Conclusie van de advocaat generaal
++++
1. In deze zaak heeft de Negende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel het Hof verscheidene vragen voorgelegd over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(1), in het bijzonder over artikel 46, lid 3.
I ° De feiten en de procedure
2. A. Del Grosso, van Italiaanse nationaliteit, was van 1938 tot en met 1946 verzekerd in Italië; nadien viel hij onder de Belgische sociale-zekerheidsregeling voor werknemers. Per 10 januari 1977 werd hij arbeidsongeschikt verklaard. Gedurende één jaar te rekenen vanaf het begin van deze arbeidsongeschiktheid ontving hij uitkeringen wegens ziekte (zogenoemde uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid) en vervolgens, vanaf 10 januari 1978, een invaliditeitsuitkering. Tussen 1 november 1978 en 8 maart 1979 probeerde hij het werk te hervatten en werd bijgevolg de uitkering stopgezet. Op 9 maart 1979 werd hij echter opnieuw arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontving dan ook andermaal gedurende één jaar uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid en nadien, vanaf 9 maart 1980, een invaliditeitsuitkering.
3. Bij het begin van de eerste invaliditeitsperiode, op 10 januari 1978, zond de Belgische Rijksdienst voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV") een aanvraag voor een invaliditeitspensioen aan het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: INPS) te Parma, het in de zin van de verordeningen nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72(2) bevoegde orgaan in Italië. Bij beslissing van 13 september 1979 kende dit orgaan met ingang van 1 februari 1978 een invaliditeitspensioen toe. Bij het begin van de tweede invaliditeitsperiode diende het RIZIV opnieuw een aanvraag in bij het INPS te Parma. Uit diens beslissing van 12 november 1980 blijkt, dat het Italiaanse invaliditeitspensioen na 10 januari 1978 zonder onderbreking aan Del Grosso was doorbetaald, ook toen hij in België weer aan het werk was gegaan en de Belgische primaire ongeschiktheidsuitkering wegens ziekte had ontvangen. Deze beslissing bevatte een herberekening van het pensioenbedrag, inhoudende dat "voor de periode van 1 november 1978 tot en met 30 maart 1980 een pensioen wordt toegekend naar rata van het in de Italiaanse wetgeving vastgestelde minimum, daar België tijdens deze periode de uitkering van de te zijnen laste komende uitkeringen heeft geschorst".
4. Bij ontvangst van deze beslissing herberekende het RIZIV de verschuldigde uitkeringen op zijn beurt (beslissing van 23 december 1980), nu voor de periode van 9 maart 1979 tot en met 31 december 1980, op grond van een nationale anti-cumulatiebepaling in artikel 70, lid 2 (sedert het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 artikel 76 quater, lid 2), van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, waarvan lid 1 luidt:
"De bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering."
5. Op 6 april 1982 stelde het Nationaal verbond van socialistische mutualiteiten (hierna: "NVSM"), een verzekeringsinstelling in de zin van de Belgische wet, bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een vordering in tot terugbetaling van de tussen 9 maart 1979 en 31 december 1980 aan Del Grosso onverschuldigd uitgekeerde bedragen. Uit het dossier blijkt, dat de teruggevorderde bedragen volgens verschillende regelingen zijn berekend:
° over de periode van 9 maart 1979 tot en met 8 maart 1980 (samenloop van de Belgische primaire ongeschiktheidsuitkering wegens ziekte met het Italiaanse invaliditeitspensioen): toepassing van artikel 76 quater, lid 2, van de Belgische wet van 9 augustus 1963;
° over de periode van 9 maart 1980 tot en met 31 maart 1980 (samenloop van de Belgische invaliditeitsuitkering en het Italiaanse invaliditeitspensioen): eveneens toepassing van artikel 76 quater, lid 2, van de Belgische wet van 9 augustus 1963;
° over de periode van 1 april 1980 tot en met 31 december 1980: toepassing van artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71.
