Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 Met de prejudiciële verwijzingen die heden dienen, wordt het Hof verzocht te preciseren, welke de relatie is tussen artikel 85 van het Verdrag en verordening (EEG) nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten(1), en in dit verband de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de nationale rechter af te bakenen.
De feiten
2 Ik breng in het kort de feiten van de hoofdgedingen in herinnering: zij hebben alle betrekking op de wettigheid van de aan de vennoten van een landbouwcooeperatie in de statuten opgelegde verplichting om een uittreegeld te betalen in geval van opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging.
a) Zaak C-319/93
3 Dijkstra, melkveehouder, werd bij besluit van de algemene vergadering uit zijn lidmaatschap van de cooeperatieve zuivelvereniging CZI De Torenmeter W. A. (hierna: "De Torenmeter") ontzet, omdat hij zijn verplichting niet was nagekomen om zijn gehele melkproduktie aan de vereniging ter beschikking te stellen.(2) Na dit besluit vorderde De Torenmeter, die op een later tijdstip in haar rechten werd opgevolgd door Friesland (Frico Domo) Cooeperatie B.A. (hierna: "FFD") van Dijkstra krachtens artikel 13 van de statuten betaling van een uittreegeld ten belope van 10 % van de melkprijs die hij gemiddeld in één jaar had ontvangen.(3)
De Rechtbank te Leeuwarden, waarbij de zaak aanhangig was gemaakt, wees de vorderingen van De Torenmeter toe. In het hoger beroep dat Dijkstra tegen dit vonnis bij het Gerechtshof te Leeuwarden heeft ingesteld, beriep hij zich op de nietigheid, wegens strijd met artikel 85 van het Verdrag, van de bepalingen uit de statuten, die betrekking hebben op: a) de verplichting voor de leden van de cooeperatie om aan de cooeperatie alle melk ter beschikking te stellen; b) de verplichting om een uittreegeld te betalen; c) de inachtneming van een opzegtermijn voor de uitoefening van het uittreerecht(4); d) de verplichte financiering van de cooeperatie door de leden door middel van een jaarlijkse inbreng van kapitaal (ledenkapitaal).(5)
In antwoord op deze argumenten verklaarde De Torenmeter, dat artikel 85 in casu niet van toepassing was op grond van de bijzondere uitzondering van artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 26/62.
4 Gelet op de onzekerheid betreffende de uitlegging die aan deze bepaling moet worden gegeven en de bestaande twijfels omtrent de verdeling van de bevoegdheden tussen de Commissie en de nationale rechter, heeft het Gerechtshof te Leeuwarden besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een beslissing over de navolgende prejudiciële vragen te verzoeken:
"1. Heeft de tweede zin van artikel 2, lid 1, van de verordening nr. 26 betreffende de toepassing van bepaalde regels ten aanzien van de mededinging op de landbouw, welke zin betrekking heeft op overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemingen, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één Lid-Staat, zelfstandige betekenis, aldus dat de nationale rechter van de geldigheid daarvan moet uitgaan, zo lang de Commissie niet heeft vastgesteld dat daardoor de mededinging wordt uitgesloten of de doeleinden van artikel 39 EEG-Verdrag in gevaar worden gebracht?
2. Zo ja, is voor een vaststelling door de Commissie dat dat het geval is, vereist dat zij haar oordeel in een beschikking, die is gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 2, heeft neergelegd?
3. Zo neen, moet dan de nationale rechter, indien in een voor hem aanhangige procedure een beroep op de nietigheid van een overeenkomst of besluit van een landbouwcooeperatie wordt gedaan wegens strijd met artikel 85 van het EEG-Verdrag en de cooeperatie zich beroept op het bepaalde in de tweede zin van artikel 2, lid 1, van de verordening nr. 26 de zaak ter beoordeling voorleggen aan de Commissie?"
b) Zaak C-40/94
5 Een identieke inhoud hebben de prejudiciële vragen die het Hof door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch zijn gesteld in het kader van een vergelijkbare zaak die 13 uitgetreden leden aanhangig hebben gemaakt tegen de cooeperatie waarvan zij lid waren, namelijk de Cooeperatieve zuivelvereniging Campina B.A., die na haar fusie in 1991 met de Melkunie Holland B.A. de Cooeperatieve vereniging Zuivelcooeperatie Campina Melkunie B.A. (hierna: "Campina") is geworden.
Van Roessel en de twaalf andere eisers in het hoofdgeding hadden allen tussen 1990 en 1992 hun lidmaatschap van Campina opgezegd. Van alle vóór 1 januari 1991 uitgetreden leden vorderde de cooeperatie een uittreegeld dat ingevolge de artikelen 15 en 16 van de destijds geldende statuten 10 % van het melkgeld bedroeg, dat zij de vijf aan hun uittreding voorafgaande boekjaren gemiddeld per jaar hadden ontvangen. Van de leden die na deze datum waren uitgetreden, werd daarentegen op grond van artikel 60 van de nieuwe statuten een uittreegeld van 4 % van het melkgeld gevorderd, dat zij in het aan het jaar van uittreding voorafgaande boekjaar hadden ontvangen. Campina verrekende deze bedragen eenzijdig met door haar nog aan de verschillende eisers verschuldigde bedragen.
6 In dit verband is het van belang erop te wijzen dat Campina de bepalingen inzake uittreding in haar eigen statuten had gewijzigd nadat tegen haar een procedure uit hoofde van artikel 85 van het Verdrag was ingeleid. De Commissie had in het bijzonder in aanmerking genomen, dat het oorspronkelijk vastgestelde bedrag van het uittreegeld de mogelijkheid van de leden om de cooeperatie te verlaten te sterk belemmerde en hen uiteindelijk verplichtte om hun gehele melkproduktie gedurende een onbepaalde tijd aan de cooeperatie te leveren. Bijgevolg werd niet alleen de economische vrijheid van de leden, maar ook de mogelijkheid van de concurrenten van Campina om zich met melk te bevoorraden, op een niet met de communautaire mededingingsregels verenigbare wijze beperkt.
Aan het einde van de onderhandelingen in het kader van de administratieve procedure had Campina de door de Commissie aanvaarde verbintenis op zich genomen, om de omstreden bepalingen van haar statuten aldus te wijzigen, dat haar leden hun lidmaatschap op drie verschillende tijdstippen in het jaar met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee jaar kunnen opzeggen, zonder enig uittreegeld te moeten betalen. De leden konden deze procedure evenwel ook omzeilen en een kortere opzeggingstermijn van drie maanden in acht nemen, doch in dat geval was slechts één uittreedatum toegestaan en moesten zij een uittreegeld betalen, dat was verlaagd tot 4 %. Ofschoon de Commissie van mening was dat de exclusieve leveringsverplichting in combinatie met de nieuwe bepalingen inzake uittreding van de leden nog steeds een concurrentiebeperking inhielden, was zij evenwel van oordeel dat deze beperking aanvaardbaar was, gezien de specifieke structuur van de melkmarkt, en kwam zij tot de slotsom dat deze onder de specifieke uitzonderingsbepalingen van verordening nr. 26/62 viel. Zij legde de zaak derhalve ad acta en vermelde de bereikte overeenkomst in het Verslag over het mededingingsbeleid betreffende het jaar 1991.(6)
7 Vermeld zij verder nog, dat eisers in het hoofdgeding hebben aangevoerd, dat de in de statuten neergelegde regeling inzake het uittreegeld nietig is wegens onverenigbaarheid met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, of althans voor zover het in rekening gebrachte uittreegeld hoger is dan 4 % van de gemiddelde omzet van het lid in de aan de uittreding voorafgaande vijf jaar. Gelet evenwel op het belang van de toepassingsvoorwaarden van verordening nr. 26/62 voor de oplossing van het geschil, heeft de verwijzende rechter de behandeling geschorst en het Hof dezelfde prejudiciële vragen voorgelegd als in zaak C-319/93 zijn gesteld.
c) Zaak C-224/94
8 De feiten in deze zaak wijken niet af van die in zaak C-40/94. Op het moment van uittreding uit de cooeperatie waarbij zij waren aangesloten, de Melkunie Holland B.V. (hierna: "Melkunie Holland") - een uittreding die plaats vond voor de fusie van de cooeperatie met de Cooeperatieve zuivelvereniging Campina B.A., die, zoals gezegd, plaats vond in 1991 - werden W. de Bie en veertien andere veehouders verplicht een uittreegeld te betalen, dat ingevolge artikel 15 van de statuten gelijk was aan 4 % van het melkgeld dat zij van de cooeperatie hadden ontvangen in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het lidmaatschap eindigde. Terzake zij opgemerkt, dat afgezien van het bedrag van het uittreegeld, de door Melkunie Holland ingeval van beëindiging van het lidmaatschap toegepaste regeling materieel identiek is aan die welke door Campina werden toegepast vóór de in 1991 in de statuten aangebrachte wijzigingen.
