CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 29 februari 1996 ( *1 )
1.
Na mijn conclusie van 21 september 1994 ( 1 ) in de onderhavige zaak heeft het Hof tot heropening van de mondelinge behandeling besloten. Tegelijkertijd heeft het de zaak naar het voltallig Hof verwezen en heeft het enkele vragen gesteld, met name om het standpunt te vernemen van de partijen in het hoofdgeding, van de Commissie en van de Lid-Staten over het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, dat in het arrest Kcrmaschck ( 2 ) is gemaakt en in latere rechtspraak ( 3 ) (hierna: „Kermaschek-rechtspraak”) is bevestigd.
Op basis van dit onderscheid kunnen degenen die de hoedanigheid van werknemer in de zin van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6, hierna: de „verordening”) hebben, de rechten op de daarbij toegekende uitkeringen als eigen rechten inroepen, terwijl de gezinsleden of de nagelaten betrekkingen van een werknemer alleen aanspraak kunnen maken op de afgeleide rechten, die zij in hun hoedanigheid van gezinslid en/of nagelaten betrekking van een werknemer hebben verkregen.
2.
Ter zake herinner ik eraan, dat mevrouw Cabanis-Issarte (hierna: „verzoekster”), van Franse nationaliteit, bijna achttien jaar in Nederland heeft gewoond in verband met de beroepsuitoefening van haar echtgenoot. ( 4 ) Zij heeft verzocht om in aanmerking te komen voor dezelfde premiereducties als Nederlandse onderdanen — op basis van de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”) — bij verkrijging van pensioenrechten door vrijwillige verzekering, maar met betrekking tot een tijdvak waarin zij niet in dat land heeft gewoond noch gewerkt.
De Centrale Raad van Beroep, de nationale rechterlijke instantie waarvoor het geding tussen verzoekster en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: „SVB”) aanhangig is, heeft derhalve het Hof van Justitie verzocht om uitlegging van de artikelen 2 en 3 van de verordening, alsmede van de punten 2, sub a, e en c, van bijlage VI, onderdeel J, bij die verordening, teneinde vast te stellen of iemand in verzoeksters situatie aanspraak kan maken op de premiereducties die gelden voor de eigen onderdanen.
3.
Verder wijs ik erop, dat ik in mijn conclusie van 21 september 1994 het Hof in overweging heb gegeven de nationale rechter te antwoorden, dat de genoemde bepalingen van de verordening aldus moeten worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van een nationale wettelijke regeling die het recht op premiereducties met het oog op de aansluiting bij de vrijwillige verzekering beperkt tot de eigen onderdanen en tot personen met de hoedanigheid van werknemer in de zin van de verordening.
4.
Ik ben om de in die conclusie ( 5 ) reeds uiteengezette redenen nog steeds ervan overtuigd, dat verzoekster zich voor de verlangde premiereductie niet met succes kan beroepen op de bepalingen van bijlage VI, onderdeel J, punt 2, sub a en e, waarop de verwijzende rechter doelt in de onderdelen a en c van de eerste vraag. In casu merk ik dienaangaande slechts op, dat de omstandigheid dat gehuwde vrouwen zich onder bepaalde voorwaarden kunnen beroepen op de bepalingen van bijlage VI bij de verordening met het oog op de toekenning van verzekeringstijdvakken in de zin van de AOW, absoluut irrelevant is in de context van de voorwaarden voor aansluiting bij de vrijwillige verzekering, die verder door het nationale recht worden geregeld, en die hoe dan ook in de betrokken bijlage volkomen buiten beschouwing blijven.
Ook blijf ik erbij, dat de toepassing op de onderhavige zaak van het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten, zoals dat voortvloeit uit de Kermaschek-rechtspraak, onvermijdelijk tot de conclusie leidt, dat verzoekster geen aanspraak had op de in geding zijnde premiereducties. ( 6 ) Aangezien namelijk alle Nederlandse ingezetenen van 15 tot 65 jaar, ongeacht geslacht en huwelijkse staat, rechtstreeks en persoonlijk ingevolge de AOW verzekerd zijn, ligt het voor de hand, dat de aanspraak op een pensioen, en daarmee ook de voorwaarden voor aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering, geen aan de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een migrerend werknemer gebonden recht is, doch een aan een ieder uit eigen hoofde toekomend recht.
5.
Ik geef toe dat ik, toen ik het Hof in overweging gaf om het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten toe te passen op verzoeksters geval, een enigszins onbehaaglijk gevoel had, dat juist werd veroorzaakt door de gevolgen van dit onderscheid voor het vrije verkeer, dat daardoor met in gevaar wordt gebracht maar evenmin wordt gestimuleerd. Dit onbehaaglijke gevoel heeft zich enkel nog toegespitst, toen ik enkele maanden later in mijn conclusie in de zaak Krid ( 7 ), in overeenstemming met een eerdere uitspraak van het Hof ( 8 ), heb verklaard, dat de Kermaschek-rcchtspraak niet van toepassing is op gezinsleden en nagelaten betrekkingen van werknemers van derde landen waarmee de Gemeenschap samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.
