden op 1 januari 1957, was verzekering vóór dat tijdstip uiteraard niet mogelijk, zodat niemand vóór het jaar 2007 aanspraak had kunnen maken op een volledig ouderdomspensioen. Daarom heeft de Nederlandse wetgever een overgangsregeling ingesteld bij de artikelen 55 en 56 AOW, op grond waarvan als verzekeringstijdvakken in de zin van de AOW worden aangemerkt, de tijdvakken die gelegen zijn tussen het 15de levensjaar van de verzekerde en 1 januari 1957, mits de betrokkene aan drie eisen voldoet: a) tussen de voleinding van zijn 59ste en van zijn 65ste levensjaar in Nederland hebben gewoond (de "zes jaren"-wooneis)(3); b) Nederlander of daarmee gelijkgesteld zijn (deze voorwaarde geldt uiteraard niet voor gemeenschapsonderdanen die gebruik maken van het recht van vrij verkeer in de zin van verordening nr. 1408/71); c) na het bereiken van zijn 65ste jaar in Nederland blijven wonen (de "actuele wooneis", die echter niet geldt voor degenen die vanaf 1 januari 1957 tot hun 65ste verjaardag onafgebroken verzekerd zijn geweest krachtens de AOW).
4. Aangezien niet alle migrerende werknemers voor deze op nationaliteits- en woonplaatscriteria gebaseerde overgangsvoordelen in aanmerking kwamen, heeft de Raad ter voorkoming van discriminatie het communautaire sociale-zekerheidsstelsel met bepalingen ad hoc aangevuld. Bijlage VI, onderdeel J (Nederland), punt 2, van verordening nr. 1408/71, betreffende de "toepassing van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet", bepaalt namelijk:
"a) Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, worden mede aangemerkt tijdvakken, gelegen voor 1 januari 1957, gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, na het bereiken van de 15-jarige leeftijd op Nederlands grondgebied heeft gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonende, in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
(...)
c) Wat de gehuwde vrouw betreft, wier echtgenoot recht heeft op een pensioen krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, worden ook als tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen tijdvakken van dit huwelijk, gelegen vóór de datum waarop zij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en gedurende welke zij op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de door haar echtgenoot krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering en met de krachtens het bepaalde sub a) in aanmerking te nemen tijdvakken.
(...)
e) Wat de gehuwd geweest zijnde vrouw betreft, wier echtgenoot onderworpen is geweest aan de Nederlandse Algemene Ouderdomswet of geacht wordt tijdvakken krachtens het bepaalde sub a) te hebben vervuld, is het bepaalde in de beide voorgaande alinea' s mutatis mutandis van toepassing.
(...)"
5. De feiten die aan het onderhavige geding ten grondslag liggen, kunnen als volgt worden samengevat. Op 23 november 1948 verhuisden de echtgenoten Cabanis-Issarte, beiden van Franse nationaliteit, naar Nederland in verband met de beroepsuitoefening van de heer Cabanis. Met uitzondering van het tijdvak van 20 oktober 1960 tot en met 12 november 1963 (toen zij in Frankrijk verbleven), woonden zij in Nederland tot en met 15 juli 1969, toen zij definitief naar Frankrijk terugkeerden. De heer Cabanis oefende zijn werkzaamheid uit tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar op 18 februari 1969, toen hem een volledig pensioen ingevolge de AOW werd toegekend. Tegelijkertijd ontving zijn vrouw een gehuwdenpensioen ingevolge de AOW.(4)
Na het overlijden van de heer Cabanis op 7 oktober 1977 werd aan mevrouw Cabanis-Issarte (hierna: "verzoekster") met ingang van 1 april 1978 een ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW toegekend, waarop het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: "SVB") een korting toepaste voor de 29 niet-verzekerde jaren. Deze korting betrof de periode van 13 mei 1924 tot en met 23 november 1948, dus vanaf het bereiken van de leeftijd van 15 jaar tot de vestiging in Nederland, alsmede de periode van 15 juli 1969 tot en met 13 mei 1974, dus vanaf de definitieve terugkeer naar Frankrijk tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
Met betrekking tot dit laatste tijdvak (1969-1974) bood de SVB verzoekster de gelegenheid pensioenrechten te verkrijgen door zich vrijwillig te verzekeren, en stelde zij op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 1971 de desbetreffende verzekeringspremies vast op het maximale premiebedrag.