6. Del Grosso betwist op de navolgende gronden, dat de uitkeringen over de periode van 9 maart 1979 tot en met 31 maart 1980 onverschuldigd waren: de door het INPS toegekende pensioenaanvulling om zijn pensioen op te trekken tot het minimumbedrag waarin de Italiaanse wetgeving voorziet, is een gunst van de Italiaanse Staat en geen schadevergoeding; deze aanvulling heeft van het Italiaanse invaliditeitspensioen een zelfstandige uitkering gemaakt, en zo al een anti-cumulatiebepaling toegepast moet worden, dan zou dat die van artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 moeten zijn.
II ° De prejudiciële vragen
7. Ten einde in dit geschil uitspraak te kunnen doen, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 17 juni 1993 het Hof van Justitie de volgende vragen gesteld:
1) Is de Italiaanse sociale uitkering, "invaliditeitspensioen" genaamd, als een "zelfstandige uitkering" aan te merken?
2) Is artikel 46, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers (...) die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, van toepassing in geval van samenloop van een dergelijke uitkering ° berekend volgens de samentellings- en prorataregeling, vermeerderd met een aanvullende uitkering om het peil te bereiken van het maandelijkse minimumpensioenbedrag waarin de verplichte verzekering tegen invaliditeit en ouderdom van werknemers voorziet ° en van een Belgische (zogenoemde "primaire") verzekeringsuitkering tegen ziekte en invaliditeit?
3) Is bedoelde "aanvullende uitkering" bovenop het Italiaanse invaliditeitspensioen al dan niet een vergoeding voor dezelfde schade in de zin van artikel 70, lid 2 ° thans ingevolge artikel 30, lid 3, van de Belgische wet van 30 december 1988 artikel 76 quater, lid 2 ° van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 1, van koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, is zij dus al dan niet van dezelfde aard als (en dus al dan niet te cumuleren met) deze?(3)
8. Ik wijs erop, dat dit geschil los staat van de zaak die aan de orde was in het arrest van het Hof van 15 december 1993(4), waarin het ging om de berekening van het ouderdomspensioen van Del Grosso.
III ° Bespreking van de vragen
1. Het begrip zelfstandige uitkering
9. De term "zelfstandige uitkering" komt in de communautaire verordeningen niet voor. Wel wordt hij sedert het arrest Collini(5) gehanteerd in de rechtspraak van het Hof betreffende cumulatie van pensioenen, ter aanduiding van de uitkering berekend volgens artikel 46, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71, dat wil zeggen het volledige pensioen krachtens de wetgeving van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, met toepassing van uitsluitend deze wetgeving en zonder rekening te houden met krachtens de wetgeving van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken.
Met dit begrip heeft het Hof bijgevolg gerefereerd aan een berekeningsmethode voor een specifieke uitkering, namelijk die bedoeld in artikel 46, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71.
10. In casu erkent verweerder zelf, dat zijn recht op de Italiaanse invaliditeitsuitkering is ontstaan door zijn onderwerping aan achtereenvolgens het Italiaanse en het Belgische stelsel, dus door toepassing van het samentellings- en proratasysteem. Hij stelt echter, dat nu de geproratiseerde uitkering door middel van een aanvulling op het peil van de Italiaanse minimumuitkering is gebracht en dit bedrag tevens gelijk is aan het bedrag dat zou zijn verkregen indien het om een zelfstandige uitkering ging, de geproratiseerde uitkering een zelfstandige uitkering is geworden.
11. Het feit dat twee uitkeringen die elk volgens hun eigen regels zijn berekend, eenzelfde bedrag belopen, betekent evenwel niet dat zij daarom ook moeten worden geacht volgens dezelfde methode te zijn berekend. Het begrip zelfstandige uitkering heeft betrekking op de berekeningsmethode van artikel 46, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71, en deze methode verschilt van de op het samentellings- en proratasysteem gebaseerde methode. Dat een oorspronkelijke geproratiseerde uitkering ten gevolge van een aanvulling uitkomt op een bedrag dat ook via een andere berekeningsmethode zou zijn bereikt, heeft geen invloed op de methode van berekening van deze oorspronkelijke uitkering en op de daaruit voortvloeiende kwalificatie.