Voor de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch betoogden de uittredende leden, dat de desbetreffende bepalingen van de statuten onverenigbaar waren met artikel 85 van het Verdrag. In het bijzonder stelden zij, dat de in de statuten neergelegde uittredingsvoorwaarden meer beperkend waren dan die welke de Commissie aanvaardbaar achtte in het geval Campina. Daartegen bracht de cooeperatie in de eerste plaats in, dat deze bepalingen van de statuten, waar zij inherent zijn aan deze bijzondere samenwerkingsvorm, vanuit het oogpunt van artikel 85, lid 1, irrelevant zijn; subsidiair betoogde zij vervolgens, dat deze bepalingen onder de uitzondering van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62 vielen, zolang de Commissie niet bij beschikking het tegendeel had vastgesteld, hetgeen in casu niet is gebeurd.
9 Gelet evenwel op de bestaande onzekerheid over de uitlegging van deze bepalingen en de draagwijdte van de daarin voorziene uitzondering op de communautaire mededingingsregels, heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof dezelfde prejudiciële vragen voor te leggen als zijn gesteld door het Gerechtshof te Leeuwarden en een andere kamer van dezelfde arrondissementsrechtbank. Daarnaast heeft hij nog drie nadere vragen gesteld teneinde elke twijfel omtrent de verdeling van de bevoegdheden tussen de Commissie en de nationale rechter uit te sluiten. Deze vragen luiden als volgt:
"1. Dient artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26, in verbinding met artikel 1 van de verordening, zo te worden uitgelegd dat zo lang de Commissie niet ingevolge deze bepaling bij beschikking heeft vastgesteld dat een overeenkomst aan de in artikel 2, lid 1, gestelde positieve uitzonderingsvoorwaarden voldoet, ingevolge artikel 1 van verordening nr. 26, artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag direct toepasselijk is?
2. Luidt het antwoord op de vorige vraag anders ten aanzien van een vaststelling door de Commissie overeenkomstig het slot van de tweede volzin van artikel 2, lid 1, van de mededinging wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het EEG-Verdrag in gevaar worden gebracht?
3. Zo de eerste en tweede vraag ontkennend moeten worden beantwoord, is de nationale rechter dan desalniettemin zelfstandig bevoegd de niet toepasselijkheid van de uitzonderingsregime vermeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 uit te spreken nu de Commissie al op andere wijzen dan bij beschikking te kennen heeft gegeven dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 niet toepasselijk is, of dient zij de Commissie om een formele beschikking te verzoeken en de zaak aan te houden tot het moment dat de Commissie bij beschikking uitspraak heeft gedaan?
d) Zaak C-399/93
10 De feiten in deze zaak zijn volstrekt vergelijkbaar met die in de zaken C-40/94 en C-224/94. Ook in deze zaak vorderde de Verenigde Cooeperatieve Melkindustrie Coberco B.A. (hierna: "Coberco") van Oude Luttikhuis en acht andere veehouders op het tijdstip waarop zij hun lidmaatschap van de cooeperatieve vereniging opzegden, een uittreegeld dat de cooeperatie nadien eenzijdig had verrekend met nog aan de betrokken leden verschuldigde bedragen. Het bedrag van dit uittreegeld, dat ingevolge artikel 17 van de statuten in alle gevallen van beëindiging van het lidmaatschap door ontzetting of opzegging verschuldigd is, bedraagt 2 % van het bedrag dat aan het lid voor de laatste vijf jaren van zijn lidmaatschap geleverde melk is uitbetaald en komt dus overeen met ongeveer 10 % van gedurende de vijf jaren voorafgaande aan zijn opzegging of uitzetting gemiddeld per jaar van de cooeperatie ontvangen bedrag.
Dit bedrag wordt echter met 10 % verminderd wanneer de betrokkenen ten minste acht jaar lid is geweest van de cooeperatie en met een gelijk percentage voor elk extra jaar tot een maximum van 80 %, wanneer het lidmaatschap 15 jaar heeft geduurd. Een belangrijke beperking in de tijd op de degressie van het uittreegeld is evenwel vastgesteld in artikel 13 van de statuten, volgens welke een veehouder die aanvang boekjaar 1990 lid was van de cooeperatie - uitsluitend voor de toepassing van deze bepalingen - wordt geacht het lidmaatschap op deze datum te zijn aangegaan.
Indien de duur van het lidmaatschap korter was dan vijf jaar, is het verschuldigde uittreegeld gelijk aan 2 % van het bedrag dat wordt bepaald door het aan of door het lid uitbetaalde bedrag voor de tijdens zijn lidmaatschap geleverde, respectievelijk ontvangen melk te vermenigvuldigen met het aantal maanden dat het aantal volle maanden van zijn lidmaatschap begrepen is op zestig.
Volgens artikel 13, tweede lid, van de statuten ten slotte eindigt het lidmaatschap met het einde van het lopende boekjaar, indien voor 1 juli is opgezegd; in het andere geval eindigt het lidmaatschap met het einde van het volgende boekjaar.
11 Voor de Arrondissementsrechtbank te Zutphen hebben eisers ook in dit geval met een beroep op de door de Commissie in het geval Campina aanvaarde oplossing betoogt dat deze bepalingen nietig zijn op grond van artikel 85 van het Verdrag, althans voor zover het daarin bepaalde bedrag van het uittreegeld hoger is dan 4 % van het gemiddeld per jaar door de cooeperatie aan het uittredende lid uitbetaalde bedrag gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de opzegging of de ontzetting. De geadieerde rechter, die twijfel koestert omtrent de verenigbaarheid van de statutaire regeling inzake het uittreegeld met artikel 85 van het Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62, heeft het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd, die in zekere zin een aanvulling vormen op de vragen in de zaken C-319/93, C-40/94 en C-224/94:
"1. Naar welke criteria dient in dit geval te worden beoordeeld of de uittreeregeling van Coberco in strijd is met het bepaalde in artikel 85, lid 1, van het Verdrag?
2. Naar welke criteria dient beoordeeld te worden of bedoelde uittreeregeling onder het uitzonderingsregime van verordening nr. 26 valt?"
12 Met betrekking tot de situatie op de betrokken markt beperk ik mij voor het onderhavig onderzoek ertoe - en onder voorbehoud van de latere vaststellingen die door de nationale rechter dienen te geschieden - om de volgende gegevens uit de stukken in herinnering te brengen.
In 1991 waren in Nederland 13 zuivelcooeperaties actief, die ongeveer 85 % van de in dit land geproduceerde melk verwerkten. Hun totale omzet bedroeg circa anderhalf miljard gulden per jaar. De drie grootste cooeperaties, dat wil zeggen Campina, Coberco en Frico Domo, partijen in de hoofdgedingen, nemen alleen reeds 70 % van de melkproduktie af en 87 % van de Nederlandse veetelers is bij hen aangesloten.
De in verordening nr. 26/62 voorziene uitzondering.
13 Overeenkomstig artikel 42 van het Verdrag zijn de bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten - dat wil zeggen de produkten welke zijn vermeld in de lijst die als bijlage II aan het Verdrag is gehecht (artikel 38, lid 3) - slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad wordt bepaald.
Op basis van deze bepaling heeft de Raad verordening nr. 26/62 vastgesteld, die in artikel 1 de artikelen 85 tot en met 90 van het Verdrag, evenals de voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen van toepassing verklaart op de mededingingsregelingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de betrokken produkten, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 2. In artikel 2, lid 1, wordt bepaald:
"Artikel 85, lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de in het voorgaande artikel bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen. Het is in het bijzonder niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen binnen één Lid-Staat, voorzover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwprodukten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwprodukten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht."
In de leden 2 en 3 van dit artikel wordt aangegeven welk orgaan bevoegd is om vast te stellen of een mededingingsregeling voor de in het eerste lid bedoelde bijzondere uitzondering in aanmerking komt en welke procedure in voorkomend geval moet worden gevolgd. In het bijzonder wordt daarin bepaald:
"Onder voorbehoud van het toezicht van het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd om, na de Lid-Staten te hebben geraadpleegd en de belanghebbende ondernemingen of ondernemersverenigingen, alsmede elke andere natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij het noodzakelijk acht de mening in te winnen, te hebben gehoord, in een te publiceren beschikking vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
De Commissie gaat over tot deze vaststelling, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bevoegde autoriteit van een Lid-Staat of van een belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging".
14 Op grond van deze bepalingen stuit de algemene toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten dus op grenzen die uiteindelijk alle zijn terug te voeren op de noodzaak om de verwezenlijking van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar te brengen. De eerste categorie van de in artikel 2, lid 1, bedoelde mededingingsregelingen, dat wil zeggen die welke een wezenlijk bestanddeel uitmaken van nationale marktorganisaties, zijn thans vanzelfsprekend van zeer beperkt belang, indien ervan wordt uitgegaan dat voor het grootste gedeelte van de produkten gemeenschappelijke marktorganisaties tot stand zijn gebracht, die in de plaats zijn gekomen van de nationale marktorganisaties.
