Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Finanzgericht Duesseldorf heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld, die zijn gerezen in een geding tussen de Duitse vennootschap Klaus Thierschmidt GmbH (hierna: "Thierschmidt") en het Hauptzollamt Essen (hierna: "Hauptzollamt"). Het geding is het gevolg van een beslissing van de douaneautoriteiten om in de douanewaarde van textielprodukten, die Thierschmidt uit Hongkong en Taiwan had ingevoerd, het bedrag op te nemen dat de exporteurs ter dekking van zogeheten "quotakosten" in rekening hadden gebracht.
2. Reeds in twee zaken zijn het Hof prejudiciële vragen gesteld over de douanebehandeling van quotakosten. In de eerste zaak (7/83, Ospig/Hauptzollamt Bremen-Ost) heeft het Hof op 9 februari 1984 arrest gewezen.(1) In de tweede zaak (C-29/93, Ospig/Hauptzollamt Bremen-Freihafen) heeft het Hof nog geen uitspraak gedaan, maar ik heb daarin op 2 februari 1994 conclusie genomen.
3. Het Hof is dus goed bekend met de achtergrond van de vragen die in de onderhavige zaak moeten worden beantwoord. Derhalve volstaat het volgende resumé.
4. De Gemeenschap heeft in het kader van de zogeheten GATT-multivezelakkoorden overeenkomsten gesloten met een aantal textielproducerende landen (voor Taiwan werd de overeenkomst evenwel gesloten met de handelsorganisatie "Taiwan Textile Organisation"). In de overeenkomsten worden voor verschillende categorieën van textielprodukten de hoeveelheden vastgelegd, die uit het betrokken land in de Gemeenschap kunnen worden ingevoerd. De partners met wie de Gemeenschap een overeenkomst sluit, stellen zelf vast, hoe de quota onder de exporteurs worden verdeeld. In sommige landen worden de quota door middel van gunning toegewezen, in andere op grond van exporthoeveelheden in het referentiejaar. In sommige landen verlangen de autoriteiten betaling voor de toewijzing van uitvoerquota, terwijl in andere de quota kosteloos worden toegewezen. In sommige landen worden zij het gehele jaar toegewezen, in andere eenmaal per jaar.
5. In het algemeen is er niets tegen, dat een marktdeelnemer een hem toegewezen quotum aan een ander overdraagt. Er bestaat een ware handel in quota, en de prijs van de overgedragen quota wordt bepaald door vraag en aanbod. Blijkens de eerste zaak Ospig kan de prijs tegen het einde van het jaar, wanneer de exportcontingenten nagenoeg zijn uitgeput, hoog zijn, terwijl hij in de maanden daarvóór vrijwel te verwaarlozen is.
6. Invoer in de Gemeenschap is niet mogelijk zonder het bewijs, dat de ingevoerde hoeveelheid goederen door een uitvoerquotum wordt gedekt. Indien de exporteur een quotum is toegewezen en dit nog niet is uitgeput, geschiedt de uitvoer in het kader van dat quotum. Indien de exporteur niet (meer) over een quotum beschikt, moet een quotum bij een derde worden gekocht. Dit kan worden gedaan door de importeur, die het benodigde quotum koopt en het aan de exporteur ter beschikking stelt. Het kan ook de exporteur zelf zijn, die het quotum koopt.
In beide gevallen brengt de aankoop van textielprodukten verschillende transacties met zich, waarmee kosten gemoeid zijn. Zowel in het geval waarin de importeur zelf het uitvoerquotum rechtstreeks bij een derde heeft gekocht, als in het geval waarin de exporteur het quotum heeft verworven, rijst de vraag, of de douanewaarde van de ingevoerde textielgoederen de kosten voor de verwerving van uitvoerquota ("quotakosten") of alleen de voor de textielprodukten in rekening gebrachte prijs omvat.
