Conclusie van de advocaat generaal
++++
1. Met de prejudiciële verwijzing waarover het thans gaat, wenst de Rechtbank van eerste aanleg te Gent in wezen te vernemen, of eigenaars wier varkens op bevel van de nationale veterinaire autoriteiten zijn geslacht, aan de gemeenschapsregeling inzake de bestrijding van klassieke varkenspest een recht op onmiddellijke en volledige schadeloosstelling ontlenen.
2. Voor een beter begrip van de precieze strekking van de aan het Hof voorgelegde vragen moeten de ter zake geldende gemeenschapsregels en de ter uitvoering daarvan door het Koninkrijk België vastgestelde regels in herinnering worden gebracht, voor zover zij in de onderhavige context van belang zijn.
3. Bij richtlijn 80/217/EEG van de Raad van 22 januari 1980 zijn gemeenschappelijke maatregelen vastgesteld ter bestrijding van klassieke varkenspest.(1) Teneinde de gezondheidstoestand van de veestapel te verbeteren en de belemmeringen van het handelsverkeer in levende dieren en vers vlees tussen de Lid-Staten op te heffen(2), legt deze richtlijn de Lid-Staten de verplichting op alle maatregelen te treffen om de ziekte, zodra zij uitbreekt, onmiddellijk en doeltreffend te kunnen bestrijden en de verbreiding ervan te voorkomen.
Te dien einde bepaalt de richtlijn dat, wanneer wordt vermoed of geconstateerd dat er ergens varkenspest heerst, dit verplicht onmiddellijk aan de bevoegde nationale autoriteit moet worden gemeld. In dat geval moet die autoriteit er onverwijld voor zorgen dat een onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of de ziekte al dan niet aanwezig is, en laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen. In artikel 5 van de richtlijn is ter zake meer in het bijzonder bepaald:
"De Lid-Staten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit, wanneer de aanwezigheid van varkenspest officieel wordt bevestigd, (...) beveelt:
° alle varkens op het bedrijf onverwijld onder officieel toezicht af te maken, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het varkenspestvirus zowel tijdens het vervoer als tijdens het afmaken voorkomen wordt;
(...)"
4. Op 11 november 1980 heeft de Raad richtlijn 80/1095/EEG vastgesteld, houdende voorschriften welke ertoe strekken het grondgebied van de Gemeenschap vrij van klassieke varkenspest te maken en te houden.(3) Deze richtlijn is gewijzigd bij richtlijn 87/487/EEG van 22 september 1987(4), waarbij de duur van de actie is verlengd, gelet op de ernstige epizooetie van klassieke varkenspest die zich toen in verschillende gebieden van de Gemeenschap voordeed, waardoor het moeilijk was geworden de uitroeiingsprogramma' s binnen de gestelde periode volledig uit te voeren.
Artikel 3 van de richtlijn bepaalde namelijk, dat elke Lid-Staat die niet officieel vrij van varkenspest was, binnen een termijn van zes jaar een plan voor de versnelde uitroeiing van de klassieke varkenspest ter goedkeuring aan de Commissie moest voorleggen.(5) Bij artikel 3 bis, dat is ingevoegd in 1987, is voor de Lid-Staten die dit doel nog niet volledig zouden hebben verwezenlijkt, in de mogelijkheid voorzien om een nieuw plan op te stellen, zodat de totale periode voor de gezondmaking van hun grondgebied op tien jaar kon worden gebracht. In de artikelen 4 en 4 bis (ingevoegd bij richtlijn 87/487) zijn de criteria gepreciseerd waaraan de nationale plannen voor de uitroeiing van de ziekte moeten voldoen.
5. Tegelijkertijd met richtlijn 80/1095 heeft de Raad op 11 november 1980 beschikking 80/1096/EEG vastgesteld, betreffende een financiële actie van de Gemeenschap met het oog op de uitroeiing van klassieke varkenspest(6), aangevuld en gewijzigd bij beschikking 87/488/EEG van 22 september 1987(7), die er naar het voorbeeld van richtlijn 80/1095 hoofdzakelijk toe strekt een extra termijn vast te stellen voor de verwezenlijking van de ondernomen actie.