2. Kan de nationale anti-cumulatiebepaling aan verweerder worden tegengeworpen?
12. Met de tweede en de derde vraag wenst de verwijzingsrechter in wezen te vernemen, of artikel 46, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1408/71 van toepassing is in geval van cumulatie van een invaliditeitsuitkering ° berekend volgens de samentellings- en prorataregeling en vermeerderd met een aanvulling om het peil te bereiken van het Italiaanse minimumbedrag ° en een uitkering van een Belgische ziekteverzekering (tweede vraag), en verder of de "aanvulling" van het Italiaanse invaliditeitspensioen al dan niet een vergoeding vormt van dezelfde schade in de zin van de Belgische wet, met andere woorden, of zij al dan niet van dezelfde aard is als (en dus al dan niet cumuleerbaar is met) deze.
13. Naar de letter heeft de derde vraag uitsluitend betrekking op de kwalificatie, in samenhang met de Belgische anti-cumulatiebepalingen, van de door Italië toegekende aanvulling van het invaliditeitspensioen om het peil van het Italiaanse minimumpensioen te bereiken. Zoals het Hof in de zaak Stefanutti(6) echter heeft gepreciseerd, is een dergelijke kwalificatievraag een aangelegenheid van nationaal recht en staat het aan de nationale rechter om uitspraak te doen over de inhoud en de uitlegging van zijn nationale wetgeving met betrekking tot de cumulatie van uitkeringen. Toch zal dit zeker niet het antwoord zijn dat de nationale rechter verwacht.
14. Om tot een bruikbaar antwoord te komen voor de nationale rechter, moet de derde vraag te zamen met de tweede vraag in de context van dit geschil worden teruggeplaatst. Beide vragen strekken ertoe te vernemen, of de anti-cumulatiebepaling van artikel 76 quater, lid 2, van de Belgische wet van 9 augustus 1963 krachtens artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening 1408/71 aan verweerder kan worden tegengeworpen. Volgens deze bepaling kunnen nationale anti-cumulatieregels namelijk worden tegengeworpen aan rechthebbenden op uitkeringen die niet onder de in artikel 12, lid 2, tweede zin, opgenomen uitzondering vallen. Volgens het daarin bepaalde is de nationale anti-cumulatieregel niet van toepassing "indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld".(7) Met andere woorden, in het geval van artikel 46, lid 3, en wanneer aan de andere twee voorwaarden van de uitzonderingsbepaling van artikel 12, lid 2, tweede zin (gelijksoortigheid en uitkeringen van de daarin genoemde typen) is voldaan, is toepassing van een nationale anticumulatiebepaling uitgesloten.
15. Wil een nationale anti-cumulatiebepaling dus op een rechthebbende kunnen worden toegepast, moet vaststaan, dat de betrokken situatie niet onder de uitzonderingsregel van artikel 12, lid 2, tweede zin, van verordening 1408/71 valt. Volgens deze bepaling moeten drie punten worden onderzocht: 1) zijn de uitkeringen van verweerder "gelijksoortig" (hierop doelt de nationale rechter in de derde prejudiciële vraag), 2) gaat het om uitkeringen "bij invaliditeit, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte", en 3) worden deze uitkeringen "vastgesteld overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b, van de verordening".
16. Volgens vaste rechtspraak van het Hof(8) moeten sociale-zekerheidsuitkeringen als "gelijksoortig" worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en het doel alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Het onderzoek en de kwalificatie van deze uitkeringen moet gebeuren in samenhang met de communautaire bepalingen. Bij de vergelijking van deze uitkeringen moet namelijk rekening worden gehouden met de structuur van verordening nr. 1408/71 en in het bijzonder met de verschillende hoofdstukken van titel III waarin de bijzondere bepalingen voor de verschillende categorieën uitkeringen zijn opgenomen.