7. Deze vraag werd oorspronkelijk behandeld in het comité, dat advies moet uitbrengen over de toepassing van de douanewaardeverordening.(2) Na langdurig beraad besloot het comité de quotakosten op dezelfde wijze te behandelen als de Amerikaanse autoriteiten, dat wil zeggen aldus dat de door de importeur rechtstreeks aan een derde betaalde kosten niet in de douanewaarde worden opgenomen. De eerste zaak Ospig betrof de vraag, in hoeverre de kosten die de exporteur maakt voor de verwerving van uitvoerquota van een derde, ook buiten de douanewaarde kunnen worden gelaten. Het Hof stelde in zijn arrest vast, dat beide gevallen gelijk moeten worden behandeld. Quotakosten behoren niet in de douanewaarde te worden opgenomen, ongeacht of zij door de importeur of de exporteur worden betaald. Het Hof motiveerde deze oplossing onder meer met het betoog dat "een andere beoordeling (...) tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van de importeurs in de Gemeenschap (zou) leiden, ook wanneer deze zich in een vergelijkbare situatie bevinden, en derhalve in strijd (zou) zijn met het door verordening nr. 1224/80 ingevoerde billijke, uniforme en neutrale systeem voor de bepaling van de douanewaarde van goederen" (r.o. 17).
8. De tweede zaak Ospig betreft de vraag, of het voor het opnemen van de quotakosten in de douanewaarde verschil maakt, dat de uitvoerquota in een land werden verworven waar de handel in uitvoerquota illegaal is. In mijn conclusie heb ik het Hof in overweging gegeven de vraag aldus te beantwoorden, dat het niet van belang is, dat de quota zijn verworven in een land waar de handel daarin illegaal is, zolang maar vaststaat, dat er voor de verwerving van uitvoerquota daadwerkelijke kosten zijn gemaakt.
9. De onderhavige zaak is een uitvloeisel van het feit dat de Duitse douaneautoriteiten de douanewaardeverordening hebben toegepast op basis van de rechtsopvatting, dat de oplossing van het eerste arrest Ospig slechts geldt indien de im- of exporteur kosten heeft gemaakt voor de verwerving van uitvoerquota die van een derde afkomstig zijn, dat wil zeggen enkel indien het gaat om zogeheten kosten voor quota "van derden". De Duitse douaneautoriteiten betwisten, dat deze oplossing kan worden uitgebreid tot zogeheten kosten voor "eigen" quota, dus tot "uitgaven" die de exporteur die de uitvoer met behulp van hem rechtstreeks toegewezen quota heeft verricht, daadwerkelijk voor het verkrijgen van de quota heeft gemaakt, of die hij ter dekking van de algemeen geldende marktwaarde van uitvoerquota in rekening heeft gebracht.
10. De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om uit te maken, of deze uitlegging van de douanewaardeverordening juist is.
De feiten zijn als volgt: Thierschmidt liet van 1987 tot 1989 in Hongkong en Taiwan textielgoederen vervaardigen die zij vervolgens in de Gemeenschap invoerde. De exporteur in Hongkong was J. Wong & Co. (hierna: "Wong"), die ook de benodigde uitvoerquota verschafte. Wong bracht de quotakosten, deels voor haar eigen uitvoerquota, deels voor van een derde verworven uitvoerquota, afzonderlijk in rekening. Bij de invoer van de goederen gaf Thierschmidt deze quotakosten niet aan.
11. De Duitse douaneautoriteiten stelden daarop een onderzoek in bij Thierschmidt. Met betrekking tot de invoer uit Hongkong werd bij dit onderzoek ten eerste vastgesteld, dat de quotakosten niet waren opgevoerd in de aangifte inzake de douanewaarde, en vervolgens dat voor de afzonderlijke partijen goederen niet kon worden vastgesteld, of de in rekening gebrachte quotakosten betrekking hadden op "eigen" quota van Wong, dan wel op kosten voor de verwerving van quota "van derden". De Duitse autoriteiten waren van mening, dat alle quotakosten in de douanewaarde moesten worden opgenomen, en vorderden een aanzienlijk bedrag aan heffing na.
Met betrekking tot de invoer uit Taiwan namen de douaneautoriteiten een overeenkomstig besluit, daar zij ervan uitgingen, dat de handel in quota in Taiwan illegaal is en het volgens hen op grond van het arrest in de zaak Ospig enkel was toegestaan om de kosten niet in de douanewaarde op te nemen, indien de quota legaal waren verworven.