Ingevolge deze beschikking kwam een deel van de kosten van de Lid-Staten voor de maatregelen in het kader van de actie waarin richtlijnen 80/217 en 80/1095 voorzagen, ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: "(EOGFL"). Krachtens artikel 5, leden 1 en 1 bis (ingevoegd bij de wijzigingsbeschikking van 1987), doen de Lid-Staten de Commissie mededeling van de plannen voor de uitroeiing van klassieke varkenspest, alsmede van de nieuwe plannen, als bedoeld in de artikelen 3 en 3 bis van richtlijn 80/1095. De Commissie onderzoekt de plannen teneinde na te gaan of de voorwaarden voor financiële deelneming van de Gemeenschap zijn vervuld (artikel 5, lid 3). Wat dit laatste betreft, heet het in artikel 3, lid 2:
"Het Fonds, afdeling Oriëntatie, vergoedt de Lid-Staten in het kader van het in artikel 5 bedoelde plan:
a) ten hoogste 50 % van de kosten van de schadeloosstelling aan varkenshouders voor het afslachten en vernietigen van de dieren;
(...)"
Bij voormelde beschikking 87/488 is aan artikel 3 een lid 2 bis toegevoegd, dat als volgt luidt:
"De Gemeenschap vergoedt de Lid-Staten in het kader van de (...) aanvullende actie:
a) ten hoogste 50 % van de kosten van de schadeloosstelling aan varkenshouders voor het slachten en vernietigen van de varkens in de op het grondgebied van een Lid-Staat geconstateerde besmettingshaarden;
b) ten hoogste 50 % van de kosten van de schadeloosstelling aan varkenshouders voor het slachten en vernietigen van varkens die worden opgeruimd in het kader van de campagnes voor de systematische opsporing van deze ziekte die met behulp van serologische tests worden gevoerd ter uitvoering van het nieuwe in artikel 5, lid 1 bis, bedoelde plan;
(...)"
6. Ter uitvoering van deze regeling heeft de Commissie beschikking 88/529/EEG van 7 oktober 1988 vastgesteld, houdende goedkeuring van het door het Koninkrijk België ingediende programma voor de uitroeiing van klassieke varkenspest.(8) België is bij beschikking 81/400/EEG van 15 mei 1981(9) officieel erkend als zijnde niet vrij van de ziekte. Omdat de uitroeiing van de ziekte op het volledige grondgebied aan het einde van het eerste door de Commissie goedgekeurde plan nog niet was voltooid, heeft de Belgische Staat in december 1987 bij de gemeenschapsinstanties een nieuw plan ingediend ter voltooiing van de ondernomen actie, welk plan bij voormelde beschikking 88/529 is goedgekeurd. Het plan beantwoordde aan richtlijnen 80/217 en 80/1095, en voldeed dus aan de voorwaarden voor financiële deelneming van de Gemeenschap. In artikel 2 van beschikking 88/529 heette het meer in het bijzonder, dat België uiterlijk op 1 januari 1988 "de voor de tenuitvoerlegging van het programma vereiste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen" in werking doet treden.
7. Tegelijkertijd met de vaststelling van de regeling en van de specifieke actieprogramma' s ter bestrijding van de klassieke varkenspest, heeft de Raad een aantal concrete maatregelen genomen ter bestrijding van een andere varkensziekte, namelijk de Afrikaanse varkenspest. In dit verband zij gewezen op beschikking 80/1097/EEG van 11 november 1980 betreffende een financiële actie van de Gemeenschap voor de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest in Sardinië(10), waaraan de verwijzende rechter in zijn beschikking refereert.