17. Bezien we de uitkering die verweerder op grond van de Belgische wet heeft ontvangen tijdens de periode waarvoor hij de terugvordering betwist, namelijk van 9 maart 1979 tot en met 8 maart 1980(9), dan blijkt het te gaan om een uitkering wegens ziekte, "primaire ongeschiktheidsuitkering" genaamd, die overeenstemt met een deel (60 %) van het loon dat een werknemer als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid derft en die wordt betaald over elke werkdag van een eenjarig tijdvak ingaande op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid (cf. artikel 46 van de wet van 9 augustus 1963). Het is bijgevolg een prestatie van het type "uitkering" in de zin van de artikelen 19 en volgende van hoofdstuk 1 van titel III van verordening nr. 1408/71 "Ziekte en moederschap", namelijk "betalingen in geld ten einde de belanghebbende te helpen in zijn bestaan te voorzien in de periode waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is".(10) Een dergelijke uitkering wordt overeenkomstig artikel 23 van de verordening berekend.
Nu al kunnen we opmerken, dat de ter discussie staande Belgische uitkering aan de laatste twee voorwaarden van artikel 12, lid 2, tweede zin, niet voldoet: 1) anders dan de Belgische "invaliditeitsuitkering" die tijdens de laatste in punt 5 genoemde periode aan verweerder werd toegekend, betreft het geen uitkering bij "invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioen) of beroepsziekte", en 2) het betreft evenmin een overeenkomstig de artikelen 46, 50 en 51 of 60, lid 1, sub b, vastgestelde uitkering nu zij, zoals gezegd, overeenkomstig artikel 23 van de verordening is vastgesteld.
18. Verder zijn de Belgische en de Italiaanse uitkering niet "gelijksoortig". Want terwijl de betrokken Belgische uitkering een overeenkomstig artikel 23 van verordening 1408/71 berekende uitkering wegens ziekte is, is de Italiaanse uitkering, naar niet wordt betwist, een overeenkomstig artikel 46, lid 3, van de verordening berekend invaliditeitspensioen. Deze bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening "Ouderdom en overlijden (pensioenen)", doch is naar analogie van toepassing op de invaliditeitsuitkeringen die krachtens de Italiaanse wet worden toegekend. In hoofdstuk 2 van titel III van verordening nr. 1408/71 "Invaliditeit" worden namelijk twee typen wettelijke regelingen onderscheiden: die waarbij de hoogte van de invaliditeitsuitkeringen niet afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering (afdeling 1, artikelen 37-39) en die waarbij dat wel het geval is (afdeling 2, artikel 40). De Italiaanse regeling behoort tot het tweede type, zoals ook blijkt uit bijlage IV bij de verordening. Volgens artikel 40, lid 1, van de verordening worden de krachtens een dergelijke wettelijke regeling toegekende uitkeringen berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening "Ouderdom en overlijden".
Na deze vergelijking van beide uitkeringen van Del Grosso komen we bijgevolg tot de conclusie, dat zij niet gelijksoortig zijn: de ene is een uitkering wegens ziekte, berekend volgens artikel 23 van verordening nr. 1408/71, de andere een invaliditeitspensioen, berekend volgens artikel 46.
19. De enige eventueel nog op te lossen onduidelijkheid is, wat in deze de betekenis is van de krachtens de Italiaanse wet toegekende aanvulling op de uitkering.
Ik ben van mening, dat de kwalificatie van het Italiaanse invaliditeitspensioen als "geproratiseerde uitkering" veeleer dan als "zelfstandige uitkering", zoals ik in punt 11 heb voorgesteld, voor de oplossing van dit geschil niet relevant is, aangezien de Belgische primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering (ziekte-uitkering) en de Italiaanse uitkering (zelfstandig of geproratiseerd) hoe dan ook verschillende uitkeringen in de zin van artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 blijven.
20. Uit al het voorgaande kan mijns inziens worden afgeleid, dat de voorwaarden van artikel 12, lid 2, tweede zin, duidelijk niet zijn vervuld en dat de nationale anti-cumulatiebepaling overeenkomstig artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 aan verweerder kan worden tegengeworpen.
