CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 13 december 1994 ( *1 )
1.
Het Portugese Supremo Tribunal Administrativo verzoekt in het kader van een procedure betreffende de wettigheid van de belastingregeling die van toepassing is op uit andere Lid-Staten in Portugal ingevoerde gebruikte auto's, om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 9, 12 en 95 van het Verdrag. Een aantal vragen betreffende de verenigbaarheid van de Portugese voertuigbelasting met deze verdragsbepalingen werd het Hof voorgelegd in een eerdere zaak (Lourenço Dias ( 1 )), maar het Hof liet de meeste vragen onbeantwoord op grond dat zij onvoldoende relevant waren voor de feiten van het geding.
2.
Nunes Tadeu kocht op 10 augustus 1990 in België een auto van het merk Peugeot, model 205 XS, voor een bedrag van 200000 BFR. De auto was in België voor het eerst geregistreerd op 11 februari 1987. Op 20 augustus 1990 bracht Nunes Tadeu de auto naar Portugal en gaf hij de auto aan als voertuig bestemd voor definitieve invoer. In mei 1991 legde het douanekantoor te Porto een voertuigbelasting op van 271665 ESC. De belasting was berekend in overeenstemming met artikel 1 van Decreto-lei nr. 152/89 van 10 mei 1989, zoals gewijzigd, dat ten tijde van de feiten luidde als volgt:
„1.
De voertuigbelasting is een binnenlandse belasting op lichte motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer die nieuw of gebruikt worden ingevoerd, of in Portugal worden geassembleerd dan wel gefabriceerd en die worden geregistreerd.
2.
(...)
3.
De belasting is specifiek, eenfasig en varieert naar gelang van de cilinderinhoud overeenkomstig de bij deze wet gevoegde tabel, die hiervan een integrerend onderdeel vormt.
4.
Op het bedrag van de belasting op ingevoerde gebruikte motorvoertuigen die, gerekend vanaf de eerste registratie, meer dan twee jaar oud zijn, wordt een vermindering van 10 % toegepast op de waarden die worden verkregen na toepassing van de in het voorgaande lid bedoelde tabel.”
3.
Nunes Tadeu betaalde de belasting, maar stelde vervolgens een vordering tot terugbetaling van deze belasting in bij het Tribunal Fiscal Aduaneiro do Porto. Volgens hem was de belasting in strijd met enkele bepalingen van het gemeenschapsrecht, inzonderheid met artikel 95 van het Verdrag. Het Tribunal Fiscal Aduaneiro do Porto stelde Nunes Tadeu in liet gelijk, waarop de Portugese belastingautoriteiten (Fazenda Pública) beroep instelden bij het Supremo Tribunal Administrativo. Bij beschikking van 26 mei 1993 heeft deze rechterlijke instantie het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
„1)
Is de heffing van de voertuigbelasting met de hiervoor omschreven kenmerken over de invoer van uit België afkomstige, gebruikte lichte motorvoertuigen in Portugal in strijd met artikel 95, leden 1 en 2, EEG-Verdrag, wanneer deze belasting in Portugal niet wordt geheven over andere gebruikte voertuigen, ongeacht of zij in nieuwe staat zijn geïmporteerd dan wel in Portugal zijn geassembleerd of gefabriceerd ?
2)
Kan deze zelfde belasting worden beschouwd als een bij de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een invoerrecht?”
De toepasselijke verdragsbepalingen
4.
Artikel 9, lid 1, van het Verdrag luidt als volgt:
„De Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke zich uitstrekt over het gehele goederenverkeer en welke zowel het verbod medebrengt van in- en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten onderling als de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen.”
5.
Artikel 12 verbiedt de Lid-Staten onderling nieuwe in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de bestaande rechten en heffingen te verhogen. Krachtens de artikelen 13 tot en met 15 dienen de Lid-Staten tijdens de overgangsperiode de bestaande invoerrechten af te schaffen.
6.
Artikel 95 bepaalt:
„De Lid-Staten heffen op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.
Bovendien heffen de Lid-Staten op de produkten van de overige Lid-Staten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.
Uiterlijk aan het begin van de tweede etappe zullen de Lid-Staten de bepalingen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag bestaan en strijdig zijn met bovengenoemde regels afschaffen of herzien.”
De niet-toepasselijkheid van artikelen 9 en volgende van het Verdrag
7.
Het eerste vraagstuk dat zich aandient, is, of de op de invoer van Nunes Tadeu's auto geheven voertuigbelasting een douanerecht is in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag, dan wel deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen dat moet worden beoordeeld met inachtneming van artikel 95. Bij dit vraagstuk behoeft niet lang te worden stilgestaan, aangezien het reeds is opgelost door het arrest Lourenço Dias. In dit arrest overwoog het Hof, dat een voertuigbelasting die zonder onderscheid van toepassing is op voertuigen die zijn geassembleerd of gefabriceerd in de Lid-Staat waar zij wordt geheven, en op zowel nieuwe als gebruikte ingevoerde voertuigen, niet kan worden beschouwd als een bij artikel 12 van het Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht. ( 2 )
8.