Nadat de Gemeenschap in 1976 een eerste maal financieel aan de bestrijding van deze ziekte had bijgedragen(11), is bij deze beschikking vastgesteld dat de ziekte niet compleet is uitgeroeid, zodat het nieuwe verzoek van de Italiaanse autoriteiten om toekenning van gemeenschapssteun moet worden ingewilligd. Bij artikel 1 van de beschikking is bepaald, dat Italië een urgentieplan inzake de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest ter goedkeuring aan de Commissie moet voorleggen, en dat dit plan ter verzekering van de doeltreffendheid ervan, een in artikel 2 van de beschikking in bijzonderheden opgesomde reeks maatregelen moet omvatten. Voor de onderhavige zaak is dit artikel vooral van belang voor zover daarin het volgende is bepaald:
"Het in artikel 1 bedoelde plan moet voorzien in:
1. drastische uitroeiingsmaatregelen, meer in het bijzonder:
(...)
f) onmiddellijke en volledige schadeloosstelling van de eigenaren van varkens die ter uitvoering van het plan zijn geslacht.
(...)"
8. Bovendien heeft de Raad, op grond dat de ziekte in het betrokken gebied nog steeds voorkwam, bij beschikking van 25 april 1990(12), vastgesteld na de feiten van het hoofdgeding, de Italiaanse Republiek opgedragen een nieuw programma vast te stellen voor de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest op Sardinië, en voor de uitvoering van dit programma financiële steun van de Gemeenschap in het vooruitzicht gesteld. De maatregelen die het programma moet omvatten, zijn opgesomd in artikel 2 van de beschikking en komen in ruime mate overeen met die waarin de beschikking van 1980 voorzag; anders dan in de eerdere beschikking is in die van 1990 evenwel bepaald, dat de eigenaars van de afgemaakte varkens aanspraak hebben op "onmiddellijke en toereikende schadeloosstelling".
9. Richtlijn 80/217 is in Belgisch recht omgezet bij het koninklijk besluit van 10 september 1981 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de klassieke varkenspest en de Afrikaanse varkenspest.(13) Artikel 7 van dit besluit bepaalt dat, zodra in een bedrijf de aanwezigheid van varkenspest officieel wordt bevestigd, de inspecteur-dierenarts de afmaking beveelt van alle varkens van het bedrijf overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van het besluit. In het bijzonder zij gewezen op artikel 15:
"Binnen de perken van het begrotingskrediet wordt aan de eigenaar van de op bevel afgemaakte varkens een vergoeding toegekend gelijk aan:
1. 50 percent van de geschatte waarde der op bevel afgemaakte aangetaste of verdacht aangetaste varkens;
2. de volledige geschatte waarde der op bevel afgemaakte verdacht besmette varkens."
10. De feiten van het hoofdgeding kunnen in het kort worden samengevat als volgt.
Verzoeksters, de cooeperatieve vennootschappen C.V. Flip en de N.V. O. Verdegem, eigenaars van de op bevel van de veterinaire autoriteiten in het kader van de maatregelen ter bestrijding van de klassieke varkenspest afgemaakte varkens, hebben met een beroep op artikel 15 van voormeld koninklijk besluit van 10 september 1981 van de Belgische Staat schadevergoeding gevorderd.
Verzoeksters hebben voor de nationale rechter de hoogte van hun schadeloosstelling betwist, die volgens hen niet overeenkomt met de volledige waarde van de geslachte dieren en geen moratoire interessen omvat. De Belgische Staat heeft hiertegen ingebracht, dat ingevolge vorenbedoelde bepaling de schade slechts kan worden vergoed binnen de grenzen van het beschikbare begrotingskrediet, en dat daarvoor geen enkele termijn is vastgesteld, zodat geen andere bedragen verschuldigd zijn dan de hoofdsom. Verzoeksters daarentegen stellen zich op het standpunt, dat het besluit van 1981 moet worden uitgelegd in het licht van de gemeenschapsregeling. Ingevolge deze regeling hebben de eigenaars van de om gezondheidsredenen geslachte varkens recht op een "onmiddellijke en volledige" schadevergoeding, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 2, lid 1, sub f, van voormelde beschikking 80/1097 betreffende de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest in Sardinië.
11. Gelet op de door verzoeksters ontwikkelde argumenten, heeft de rechter a quo het Hof van Justitie drie prejudiciële vragen voorgelegd betreffende de uitlegging en de geldigheid van een aantal bepalingen van het gemeenschapsrecht.