Het gaat dus om een onderscheid, dat mij om meer dan een reden hoofdbrekens bezorgt. De heropening van de mondelinge behandeling biedt mij derhalve, mede gezien de antwoorden van de SVB, de Lid-Staten en de Commissie op de door het Hof over het in casu in geding zijnde punt gestelde vragen, de gelegenheid om nog eens dieper op het probleem in te gaan.
6.
Om te beginnen acht ik het wenselijk nogmaals erop te wijzen, dat krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening „personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen hebben voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening”. Deze bepaling bekrachtigt dus het beginsel van gelijke behandeling van de eigen onderdanen en de personen waarop de verordening van toepassing is, mits zij op het grondgebied van een Lid-Staat wonen en behoudens de bijzondere bepalingen van die verordening.
Overeenkomstig artikel 2, lid 1, is deze verordening „van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten (...) zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen”. Voor de onderhavige zaak zij vervolgens erop gewezen, dat „onder ‚gezinslid’ wordt verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend of (...) in de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, als gezinslid wordt aangemerkt of erkend” (artikel 1, sub f). De term „nagelaten betrekking” wordt in grote lijnen op dezelfde wijze gedefinieerd. In beide gevallen wordt de verwijzing naar de nationale wetgevingen evenwel beperkt door het begrip „degene die in hoofdzaak op kosten van de werknemer wordt onderhouden”, zodat in dat geval ervan is uit te gaan dat voor de toepassing van de verordening hoe dan ook aan de voorwaarde van „gezinslid” en/of „nagelaten betrekking” is voldaan. ( 9 )
7.
Voornoemde bepalingen tonen enerzijds aan, dat de verordening van toepassing is niet alleen op de werknemers maar ook op hun gezinsleden cn/of nagelaten betrekkingen, en anderzijds dat het beginsel van gelijke behandeling, bij gebreke van bijzondere bepalingen van die verordening, zowel ten aanzien van de werknemers als van de gezinsleden moet worden toegepast.
In die normatieve context is de Kermaschek-rechtspraak ontwikkeld, die mijns inziens niet geheel vrij van tegenstrijdigheden is. In elk geval acht ik een kort overzicht van deze rechtspraak wenselijk, in het bijzonder om beter de beweegredenen te begrijpen die aan het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten ten grondslag liggen. Het uitgangspunt van dit overzicht kan enkel het arrest Kermaschek zijn.
8.
In dit arrest, waarin het Hof zich had uit te spreken over de toepasselijkheid van de artikelen 67 tot en met 70 van de verordening, betreffende werkloosheidsuitkeringen, op de echtgenoot — onderdaan van een derde land — van een „sedentaire” Duitse werknemer, dus iemand die zich niet had beroepen op de regels van het vrij verkeer van werknemers, heeft het Hof verklaard, dat artikel 2, lid 1, van de verordening „betrekking heeft op twee duidelijk onderscheiden categorieën: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen anderzijds”. ( 10 ) Hiervan uitgaande heeft het Hof vervolgens een theoretisch onderscheid gemaakt tussen eigen rechten en afgeleide rechten dat, aldus het Plof, door artikel 2, lid 2, en artikeli, sub f en g, wordt bevestigd. ( 11 )
Artikel 2, lid 2, volgens hetwelk werknemers die geen onderdaan van een Lid-Staat zijn, met zulke onderdanen worden gelijkgesteld met het oog op de rechten van hun nagelaten betrekkingen voor zover die zelf onderdanen van een der Lid-Staten zijn, bepaalt inderdaad slechts, dat de (gemeenschapsonderdanen, die gezinsleden zijn van een werknemer die zelf onderdaan van een derde land is, onder de verordening vallen in hun hoedanigheid van nagelaten betrekkingen. De betrokken bepaling, die in casu stellig relevant is, daar mevrouw Kermaschek — alvorens gezinslid van een gemeenschapsonderdaan te worden — in een Lid-Staat had gewoond en gewerkt, betekent dus onbetwistbaar, dat de werknemers die geen onderdanen van een Lid-Staat zijn, de regels van de verordening niet mogen inroepen in hun hoedanigheid van werknemers, zelfs niet als zij gezinsleden van een gemeenschapsonderdaan zijn. Zo bezien, is mijns inziens in artikel 2, lid 2, van de verordening geen steun te vinden voor het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten, althans niet op de in de latere rechtspraak bevestigde ruime en algemene wijze.