De enige uitzondering die hier enig belang heeft, is derhalve die met betrekking tot de mededingingsregelingen welke noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag bedoelde doelstellingen. Deze bepaling is overigens restrictief uitgelegd in de beschikkingspraktijk van de Commissie, volgens wie het voor een bepaalde overeenkomst, om in deze categorie te vallen, niet voldoende is dat zij ertoe strekt, de doelstellingen van artikel 39 te verwezenlijken, doch zij bovendien het enige en het beste middel moet zijn om deze te verwezenlijken. Enkel in dat geval kan de overeenkomst noodzakelijk worden geacht in de zin van deze bepaling.(7)
Wanneer er evenwel een gemeenschappelijke marktorganisatie bestaat, heeft de Commissie de mededingingsregeling altijd getoetst aan de verordening houdende totstandbrenging om de marktorganisatie, voor zover daarin met betrekking tot de specifieke sector van het produkt algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden gepreciseerd. Vanuit dat perspectief is zij normaliter tot de slotsom gekomen dat de overeenkomsten die niet worden genoemd in de maatregelen welke worden voorzien in de verordening inzake de totstandbrenging van de gemeenschappelijke marktorganisatie, niet vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 39 bedoelde doelstellingen, of in elk geval niet passen in het kader van de in deze verordening vervatte regeling.(8)
15 De praktijk van de Commissie is bevestigd in de rechtspraak van het Hof. In het arrest Frubo(9), achtte het bij voorbeeld de weigering van de Commissie om een overeenkomst krachtens artikel 2 van verordening nr. 26/62 toe te staan, gerechtvaardigd, omdat de betrokken mededingingsregeling weliswaar de stabiliteit van de markt en de zekerheid van de voorziening tegen redelijke prijzen voor de consument verzekerde, dat wil zeggen drie van de in artikel 39 aangegeven doelstellingen, doch niet was aangetoond dat zij vereist was om "de produktiviteit van de landbouw te doen toenemen" of om "de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren", dat wil zeggen de twee voornaamste doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Bij deze uitlegging, die slechts ten onrechte als restrictief kan worden beschouwd, sluit ik mij zonder meer aan. Bij het bepalen van de precieze draagwijdte van de in artikel 2 van verordening nr. 26/62 bedoelde uitzonderingen, kan namelijk niet worden voorbijgegaan aan de diepgaande wijzigingen in de wettelijke context waarbinnen deze verordening oorspronkelijk is vastgesteld, als gevolg van de geleidelijke totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor de grote meerderheid van landbouwprodukten, met inbegrip van de maatregelen tot stimulering van initiatieven van producentengroeperingen en binnen de betrokken bedrijfstak, die de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt kunnen vergemakkelijken, alsook het beleid om de producentenverenigingen te stimuleren om beter in te spelen op de in het bijzonder voor deze economische sector geldende noodzaak om het aanbod te concentreren en de prijzen te stabiliseren, betekenen evenwel, dat men zich bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde mededingingsregeling vereist is om de in artikel 39 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, meer moet laten leiden door het nadien ontwikkelde, omvangrijke afgeleide recht, dan door de in 1962 vastgestelde algemene criteria.(10) Met andere woorden, enkel wanneer artikel 2 van verordening nr. 26/62 wordt gerelateerd aan de andere in de landbouwsector vastgestelde wettelijke bepalingen, kan worden vastgesteld welke ruimte er eventueel nog bestaat voor mededingingsbeperkende overeenkomsten die van latere datum zijn dan die welke uitdrukkelijk zijn toegestaan of voorgeschreven in het kader van de instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
16 Dit logisch-systematische criterium en ook het evolutiecriterium, dat erop is gericht om de gegeven regeling - zij het binnen de door de letter van de toepasselijke tekst toegestane grenzen - aan te passen aan de wijzigingen in de sociaal-economische situatie, moeten ook worden toegepast bij de uitlegging van de tweede zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62. Deze zin, die niet voorkwam in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en die, vooral om landbouwcooeperaties te bevorderen, op verzoek van het Europees Parlement daarin is opgenomen, kan op twee verschillende manieren worden gelezen.
Volgens de eerste manier heeft het tweede deel van artikel 2, lid 1, geen zelfstandige functie, doch geeft zij slechts een voorbeeld van de mededingingsregelingen waarvoor de in het eerste deel van dit artikel vastgestelde bijzondere uitzonderingsregeling geldt.(11) Hierbij wordt veel gewicht toegekend aan de letter van de bepaling, vooral aan de uitdrukking "is in het bijzonder niet van toepassing", die de twee zinnen verbindt. De Commissie heeft deze uitlegging gevolgd in verschillende gevallen waarin deze bepaling werd toegepast, en heeft daaruit de verdere consequentie getrokken dat artikel 85, lid 1, enkel niet van toepassing is op een tussen landbouwproducenten gesloten of in het kader van hun verenigingen toegepaste mededingingsregeling, wanneer voldaan is aan de in het eerste deel van dit artikel vastgestelde voorwaarden, dat wil zeggen dat wordt aangetoond dat zij een wezenlijk bestanddeel van een nationale marktorganisatie uitmaakt of vereist is voor de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen.(12)
17 Een tweede uitlegging, die ook de Commissie in haar eerste beschikkingen ter zake(13) is gevolgd en die zij recentelijk(14) en ook in de loop van de onderhavige procedure opnieuw heeft voorgesteld, ziet in de tweede zin van artikel 2, lid 1, een afzonderlijke uitzondering of althans een uitbreiding van de in de eerste zin voorziene gevallen van niet-toepasselijkheid van artikel 85.(15) De uitzondering op de communautaire mededingingsbepalingen zou aldus, met inachtneming van de bijzondere vereisten van de landbouwproduktie en de bijzonder belangrijke plaats die deze samenwerkingsvorm op dit gebied inneemt, worden uitgebreid tot die mededingingsregelingen die, hoewel zij niet vereist zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, hiervoor geen gevaar zouden opleveren.
De strekking van de bepaling zou dan zijn dat de bewijslast wordt omgekeerd ten gunste van de cooeperaties en de verenigingen van landbouwondernemers: deze laatsten behoeven dus niet aan te tonen dat een overeenkomst met de hier beschreven kenmerken vereist is voor de doelstellingen van artikel 39, doch daarentegen dient de Commissie het bewijs te leveren dat de overeenkomst gevolgen heeft die onverenigbaar zijn met enige van de in het Verdrag omschreven doelstellingen.(16) Tot aan de vaststelling ter zake zouden de betrokkenen overeenkomsten als voorlopig geldig moeten worden beschouwd.
18 Dat de tweede zin van artikel 2, lid 1, niet ertoe strekt de gevallen van niet-toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels uit te breiden tot gevallen die niet in de eerste zin zijn voorzien, noch om een bijzondere procedure voor de toepassing van deze regels op de categorie van aldaar genoemde mededingingsregels in te voeren, blijkt niet alleen uit de tekst van deze bepaling, maar ook uit de motivering van de verordening. Daaruit, in het bijzonder uit de derde en de vierde overweging(17), blijkt dat zij de toepassing van artikel 85 van het Verdrag in de landbouwsector enkel beoogt te beperken, voor zover dit geen gevaar voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan opleveren. In deze context wordt "de bijzondere aandacht" die wordt besteed aan het gemeenschappelijk optreden van de verenigingen van landbouwondernemers gerechtvaardigd, ten aanzien waarvan wordt aangenomen dat zij normaliter voldoende de voorwaarden van de uitzonderingsregeling. Omdat de grenzen van de toepasselijkheid van artikel 85 ook in casu de grenzen blijven die in het algemeen zijn vastgesteld, en omdat anderzijds de verordening ertoe strekt, de mededingingsregels van toepassing te verklaren op de landbouwsector, sluit dit vermoeden niet uit dat bedoelde overeenkomsten toch onder het verbod van artikel 85, lid 1, kunnen vallen, wanneer in werkelijkheid blijkt dat zij "de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar breng(en)".
19 Indien dit de juiste uitlegging van artikel 2, lid 1 is, volgt daaruit dat alle mededingingsregelingen die voldoen aan de daarin vastgestelde criteria, aan dezelfde regeling zijn onderworpen. In het bijzonder:
- behoeven de betrokken ondernemingen, anders dan het geval is met betrekking tot de ontheffingen uit hoofde van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, deze regelingen niet aan te melden en de positieve beschikking van de Commissie af te wachten alvorens zij de mededingingsregeling kunnen uitvoeren, omdat de uitzondering op het verbod van artikel 85, lid 1, rechtstreeks in verordening nr. 26/62 is vastgesteld: de eventuele beschikking van de Commissie heeft derhalve een declaratoir karakter;
- nog steeds op grond van het feit dat geen aanmeldingsplicht voor de ondernemingen is voorzien, wordt de beschikking waarbij de Commissie op grond van artikel 2, lid 2, vaststelt dat aan de voorwaarden voor de uitzondering is voldaan, van kracht met ingang van een datum waarop de overeenkomst is gesloten;
- wordt de niet-toepasselijkverklaring van artikel 85, lid 1, voor onbepaalde tijd gegeven en kan zij geen voorwaarden en verplichtingen inhouden, omdat verordening nr. 26/62 geen bepaling bevat die vergelijkbaar is met die van artikel 8 van verordening nr. 17/62(18) betreffende de ontheffingen uit hoofde van artikel 85, lid 3.