IV ° Conclusie
21. Om bovenstaande redenen stel ik het Hof voor, de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 17 juni 1993 gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
"1) In het kader van pensioenen toegekend overeenkomstig de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt met de term 'zelfstandige uitkering' gedoeld op een overeenkomstig artikel 46, lid 1, eerste alinea, berekende uitkering, dat wil zeggen het volledige pensioen volgens de wetgeving van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, met toepassing van uitsluitend deze wetgeving en zonder rekening te houden met krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken. Derhalve kan een dergelijke term niet worden gebruikt ter aanduiding van een Italiaanse sociale-zekerheidsuitkering, 'invaliditeitspensioen' genaamd, ook niet wanneer zij wordt aangevuld om het in de Italiaanse wetgeving bepaalde minimumpensioenbedrag te bereiken, aangezien deze uitkering oorspronkelijk is berekend volgens het samentellings- en proratasysteem.
2) Artikel 12, lid 2, eerste zin, van verordening (EEG)nr. 1408/71 staat niet in de weg aan de toepassing van een anti-cumulatiebepaling opgenomen in een nationale regeling krachtens welke een migrerende werknemer een geldelijke uitkering wegens ziekte ontvangt ter compensatie van het door arbeidsongeschiktheid wegens ziekte geleden inkomensverlies, wanneer die werknemer tevens een invaliditeitspensioen ontvangt van een andere Lid-Staat, dat is berekend overeenkomstig artikel 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 en eventueel is vermeerderd met een in de wetgeving van die andere Lid-Staat voorziene aanvulling teneinde het minimumpensioenbedrag volgens die wetgeving te bereiken."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 gecodificeerde versie (PB 1983, L 230, blz. 6).
(2) ° Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 86). Voor de bevoegde organen, zie bijlage 2 bij verordening nr. 574/72 (PB 1983, L 230, blz. 133).
(3) ° Formulering van de vraag overeenkomstig de brief van de voorzitter van de Negende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 29 juni 1993.
(4) ° Arrest van 15 december 1993 (gevoegde zaken C-113/92, C-114/92 en C-156/92, Fabrizzi e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6707).
(5) ° Arresten van 17 december 1987 (zaak 323/86, Collini, Jurispr. 1987, blz. 5489, r.o. 10 en 15); 21 maart 1990 (zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023); 6 juni 1990 (zaak C-342/88, Spits, Jurispr. 1990, blz. I-2259, r.o. 12); 18 februari 1992 (zaak C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897, r.o. 34), en 11 juni 1992 (gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851, r.o. 19).
(6) ° Arrest van 6 oktober 1987 (zaak 197/85, Jurispr. 1987, blz. 3855, r.o. 16).
(7) ° Deze uitzondering is beter te begrijpen wanneer men bedenkt, dat de artikelen 46, 50, 51 en 60, lid 1, sub b, reeds bepalingen bevatten voor de vaststelling van het bedrag dat een rechthebbende maximaal mag ontvangen.
(8) ° Zie laatstelijk, arrest van 8 juli 1992 (zaak C-102/91, Knoch, Jurispr. 1992, blz. I-4341, r.o. 40)
(9) ° Van de drie in punt 5 genoemde periodes is hier enkel de eerste periode aan de orde, dat wil zeggen de periode waarin verweerder een primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering naar Belgisch recht werd toegekend.
(10) ° Van Raepenbusch, S., La sécurité sociale des personnes qui circulent à l' intérieur de la Communauté économique européenne, 1991, blz. 396, nr. 254. Zie ook de tabellen IV-1 en IV-2 van de rubriek Maladie ° Indemnités pécuniaires van Tableaux comparatifs des régimes de sécurité sociale applicables dans les États membres des Communautés européennes , 15e editie (per 1 juli 1988), Régime général (salariés de l' industrie et du commerce) , uitgegeven door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, blz. 44 en 46.
Full & Egal Universal Law Academy