Weliswaar verwijst artikel 1, sub f en g, van de verordening voor de erkenning als „gezinslid” en/of „nagelaten betrekking” naar de nationale wetgevingen krachtens welke de prestaties worden verleend of naar de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de betrokken persoon woont, doch deze verwijzing strekt er uitsluitend toe vast te stellen, of het al dan niet gaat om een persoon die behoort tot het gezin van de werknemer ( 12 ), en betekent zeker niet dat, zoals enkele Lid-Staten en de SVB dat in de loop van de onderhavige procedure hebben aangevoerd, het aan de afzonderlijke nationale wetgevingen wordt overgelaten om uit te maken welke van de onder de werkingssfeer van de verordening vallende prestaties aan de gezinsleden van een werknemer zouden toekomen.
9.
Het uit het arrest Kermaschek voortvloeiende onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten is vervolgens in latere uitspraken bevestigd. ( 13 ) In dit verband wijs ik erop, dat in de meeste van de aan het Hof voorgelegde zaken de prestaties die op grond van de verordening worden geweigerd voor zover zij als eigen rechten worden aangemerkt, toch worden verleend op grond van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 ( 14 ), volgens hetwelk de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van andere Lid-Staten „dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers” geniet.
Door de ruime uitlegging van het begrip „sociaal voordeel”, zoals het Hof dat in vaste rechtspraak heeft geformuleerd ( 15 ), kunnen dus aan het gezinslid van de werknemer socialc-zekerheidsprestaties worden toegekend die worden aangemerkt als sociaal voordeel (...) voor de werknemer, en die op basis van de verordening worden geweigerd, omdat zij niet als uit de hoedanigheid van gezinslid van de werknemer afgeleide rechten zijn aan te merken. ( 16 ) Zoals in het bijzonder door de Franse regering naar voren is gebracht, zouden aldus de eventuele negatieve gevolgen van de toepassing van de Kermaschek-rechtspraak worden weggenomen.
10.
De hierboven toegelichte omstandigheid kan mijns inziens echter niet worden geacht een antwoord te geven op de vragen die het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten oproept. Enerzijds blijkt dit uit de onderhavige zaak, in die zin dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 niet altijd kan worden aangewend om de in dat onderscheid besloten beperkingen te ondervangen; anderzijds toont de Kermaschek-rechtspraak in haar geheel beschouwd aan, hoe dit onderscheid, dat in een zeer specifiek geval is ontwikkeld en met betrekking tot dat specifieke geval is gemotiveerd ( 17 ), een dermate ruime en algemene strekking heeft gekregen, dat het zou kunnen indruisen tegen de doelstelling van de verordening die bovenal vanuit de optiek van het vrije verkeer van werknemers dient te worden gelezen.
Het is zeker niet onbelangrijk nogmaals te wijzen op de formulering van de vijfde overweging van de considerans van de verordening, waarin het heet, dat „de voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot regelingen inzake het vrije verkeer van werknemers die onderdanen van de Lid-Staten zijn, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot verhoging van de levensstandaard en verbetering van de arbeidsomstandigheden van deze werknemers, door binnen de Gemeenschap te waarborgen dat enerzijds alle onderdanen van de Lid-Staten gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen en dat anderzijds de werknemers en hun rechtsopvolgers prestaties inzake sociale zekerheid genieten ongeacht de plaats waar zij werken of wonen”.
11.
Mijns inziens valt niet te ontkennen, dat aan die doelstelling op zijn minst zou worden afgedaan, indien elke nationale wetgeving door middel van de definitie van de desbetreffende voorwaarden en kenmerken zou mogen bepalen op welke sociale-zekerheidsprestaties de gezinsleden en/of nagelaten betrekkingen van de werknemers recht hebben. Hierbij komt nog, gelijk de Commissie heeft opgemerkt, dat deze prestaties, gezien met name de ontwikkeling van de maatschappij, thans steeds meer als eigen en niet langer als afgeleide rechten worden opgevat.
In die zienswijze ligt het dermate voor de hand dat de handhaving van het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, in de vanaf het arrest Kermaschek gebruikte bewoordingen, ten slotte leidt tot de „schamele” conclusie, dat de gezinsleden van een. werknemer in elk geval, om niet te zeggen uitsluitend, in aanmerking komen voor prestaties bij ziekte, gezinsbijslagen, alsmede pensioenen en renten van weduwen en wezen. Gelet op de aard van die prestaties moet mijns inziens evenwel de vraag worden gesteld, wat de waarde en de draagwijdte is van het beginsel van gelijke behandeling als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de verordening, dat behoudens bijzondere bepalingen van de verordening, geldt ten aanzien niet van alle werknemers maar van alle personen op wie de verordening van toepassing is, gezinsleden en/of nagelaten betrekkingen van de werknemers dus inbegrepen.
12.