20 Gelet op het voorgaande is het derhalve uitgesloten dat de mededingingsregelingen tussen landbouwproducenten voorlopig geldig zijn tot het moment waarop een beschikking van de Commissie wordt gegeven, waarin de in verordening nr. 26/62 bedoelde uitzondering niet van toepassing wordt verklaard op het concrete geval. De zinsnede "tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht" heeft namelijk, zoals ik reeds heb aangegeven, ten doel de grenzen vast te stellen waarbinnen de in de verordening vastgestelde bijzondere regeling geldt.
Anderzijds zal een andere uitlegging van de bepaling, zoals de Franse regering opmerkt, tot gevolg hebben dat de nationale rechter de bevoegdheid wordt verleend om vast te stellen of in het aan hem voorgelegde geval een bepaalde mededingingsregeling in aanmerking kan komen voor de betrokken uitzondering, zulks duidelijk in strijd met de exclusieve bevoegdheid die terzake in artikel 2, lid 2, van de verordening aan de Commissie wordt verleend.
De bevoegdheid om de bijzondere regels van verordening nr. 26/62 toe te passen
21 Nadat ik aldus de strekking van de uitzondering op de toepasselijkheid van de verdragsbepalingen inzake de mededinging op het gebied van de landbouw heb gepreciseerd, moet thans worden onderzocht, welke procedure moet worden gevolgd bij de toepassing van verordening nr. 26/62. Zoals zojuist is gezegd, is de Commissie krachtens artikel 2, lid 2, bij uitsluiting bevoegd om ambtshalve of op verzoek van de betrokkenen, na de Lid-Staten te hebben geraadpleegd en de ondernemingen of ondernemersverenigingen, waarvan zij het nuttig achten mening in te winnen, te hebben gehoord, vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
Gelet op hetgeen hiervoor is uiteengezet, ben ik van mening dat deze exclusieve bevoegdheid van de Commissie enkel speelt, wanneer moet worden verklaard dat inderdaad aan de voorwaarden voor de uitzondering wordt voldaan, en bijgevolg een positieve beschikking moet worden gegeven, waarin wordt erkend dat de in artikel 85, lid 1, voorziene verboden niet van toepassing zijn op de bedoelde overeenkomsten, besluiten of gedragingen. Deze exclusieve bevoegdheid van de Commissie is volgens de vijfde overweging van verordening nr. 26/62 gerechtvaardigd "om de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar te brengen [en] om de rechtszekerheid en de niet-discriminerende behandeling van de betrokken ondernemingen te waarborgen (...)". Anderzijds wordt enkel in die gevallen de bijzondere procedure van artikel 2, lid 2 toegepast, vooral de voorafgaande raadpleging van de Lid-Staten.
22 Wanneer daarentegen de Commissie van mening is, dat in een bepaalde casuspositie geen uitzonderingen op de mededingingsregels kunnen worden toegestaan, is zij niet verplicht, vóór haar beschikking waarin zij de betreffende de mededingingsregeling verbiedt, een afzonderlijke beschikking te geven, waarin wordt vastgesteld dat niet aan de in artikel 2, lid 1, voorziene voorwaarden voor de uitzondering is voldaan. Zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Frubo heeft verklaard: "men zou de Commissie tot overdreven formalisme en onnodige vertraging bij het onderzoek van de betrokken zaken dwingen, indien zij de Lid-Staten ook in die gevallen zou moeten raadplegen, waarin de niet-toepasselijkheid van de in verordening nr. 26 bedoelde uitzonderingen voor haar boven elke twijfel is verheven".(19)
Er moet dus van worden uitgegaan, dat wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een mededingingsregeling in aanmerking komt voor de uitzondering, het in artikel 1 van verordening nr. 26/62 neergelegde beginsel, namelijk het beginsel dat artikel 85 alsmede de voor zijn toepassing uitgevaardigde bepalingen ook gelden voor de voortbrenging van of de handel in landbouwprodukten, zijn volledige werking kan ontplooien. Wat betekent dit in concreto? In de eerste plaats dat voor de toepassing van artikel 85 ook met betrekking tot deze overeenkomsten de normale procedure op het gebied van de mededinging moet worden gevolgd, dat wil zeggen de procedure van verordening nr. 17/62. In de tweede plaats dat een eventuele beschikking van de Commissie waarin een inbreuk op artikel 85, lid 1, wordt vastgesteld, op grond van artikel 85, lid 2, van het Verdrag en artikel 1, van verordening nr. 17/62 effect sorteert met ingang van het tijdstip van het begin van de inbreuk, onverminderd evenwel de mogelijkheid voor de Raad om met betrekking tot bepaalde categorieën van overeenkomsten uitdrukkelijk anders te bepalen in een krachtens artikel 42 van het Verdrag vastgestelde verordening.(20) In de derde plaats beschikt de nationale rechter naast de Commissie over een concurrente bevoegdheid met betrekking tot de toepassing van artikel 85, leden 1 en 2, en kan hij derhalve een mededingingsregeling in de landbouwsector nietig verklaren, wanneer het duidelijk is dat niet wordt voldaan aan de in verordening nr. 26/62 vastgestelde voorwaarden voor de uitzondering.(21)
23 Ook in deze context rijst dus het probleem, hoe de noodzaak om tegenstrijdige beslissingen van de Commissie en de nationale rechter te voorkomen, ten aanzien waarvan is gesteld dat een mededingingsregeling tussen landbouwproducenten of verenigingen van landbouwproducenten wordt gedekt door de in verordening nr. 26/62 vastgestelde bijzondere uitzondering, kan worden verzoend met de op deze rechter rustende verplichting, zich uit te spreken over de vorderingen van de partijen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft beklemtoond, ligt dit probleem in feite niet echt anders dan het probleem van de toepassing van artikel 85, lid 3. Voor de oplossing van dit vraagstuk kan dus worden verwezen naar de beginselen die het Hof heeft uitgewerkt in het arrest Delimitis.(22)
Er is geen enkel bijzonder probleem, wanneer de nationale rechter, die in de eerste plaats wordt gevraagd vast te stellen of aan de toepassingsvoorwaarden voor artikel 85, lid 1, is voldaan, tot de conclusie komt dat de betrokken mededingingsregeling in elk geval niet onder het daarin vastgestelde verbod valt. In dat geval kan hij de procedure namelijk voortzetten en uitspraak doen in het hem voorgelegde geschil.
24 Wanneer hij daarentegen aan het einde van deze eerste fase van zijn onderzoek van mening mocht zijn dat de mededingingsregeling qua doel of strekking de mededinging kan verhinderen of vervalsen, moet de rechter vervolgens vaststellen of zij voldoet aan de in artikel 2, lid 1, tweede zin, omschreven formele vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor de uitzondering: dat wil zeggen of daarbij enkel landbouwondernemers of verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen betrokken zijn, en of de betrokkenen binnen één Lid-Staat zijn gevestigd, of zij betrekking heeft op de voortbrenging of de verkoop van landbouwprodukten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwprodukten en ten slotte of zij de betrokkenen niet verplicht om een bepaalde prijs toe te passen.
Wanneer aan deze vereisten wordt voldaan, moet de nationale rechter ten slotte met inachtneming van de in de rechtspraak van het Hof en in de beschikkingspraktijk van de Commissie ontwikkelde criteria, beoordelen hoe waarschijnlijk het is, dat de mededingingsregeling in aanmerking kan komen voor de in artikel 2 van verordening nr. 26/62 voorziene uitzondering. In dit verband, waarbij altijd nog de mogelijkheid bestaat om de behandeling van de zaak te schorsen om het Hof een prejudiciële vraag te stellen in de zin van artikel 177 van het Verdrag, kan de nationale rechter als feitelijke gegevens die hem kunnen helpen bij het onderzoek van de individuele gevallen en voor het begrip van het beleid van de Commissie ook rekening houden met de aanwijzingen die uit de jaarlijkse Verslagen over het mededingingsbeleid zijn te halen. Zodra hij eenmaal de zekerheid heeft verkregen, dat de litigieuze mededingingsregeling of zekere bepalingen daarvan niet aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor de in artikel 2 bedoelde uitzondering, kan hij deze overeenkomstig artikel 82, lid 2, van het Verdrag nietig verklaren.