In het arrest Lourenço Dias haalde het Hof het arrest Co-Frutta ( 3 ) aan, waarin het zijn eerdere rechtspraak betreffende de afbakening tussen de werkingssfeer van de artikelen 9 tot en met 12 en die van artikel 95 bevestigde. Volgens dat arrest „betreft het verbod van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag, wat de heffingen van gelijke werking betreft, iedere bij of vanwege invoer opgelegde belasting welke met name een ingevoerd produkt, met uitsluiting van een gelijksoortig nationaal produkt, treft en door wijziging van de kostprijs op het vrije verkeer van goederen uiteindelijk eenzelfde beperkende werking heeft als een douanerecht. Het wezenlijke kenmerk waardoor een heffing van gelijke werking als een douanerecht zich van een binnenlandse belasting onderscheidt, is derhalve te zoeken in de omstandigheid dat bedoelde heffing uitsluitend het ingevoerde produkt als zodanig treft, terwijl een binnenlandse belasting ingevoerde en nationale produkten gelijkelijk treft.” ( 4 )
9.
Daarentegen is een last die wordt gelegd op een uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt, niet als een heffing van gelijke werking, maar als een binnenlandse belasting als bedoeld in artikel 95 van het Verdrag te beschouwen, wanneer zij behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast. ( 5 )
10.
De belasting in kwestie wordt geheven over „lichte motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer die nieuw of gebruikt worden ingevoerd, of in Portugal worden geassembleerd dan wel gefabriceerd en die worden geregistreerd”. Zij maakt dus deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor bepaalde groepen produkten worden getroffen volgens objectieve criteria en onafhankelijk van hun oorsprong. Derhalve heeft het Hof in het arrest Lourenço Dias terecht overwogen, dat een dergelijke belasting niet als een douanerecht of een heffing van gelijke werking kan worden aangemerkt en dat de verenigbaarheid van deze belasting met het gemeenschapsrecht moet worden beoordeeld met inachtneming van artikel 95 van het Verdrag. Hieraan wordt niet afgedaan door het feit, dat de belasting wordt geheven op de invoer van gebruikte auto's, maar niet op de binnenlandse transacties betreffende gebruikte auto's. Dit verschil is te wijten aan het feit, dat de belasting slechts eenmaal wordt geheven bij de eerste registratie van een voertuig in Portugal. Het zou niet juist zijn te stellen, dat de belasting niet wordt gelegd op een binnenlandse transactie betreffende een gebruikt voertuig — in tegenstelling tot hetgeen ligt opgesloten in de eerste vraag van het Supremo Tribunal Administrativo —, aangezien een restant van de bij de eerste registratie van het voertuig betaalde belasting in de waarde van het voertuig begrepen blijft.
De onverenigbaarheid van de voertuigbelasting met artikel 95 van het Verdrag
11.
Zoals de Commissie opmerkt, strekt artikel 95 van het Verdrag ertoe, een „volstrekte neutraliteit ten aanzien van de mededinging” te waarborgen tussen nationale en uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten. Het verbiedt de Lid-Staten een discriminerende of protectionistische belastingregeling toe te passen, die ingevoerde produkten benadeelt. Bovendien heeft het Hof erkend, dat artikel 95 een fundamentele rol speelt op het gebied van het vrije verkeer van goederen, voor zover het de specifieke bepalingen op dit gebied aanvult. Indien de Lid-Staten ingevoerde produkten aan discriminerende belastingheffing zouden kunnen onderwerpen, dan zou de doeltreffendheid van de verdragsbepalingen waarbij de douanerechten en kwantitatieve beperkingen van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten zijn verboden, ernstig worden ondermijnd.
12.
Voor de onderhavige zaak dient voor ogen te worden gehouden, dat het begrip „nationale produkten” niet beperkt is tot de goederen die daadwerkelijk in de betrokken Lid-Staat worden geproduceerd; in het arrest Commissie/Denemarken ( 6 ) heeft het Hof erkend, dat een ingevoerd produkt het karakter van een nationaal produkt krijgt, wanneer het is ingevoerd en in de handel gebracht. Deze omstandigheid komt gewoonlijk geen betekenis toe voor goederen die op korte termijn definitief worden geconsumeerd. Zij is slechts van betekenis voor goederen (zoals auto's) die gedurende een betrekkelijk lange periode worden geconsumeerd en die, nadat zij voor het eerst in de handel zijn gebracht, frequent het voorwerp van latere transacties vormen. Hieruit volgt, dat de door artikel 95 vereiste fiscale neutraliteit moet bestaan tussen gebruikte auto's die reeds in Portugal in de handel zijn gebracht (ongeacht waar zij zijn gefabriceerd) en gebruikte auto's die uit andere Lid-Staten worden ingevoerd.