Voorts moet ik er ook op wijzen, dat het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, zoals ik reeds eerder heb gezegd, daarentegen niet wordt toegepast wanneer het gaat om gezinsleden van werknemers van derde landen waarmee de Gemeenschap samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten. In het arrest Kziber ( 18 ), waarin de door de dochter van een Marokkaanse werknemer aangevraagde werkloosheidsuitkering ter discussie stond, heeft het Hof met betrekking tot de draagwijdte van de rechten van het gezinslid van de Marokkaanse werknemer dat bij hem woont, namelijk verklaard dat „het beginsel van het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid (...) (impliceert), dat de belanghebbende die voldoet aan alle door een nationale wetgeving gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering voor jonge werkzoekenden, het recht op deze uitkeringen niet mag worden ontzegd op grond van zijn nationaliteit”. ( 19 )
In het latere arrest Krid ( 20 ), waarin het ging om de samenwerkingsovereenkomst met Algerije, heeft het Hof, dat uitdrukkelijk was verzocht de Kcrmaschek-rcchtspraak ook toe te passen op gezinsleden van werknemers van derde landen waarmee de Gemeenschap samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten, beslist dat die rechtspraak niet kan worden toegepast, waar de personele werkingssfeer van deze bepaling van de overeenkomst „niet dezelfde is als die van artikel 2 van verordening nr. 1408/71”. Bij deze beslissing kan ik mij slechts ten dele aansluiten. Het is immers zo, dat door de aanwezigheid — in die overeenkomsten — van bepalingen die de non-discriminatic op grond van nationaliteit tussen eigen onderdanen enerzijds en werknemers uit derde landen en hun gezinsleden anderzijds bekrachtigen — bij ontbreken van de door de Samenwerkingsraad vast te stellen toepassingsbepalingen — de mogelijkheid wordt gecreëerd om de aldus vastgelegde gelijke behandeling met betrekking tot de gezinsleden van de werknemers niet te beperken tot de prestaties die als afgeleide rechten kunnen worden beschouwd. Het is volgens mij echter ook waar, dat er geen reden is om het in artikel 3 van de verordening neergelegde beginsel van gelijke behandeling buiten werking te stellen, telkens wanneer de betrokken prestatie door deze verordening niet met zoveel woorden enkel en uitsluitend aan de werknemers wordt toegekend.
13.
In die zin liet het Hof zich reeds uit in het arrest Echtelieden F. ( 21 ), waarin het bevestigde, dat „in het kader van de materiële werkingssfeer dier verordening en bij gebreke van een nadere andersluidende bepaling, de gezinsleden van een werknemer in het genot dienen te worden gesteld van de wettelijke voorzieningen van de Staat waar zij wonen, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat; dat derhalve voor het genot van rechten krachtens een nationale wettelijke regeling waarbij tegemoetkomingen aan mindervaliden worden toegekend, noch de werknemer zelf noch zijn gezinsleden mogen worden benadeeld ten opzichte van de onderdanen van de Staat waar zij wonen, enkel omdat zij de nationaliteit van die Staat niet bezitten”. Het Hof besliste op deze grond, dat volgens de verordening, inzonderheid de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, de zoon van een migrerend werknemer niet het recht op de uitkering voor een meerderjarige mindervalide kan worden ontzegd. ( 22 )
Opgemerkt zij, dat dezelfde oplossing door het Hof ook is gevolgd in het latere arrest Inzirillo van 16 december 1976 ( 23 ), dat kort na het arrest Kermaschek is gewezen. Die oplossing lijkt mij niet alleen beter aan te sluiten bij de doelstelling maar ook bij de tekst van de relevante bepalingen van de verordening.
14.
Dit betekent uiteraard niet, dat de gezinsleden van de werknemers recht hebben op alle door de verordening toegekende sociale-zekerheidsprestaties, maar wel, dat zij krachtens het beginsel van gelijke behandeling recht daarop hebben, telkens wanneer de tekst van de verordening zich er niet tegen verzet. Met andere woorden, mijns inziens moet het onderscheid tussen werknemers en gezinsleden zonder meer worden gehandhaafd, zodat vele prestaties uitsluitend aan de werknemer toekomen ( 24 ), terwijl het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten zonder meer dient te worden opgeheven, indien het, zoals in de Kermaschek-rechtspraak, aldus wordt opgevat dat de gezinsleden van de werknemers slechts recht hebben op de sociale-zekerheidsprestaties die door de verschillende nationale wetgevingen uitdrukkelijk ook aan hen worden toegekend.
