Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze niet-nakomingsprocedure verwijt de Commissie het Koninkrijk België, richtlijn 88/599/EEG(1) niet tijdig in nationaal recht te hebben omgezet en/of de tekst van de omzettingsbepalingen niet tijdig aan de Commissie te hebben meegedeeld. Deze richtlijn bevat de minimumeisen inzake de controle die de Lid-Staten moeten verrichten om de inachtneming van de communautaire voorschriften van sociale aard in het wegvervoer te waarborgen.
2. Ingevolge artikel 7, lid 1, van de richtlijn doen de Lid-Staten(2) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1989 aan deze richtlijn te voldoen.(3) Volgens lid 2 van dit artikel dienen de Lid-Staten de Commissie kennis te geven van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van deze richtlijn.
3. In de precontentieuze procedure had de Belgische regering nog aangevoerd, dat er geen bijzondere omzetting nodig was. De wet van 18 februari 1969(4), die deze materie regelt, zou de toepassing van de richtlijn immers niet in de weg staan en de bevoegde ambtenaren uitgebreide onderzoeksbevoegdheden verlenen. Er zouden derhalve slechts een aantal interne bestuursmaatregelen moeten worden getroffen.
4. De Commissie heeft dit zowel in de precontentieuze procedure als in haar beroepschrift bestreden. In haar verweerschrift heeft de Belgische regering niet meer aan bovengenoemde stelling vastgehouden, maar heeft zij er enkel op gewezen, dat op dit ogenblik een ontwerp van koninklijk besluit met de nodige omzettingsbepalingen de ministerraad ter goedkeuring voorligt.
5. Vaststaat derhalve, dat de verwerende Lid-Staat zijn verplichting tot omzetting van de richtlijn niet tijdig is nagekomen, zodat de vordering van de Commissie in zoverre moet worden toegewezen. Het Hof dient evenwel niet vast te stellen, dat de omzettingsbepalingen niet zijn meegedeeld, daar de bepalingen die hadden kunnen en moeten worden meegedeeld, juist niet zijn vastgesteld.
6. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
- vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 88/599/EEG, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
- het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van de procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Richtlijn van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1988, L 325, blz. 55).
(2) - Met uitzondering van Portugal, dat daarvoor tot 1 januari 1990 de tijd had.
(3) - Terloops zij erop gewezen, dat de omzettingstermijn van ongeveer zes weken uitzonderlijk kort lijkt. De verwerende Lid-Staat heeft daar evenwel niet over geklaagd. In dit verband zij gewezen op het arrest van het Hof van 27 oktober 1992 (zaak C-74/91, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1992, blz. I-5437), volgens hetwelk de Lid-Staten zich in een niet-nakomingsprocedure wegens schending van een richtlijn niet op de onwettigheid van die richtlijn kunnen beroepen, maar slechts kunnen aanvoeren dat deze juridisch non-existent is (r.o. 10 en 11). Wanneer zij zich willen beroepen op de volstrekte onmogelijkheid om de richtlijn uit te voeren, moeten zij die stelling in ieder geval staven (r.o. 12).
(4) - Het gaat om de wet ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, Belgisch Staatsblad van 4 augustus 1969.
Full & Egal Universal Law Academy