In de eerste plaats wenst de Rechtbank van eerste aanleg te Gent te vernemen, of beschikking 88/529, gericht tot het Koninkrijk België, houdende goedkeuring van het door het Koninkrijk België ingediende programma voor de uitroeiing van klassieke varkenspest aldus moet worden uitgelegd, dat het eveneens de termen "onmiddellijke en volledige schadeloosstelling van de eigenaars van de varkens die ter uitvoering van het plan zijn geslacht" (zoals neergelegd in artikel 2, lid 1, sub f, van beschikking 80/1097 van de Commissie, betreffende de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest in Sardinië) omvat.
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, wenst de verwijzende rechter bovendien te vernemen of, voor zover aan de voorwaarden is voldaan, over de hoofdsom ook moratoire en gerechtelijke interessen zijn verschuldigd.
Voor het geval van een negatief antwoord op de eerste vraag, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of beschikking 88/529 ongeldig is wegens schending van artikel 7 EEG-Verdrag (thans artikel 6, hernummerd ingevolge het Verdrag van Maastricht), nu Italiaanse eigenaars wel recht hebben op een volledige en onmiddellijke schadeloosstelling, terwijl de Belgische eigenaars hierop slechts aanspraak zouden hebben binnen de perken van het begrotingskrediet, hoewel de twee beschikkingen uit dezelfde gemeenschapsregeling voortvloeien.
12. Vooraf wijs ik erop dat de vragen, hoewel daarin uitsluitend gewag is gemaakt van beschikking 88/529, er in werkelijkheid toe strekken te vernemen of de gemeenschapsregeling inzake de bestrijding van klassieke varkenspest ° waarvan voormelde beschikking een uitvoeringsmaatregel vormt ° een algemene verplichting in het leven heeft geroepen om de eigenaars van dieren die door de ziekte waren aangetast en moesten worden afgemaakt, "onmiddellijk en volledig" te vergoeden. Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven op zijn vragen, lijkt het mij dus nuttig ze in die zin te herformuleren, en meer in het bijzonder te verwijzen naar richtlijnen 80/217 en 80/1095 alsmede naar beschikking 80/1096 en naar de latere wijzigingen van deze teksten.
13. Op de aldus gepreciseerde vragen aan het Hof moet mijns inziens een negatief antwoord worden gegeven. Volgens mij kan uit de gemeenschapsregeling namelijk niet het bestaan van een algemeen beginsel worden afgeleid inhoudende dat de eigenaars van om veterinairrechtelijke redenen geslachte dieren steeds recht hebben op een "volledige en onmiddellijke" schadeloosstelling.
Wat in de eerste plaats de regeling ter bestrijding van de klassieke varkenspest betreft, deze beperkt zich er enerzijds toe te bepalen welke veterinairrechtelijke maatregelen de Lid-Staten moeten vaststellen om ziektegevallen te voorkomen en om de verspreiding van de ziekte te vermijden, en anderzijds voorziet zij in een financiële tussenkomst van de Gemeenschap ter ondersteuning van de programma' s van de betrokken Lid-Staten om hun grondgebied ziektevrij te maken. Zoals gezegd, behoren ingevolge beschikking 80/1096 tot de kosten die in aanmerking komen voor gemeenschapssteun, de vergoeding die aan de eigenaars wordt betaald voor het slachten en de verwijdering van hun dieren(14), doch deze tekst bevat geen enkele aanwijzing over de modaliteiten van deze schadeloosstelling en legt bovendien niet de verplichting op een schadeloosstelling te betalen. Bij ontstentenis van specifieke bepalingen ter zake, kunnen alleen de bepalingen van nationaal recht worden toegepast, wat met name België betreft, die van het reeds aangehaalde koninklijk besluit van 10 september 1981.
14. Wanneer de andere gemeenschappelijke handelingen worden onderzocht die ertoe strekken de gezondheid van mens en dier te beschermen en die bescherming te verbeteren, meer in het bijzonder de handelingen gericht op de uitroeiing van ziekten die overdraagbaar zijn op de mens, luidt de conclusie, dat de regels inzake de schadeloosstelling van de veehouders en de kenmerken van die schadeloosstelling nog sterker uiteenlopen.