De zojuist geopperde stelling, die overigens perfect strookt met de arresten Echtelieden F. en Inzirillo, betekent in het kort, dat het karakter van eigen recht of van afgeleid recht wordt beoordeeld aan de hand van de verordening en niet aan de hand van de afzonderlijke nationale wetgevingen. Ik verklaar mij nader: nu de verordening in wezen beoogt het vrije verkeer van werknemers te waarborgen en juist in die visie de gezinsleden en/of nagelaten betrekkingen van de werknemers binnen de personele werkingssfeer van de verordening vallen, kan het begrip afgeleid recht, en daarmee tevens dat van de prestaties waarop de gezinsleden van de werknemers in die hoedanigheid recht hebben, slechts een communautair begrip zijn. Dat brengt mij tot de conclusie, dat de gezinsleden van de werknemers op grond van het beginsel van gelijke behandeling aanspraak kunnen hebben op alle aan de eigen onderdanen toegekende prestaties, die op geen enkele manier gekoppeld zijn aan de uitoefening van een beroepswerkzaamheid en dus geen eigen recht van de werknemer vormen.
Die interpretatie lijkt mij niet geheel in tegenspraak met de omstandigheid waarop reeds in de loop van de procedure is gewezen, dat de verordening zorg draagt voor de coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid maar niet in enige harmonisatie voorziet. Ik merk in dit verband slechts op, dat de voorgestelde oplossing geen enkele vorm van harmonisatie inhoudt en zeker niet aan het uiteenlopende karakter van de nationale wetgevingen ter zake wordt getornd.
15.
Terugkerend naar de onderhavige zaak, waarin de premicreducties ter discussie staan die in het kader van de vrijwillige pensioenverzekering enkel aan de eigen onderdanen worden toegekend, is het volgens mij zinvol erop te wijzen, dat blijkens de eerste vraag, sub b, verzoekster met betrekking tot sommige verzekeringstijdvakken pensioenrechten heeft verkregen in haar hoedanigheid van gezinslid van een migrerend werknemer, dus als afgeleid recht in de zin van de Kcrmaschck-rechtspraak, en met betrekking tot andere verzekeringstijdvakken als eigen recht. Meer bepaald komt dit haar voor de tijdvakken waarin zij in Nederland woonde, toe als eigen recht, daar de AOW voor alle ingezetenen geldt; voor de tijdvakken waarvoor de overgangsregeling gold of waarin zij niet in Nederland woonde, had zij daarop aanspraak in haar hoedanigheid van echtgenoot van een werknemer, en ging het dus om een afgeleid recht.
Ik teken hierbij aan, dat in casu enkel ter discussie staat de hoogte van het bedrag van de verschuldigde verzekeringspremie voor de periode van 15 juli 1969 (dag waarop verzoekster Nederland heeft verlaten) tot en met 13 mei 1974 (haar 65ste verjaardag). Aangezien verzoekster in die periode niet meer in Nederland woonde en haar echtgenoot reeds gepensioneerd was, leidt de toepassing van de Kermaschek-rechtspraak tot de conclusie dat in de betrokken periode de verkrijging van de pensioenrechten een eigen recht van verzoekster is, die zich dus niet kan beroepen op de aan eigen onderdanen toegekende premiereducties.
16.
Gezien voorgaande opmerkingen is het duidelijk, dat ik het Hof voorstel niet op deze weg door te gaan. Voorts maakt verzoeksters geval maar al te duidelijk tot welke nadelige gevolgen het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten kan leiden. In casu wordt het karakter van eigen of van afgeleid recht namelijk bepaald aan de hand van de kenmerken van de betrokken nationale wetgeving, terwijl totaal geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het betrokken recht voor verzoekster nauw verbonden is met haar hoedanigheid van gezinslid van een werknemer.
De door verzoekster op grond van de Nederlandse wetgeving verkregen pensioenrechten hangen namelijk uitsluitend samen met het feit dat zij de echtgenote is van een migrerend werknemer, die zijn beroepsbezigheid in Nederland heeft uitgeoefend. Dit geldt te meer, omdat verzoekster tot het overlijden van haar echtgenoot niet een zelfstandig pensioen kreeg, daar haar pensioenrechten besloten lagen in die van haar echtgenoot die aldus een gehuwdenpensioen kreeg. Zo bezien kan de omstandigheid dat zij in de in casu in geding zijnde periode niet in Nederland woonde en dat haar echtgenoot toen gepensioneerd was, hoe dan ook niet van dien aard worden geacht, dat de mogelijkheid tot verkrijging van de pensioenrechten, die haar overigens door de SVB was geboden, daardoor aan strengere voorwaarden is onderworpen dan die welke voor de eigen onderdanen gelden.
Concluderend ben ik van mening, dat verzoekster op grond van artikel 2, lid 1, van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, ervan, in haar hoedanigheid van gezinslid van een migrerend werknemer aanspraak kon maken op de premiereducties die in het kader van de vrijwillige verzekering aan de eigen onderdanen worden toegekend.
17.
