Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze niet-nakomingszaak, ingeleid bij een op 10 juni 1993 ter griffie neergelegd verzoekschrift, vraagt de Commissie het Hof:
1) vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen en/of aan de Commissie mee te delen, die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(1), de krachtens die richtlijn, met name artikel 12 ervan, en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2) het Groothertogdom Luxemburg in de kosten te verwijzen.
2. Artikel 12 van genoemde richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten binnen drie jaar na de kennisgeving van de richtlijn de nodige maatregelen treffen om eraan te voldoen, en aan de Commissie de tekst meedelen van de bepalingen van intern recht die zij op het onder de richtlijn vallende gebied vaststellen.
Van de richtlijn is op 3 juli 1985 aan de Lid-Staten kennisgegeven. De omzettingstermijn verstreek dus op 3 juli 1988.
Omdat de Luxemburgse regering met betrekking tot die omzetting niets van zich had laten horen, nodigde de Commissie haar bij aanmaningsbrief van 9 maart 1990 uit, haar opmerkingen dienaangaande te maken. Op 19 juli 1990 schreef de permanente vertegenwoordiger van het Groothertogdom Luxemburg aan de Commissie, dat de wettelijke regeling waarbij de richtlijn in nationaal recht zou worden omgezet, binnen afzienbare tijd zou worden vastgesteld. Toen nader bericht uitbleef, bracht de Commissie op 8 april 1991 het in artikel 169, eerste alinea, EG-Verdrag bedoelde met redenen omkleed advies uit. Bij brief van 3 mei 1991 liet de permanente vertegenwoordiger van het Groothertogdom nogmaals weten, dat er aan de omzettingswetgeving werd gewerkt.
3. In zijn verweerschrift betoogt het Groothertogdom Luxemburg, dat een veroordeling niet terecht zou zijn, omdat de voornaamste bepalingen van de richtlijn reeds in het nationale recht zijn opgenomen bij de wet van 9 mei 1990 betreffende gevaarlijke, ongezonde of hinder veroorzakende inrichtingen(2), en het groothertogelijk uitvoeringsreglement van 18 mei 1990 houdende vaststelling van de lijst en de indeling van gevaarlijke, ongezonde en hinder veroorzakende inrichtingen.(3) De nog niet omgezette bepalingen zouden van meer technische of zelfs ondergeschikte aard zijn, en de omzetting ervan zou niets veranderen aan de praktijk van de overheidsorganen om, overeenkomstig de richtlijn en met een open oog voor de milieubelangen, systematisch effectbeoordelingen te eisen. In dupliek geeft het Groothertogdom echter impliciet toe, dat de rechtszekerheid slechts gewaarborgd zal zijn na de vaststelling van een wet en een groothertogelijk uitvoeringsreglement waarbij de richtlijn volledig wordt geïmplementeerd.
4. Uit het dossier blijkt, dat door de bestaande Luxemburgse wetgeving niet alle bepalingen van richtlijn 85/337 in nationaal recht zijn omgezet. Het is voorts vaste rechtspraak(4), dat eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet kunnen worden beschouwd als een juiste nakoming van de verplichting die krachtens artikel 189 EG-Verdrag rust op de Lid-Staten tot wie de richtlijnen zijn gericht.
Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Luxemburgse regering aangekondigd, dat het ontwerp-groothertogelijk reglement twee dagen later door de regering zou worden goedgekeurd en vervolgens gepubliceerd in het Luxemburgse staatsblad, het Mémorial. Aan de niet-nakoming zou dus vóór de uitspraak van het arrest een einde zijn gemaakt.
Ik wijs er echter op, dat de concrete situatie waarin de Luxemburgse autoriteiten zich bevinden, niet van belang is voor het bestaan van de niet-nakoming. Het is immers vaste rechtspraak, dat een Lid-Staat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van het feit dat hij zich niet aan de door gemeenschapsrichtlijnen opgelegde verplichtingen en termijnen heeft gehouden.(5)
Het feit dat richtlijn 85/337 thans zonder verder verwijl in Luxemburgs recht zal worden omgezet, vermindert bovendien in niets het belang van een vaststelling van de niet-nakoming. Het is immers eveneens vaste rechtspraak, dat ook in het geval waarin een niet-nakoming is beëindigd na afloop van de in het met redenen omkleed advies van de Commissie gestelde termijn, de Commissie er belang bij heeft haar rechtsvordering te handhaven, met het oog op de vaststelling van de eventueel uit de niet-nakoming voortvloeiende aansprakelijkheid van de Lid-Staat tegenover andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren.(6)
5. Om deze redenen geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie gegrond te verklaren en haar vorderingen toe te wijzen.
Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) - PB 1985, L 175, blz. 40.
(2) - Loi relative aux établissements dangereux, insalubres ou incommodes, Mémorial A 1990, blz. 310.
(3) - Règlement grand-ducal déterminant la liste et le classement des établissements dangereux, insalubres ou incommodes, Mémorial A 1990, blz. 316.
(4) - Arrest van 6 mei 1980 (zaak 102/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 1473, r.o. 10) en, laatstelijk, arrest van 26 januari 1994 (zaak C-381/92, Commissie/Ierland, Jurispr. 1994, blz. I-0000, r.o. 7).
(5) - Vaste rechtspraak; zie laatstelijk arrest van 2 augustus 1993 (zaak C-303/92, Commissie/Nederland, Jurispr. 1993, blz. I-4739, r.o. 9).
(6) - Vaste rechtspraak; zie laatstelijk arrest van 2 december 1992 (zaak C-280/89, Commissie/Ierland, Jurispr. 1992, blz. I-6185, r.o. 7).
Full & Egal Universal Law Academy