Dit punt komt bijvoorbeeld niet ter sprake in richtlijn 77/391/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende een gemeenschappelijke actie met het oog op de uitroeiing van brucellose, tuberculose en leukose bij runderen.(15) Eerst later, bij beschikkingen van de Raad nrs. 90/424/EEG van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied(16), en 90/638/EEG van 27 november 1990 tot vaststelling van communautaire criteria voor de maatregelen inzake de uitroeiing van en de controle op bepaalde dierziekten(17), is ter verzekering van de doeltreffendheid van de gemeenschapsacties bepaald, dat de nationale programma' s voor de uitroeiing van voormelde ziekten en van de in beschikking 90/424 opgesomde ziekten in de "onmiddellijke en passende schadeloosstelling van de veehouders"(18) dienen te voorzien.
Ingevolge beschikkingen 86/649/EEG(19) en 86/650/EEG(20) van de Raad van 16 december 1986 tot instelling van een financiële actie van de Gemeenschap voor de uitroeiing van Afrikaanse varkenspest in respectievelijk Portugal en Spanje, moet het door de bevoegde nationale instanties vastgestelde programma ter verzekering van de doeltreffendheid ervan en ter verkrijging van financiële steun van de Gemeenschap voorzien in de "onmiddellijke en toereikende schadeloosstelling van de eigenaars van (...) geslachte varkens".(21)
Wat ten slotte de bepalingen betreft van de twee beschikkingen betreffende financiële steun van de Gemeenschap voor de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest op Sardinië, verwijs ik naar wat daarover eerder in deze conclusie reeds is gezegd.
15. Weliswaar is de bepaling die in een schadeloosstelling voorziet ten gunste van de veehouders die eigenaar zijn van de geslachte dieren, vooral sedert 1989 een standaardclausule geworden in de gemeenschapsprogramma' s inzake de bestrijding van veeziekten, doch dit lijkt voornamelijk te zijn ingegeven door het streven om de doeltreffendheid te verzekeren van de betrokken programma' s, via de actieve medewerking van de belanghebbende particulieren. Daarbij komt nog, dat deze bepaling, zoals de Commissie in haar memorie heeft uiteengezet, de wijze van betaling van de gemeenschapssteun regelt, en in de teksten wordt opgenomen voor zover zij als een noodzakelijke voorwaarde wordt beschouwd om de goede afloop van een bepaalde actie ter bestrijding van veeziekten te verzekeren. Aangezien dit de strekking van de maatregel is, geloof ik niet dat daaruit het bestaan kan worden afgeleid van een recht op schadevergoeding ten gunste van de eigenaars van de geslachte dieren. Anderzijds worden in dit verband zoveel verschillende, en vaak zeer algemene formules gebruikt ° de schadeloosstelling moet "onmiddellijk en passend" of "onmiddellijk en toereikend" zijn °, dat duidelijk blijkt dat deze materie nog steeds door het nationale recht wordt geregeld, dat bovendien bepaalt of eventueel moratoire en gerechtelijke interessen verschuldigd zijn.
16. Wat ten slotte de beweerde discriminatie tussen Belgische en Italiaanse veehouders betreft, wil ik mij ertoe beperken het volgende op te merken.
In de eerste plaats staat buiten kijf, dat richtlijn 80/1095, waarop de prejudiciële vraag in feite betrekking heeft, nu beschikking 88/529 zich ertoe beperkt het door de Belgische autoriteiten krachtens die richtlijn ingediende uitroeiingsprogramma goed te keuren, zonder onderscheid van toepassing is op het volledige grondgebied van de Gemeenschap, ongeacht de nationaliteit en de plaats van vestiging van de veehouders. Evenmin kan het bestaan van een discriminatie worden afgeleid uit de omstandigheid dat beschikking 80/1097 ten gunste van de Sardische veehouders in een "onmiddellijke en volledige" schadevergoeding voorziet, nu deze beschikking de bestrijding van de Afrikaanse varkenspest betreft, een andere ziekte dan die waarover het gaat in richtlijn 80/1095, namelijk de klassieke varkenspest.
17. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent als volgt te beantwoorden:
° Beschikking 88/529/EEG van de Commissie van 7 oktober 1988 houdende goedkeuring van het door het Koninkrijk België ingediende programma voor de uitroeiing van klassieke varkenspest, moet aldus worden uitgelegd, dat de Belgische Staat niet verplicht is de eigenaars van de krachtens voormeld programma geslachte varkens steeds volledig en onmiddellijk te vergoeden;
° Bij onderzoek van de richtlijn van de Raad van 11 november 1980, houdende voorschriften welke ertoe strekken het grondgebied van de Gemeenschap vrij van klassieke varkenspest te maken en te houden, alsmede van voormelde beschikking 88/529/EEG van de Commissie van 7 oktober 1988, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan zouden kunnen aantasten.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° PB 1980, L 47, blz. 11. Ingevolge richtlijn 80/1101/EEG van de Raad van 11 november 1980 inzake de datum van inwerkingtreding van richtlijn 80/217/EEG tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van klassieke varkenspest (PB 1980, L 325, blz. 17), moest richtlijn 80/217 uiterlijk op 1 juli 1981 in nationaal recht zijn omgezet.
(2) ° Eerste en tweede overweging van de considerans van de richtlijn.
(3) ° PB 1980, L 325, blz. 1.
(4) ° PB 1987, L 280, blz. 24.
(5) ° In de richtlijn van 1980 was de termijn aanvankelijk op vijf jaar vastgesteld, doch achteraf werd hij bij beschikking 87/230/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 99, blz. 16) op zes jaar gebracht.
(6) ° PB 1980, L 325, blz. 5.
(7) ° PB 1987, L 280, blz. 26.
(8) ° PB 1988, L 291, blz. 78.
(9) ° Beschikking van de Commissie houdende vaststelling van de status van de Lid-Staten ten aanzien van de uitroeiing van klassieke varkenspest (PB 1981, L 152, blz. 37).
(10) ° PB 1980, L 325, blz. 8.
(11) ° De bijdrage was toegekend bij besluit 77/97/EEG van de Raad van 21 december 1976 inzake de financiering door de Gemeenschap van bepaalde dringende acties op veterinair gebied (PB 1977, L 26, blz. 78).
(12) ° Beschikking 90/217/EEG betreffende financiële steun van de Gemeenschap voor de uitroeiing van de Afrikaanse varkenspest op Sardinië (PB 1990, L 116, blz. 24).
(13) ° Belgisch Staatsblad van 11.11.1981, blz. 14238.
(14) ° Artikel 3, leden 2 en 2 bis, zie hierboven, punt 5.
(15) ° PB 1977, L 145, blz. 44.
(16) ° PB 1990, L 224, blz. 19.
(17) ° PB 1990, L 347, blz. 27.
(18) ° Artikel 3, lid 2, laatste streepje van beschikking 90/424. Een soortgelijke bepaling is terug te vinden in bijlage I bij beschikking 90/638, inzake de criteria voor de uitroeiingsprogramma' s . Verwant hiermee is eveneens de tekst van artikel 3, lid 2, sub d, van beschikking 89/145/EEG van de Raad van 20 februari 1989 houdende instelling van een financiële maatregel van de Gemeenschap voor de uitroeiing van besmettelijke bovine pleuropneumonie (BBPP) in Portugal, bepalende dat ter verzekering van de doeltreffendheid van de actie, het door Portugal vast te stellen programma dient te bepalen, dat de eigenaars van de runderen die (...) zijn geslacht, onmiddellijk en op adequate wijze schadeloos worden gesteld (PB 1989, L 53, blz. 55).
(19) ° PB 1986, L 382, blz. 5.
(20) ° PB 1986, L 382, blz. 9.
(21) ° Artikel 2, lid 1, sub c, van de twee, gelijkluidende, beschikkingen.
Full & Egal Universal Law Academy