6. Van mening dat zij ° op grond van artikel 3 van verordening nr. 1408/71(5) ° recht had op dezelfde premiereducties als Nederlandse onderdanen, ging verzoekster van de beslissing tot vaststelling van de te betalen premie in beroep bij de Raad van Beroep te Amsterdam, die het beroep toewees. SVB stelde tegen deze beslissing hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, die met het oog op de beslechting van het geding het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
"1) Is in gevallen als het onderhavige ingevolge artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1408/71 deze verordening op een persoon als gedaagde van toepassing, waaronder het beginsel van gelijkheid van behandeling als bedoeld in artikel 3 van die verordening:
a) omdat zij als rechthebbende zou zijn aan te merken ingevolge artikel 2a van bijlage V, sub H, van die verordening (zoals deze bijlage was genummerd ten tijde van de bestreden beslissing)?
b) omdat zij als gezinslid dan wel (uiteindelijk) nagelaten betrekking in de zin van artikel 2 van die verordening zou zijn aan te merken op grond van het feit dat zij ingevolge artikel 9 van het destijds toepasselijke koninklijk besluit van 24 februari 1961 (mede)verzekerd is geweest op grond van premiebetaling ingevolge de vrijwillige verzekering door haar toenmalige echtgenoot (over de periode van 20 oktober 1960 tot en met 12 november 1963)?
c) omdat zij als gezinslid dan wel nagelaten betrekking zou zijn aan te merken op grond van de omstandigheid dat zou zijn te stellen dat over laatstbedoelde periode, maar ook daarbuiten, op haar van toepassing is het bepaalde in artikel 2e in samenhang met artikel 2c van genoemd bijlage-onderdeel?
2) Kan worden gesteld dat in gevallen als het onderhavige als gevolg van de uitoefening van het recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen verloren zijn gegaan, zodat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 van het EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, en in dat geval, wat zijn daarvan dan de consequenties voor het hier in geding zijnde nationaliteitsvereiste voor premiereductie?"
De eerste vraag
7. Vastgesteld moet dus worden, of iemand in verzoeksters situatie op grond van het in artikel 3 van vordering nr. 1408/71 neergelegde beginsel van gelijke behandeling van eigen onderdanen en migrerende werknemers, aanspraak kan maken op de premiereducties die gelden voor de eigen onderdanen.
Ter verduidelijking zij opgemerkt, dat in casu enkel ter discussie staat de hoogte van de verschuldigde vrijwillige verzekeringspremie voor de periode van 15 juli 1969 (dag waarop verzoekster Nederland heeft verlaten) tot 13 mei 1974 (haar 65ste verjaardag); buiten kijf staat, dat verzoekster voor die periode geen recht had op "fictieve" verzekeringstijdvakken ingevolge de AOW of ingevolge bijlage VI bij verordening nr. 1408/71. Voorts herinner ik eraan, dat verzoekster noch haar echtgenoot tijdens die periode in Nederland woonden, en dat laatstbedoelde reeds een ouderdomspensioen ontving, en dus niet langer AOW-premieplichtig was.
8. De verwijzende rechter refereert aan drie verschillende bepalingen, namelijk artikel 2 van verordening nr. 1408/71, punt 2, sub a, en punt 2, sub e, onderdeel J van bijlage VI, bij die verordening, waarop verzoeksters aanspraken op de premiereducties zouden kunnen worden gebaseerd. Voor de toepassing van deze bepalingen is vanzelfsprekend vereist, dat verzoekster onder de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt, hetzij als werkneemster, hetzij als gezinslid of nagelaten betrekking.
In dit verband behoeft nauwelijks te worden vermeld, dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bij de definitie van de personele werkingssfeer ervan ziet op twee duidelijk onderscheiden categorieën rechthebbenden: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen anderzijds.
9. Verzoekster heeft nooit in Nederland noch in een andere Lid-Staat gewerkt, en heeft dus niet de hoedanigheid van werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71; daarentegen is zij wel gezinslid en later nagelaten betrekking van een migrerend werknemer(6), zodat zij binnen de personele werkingssfeer van de vordering valt.