12. Thierschmidt stelde tegen de naheffing van de douaneautoriteiten beroep in bij het Finanzgericht Duesseldorf, dat het Hof drie prejudiciële vragen heeft gesteld. De eerste vraag betreft quotakosten voor "eigen" quota van de exporteur, de derde vraag gaat over quotakosten bij uitvoer uit Taiwan en de tweede heeft betrekking op de omvang van de verplichting van de importeur om de quotakosten afzonderlijk op te voeren. Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Thierschmidt, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie.
De eerste vraag
13. De eerste vraag luidt als volgt: "Maken betalingen van de koper aan de verkoper voor aan de verkoper afgegeven uitvoervergunningen (uitvoerquota) deel uit van de douanewaarde?"
14. Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben te kennen gegeven, dat de vraag met de hierna weergegeven wijziging bevestigend moet worden beantwoord, terwijl verzoekster heeft betoogd, dat het antwoord ontkennend moet luiden.
15. Voor het antwoord moet verordening nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen worden uitgelegd.
16. Artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt: "De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8 (...)." Artikel 3, lid 3, sub a, bepaalt: "De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper (...)."
17. Artikel 8, waarnaar artikel 3, lid 1, verwijst, bepaalt, dat de "werkelijk betaalde of te betalen prijs" moet worden verhoogd met bepaalde kosten, die, economisch gezien, als bij de prijs komende kosten zijn te beschouwen. Artikel 8 bevat een limitatieve opsomming van de kosten die bij de bepaling van de douanewaarde in aanmerking kunnen worden genomen; quotakosten komen in deze opsomming niet voor. Dit betekent, dat de in de prejudiciële vraag bedoelde kosten voor "eigen" quota slechts als een onderdeel van de douanewaarde kunnen worden beschouwd, indien zij als een bestanddeel van de transactiewaarde in de zin van artikel 3 zijn aan te merken; zie hiervoor 's Hofs arrest in zaak C-219/88, Malt.(3)
18. Daar volgens het dossier in de onderhavige zaak geen betalingen zijn gedaan voor de toewijzing van uitvoerquota aan de marktdeelnemers, dekt het in casu relevante begrip kosten voor "eigen" quota een door de betrokken exporteur in rekening gebracht bedrag, dat in beginsel overeenkomt met het bedrag dat het betrokken uitvoerquotum waard is, dat wil zeggen het bedrag dat de koper of de verkoper bij de aankoop van het uitvoerquotum van een derde had moeten betalen. Kosten voor "eigen" quota is derhalve een begrip, dat door de marktdeelnemer is gecreëerd en in douanerechtelijk verband dient te worden gebruikt om een rechtssituatie in het leven te roepen, waarin het voor de vaststelling van de douanewaarde geen verschil maakt, dat de verkoper op het tijdstip van de uitvoer uitvoerquota heeft of dat hij deze niet heeft, dus dat hij het uitvoerquotum van een derde moet verwerven.
19. Deze optiek van gelijke behandeling is het voornaamste argument om de kosten voor "eigen" quota evenals de kosten voor quota van "derden" niet op te nemen in de douanewaarde. Er zijn evenwel een aantal redenen die ertegen pleiten om beide soorten "kosten" gelijk te behandelen.
20. De kosten voor "eigen" quota zijn fictieve kosten. De verkoper heeft bij de verwerving van het benodigde uitvoerquotum geen kosten behoeven te maken. Indien hij bij de koper voor de goederen werkelijk een hogere prijs kan bedingen, omdat de vraag naar het betrokken goed groter is dan het aanbod van beschikbare quota, dan betekent dit, dat hij als gevolg van het quotastelsel zijn winstmarge kan vergroten, en niet, dat hij ° die zelf over de benodigde quota beschikt ° als gevolg van het quotastelsel kosten heeft moeten maken om de uitvoer te verrichten.
21. Het Bundesfinanzhof heeft mijns inziens in zijn arrest van 24 april 1990 (VII R 55/89) terecht het volgende vastgesteld: "Volgens artikel 3, lid 3, sub a, van de verordening inzake de douanewaarde van 1980 is de werkelijk betaalde of te betalen prijs de totale betaling die door de koper aan de verkoper (...) is of moet worden gedaan; deze prijs omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen (...). Hiertoe behoren ook betalingen van de koper van de ingevoerde goederen aan de verkoper voor diens eigen quota. Deze betalingen houden ° in tegenstelling tot de kosten voor de verwerving van quota van derden ° rechtstreeks verband met de transactie en zijn geen vergoeding voor anderszins verworven rechten. De betalingen komen aan de verkoper zelf ten goede en niet via hem aan een derde. (...) Er kan voor de eigen uitvoerquota van de verkoper geen fictief bedrag in aanmerking worden genomen, want de prijs van het goed, en dus de douanewaarde, mag niet kunstmatig worden verminderd (...)."