Daar ik het Hof in overweging geef de Kermaschek-rechtspraak, zij het ook ten dele, te herzien, vind ik het noodzakelijk te onderzoeken, of het wenselijk is, voor het geval dat de door mij voorgestelde benadering wordt gevolgd, de gevolgen van het arrest in de tijd te beperken.
Ik voeg hieraan toe, dat toen de SVB en de Lid-Staten — overigens in antwoord op een door het Hof bij de heropening van de mondelinge behandeling van de procedure ter zake gestelde vraag — hun standpunt hierover hebben bepaald, zij het Hof hebben verzocht, ingeval het afstand zou nemen van de Kermaschck-rechtspraak, de gevolgen van het arrest in de tijd te beperken. Hoewel volgens de Commissie de praktische en financiële gevolgen voor de socialezekcrheidsstelsels niet helemaal relevant zouden zijn, heeft zij tegen dit verzoek geen bezwaar gemaakt.
18.
Dienaangaande herinner ik om te beginnen eraan, dat, zoals bekend, de uitlegging die het Hof geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht in het kader van de hem bij artikel 177 van het Verdrag verleende bevoegdheid, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. In beginsel kan en moet derhalve het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien het niet gaat om reeds uitgeputte betrekkingen en voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht. ( 25 )
Het Hof heeft dus enkel in uitzonderlijke omstandigheden op grond van het algemene rechtszekerheidsbeginsel de mogelijkheid voor de belanghebbenden beperkt om zich op de aldus uitgelegde bepaling te beroepen. ( 26 ) Daarbij heeft het Hof enerzijds het gevaar voor ernstige economische gevolgen in overweging genomen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen; anderzijds heeft het zich daarbij afgevraagd of er een objectieve, relevante onzekerheid bestond omtrent de strekking van de communautaire voorschriften waarop het uitleggingsarrest betrekking had.
19.
Wat nu het opgeven van de Kermaschck-rechtspraak betreft, wijs ik er vooreerst op dat zulks, gelet op hetgeen hiervoor is gezegd, geen belangrijke financiële gevolgen met zich schijnt te brengen voor de socialezckcrlieidsorgancn van de Lid-Staten, hetgeen door de antwoorden van de Lid-Staten op een vraag van het Hof ter zake is bevestigd. ( 27 ) Dat neemt niet weg, dat de door mij voorgestelde oplossing een ommekeer in de thans twintigjarige rechtspraak betekent, zodat het bestaan van een objectieve, relevante onzekerheid omtrent de strekking van de in casu uitgelegde voorschriften wel moet worden erkend.
Derhalve moeten volgens mij in casu de gevolgen van het arrest in de tijd worden beperkt. Hoewel het beginsel van de volledige rechtsbescherming — een fundamenteel beginsel dat het Hof moet waarborgen — moet worden geëerbiedigd, moeten uiteraard wel de rechten onverlet blijven van degenen die vóór de datum van het arrest een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingesteld.
20.
Mitsdien ben ik van mening, dat een andere oplossing moet worden voorgesteld dan die welke ik in mijn conclusie van 21 september 1994 heb gesuggereerd. Ik geef het Hof derhalve in overweging de vragen van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:
„1)
De artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die de gezinsleden en/of nagelaten betrekkingen van een werknemer in de zin van deze verordening, op grond van hun verblijfplaats het recht ontzegt op de premiereducties die in het kader van de vrijwillige verzekering aan de eigen onderdanen worden toegekend.
2)
Gezinsleden en/of nagelaten betrekkingen van een werknemer kunnen niet met een beroep op de artikelen2, lid 1, en 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aanspraken geldend maken met betrekking tot vóór de datum van het arrest gelegen tijdvakken, tenzij het gaat om personen die reeds een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingesteld.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Ik verwijs naar die conclusie niet alleen voor een beschrijving van de feiten en het communautaire en nationale rechtskader, maar ook voor alle andere aspecten dan het onderscheid tussen eigen en afgeleide rechten. De navolgende opmerkingen hebben namelijk uitsluitend betrekking op dit onderscheid en de gevolgen daarvan voor de onderhavige zaak.
( 2 ) Arrest van 23 november 1976 (zaak 40/76, Jurispr. 1976, blz. 1669, r. o. 8).
( 3 ) Arresten van 6 juni 1985 (zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1739, r. o. 16 en 17); 20 juni 1985 (zaak 94/84, Deak, Jurispr. 1985, blz. 1873, r. o. 14-16); 17 december 1987 (zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511, r. o. 12 en 13); 8 juli 1992 (zaak C-243/91, Tagliavi, Jurispr. 1992, blz. I-4401, r. o. 8 en 9); 16 juli 1992 (zaak C-78/91, Hughes, Jurispr. 1992, blz. I-4839, r. o. 25 en 26), en 27 mei 1993 (zaak C-310/91, Schmid, Jurispr. 1993, blz. I-3011, r. o. 12 en 13).