Zoals alle partijen die in deze zaak schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, hebben beklemtoond, volstaat dit niet om het beginsel van gelijke behandeling van eigen onderdanen en migrerende werknemers op haar toe te passen. Het is namelijk vaste rechtspraak van het Hof(7), dat degenen die de hoedanigheid van werknemer in de zin van de verordening hebben, de daarin bedoelde rechten op uitkeringen als eigen rechten kunnen inroepen, maar dat de gezinsleden of nagelaten betrekkingen van een werknemer alleen aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, die zij hebben verkregen wegens hun hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking.
Wat de onderhavige zaak betreft, moet dus worden nagegaan, of de aansluiting bij het stelsel van vrijwillige verzekering aan te merken is als een eigen recht of integendeel als een afgeleid recht, dat voortvloeit uit de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking, en in dit laatste geval, welke de bepalingen zijn waarop het betrokken recht is gebaseerd.
10. Aangezien alle Nederlandse ingezetenen van 15 tot 65 jaar, ongeacht geslacht en huwelijkse staat, rechtstreeks en persoonlijk ingevolge de AOW verzekerd zijn, ligt het voor de hand, dat de aanspraak op een pensioen geen aan de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een migrerende werknemer gebonden recht is, doch een eigen recht, zodat de aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering in beginsel als een aan een ieder uit eigen hoofde toekomend recht moet zijn aan te merken.
De verwijzende rechter wijst er evenwel op (in onderdeel b van de eerste vraag), dat verzoekster van 20 oktober 1960 tot en met 12 november 1963 ingevolge artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 februari 1961 (mede)verzekerd is geweest onder de AOW als echtgenote van een vrijwillig verzekerde in de zin van de AOW, dus in haar hoedanigheid van gezinslid.
11. Kan uit voornoemde omstandigheid worden opgemaakt, dat de toegang tot de vrijwillige verzekering voor de betrokken periode voor verzoekster als een afgeleid recht is aan te merken, dat derhalve wordt uitgeoefend onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden?
Ik denk het niet. Weliswaar is verzoekster in de periode waarop de verwijzende rechter doelt, vrijwillig verzekerd geweest, op grond dat haar echtgenoot bij dit verzekeringsstelsel was aangesloten, dus in haar hoedanigheid van gezinslid, doch voor de periode waarover het thans gaat, 15 juli 1969 tot en met 13 mei 1974, kan zij zich in die hoedanigheid op geen enkel recht beroepen. Verzoeksters echtgenoot oefende toen namelijk geen enkele beroepswerkzaamheid meer uit, maar genoot reeds een ouderdomspensioen, en bovendien woonde hij niet in Nederland.
De mogelijkheid voor verzoekster om zich vrijwillig te verzekeren, is dus voor de betrokken periode aan te merken als een eigen recht, dat door de Nederlandse wetgeving wordt toegekend aan een ieder die de verzekering wenst voort te zetten na beëindiging van de verplichte verzekering, in verzoeksters geval bij haar definitieve terugkeer naar Frankrijk.
12. Mijns inziens kan verzoekster zich voor de gevraagde premiereductie evenmin beroepen op de bepalingen van bijlage VI, onderdeel J, punt 2, sub a en e (waarop de verwijzende rechter doelt in de onderdelen a en c van de eerste vraag).
Dat gehuwde vrouwen zich onder bepaalde voorwaarden kunnen beroepen op de bepalingen van bijlage VI bij de verordening met het oog op de toekenning van verzekeringstijdvakken in de zin van de AOW, is absoluut irrelevant in de context van de voorwaarden voor aansluiting bij de vrijwillige verzekering, die verder door het nationale recht worden geregeld(8), en die in elk geval in de betrokken bijlage volkomen buiten beschouwing blijven.
13. Voorts wijs ik erop, dat punt 2, sub a, van de bijlage ertoe strekt te verzekeren dat de rechthebbende die niet in aanmerking komt voor de bij de AOW vastgestelde overgangsvoordelen, toch aanspraak kan maken op pensioenrechten voor de tijdvakken vóór 1 januari 1957 waarvoor een band met Nederland bestaat, hetzij op grond van zijn woonplaats, hetzij in het kader van de door hem verrichte arbeid in loondienst.