25 Wanneer de nationale rechter daarentegen van mening is, dat de litigieuze mededingingsregeling eventueel kan vallen onder een van de in verordening nr. 26/62 bedoelde gevallen, moet hij vervolgens binnen de grenzen en overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale procesrecht beoordelen, of hij de behandeling van de zaak zal schorsen om de belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden om op grond van artikel 2, lid 3, om een beschikking van de Commissie te verzoeken, of op basis van de door het Hof onder verwijzing naar artikel 85, lid 3, ontwikkelde beginselen, waarnaar per analogiam kan worden verwezen, bij de Commissie inlichtingen in te winnen over de stand van de procedure die deze instelling in voorkomend geval heeft ingeleid en over de waarschijnlijkheid dat zij zich officieel uitspreekt over de litigieuze mededingingsregeling, dan wel om de economische en juridische gegevens in te winnen die deze instelling hem kan verschaffen.(23)
Toepasselijkheid van artikel 85
26 De verenigbaarheid van de statutaire bepalingen inzake het uittreegeld met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62 is daarentegen de centrale vraag in zaak C-399/93. De terzake verdedigde standpunten kunnen worden samengevat als volgt. Gelet op het doel van een landbouwcooeperatie, namelijk de aangesloten leden een grotere invloed te geven bij het bepalen van de marktprijzen en derhalve een betere beloning voor hun activiteiten door gezamenlijk de grondstof te exploiteren, vereist volgens Coberco dat een hechte band tussen de leden en de cooeperatie tot stand wordt gebracht. Anderzijds zou de omstandigheid dat de investeringsbeslissingen betreffende de produktiecapaciteit door de cooeperatie worden genomen op basis van de door de leden geproduceerde hoeveelheid grondstof, een rechtvaardiging vormen voor het feit dat hun de verplichting wordt opgelegd om alle gewonnen melk aan de cooeperatie te leveren - waartegenover de verplichting van deze laatste staat om deze melk af te nemen -, alsmede voor het feit dat in de statuten bepalingen zoals die betreffende het uittreegeld worden opgenomen, die een zekere duurzaamheid van de deelneming aan de cooeperatie dienen te verzekeren. Deze verplichtingen zouden slechts een nadere uitwerking vormen van de algemenere verplichting van "trouw" aan de cooeperatie, die een karakteristiek element is van deze samenwerkingsvorm en de natuurlijke tegenprestatie zou zijn voor de voordelen die het lid ontleent aan een vereniging, die ten doel heeft onderlinge bijstand te verlenen. Wat dit aangaat, zouden de bepalingen inzake het uittreegeld meer in het bijzonder de uitdrukking vormen van de financiële solidariteit die van de leden wordt verlangd, en anderzijds noodzakelijk blijken om de continuïteit en de solvabiliteit van de cooeperatie te waarborgen. Daar de beperking van de autonomie van de individuele persoon door de behartiging van het algemene belang als inherent moet worden beschouwd aan het feit dat wordt deelgenomen aan een economische eenheid met een bepaalde organisatievorm, volgt daaruit volgens Coberco dat de betrokken bepaling, wat artikel 85, lid 1, betreft, niet relevant is.
27 Eisers in de hoofdzaak stellen daarentegen, dat de litigieuze bepalingen een belangrijke beperking van de economische vrijheid van het lid van de cooeperatie opleveren: de verplichting om een vergoeding te betalen wanneer hij van plan is uit de cooeperatie uit te treden, te zamen met de verplichting om in het kader van de cooeperatieve band alle geproduceerde melk aan deze cooeperatie te leveren, zal het lid voor zeer lange periodes de mogelijkheid ontnemen om zich tot concurrenten te wenden, ook wanneer dit economisch voordeliger blijkt. Anderzijds zou het feit dat de statuten van de overige grootste zuivelcooeperaties in Nederland vergelijkbare bepalingen kennen, tot gevolg hebben dat de markt zeer rigide wordt, waardoor het derden wordt belet om werkzaam te concurreren met ondernemingen die reeds op deze markt gevestigd zijn. De opmerkingen van de Commissie zijn grotendeels analoog.
28 Artikel 85, lid 1, verbiedt mededingingsregelingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Met betrekking tot de criteria aan de hand waarvan deze bepaling op een concreet geval moet worden toegepast, heeft het Hof gepreciseerd, dat de eisen inzake de bescherming van de mededinging die deze bepaling nastreeft, moeten worden gedefinieerd met inachtneming van de concrete context van de gedraging van de ondernemingen. De in de artikelen 3 en 85 van het Verdrag gestelde voorwaarde dat de mededinging niet wordt vervalst, houdt in dat op de markt een werkzame mededinging (workable competition) moet bestaan, dat wil zeggen een mate van mededinging die noodzakelijk is voor de naleving van de fundamentele vereisten en het bereiken van de doelstellingen van het Verdrag, in het bijzonder de totstandbrenging van één markt, zodat de aard en de intensiteit van de mededinging kunnen variëren naargelang van de betrokken produkten of diensten en de economische structuur van de marktsectoren.(24)
29 Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde mededingingsregeling binnen de werkingssfeer van het verbod van artikel 85, lid 1, valt, moet in de eerste plaats worden nagegaan, of zij ten doel heeft de mededinging te beperken. Daartoe moet het door de mededingingsregeling nagestreefde doel worden onderzocht, met inachtneming van de economische context waarin zij moet worden toegepast.(25) Indien de mededingingsregeling als zodanig enkel ertoe strekt om de vrije mededinging tussen de partijen onderling of tussen de partijen en concurrenten te beperken in de zin van artikel 85, lid 1, moet zij zonder meer verboden worden geacht, zonder dat de gevolgen ervan behoeven te worden onderzocht.(26)
Wat dit aangaat, zullen de bepalingen die een integrerend bestanddeel van de inhoud van een bepaalde overeenkomst vormen en die de grondslag en het evenwicht van de rechtsverhoudingen tussen partijen helpen bepalen, normaliter niet een mededingingsbeperkend doel hebben.(27)
Wanneer zij niet een mededingingsbeperkend doel heeft, moet tot een tweede onderzoeksfase worden overgegaan en moeten de gevolgen die de mededingingsregeling in concreto voor de mededinging kan hebben, worden onderzocht. Deze mededingingsregeling zal dan verboden worden geacht, indien blijkt dat zij de mededinging in elk geval merkbaar kan beperken.(28)
Ten slotte zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht de organisatie van een onderneming in de bijzondere rechtsvorm van een cooeperatie op zichzelf niet is aan te merken als een mededingingsbeperkend gedrag, doch een middel kan vormen om het commercieel gedrag van de daarbij aangesloten ondernemingen aldus te beïnvloeden dat de mededinging op de markt waarop deze ondernemingen actief zijn, wordt beperkt of vervalst. Bijgevolg zijn de statutaire bepalingen die de betrekkingen tussen de cooeperatie en haar leden regelen, niet onttrokken aan de toepassing van de bepalingen van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag.(29)
30 Bij de toepassing van deze beginselen op het onderhavige geval dienen de statutaire bepalingen betreffende de beperkte mogelijkheden van uittreding van een lid en de bepalingen die deze laatste te verplichten om de geproduceerde melk exclusief aan de cooeperatie te verkopen, te zamen worden onderzocht. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren, dat het oprichten van een cooeperatie tot verwerking of bewerking van landbouwprodukten een vorm van samenwerking tussen ondernemingen tot stand brengt, ten aanzien waarvan zowel de nationale wetgever als de gemeenschapsinstelling een positieve houding innemen, omdat zij een factor tot modernisering en rationalisering van de landbouwsector vormt en uiteindelijk bijdraagt tot de efficiëntie van de ondernemingen en tot de totstandbrenging van een doeltreffende en werkzame mededinging tussen deze ondernemingen.
In dit verband is het feit dat in de statuten bepalingen worden opgenomen waarbij de leden worden verplicht om een gehele melkproduktie aan de cooeperatie te leveren of een bepaald bedrag te betalen in geval van beëindiging van het lidmaatschap, vooropgesteld dat uittreding hierdoor niet feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, in overeenstemming met het vereiste dat de vereniging behoorlijk moet kunnen draaien, in het bijzonder wanneer zij haar intrede op de markt doet of in een aanloopfase van haar activiteiten. Enkel wanneer er dergelijke bepalingen zijn die de cooeperatie een zo breed mogelijke commerciële basis en een zekere duurzaamheid in het lidmaatschap van de vereniging dient te verzekeren, zijn de leden bereid om de financiële verantwoordelijkheden die uit de gesloten overeenkomsten voortvloeien, op zich te nemen. Het betreft dus een vorm van statutaire bescherming tegen gedragingen die de financiële structuur en het voortbestaan van de vereniging zelf in gevaar kunnen brengen. Dit is de reden waarom dergelijke bepalingen, die de "trouw" van het lid dienen te waarborgen, in de statuten van cooeperaties worden opgenomen: zo gezien, hebben zij derhalve niet een concurrentiebeperkend doel in de zin van artikel 85, lid 1.
Deze oplossing, op grond waarvan wordt erkend dat de litigieuze bepaling in abstracto noodzakelijk zijn om te bereiken dat de cooeperatieovereenkomst haar juridisch-economische functie, die tot uiting komt het feit dat de verrichte activiteiten voornamelijk op wederzijdse bijstand zijn gericht, volledig kan ontplooien, strookt anderzijds met de door de communautaire rechtsorde getoonde positieve houding jegens het verschijnsel cooeperatie, in het bijzonder, zoals reeds is opgemerkt, in de sector landbouw.