( 4 ) Meer bepaald heeft verzoekster van 23 november 1948 tol en met 15 juli 1969, met uitzondering van de periode van 20 oktober 1960 tol en met 12 november 1963, in Nederland gewoond.
( 5 ) Zie in het bijzonder punten 12-14.
( 6 ) Zie punten 9-11 van de conclusie van 21 september 1994.
( 7 ) Conclusie van 23 februari 1995 in zaak C-103/94 (arrest van 5 april 1995, Jurispr. 1995, biz. I-719).
( 8 ) Arresi van 31 januari 1991 (zaak C-18/90, Kziber, Jurispr. 1991, blz. I-199, r. 0.28).
( 9 ) Zie artikel 1, sub f-i, tweede volzin, en artikel 1, sub g, tweede volzin.
( 10 ) Arrest Kermaschek, aangehaald in voetnoot 2, r. o. 6 en 7.
( 11 ) Idem, r. o. S.
( 12 ) Deze uitlegging wordt bevestigd door de reeds eerder gemaakte opmerking, dal deze verwijzing naar de nationale wetgevingen een beperking vindt in het begrip „hoofdzakelijk ten laste van de werknemer komend persoon”.
( 13 ) Zie de in voetnoot 3 aangehaalde arresten.
( 14 ) Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2).
( 15 ) Zie onder meer arrest van 27 maart 1985 (zaak 249/83, Hoeckx, Jurispr. 1985, blz. 973).
( 16 ) In die zin heeft hel Hof artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 aldus uitgelegd, dat onder het begrip sociaal voordeel ook vallen de bijzondere ouderdomstoelage (arrest Frascogna, aangehaald in voetnoot 3, r. o. 20-24), de wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden (arrest Deak, aangehaald in voetnoot 3, r. o. 21-24), de uitkeringen voor gehandicapten (arrest Schmid, aangehaald in voetnoot 3, r. o. 18-22). De enige uitzondering hierop is de zaak Tagliavi, waarin overigens dezelfde uitkering voor minder-validen als in de zaak Schmid ter discussie stond. Het Hof kwam tot de andere oplossing omdat volgens de in beide gevallen toepasselijke wettelijke regeling de onderdanen van derde landen, ook al waren zij gezinslid van een eigen onderdaan, geen aanspraak op de betrokken uitkering konden maken. In tegenstelling tot Schmid was mevrouw Tagliavi weliswaar echtgenote van een migrerende (communautaire) werknemer, maar geen onderdaan van een Lid-Staat. Hierbij moet ik wel opmerken, dat het Hof op grond van artikel 7, lid 2, de wachtuitkering voor jeugdige werkzoekenden heeft toegekend aan Dcak, gezinslid van een migrerend werknemer doch onderdaan van een derde land, hoewel de in die zaak relevante wetgeving de aanspraak op die uitkering ook ontzegde aan nicl-communautaire gezinsleden van onderdanen van de betrokken Lid-Staat.
( 17 ) Het bijzondere karaktervan de zaak die tot het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten heeft geleid, mag niet uit het oog worden verloren. Ik refereer in het bijzonder aan de omstandigheid dat mevrouw Kermaschek om een werkloosheidsuitkering verzocht, daar zij in een Lid-Staat had gewerkt en zich vervolgens naar een andere Lid-Staat had begeven, waarin zij de hoedanigheid van gezinslid van een communautaire (sedentaire) werknemer had verkregen, doch eerst nadat zij haar betrekking had opgezegd. Dat zij in haar hoedanigheid van gezinslid van een werknemer om die uitkeringen heeft verzocht, vindt juist zijn verklaring in het feit dat zij een onderdaan van een derde land was, anders zou zij de betrokken uitkeringen in de hoedanigheid van werknemer hebben aangevraagd. Toch vraag ik me ernstig af, of de verordening wel op een persoon in de situatie van mevrouw Kermaschek van toepassing is, ook wanneer de aanspraak op werkloosheidsuitkeringen als een afgeleid recht wordt beschouwd. Al is de verordening niet alleen van toepassing op migrerende werknemers maar op alle werknemers, ook de sedentaire, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen om andere dan bcrocpsrcdcncn, en dus ook op de gezinsleden (van sedentaire werknemers) die zich verplaatsen, toch kan ik niet begrijpen op welke wijze het gezinslid van een sedentaire werknemer, dat zich nooit in zijn hoedanigheid van gezinslid van een werknemer heeft verplaatst, aanspraak denkt te kunnen maken op „afgeleide rechten”. Deze benaderingswijze is echter door het Hof in het arrest Zaoui (aangehaald in voetnoot 3) bevestigd. Het Hof heeft aan Zaoui, van Algerijnse nationaliteit, waarvan niet bekend is dat hij zich ooit binnen het gebied van de Gemeenschap heeft verplaatst, namelijk het recht ontzegd op een aanvullende uitkering die door een nationaal solidariteitsfonds aan gepensioneerden wordt toegekend, en waarop Zaoui aanspraak had gemaakt in zijn hoedanigheid van echtgenoot van een Franse onderdaan die nooit gebruik had gemaakt van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap, op de enkele grond dat het van oordeel was, dat het om een eigen en niet om een afgeleid recht ging. Evenals in de zaak Kermaschek betekent dit dat, indien op grond van de betrokken nationale wetgeving de verlangde prestatie de vorm zou hebben aangenomen van een uit de hoedanigheid van gezinslid afgeleid recht, hij daarop aanspraak zou hebben gehad.