22. In het arrest Ospig is het Hof direct noch indirect op de hier behandelde vraag ingegaan. Het Hof deed uitspraak over de vraag, of "kosten voor het verkrijgen van vrije quota" deel uitmaken van de douanewaarde, en bepaalde alleen met betrekking tot deze vraag een standpunt, toen het verklaarde, dat "quotakosten voor het verkrijgen van exportcontingenten" geen deel uitmaken van de douanewaarde.
23. Thierschmidt en het Finanzgericht Duesseldorf hebben betoogd, dat de door het Hof voor deze oplossing aangevoerde redenen ook gelden met betrekking tot kosten voor "eigen" quota. Dit is waarschijnlijk niet juist. Het Hof heeft vooral beklemtoond, dat het quotastelsel dat bedoeld is om de uit bepaalde derde landen ingevoerde hoeveelheid textielprodukten te controleren, een heel ander doel heeft dan de douanewaardeverordening, waarmee een billijk, uniform en neutraal systeem voor de bepaling van de waarde van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief dient te worden ingevoerd. Deze motivering kan met betrekking tot kosten voor "eigen" quota enkel gelden, indien ook de fictieve kosten voor "eigen" quota als een natuurlijk gevolg van het quotastelsel zijn aan te merken. Zoals gezegd, is dit niet het geval. Kosten voor "eigen" quota dekken niet de uitgaven die de verkoper als gevolg van het quotastelsel heeft gedaan.
24. Mijns inziens dient de prejudiciële vraag bijgevolg aldus te worden beantwoord, dat de zogeheten kosten voor "eigen" quota deel uitmaken van de douanewaarde.
25. In het voorgaande is aangenomen, dat het begrip kosten voor "eigen" quota niet werkelijke onkosten voor de verwerving van quota dekt. Dit gaat volgens het dossier op voor Hongkong en Taiwan. Blijkens de stukken moet elders voor de toewijzing van quota wel worden betaald. Derhalve rijst de vraag, of dergelijke kosten als kosten voor "eigen" quota of als kosten voor quota van "derden" moeten worden behandeld.
26. Het lijkt het meest voor de hand liggend om deze kosten als kosten voor quota "van derden" te behandelen, omdat zij daadwerkelijk een uitgave voor de verkoper vormen en overigens op dezelfde wijze kunnen worden aangetoond als quotakosten, die de koper of de verkoper maakt, wanneer hij exportquota van een derde verwerft, daar de uitgaven hiervoor kunnen worden bewezen door overlegging van facturen voor de verwerving van uitvoerquota.
De tweede vraag
27. De tweede vraag van het Finanzgericht luidt als volgt: "Dienen quotakosten afzonderlijk te worden opgevoerd?"
28. De reden voor deze vraag is, dat Thierschmidt in de douaneaangifte de quotakosten niet heeft opgevoerd, daar zij van mening was, dat noch de kosten voor "eigen" quota noch die voor quota "van derden" in de douanewaarde moesten worden opgenomen. Dit betekent, dat het moeilijk kan zijn om op basis van de documenten van Thierschmidt vast te stellen, of de berekende quotakosten "eigen" quota of quota "van derden" betreffen.
29. De Duitse douaneautoriteiten passen de douanewaardeverordening aldus toe, dat de importeur onder alle omstandigheden de quotakosten moet opvoeren, ongeacht of het gaat om "eigen" quota of om die "van derden", en dat de quotakosten, indien zij niet in de douaneaangifte zijn opgevoerd, in de douanewaarde moeten worden opgenomen. Deze praktijk wordt door het Bundesgerichtshof in zijn arrest van 12 juni 1991 (VII R 98/89) bevestigd.
De Britse regering huldigt in haar opmerkingen dezelfde opvatting.