31 Dan dient vervolgens te worden onderzocht, of de litigieuze bepalingen niet toch mededingingsbeperkende gevolgen hebben, die onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, wegens enige bijzondere omstandigheden rechtens of feitelijk.
Bij een dergelijke beoordeling, in het bijzonder betreffende de draagwijdte van de op de leden rustende verplichting tot exclusieve levering aan de cooeperatie, moet volgens vaste rechtspraak(30) rekening worden gehouden met de feitelijke economische context waarin een dergelijke band effect sorteert. Mitsdien moeten de algemene gevolgen van dergelijke bepalingen voor de mededinging worden onderzocht met inachtneming van de werkelijke omstandigheden en voorwaarden waaronder de betrokken markt functioneert. Ofschoon de exclusieve leveringsverplichting, waar zij aan de landbouwer-producent de verkoop van de eigen produkten en aan de cooeperatie de zekerheid van bevoorrading waarborgt, qua strekking beslist niet in strijd is met artikel 85, lid 1, doch integendeel een middel is om de mededinging te bevorderen, omdat zij de vestiging van nieuwe ondernemingen op de markt bevordert, waarvan zij de efficiëntie helpt verbeteren, kan het zijn dat zij toch anders moet worden beoordeeld wanneer zij, gelet op de economische context waarin zij in het leven is geroepen, ten gevolge heeft dat de markt te rigide wordt of zelfs inefficiënt en excessieve winsten veroorzaakt.
Bij een dergelijke beoordeling moet rekening worden gehouden met het aantal en het gewicht van de op de markt opererende ondernemingen en in dit verband met de positie van de cooeperatie(31), waarbij het duidelijk zal zijn dat indien zij een sterke concurrentiepositie inneemt, zij ook minder behoefte heeft aan bescherming tegen onafhankelijk optreden van haar eigen leden. In dit verband zij opgemerkt dat het Hof en het Gerecht, toen zij dergelijke bepalingen die de "trouw" van de leden aan de cooeperatie dienden te verzekeren, onverenigbaar met artikel 85, lid 1, verklaarden, van beslissend belang hebben geacht dat de betrokken cooeperatie een zeer sterke positie op de markt innam en dat de bepalingen bijgevolg in werkelijkheid ten doel hadden, deze machtspositie, die de toegang van andere concurrerende marktdeelnemers belette, te beschermen.(32)
32 In de tweede plaats dient te worden onderzocht, of de litigieuze overeenkomst een geïsoleerd karakter heeft, dan wel of zij daarentegen deel uitmaakt van een netwerk van overeenkomsten met een soortgelijke inhoud, op grond waarvan een groot aantal grondstofproducenten gebonden blijken aan exclusieve leveringsverplichtingen. Wanneer dit geval zich voordoet, moet derhalve worden onderzocht, of het cumulatieve effect van soortgelijke exclusiviteitsverplichtingen, in hun geheel beschouwd, te zamen met de andere elementen van de economische en juridische context van de bijzondere overeenkomst in geschil, niet tot een onverenigbaarheid met artikel 85, lid 1, leidt. Zo nodig moet, zoals reeds is opgemerkt, in het bijzonder rekening worden gehouden met de invloed die dit netwerk van soortgelijke bepalingen kan hebben op de mogelijkheid van toegang tot de markt van concurrerende derden.(33)
33 Een van de andere factoren die van invloed kunnen zijn bij de toetsing van de statutaire bepalingen aan de mededingingsregels, is in het bijzonder de mogelijkheid die aan de leden moet zijn gewaarborgd, dat zij zich na een redelijke periode uit de cooeperatie kunnen terugtrekken. Is dat niet het geval, dan zijn zij namelijk enerzijds verplicht gedurende lange tijd lid te blijven en kunnen zij zich anderzijds gedurende de gehele periode van lidmaatschap niet tot concurrenten wenden. Een dergelijke dubbele band zou de leden elke daadwerkelijke vrijheid van handelen ontnemen en tegelijkertijd derden beletten doeltreffend te concurreren met de cooeperatie. Ten slotte moet in aanmerking worden genomen of er daarnaast, dat wil zeggen naast de binding van de leden aan de cooeperatie gedurende te lange periodes, nog andere statutaire bepalingen bestaan, die buitensporige en onevenredige lasten opleggen aan de leden die de cooeperatie willen verlaten.
34 Wat onderhavige zaak betreft, volgt uit de hiervoor beschreven gegevens betreffende de situatie van de betrokken markt en de andere gegevens in de processtukken, dat Coberco na verschillende fusies en concentraties in de loop van de jaren een van de drie grote cooeperaties in de zuivelsector in Nederland is. Zij heeft duizenden leden, waaronder vele kleinere cooeperaties op lokaal niveau, en verwerkt ongeveer 30 % van de in het land geproduceerde melk. Wat haar jaaromzet betreft behoort zij tot de grootste cooeperaties van het betrokken land.
Soortgelijke bepalingen als hier in geding, komen ook voor in de statuten van de andere Nederlandse cooeperaties die in deze sector opereren, in het bijzonder, zoals blijkt uit de stukken in de zaken C-319/93 en C-40/94, in de statuten van FFD en Campina, dat wil zeggen de andere twee grote zuivelcooeperaties, die te zamen met Coberco, zoals in het begin van deze opmerkingen is verklaard, ongeveer 85 % van de in Nederland geproduceerde melk verwerken.
De mededingingsbeperkende gevolgen van dergelijke bepalingen zijn anderzijds bijzonder merkbaar geworden doordat de aan de leden opgelegde exclusieve leveringsverplichting gepaard gaat met de verplichting dat de leden, behalve bij Campina die haar statuten op dit punt heeft gewijzigd na de inleiding van een procedure uit hoofde van artikel 85, lid 1, wanneer zij uit de cooeperatie uittreden, een uittreegeld moeten betalen dat, omdat het een niet onaanzienlijke financiële last vormt, een aanzienlijke belemmering voor de beëindiging van het lidmaatschap vormt. Aan deze situatie lijkt mij weinig af te doen, dat het bedrag van deze vergoeding dat - ik herhaal het - gelijk is aan 10 % van hetgeen het lid in de vijf jaar voorafgaande aan zijn uittreding gemiddeld per jaar van de cooeperatie heeft ontvangen, krachtens artikel 17, lid 1, van de statuten van Coberco na het achtste jaar van lidmaatschap vermindert.
35 Voor de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, is evenwel vereist dat de intracommunautaire handel door de mededingingsregeling ongunstig wordt beïnvloed. Terzake volstaat het op te merken dat, zoals Coberco zelf heeft erkend, er geen technische moeilijkheden bestaan die een melkverwerkende onderneming beletten om zich ook bij producenten van de grondstof te bevoorraden, die op grote afstand van de plaats van verwerking zijn gevestigd, omdat de melk diepgekoeld zonder kwaliteitsverlies over een betrekkelijk groot aantal kilometers kan worden vervoerd. Er is dan ook geen enkele reden waarom melk- en zuivelfabrieken die in de aan Nederland grenzende landen zijn gevestigd, hun produkten niet bij Nederlandse landbouwers zouden kunnen betrekken. Dit wordt overigens bevestigd door het feit dat de administratieve procedure tegen Campina is ingeleid na een klacht van een Belgische concurrerende cooeperatie.(34) Het cumulatieve effect van alle litigieuze bepalingen is dus, dat de mogelijkheid van een werkzame mededinging op de gehele Nederlandse markt van het betrokken produkt ernstig wordt verhinderd, zo niet wordt uitgesloten, en dat ook de economische vervlechting van de diverse nationale markten wordt bemoeilijkt.(35)
36 In casu ben ik dan ook, onverminderd de nadere vaststellingen die de nationale rechter dient te verrichten, van mening dat, gelet op de omvang en het gewicht van de cooeperatie op de markt, het bestaan van een netwerk van mededingingsregelingen van soortgelijke inhoud waaraan een groot aantal Nederlandse landbouwers gebonden is, het feit dat de aan de leden opgelegde verplichting tot exclusieve levering van hun eigen produktie wordt versterkt door bepalingen op grond waarvan het uittredende lid op het moment van verlaten van de cooeperatie een vergoeding dient te betalen, de ernstige beperking van de economische vrijheid van de leden alsmede van de concurrenten van de cooeperatie om de door de leden van de betrokken cooeperatie geproduceerde melk aan te kopen, de litigieuze bepalingen ten gevolge hebben dat zij bijdragen tot een beperking van de mededinging die onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 85, lid 1.
Toepasselijkheid van verordening nr. 26/62 op de statuten van Coberco
37 De litigieuze bepalingen lijken mij niet in aanmerking te kunnen komen voor de in verordening nr. 26/62 voorziene uitzondering. Terzake lijdt het geen twijfel dat wegens de versnippering van het melkaanbod in Nederland tussen een groot aantal landbouwbedrijven van betrekkelijk geringe omvang, de oprichting van cooeperaties of van andere vormen van verenigingen van landbouwers die ten doel hebben om het desbetreffende aanbod te concentreren, zonder meer in overeenstemming met de verwezenlijking van de in artikel 39 van het Verdrag bedoelde doelstellingen moet worden geacht.