Deze bepaling, die zeker niet aldus kan worden uitgelegd dat daardoor de personele werkingssfeer van de verordening wordt uitgebreid, is derhalve van toepassing op een persoon die, zoals verzoekster(9), niet de hoedanigheid heeft van werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71. Voorts ziet die bepaling enkel op de verzekeringstijdvakken vóór 1 januari 1957, terwijl in casu de hoogte van de premies voor de periode 1969-1974 in geding is.
14. Ten slotte kan ook punt 2, sub e, van de bijlage niet aldus worden uitgelegd, dat verzoekster in aanmerking zou kunnen komen voor de aan de orde zijnde premiereducties op de enkele grond dat zij gehuwd is geweest met een persoon die onderworpen was aan de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.
Naar Nederlands recht was verzoeksters echtgenoot in de betrokken periode namelijk niet premieplichtig, wat ingevolge de tekst van punt 2, sub e, onder verwijzing naar het bepaalde sub c, wel is vereist. In ieder geval kan verzoekster zich op die bepalingen niet beroepen, aangezien, zoals gezegd, de toegang tot de vrijwillige verzekering een aan verzoekster persoonlijk toekomend recht is en niet een recht dat haar is toegekend in de hoedanigheid van gezinslid en/of weduwe van een migrerend werknemer.
15. Gelet op een en ander, kom ik tot de conclusie dat een persoon in de positie van verzoekster noch op grond van artikel 2 van verordening nr. 1408/71 noch op grond van de bepalingen van bijlage VI, onderdeel J, punt 2, bij die verordening aanspraak kan maken op de premiereducties die in het kader van de vrijwillige verzekering aan de eigen onderdanen worden toegekend.
De tweede vraag
16. De tweede vraag strekt ertoe te vernemen, of de behandeling van verzoekster verenigbaar is met het beginsel van vrij verkeer van personen, en inzonderheid met de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag.
Vooreerst herinner ik er in dit verband aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, "het doel van de artikelen 48 tot en met 51 niet zou worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hen door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend".(10) Een dergelijk gevolg zou de werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, en aldus een belemmering voor dit vrije verkeer kunnen opleveren.(11) In die zin heeft het Hof gepreciseerd, dat er van een ongelijke behandeling bij voorbeeld sprake zou zijn indien de nationale wetgever de voorwaarden voor verkrijging of handhaving van het recht op uitkeringen aldus omschrijft, dat in feite alleen werknemers van de betrokken Lid-Staat eraan kunnen voldoen.(12)
17. Dat is in casu zeker niet het geval, nu verzoekster, die in Nederland noch in enige andere Lid-Staat ooit heeft gewerkt, het recht op vrij verkeer nooit rechtstreeks, dus in de hoedanigheid van werknemer, heeft uitgeoefend.
Wel is het zo, dat het Hof in de zaak Spruyt(13) heeft geoordeeld, dat de gehuwde vrouw kon worden belet, haar echtgenoot die zich in een andere Lid-Staat vestigt te vergezellen, wanneer ingevolge de toepassing van punt 2, sub a, juncto punt 2, sub e, van bijlage VI vóór het huwelijk gelegen tijdvakken van wonen in Nederland voor haar niet in aanmerking werden genomen, wat hierop neerkomt dat gehuwde vrouwen worden gediscrimineerd ten opzichte van ongehuwde mannen en vrouwen, en in strijd met het fundamentele beginsel van het vrije verkeer anders worden behandeld.
Opgemerkt zij evenwel, dat de onderhavige zaak volledig anders is, aangezien het hier niet gaat om de omstandigheid dat aan een gehuwde vrouw die in de betrokken periode inderdaad in Nederland had gewoond, vóór de inwerkingtreding van de AOW gelegen verzekeringstijdvakken niet worden toegerekend, maar enkel om de voorwaarden voor toegang tot het stelsel van vrijwillige verzekering voor een periode na de inwerkingtreding van de AOW, én bovendien na de datum waarop de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
18. De vraag is natuurlijk, of verzoeksters echtgenoot, had hij toen hij zich in Nederland vestigde, kunnen voorzien in welke situatie zijn echtgenote thans verkeert, van zijn recht op vrij verkeer zou hebben afgezien.