30. Indien het Hof de rechtsopvatting deelt, die ik in mijn voorstel voor een antwoord op de eerste vraag heb weergegeven, is de importeur onder alle omstandigheden verplicht, de kosten voor "eigen" quota in de douaneaangifte te vermelden. Deze kosten zijn een bestanddeel van de prijs van het goed en moeten derhalve als bestanddeel van de douanewaarde worden aangegeven.
Daarentegen moeten volgens de rechtspraak van het Hof kosten voor quota "van derden" niet in de douanewaarde worden opgenomen. Dan rijst de vraag, of zij desondanks afzonderlijk moeten worden opgevoerd.
De douanewaardeverordening bevat in artikel 3, lid 4, en artikel 15 een lijst van bepaalde kosten, die niet tot de douanewaarde behoren, zelfs indien zij werkelijk zijn betaald of moeten worden betaald, doch terzake geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de betrokken kosten "onderscheiden" zijn. De douanewaardeverordening bevat dus voorschriften waarin uitdrukkelijk wordt bepaald, dat kosten die niet in de douanewaarde moeten worden opgenomen, afzonderlijk dienen te worden opgevoerd. Quotakosten worden in artikel 3, lid 4, noch in artikel 15 genoemd. Het lijkt mij derhalve niet mogelijk om uit de douanewaardeverordening een verplichting voor de importeur af te leiden om kosten voor quota "van derden" afzonderlijk op te voeren, met als gevolg dat deze kosten tot de douanewaarde worden gerekend, indien deze verplichting niet wordt nagekomen. Voor een van een dergelijke sanctie voorziene verplichting om de kosten afzonderlijk op te voeren, moet een uitdrukkelijke rechtsgrondslag in de verordening bestaan.
31. De Commissie ontkent derhalve ook, dat er een verplichting bestaat om de kosten voor quota "van derden" afzonderlijk op te voeren. De opvatting van de Commissie lijkt mij overigens ook juist te zijn. Zij merkt op, dat het een probleem van bewijslast is. Uitgangspunt is, dat de transactiewaarde, en dus de douanewaarde, in beginsel alle betalingen voor de goederen en dus ook de betalingen van de koper aan de verkoper voor de verwerving van uitvoerquota omvat, tenzij deze quota aan de verkoper tegen betaling zijn toegewezen. Bijgevolg moet de koper aantonen, dat een betaling betrekking heeft op kosten voor quota "van derden", daar het gunstig is voor hem, wanneer deze kosten niet voor de douanewaarde in aanmerking worden genomen.
De Commissie wijst er overigens op, dat deze oplossing in overeenstemming is met de principiële taakverdeling tussen importeur en douaneautoriteiten. De importeur moet de noodzakelijke bewijsstukken voor zijn aangifte overleggen, terwijl de autoriteiten tot taak hebben, de overgelegde bewijsstukken te controleren. Artikel 10 van de douanewaardeverordening bevestigt deze algemene taakverdeling met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde. Ingevolge artikel 10, lid 1, moet de importeur voor de vaststelling van de douanewaarde aan de douaneautoriteiten alle noodzakelijke documenten en inlichtingen verstrekken.
32. Ik deel derhalve het standpunt van de Commissie, dat de vraag aldus moet worden beantwoord, dat een koper die geldend maakt, dat zijn betaling aan de verkoper voor uitvoerquota niet in de douanewaarde van de goederen moet worden opgenomen, moet aantonen, dat de verkoper de uitvoerquota tegen betaling heeft ontvangen, waarbij in dit antwoord ervan wordt uitgegaan, dat er geen verplichting bestaat om kosten voor quota "van derden" afzonderlijk op te voeren.
De derde vraag
33. De derde vraag van het Finanzgericht luidt als volgt: "Moeten quotakosten die zijn ontstaan op grond van de communautaire regeling van verordening (EEG) nr. 4134/86, op dezelfde wijze worden behandeld als quotakosten die zijn ontstaan op grond van de regeling van verordening (EEG) nr. 4136/86?"