Ook moet bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aan de leden van een landbouwcooeperatie opgelegde statutaire verplichtingen met de in de betrokken verordening voorziene uitzondering het juiste belang worden toegekend aan de bijzondere kenmerken van de band tussen deze bijzondere verenigingsvorm en de leden ervan, die is te verklaren door het feit dat deze laatste tegelijkertijd leverancier en/of gebruiker van de goederen of diensten zijn, die worden geleverd of verricht door de cooeperatie waarbij zij zijn aangesloten. Ofschoon de op de leden daarvan rustende verplichtingen de tegenprestatie vormen voor de bijzondere voordelen welke zij hun toekent, en in dit verband de beperking van de economische handelingsvrijheid van het lid als gevolg van de verplichting om zijn eigen produktie geheel of gedeeltelijk aan de cooeperatie te leveren, wordt gerechtvaardigd doordat met redelijke nauwkeurigheid moet kunnen worden bepaald welke hoeveelheden van het produkt de cooeperatie zelf zal moeten verwerken en verkopen en welke diensten die zij zal moeten leveren, moeten dergelijke mededingingsbeperkingen zich derhalve beperken tot hetgeen noodzakelijk is om de goede werking van de cooeperatie te verzekeren, ook door middel van de waarborg van een zekere continuïteit en duurzaamheid van de cooeperatieve betrekkingen, en om de doelstellingen te verwezenlijken waartoe de bijzondere regeling van verordening nr. 26/62 is ingevoerd. Voor de precieze draagwijdte van de in deze verordening vastgestelde uitzondering op de toepasselijkheid van de mededingingsbepalingen in de sector landbouw verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt.
38 Een uittreeregeling als vastgesteld in de statuten van Coberco lijkt mij op basis van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, dus volledig onevenredig aan het te verwezenlijken doel, omdat de in alle gevallen aan de leden opgelegde verplichting om een uittreegeld van 10 % van de gemiddeld in een jaar ontvangen melkprijs te betalen, ook gelet op de sterke concurrentiepositie van de cooeperatie, wegens de economische kosten ervan, voor het lid uiteindelijk een soort gedwongen lidmaatschap wordt. Anderzijds kan deze regeling, zoals de Commissie aantoont, niet in overeenstemming worden geacht met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, in het bijzonder de verhoging van het hoofdelijk inkomen van de landbouwers, omdat zij belet dat deze laatsten kunnen profiteren van de concurrentie op het gebied van de door de verschillende verwerkende ondernemingen toegepaste aankoopprijzen van de grondstof.
Ik ben daarom van mening dat, overeenkomstig het door de Commissie in de zaak Campina verdedigde standpunt, het lid, mits hij een redelijke opzegtermijn in acht neemt om de vennootschap en de andere leden geen schade te berokkenen, in elk geval de mogelijkheid zal moeten hebben om uit de cooeperatie uit te treden zonder enige vergoeding te betalen, die enkel, indien zij in redelijke termen is gesteld, kan worden gerechtvaardigd wanneer wordt afgezien van een dergelijke "lange" opzegtermijn.(36)
39 Gelet op het voorgaande geef ik, concluderend, het Hof derhalve in overweging, de door het Gerechtshof te Leeuwarden en de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
- ten aanzien van de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers, of verenigingen van deze verenigingen, bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten, geldt niet een vermoeden van geldigheid, zolang de Commissie niet heeft vastgesteld dat daardoor de mededinging wordt uitgesloten of de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht;
- ingevolge artikel 2, lid 2, van deze verordening is de Commissie bij uitsluiting bevoegd om ambtshalve of op verzoek van de betrokkenen vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten of gedragingen voldoen aan de in lid 1 van deze bepaling vastgestelde voorwaarden voor de uitzondering op de mededingingsbepalingen;
- de nationale rechter kan, indien in een voor hem aanhangige procedure een beroep op de nietigheid van de bepalingen van de statuten van een landbouwcooeperatie wordt gedaan wegens strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag en de cooeperatie zich beroept op het bepaalde in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62, de behandeling van de zaak voortzetten en uitspraak doen in het voor hem aanhangige geschil in de gevallen waarin kennelijk niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 85, lid 1, is voldaan, of vaststellen dat de betrokken bepalingen nietig zijn uit hoofde van artikel 85, lid 2, indien hij de zekerheid heeft gekregen dat deze bepalingen niet voldoen aan de voorwaarden voor de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26/62 bedoelde uitzondering; in geval van twijfel kan de nationale rechter, wanneer dit nuttig lijkt, in overeenstemming met de bepalingen van zijn nationaal procesrecht, bij de Commissie aanvullende inlichtingen inwinnen of de partijen in staat stellen om de Commissie om een uitspraak te verzoeken.
Met betrekking tot de door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen gestelde vragen geef ik het Hof in overweging, te antwoorden als volgt:
- onder voorbehoud van de vaststellingen die de nationale rechter dient te verrichten in overeenstemming met de in deze conclusie beschreven criteria, zijn de bepalingen in de statuten van een landbouwcooeperatie van melkproducenten, op grond waarvan de leden enerzijds verplicht zijn om hun produktie exclusief aan de cooeperatie te leveren en zij anderzijds verplicht zijn om ingeval van uittreding een opzegtermijn van ten minste zes maanden in acht te nemen en een uittreegeld te betalen ten belope van 2 % van de prijs die de cooeperatie hun heeft betaald voor de melk die zij gedurende de laatste vijf jaren hebben geleverd, verboden door artikel 85, lid 1, en kunnen zij niet worden uitgezonderd krachtens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962; in dit verband is het van belang om rekening te houden met de economisch en juridische context waarin deze verplichtingen gelden, in het bijzonder het bestaan, op de relevante markt, van een netwerk van mededingingsregelingen met soortgelijke inhoud en de positie die de cooeperatie op deze markt inneemt.
(1) - PB 1962, 30, blz. 993.
(2) - Deze verplichting is neergelegd in artikel 17 van de statuten.
(3) - In het bijzonder bepaalt artikel 13 van de statuten:"1. De natuurlijke persoon van wie het lidmaatschap is geëindigd op een der wijzen genoemd in artikel 8 sub b, c en d, [dat wil zeggen na uittreding of ontzetting] of de rechtspersoon van wie het lidmaatschap is geëindigd op een der wijzen genoemd in artikel 8, is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van het bestuur aan de vereniging een uittreegeld te betalen.2. Het vorenbedoelde uittreegeld bedraagt tien procent van hetgeen door het betrokken lid gedurende de laatste vijf boekjaren van zijn lidmaatschap - of wanneer dit lidmaatschap korter duurde, gedurende zijn lidmaatschap - gemiddeld per jaar via de vereniging overeenkomstig het bepaalde in artikel 33 voor de door hem aangeleverde melk is ontvangen."
(4) - Artikel 10, lid 2, van de statuten bepaalt: "Indien het lidmaatschap ten minste twee maanden voor het einde van enig boekjaar is opgezegd, dan eindigt het lidmaatschap aan het einde van dat boekjaar. Wordt deze termijn niet in acht genomen, dan eindigt het lidmaatschap aan het einde van het daarop volgende boekjaar."
(5) - Artikel 37 van de statuten.
(6) - Zie XXIste Verslag over het mededingingsbeleid, punten 83 en 84.
(7) - Zie beschikking Frubo van 25 juli 1974 (PB 1974, L 237, blz. 16, in het bijzonder punt III, 3).
(8) - Zie de beschikkingen van 2 januari 1973, Europese suikerindustrie (PB 1973, L 140, blz. 17, deel III), 25 juli 1974, Frubo (reeds aangehaald), 8 januari 1975, Champignons in blik (PB 1975, L 29, blz. 26, punt II, 4), 2 december 1977, Bloemkool (PB 1978, L 21, blz. 23, punt III, 2), 7 december 1984, Milchfoerderungsfonds (PB 1985, L 35, blz. 35, punten 19 en 20), 26 november 1986, Meldoc (PB 1986, L 348, blz. 50, punt 54), 26 juli 1988, Bloemenveilingen Aalsmeer (PB 1988, L 262, blz. 27, punt 142) en 19 december 1989, Suikerbieten (PB 1990, L 31, blz. 32, punt 90).
(9) - Arrest van 15 mei 1975 (zaak 71/74, Jurispr. 1975, blz. 563, r.o. 22-27). Zie eveneens de arresten van 16 december 1975 (gevoegde zaken 40-48, 50, 54-56, 111, 113 en 114/73, Suiker Unie, Jurispr. 1975, blz. 1663, r.o. 211-224), 8 juni 1982 (zaak 258/78, Nungesser, Jurispr. 1982, blz. 2015, r.o. 17-21) en 22 september 1988 (zaak 212/87, Unilec, Jurispr. 1988, blz. 5075, in het bijzonder r.o. 18-20).