Mijns inziens kan het probleem evenwel niet in deze termen worden gesteld, mede vanwege de aard van het betrokken sociale-zekerheidsstelsel. Zoals de Commissie heeft benadrukt, is het gebaseerd op het solidariteitsbeginsel, wat meebrengt dat alleen onderdanen met geen of een zeer bescheiden inkomen zich kunnen aansluiten bij de vrijwillige verzekering en in het genot van het volledige pensioen kunnen komen door betaling van een minimale premie van 5 % van het hoogste verschuldigde bedrag. Dat verklaart waarom ingevolge de Nederlandse wetgeving alleen de eigen onderdanen voor de premiereductie in aanmerking komen; krachtens bijlage VI, onderdeel J, punt 2, van verordening nr. 1408/71 geldt deze beperking uiteraard niet voor degenen die de hoedanigheid van werknemers in de zin van de verordening hadden.
19. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling die het recht op premiereducties in het kader van de vrijwillige verzekering beperkt tot de eigen onderdanen en tot personen met de hoedanigheid van werknemer in de zin van die verordening.
2) Een nationale wettelijke regeling als de onderhavige doet geen afbreuk aan het doel van de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° In de geconsolideerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(2) ° Ten tijde van de in geding zijnde feiten ging het om bijlage V, onderdeel H, punt 2.
(3) ° Deze voorwaarde wordt echter afgezwakt door artikel 2 van een koninklijk besluit van 3 december 1985, bepalende dat iemand die Nederland heeft verlaten, maar steeds krachtens de AOW verzekerd is gebleven, met het oog op de zes jaren -eis wordt geacht aldaar woonachtig te zijn.
(4) ° Mevrouw Cabanis-Issarte was namelijk verplicht verzekerd voor haar perioden van verblijf in Nederland, en vrijwillig medeverzekerd ingevolge artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1961 voor de periode van 20 oktober 1960-12 november 1963, waarvoor haar man vrijwillig premie had betaald.
(5) ° Artikel 3, lid 1, bepaalt als volgt: Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.
(6) ° De begrippen gezinslid en nagelaten betrekking worden gedefinieerd in artikel 1, sub g respectievelijk f, van de verordening.
(7) ° Arrest van 23 november 1976 (zaak 40/76, Kermaschek, Jurispr. 1976, blz. 1669, r.o. 8). In dezelfde zin, laatstelijk arrest van 27 mei 1993 (zaak C-310/91, Schmid, Jurispr. 1993, blz. I-3011, r.o. 12).
(8) ° In dit verband wijs ik op het arrest van 24 september 1987 (zaak 43/86, De Rijke, Jurispr. 1987, blz. 3611), waarin het Hof heeft verklaard, dat een gehuwde vrouw niet met een beroep op punt 2, sub c, van bijlage VI aanspraak kan maken op aansluiting bij het stelsel van vrijwillige verzekering, wanneer de daartoe bij de AOW gestelde termijn reeds verstreken is.
(9) ° Verzoekster heeft in ieder geval geprofiteerd van de toepassing van deze bepaling voor zover deze verband houdt met de bepalingen als bedoeld in punt 2, sub c, van de bijlage. De periode van 1948 (toen zij zich met haar man in Nederland heeft gevestigd) tot 1 januari 1957 (datum van inwerkingtreding van de AOW) is namelijk erkend als verzekeringstijdvak in de zin van de AOW.
(10) ° Arrest van 25 februari 1986 (zaak 284/84, Spruyt, Jurispr. 1986, blz. 685, r.o. 19).
(11) ° Zie laatstelijk het arrest van 20 september 1994 (zaak C-12/93, Drake, Jurispr. 1994, blz. 4337).
(12) ° Onder meer in het arrest van 4 oktober 1991 (zaak C-349/87, Paraschi, Jurispr. 1991, blz. I-4501, r.o. 23).
(13) ° Arrest van 25 februari 1986, reeds aangehaald, r.o. 25.
Full & Egal Universal Law Academy