34. Deze vraag doelt op de door Thierschmidt uit Taiwan ingevoerde goederen. Zoals reeds gezegd, werd de overeenkomst van de Gemeenschap inzake invoerbeperkingen, voor wat Taiwan betreft, gesloten met de handelsorganisatie "Taiwan Textile Organisation"; de regels voor deze invoer zijn te vinden in verordening (EEG) nr. 4134/86 van de Raad van 22 december 1986(4), terwijl de algemene regels voor invoer in de Gemeenschap staan in verordening (EEG) nr. 4136/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende de gemeenschappelijke regeling van toepassing op de invoer van bepaalde textielprodukten van oorsprong uit derde landen.(5)
35. De kwestie van de kosten voor quota "van derden" bij invoer uit Taiwan is, zoals reeds gezegd, het onderwerp van een prejudiciële vraag in zaak C-29/93, Ospig, waarin ik op 2 februari 1994 conclusie heb genomen.
36. Blijkens de verwijzingsbeschikking in de onderhavige zaak gaat het Finanzgericht Duesseldorf ervan uit, dat de handel in uitvoerquota in Taiwan legaal is; het wenst met zijn vraag te vernemen, of de verschillen tussen de voor Taiwan geldende invoerregeling en de algemene invoerregeling van belang zijn voor de wijze waarop de kosten voor quota "van derden" voor de vaststelling van de douanewaarde worden behandeld. Het wijst erop, dat het belangrijkste verschil tussen beide regelingen is, dat de verordening inzake Taiwan geen regeling bevat betreffende de zogeheten dubbele controle, waarin de algemene regeling voorziet; dit wil zeggen dat de controle, volgens welke de autoriteiten van het land van uitvoer eerst een uitvoervergunning afgeven, en de douaneautoriteiten van de Gemeenschap vervolgens na overlegging van de uitvoervergunning een invoervergunning afgeven, niet bestaat met betrekking tot Taiwan. Het Finanzgericht geeft in zijn verwijzingsbeschikking te kennen, dat het dit onderscheid niet relevant vindt en dat er derhalve geen reden is, quotakosten anders te behandelen dan in de algemene regeling, omdat zij betrekking hebben op importen uit Taiwan. Thierschmidt en de Commissie zijn dezelfde mening toegedaan. De Britse regering heeft met betrekking tot deze vraag geen standpunt ingenomen.
37. Tijdens de procedure is gebleken, dat de Duitse douaneautoriteiten de invoerregeling voor Taiwan in de praktijk op dezelfde wijze toepassen als de algemene invoerregeling, dat wil zeggen dat met betrekking tot invoer uit Taiwan een dubbele controle plaatsvindt.
38. Mijns inziens kan er niet aan worden getwijfeld, dat quotakosten die voortvloeien uit de toepassing van verordening nr. 4134/86, moeten worden behandeld als quotakosten uit hoofde van verordening nr. 4136/86.
Conclusie
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Finanzgericht Duesseldorf te beantwoorden als volgt:
"1) Betalingen van de koper aan de verkoper voor aan de verkoper kosteloos toegewezen uitvoervergunningen (uitvoerquota) maken deel uit van de douanewaarde.
2) Een koper die geldend maakt, dat zijn betaling aan de verkoper voor uitvoerquota niet in de douanewaarde van de goederen moet worden opgenomen, moet aantonen, dat de verkoper de uitvoerquota tegen betaling heeft ontvangen.
3) Quotakosten die voortvloeien uit de toepassing van verordening (EEG) nr. 4134/86, moeten worden behandeld als quotakosten uit hoofde van verordening (EEG) nr. 4136/86."
(*) Oorspronkelijke taal: Deens.
(1) ° Jurispr. 1984, blz. 609.
(2) ° Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3193/80 van 8 december 1980 (PB 1980, L 333, blz. 1).
(3) ° Arrest van 28 maart 1990 (Jurispr. 1990, blz. I-1481) waarin het Hof heeft verklaard:
Ten slotte geeft artikel 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80, waarnaar artikel 3, lid 1, verwijst, een limitatieve opsomming van de bijkomende kosten waarmee de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de vaststelling van de douanewaarde moet worden verhoogd. Daar de kosten voor het verkrijgen van echtheidscertificaten daar niet zijn genoemd, kunnen zij bij de bepaling van de douanewaarde slechts in aanmerking worden genomen indien zij als een bestanddeel van de prijs van de goederen zijn aan te merken (r.o. 11).
(4) ° PB 1986, L 386, blz. 1.
(5) ° PB 1986, L 387, blz. 42.
Full & Egal Universal Law Academy