(10) - Zie voor een diepgaand onderzoek van de ontwikkelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede voor latere literatuurverwijzingen Olmi "Politique agricole commune" in Le droit de la CEE (commentaar Megret), deel 2, Brussel 1991, in het bijzonder hoofdstuk IV, Les principes generaux de la politique agricole commune, blz. 259 e.v.
(11) - Zie in deze zin De Cockborne: "Les régles communautaires de concurrence applicables aux entreprises dans le domaine agricole", in Revue trimestrielle de droit européen, 1988, blz. 293; Van Bael en Bellis: "Competition Law of the EEC", Bicester 1990, blz. 425 e.v.; en Ritter, Braun, Rawlinson: "EEC Competition Law", Deventer 1991, blz. 566 e.v.
(12) - Zie bij voorbeeld de beschikkingen Milchfoerderungsfonds, reeds aangehaald, punt 21, Meldoc, reeds aangehaald, punt 55 en Bloemenveilingen Aalsmeer, reeds aangehaald, punt 150.
(13) - Zie beschikkingen Frubo, reeds aangehaald, punt III, 1, en Bloemkool, reeds aangehaald, punt III, 3 in fine.
(14) - Zie beschikking van 30 juli 1992, Scottisch Salmon Board (PB 1992, L 246, blz. 37, r.o. 22-3).
(15) - Zie bij voorbeeld Ries en Guida: "L'application des règles de concurrence du Traité CEE à l'agriculture", in Cahiers de droit européen 1968, blz. 60 e.v., in het bijzonder blz. 169-172; Ottervanger: "Antitrust and agriculture in the common market" in Fordham Corporate Law Institute, 1990, blz. 203 e.v.; en Olmi: "Politique agricole commune", t.a.p. in het bijzonder de blz. 280 en 281.
(16) - Zie dienaangaande Ottervanger, t.a.p. blz. 219. Tot een vergelijkbare conclusie komen ook enige auteurs die de tweede zin van artikel 2, lid 1, slechts als een illustratie van het eerste deel van de bepaling zien: in deze zin De Cockborne, t.a.p. blz. 305, die van oordeel is dat de bepaling ten doel heeft een minder bezwarende regeling voor de landbouwcooeperaties vast te stellen.
(17) - "Overwegende dat de regels betreffende de mededinging die gelden voor de in artikel 85 van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen, alsmede de regels, geldende voor het misbruik maken van machtsposities toegepast dienen te worden op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten, voor zover hun toepassing geen belemmering vormt voor de werking van de nationale organisaties van de landbouwmarkten en de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet in gevaar brengt;overwegende dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de positie van de verenigingen van landbouwondernemers, voor zover deze met name de gemeenschappelijke voortbrenging van of handel in landbouwprodukten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties ten doel hebben, tenzij dit gemeenschappelijk optreden de mededinging uitsluit of de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar brengt."
(18) - Verordening van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204). Artikel 8, lid 1, luidt:"Een beschikking, bedoelt in artikel 85, lid 3, van het Verdrag, wordt voor een bepaalde termijn gegeven en kan voorwaarden en verplichtingen inhouden".
(19) - Arrest van 15 mei 1975, zaak 71/74, reeds aangehaald, r.o. 11.
(20) - Dit is bij voorbeeld gebeurd in artikel 17 van verordening (EEG) nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen (PB 1978, L 166, blz. 1).
(21) - Zie in deze zin Ritter, Braun, Rawlinson, t.a.p. blz. 569; en Bellamy & Child: "Common Market Law of Competition", London 1993, blz. 825 e.v., in het bijzonder blz. 830. Deze opvatting is ook verdedigd door advocaat-generaal Mayras in zijn conclusie in de gevoegde zaken 40-48, 50, 54-56, 111, 113 en 114/73, Suiker Unie, reeds aangehaald, blz. 2066. Gedeeltelijk afwijkend, als gevolg van de andere opvatting over de strekking van de in verordening nr. 26/62 voorziene uitzonderingen, De Cockborne, t.a.p., blz. 317, volgens wie de nationale rechter de in de eerste zin van artikel 2, lid 1, bedoelde mededingingsregelingen, wanneer zij niet voldoen aan de daarin vastgestelde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor de uitzondering op de mededingingsregels, op grond van de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 85 van het Verdrag nietig kan verklaren, doch niet de mededingingsregelingen tussen landbouwproducenten zonder dat de Commissie eerst een beschikking heeft vastgesteld die het geldigheidsvermoeden dat voor deze mededingingsregelingen geldt uit hoofde van de tweede zin van het eerste lid van het betrokken artikel, opheft.
(22) - Arrest van 28 februari 1991 (zaak C-234/89, Jurispr. 1991, blz. I-935).
(23) - Zie arrest van 28 februari 1991, zaak C-234/89, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 49-50. De hierbij door het Hof ontwikkelde beginselen zijn, zoals bekend, "gecodificeerd" in Bekendmaking 93/C 39/05 van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1993, C 39, blz. 6).
(24) - Arrest van 25 oktober 1977 (zaak 26/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875). Ik verwijs naar mijn conclusie bij het arrest van 15 december 1994 (zaak C-250/92, DLG, Jurispr. 1992, blz. I-5641) voor een nader onderzoek van de door het Hof genoemde criteria voor de toepassing van artikel 85, lid 1; hier beperk ik mij tot een vermelding van de voornaamste gegevens.
(25) - Zie in deze zin het arrest van 28 maart 1984 (gevoegde zaken 29/83 en 30/83, CRAM, Jurispr. 1984, blz. 1679).
(26) - Arrest van 27 januari 1987 (zaak 45/85, Verband der Sachversicherer, Jurispr. 1987, blz. 405).
(27) - Zie terzake arresten van 11 juli 1985 (zaak 42/84, Remia, Jurispr. 1985, blz. 2545), 28 januari 1986, (zaak 161/84, Pronuptia, Jurispr. 1986, blz. 353), 27 september 1988 (zaak 65/86, Bayer, Jurispr. 1988, blz. 5249) en 28 februari 1991 (zaak C-234/89, Delimitis, reeds aangehaald).
(28) - Zie in deze zin het arrest van 30 juni 1966 (zaak 56/65, Société Technique Minière, Jurispr. 1966, blz. 392).
(29) - Zie de arresten van 25 maart 1981 (zaak 61/80, Cooeperatieve Stremsel, Jurispr. 1981, blz. 851, in het bijzonder r.o. 12 en 13), 15 december 1994 (zaak C-250/92, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 28-40) en arrest van het Gerecht van 2 juli 1992 (zaak T-61/89, Dansk Pelsdyravlerforening, Jurispr. 1992, blz. II-1931, in het bijzonder r.o. 49-55).
(30) - Zie arresten Hof van 30 juni 1966 (zaak 56/65, reeds aangehaald, in het bijzonder blz. 413), 12 december 1967 (zaak 23/67, Brasserie de Haecht I, Jurispr. 1967, blz. 512, in het bijzonder blz. 523), 11 december 1980 (zaak 31/80, L'Oréal, Jurispr. 1980, blz. 3775, in het het bijzonder r.o. 19), 28 februari 1991 (zaak C-234/89, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 14-26) en 15 december 1994 (zaak C-250/92, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 31-34); zie ook arrest Gerecht van 2 juli 1992 (zaak T-61/89, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 99-104).
(31) - Dat met het economisch gewicht van de cooeperatie en in het bijzonder met de omstandigheid of het een nieuwe eenheid betreft die op de markt verschijnt, dan wel een reeds gevestigde onderneming is, rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de bepalingen die de "trouw" van het lid dienen te waarborgen, wordt verdedigd door Jacobi en Vesterdorf: "Co-operative societies and the Community rules on competition", in European Law Review, 1993, blz. 271 e.v.
(32) - Zie arrest Hof van 25 maart 1981 (zaak 61/80, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 12 en 13) en arrest Gerecht van 2 juli 1992 (zaak T-61/89, reeds aangehaald, in het bijzonder r.o. 78).
(33) - Zie voor een toepassing van dergelijke criteria in het kader van het onderzoek van de gevolgen van bierleveringscontracten de reeds aangehaalde arresten Hof van 12 december 1967 (zaak 23/67, in het bijzonder blz. 523) en 28 februari 1991 (zaak C-234/89, in het bijzonder r.o. 19-26).
(34) - Zie het reeds aangehaalde XXIste verslag over het mededingingsbeleid, punt 83.
(35) - Zie terzake het arrest van 25 maart 1981, zaak 61/80, reeds aangehaald, r.o. 14 en 15.
(36) - Anderzijds lijken dergelijke bepalingen zelfs niet voor een individuele ontheffing in de zin van artikel 85, lid 3, van het Verdrag in aanmerking te komen, omdat moeilijk kan worden gesteld dat de daaruit voortvloeiende beperking "onmisbaar" is.
Full & Egal Universal Law Academy