( 18 ) Arresi van 31 januari 1991, aangehaald in voetnoot 8, r. o. 28.
( 19 ) In dit verband zij opgemerkt, dat advocaat-generaal Van Gcrven in zijn conclusie in die zaak evenwel Tiet volgende had gesteld: „De in het arrest Kcrmaschck gegeven en in het arrest Dcak bevestigde en op de bewuste wachtuitkering toegepaste interpretatie van de artikelen 2 en 3 van verordening (KKG) nr. 1408/71, lijkt me ook te moeten gelden voor artikel 41 van de Overeenkomst. Gelet op doel en strekking van de Overeenkomst en op de bewoordingen van artikel 41 dal gelijkte behitndelitlg op hel oog heeft, kan immers niet worden aangenomen tlat deze bepaling aan gezinsleden van een Marokkaanse werknemer verder reikende (m. n. niel alleen afgeleide maar ook eigen) rechten zou verlenen dan deze welke verordening (KEG) nr. 1408/71, die het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap op het oog hccfl, verleent aan de gezinsleden van een werknemer uil de Gemeenschap” (Jurispr. 1991, blz. I-219).
( 20 ) Arrest van 5 april 1995, aangehaald in voetnoot 7, r. o. 38 en 39.
( 21 ) Arrest van 17 juni 1975 (zaak 7/75, Jurispr. 1975, blz. 679, r. o. 16 en 17).
( 22 ) In hetzelfde arrest heeft het Hof ook beslist, „dat immers, ware dit anders, de werknemer, ten einde zijn kind duurzaam te verzekeren van de wegens zijn handicap noodzakelijke tegemoetkomingen, ertoe zou worden gebracht niet te blijven in de Lid-Staat waar hij zich heeft gevestigd en zijn werk heeft gevonden, hetgeen zou ingaan tegen het doel van het beginsel van vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, mede gelet op het krachtens dit beginsel aan de werknemer en diens gezinsleden toegekende recht om, onder de voorwaarden van verordening nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 (...), verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat, na er een betrekking te hebben vervuld” (r. o. 20). Ik herhaal, dat de in casu aan de orde zijnde nationale wetgeving precies dezelfde is als die welke ten grondslag ligt aan de zaken Tagliavi en Schmid (aangehaald in voetnoot 3), waarin het Hof door toepassing van het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten evenwel tot de andersluidende conclusie is gekomen dat de verordening niet van toepassing was, juist omdat het recht op de tegemoetkoming voor een meerderjarige mindervalide als een eigen recht werd gekwalificeerd.
( 23 ) Zaak 63/76 (Jurispr. 1976, blz. 2057, r. o. 15-17). Ook in die zaak was hel recht op een uitkering aan een volwassen mindervalide in geding, dat door de betrokken nationale wetgeving als een eigen recht is geconstrueerd.
( 24 ) Behalve voor de prestaties ¡n verband met beroepsziekten en arbeidsongevallen is dit ook hel geval voor de werkloosheidsuitkeringen die krachtens de artikelen 67-70 van de verordening uitsluitend bestemd blijken te zijn voor degenen die de hoedanigheid van werknemer in de zin van deze verordening hebben.
( 25 ) Zíe arresten van 27 maart 1980 (zaak 61/79, Dcnkavil italiana, Jurispr. 1980, blz. 1205, r. o. 16, en t;cvocļ;dc zaken 66/79, 127/79 en 128/79, Salumi, Jurispr. 1980, blz. 1237, r. o. 9).
( 26 ) Zie arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Dcfrenne, Jurispr. 1976, blz. 455, r. o. 69-75) en laatstelijk arrest van 15 december 1995 (zaak C-415/93, Bosman, Jurispr. 1995, blz. I-4921, r. o. 139-146).
( 27 ) De Lid-Stalcn en tic SVB was verzocht de mogelijke praktische en financiële consequenties van het opgeven van de Kermaschck-rechtspraak mee te delen, maar zij waren niet in staal gegevensin die zin te verschaffen.
Full & Egal Universal Law Academy