13.
Het antwoord op de vraag hoe die fiscale neutraliteit moet worden bereikt, is te vinden in het arrest Denemarken/Commissie. In dit arrest overwoog het Hof, dat Denemarken inbreuk had gemaakt op artikel 95, „door op ingevoerde gebruikte motorvoertuigen een registratiebelasting te heffen die is gebaseerd op een hogere dan de werkelijke waarde, waardoor dergelijke voertuigen zwaarder worden belast dan in het binnenland verkochte gebruikte en aldaar reeds geregistreerde motorvoertuigen”. Volgens de Deense belastingregeling werd op motorvoertuigen een registratiebelasting ad valorem geheven bij de eerste registratie van deze voertuigen in Denemarken. Voor nieuwe auto's bedroeg het tarief 105 % dan wel 180 % van de waarde van het voertuig. Ingevoerde gebruikte voertuigen die nog geen zes maanden oud waren, werden tegen het volle tarief belast, en ingevoerde gebruikte voertuigen van meer dan zes maanden oud voor 90 % van het volle tarief. Een dergelijk stelsel werd onverenigbaar met artikel 95 geacht, omdat Denemarken geen pogingen in het werk had gesteld om de belasting op ingevoerde gebruikte auto's op de grondslag van hun werkelijke waarde te berekenen. In het arrest overwoog het Hof, dat:
„(...) de zeer hoge registratiebelasting op nieuwe motorvoertuigen tot gevolg heeft, dat het gedeelte van de belasting dat nog in de waarde van het motorvoertuig is begrepen, langzamer wordt afgeschreven dan in andere Lid-Staten, die een lagere belasting heffen. Dit neemt niet weg, dat de heffing van een registratiebelasting op ingevoerde gebruikte motorvoertuigen, bij de berekening waarvan wordt uitgegaan van ten minste 90 % van de nieuwprijs van het voertuig, in het algemeen tot gevolg heeft, dat die belasting duidelijk hoger uitvalt dan de restwaarde van de registratiebelasting op in het binnenland gekochte en aldaar reeds geregistreerde motorvoertuigen, ongeacht hun ouderdom of de staat waarin zij verkeren” (r. o. 20).
14.
Uit het arrest Commissie/Denemarken volgt duidelijk, dat de belasting die op een ingevoerde gebruikte auto wordt geheven, niet hoger mag zijn dan de restantbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlandse gebruikte auto met dezelfde kenmerken. Voor de berekening van de restantbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlandse gebruikte auto, dient rekening te worden gehouden met de marktwaarde ervan, waarbij wordt aangenomen dat het bedrag van de restantbelasting kleiner wordt rechtstreeks evenredig aan de waarde van de auto. Wanneer dus de waarde van een in 1987 in Portugal in de handel gebrachte nieuwe auto 1000000 ESC bedroeg, inclusief de voertuigbelasting ten bedrage van 200000 ESC, en de waarde van de auto in 1990600000 ESC bedroeg, dan is de in die waarde begrepen restantbelasting 120000 ESC. Dit is de maximumbelasting die mag worden geheven, wanneer een vergelijkbare auto in Portugal wordt ingevoerd. Opgemerkt zij, dat deze berekeningsmethode van de restantbelasting gelijk is aan die welke het Hof in het zogenaamde arrest „Schul II” ( 7 ) heeft aanvaard voor de berekening van het restant van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) dat is begrepen in de waarde van produkten. Hoewel die zaak een ander vraagstuk betrof (te weten of en in hoeverre de staat van invoer van gebruikte produkten voor de berekening van de BTW de in de staat van uitvoer betaalde BTW in aanmerking moet nemen), lijkt het logisch om dezelfde berekeningsmethode toe te passen, aangezien het in beide gevallen gaat om vaststelling van de in de waarde van gebruikte produkten begrepen restantbelasting.
15.
In het licht van 's Hofs arrest Commissie/Denemarken valt moeilijk te zien, hoe de Portugese wettelijke regeling die van kracht was toen Nunes Tadeu zijn auto invoerde, verenigbaar kan zijn met artikel 95. Volgens die wettelijke regeling kan de belasting op een ingevoerde gebruikte auto, evenals volgens de Deense wettelijke regeling die in de zaak Commissie/Denemarken aan de orde was, nooit lager zijn dan 90 % van de belasting op een nieuwe auto, terwijl de restantbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlandse gebruikte auto met dezelfde kenmerken lager zal zijn dan dit bedrag, wanneer de waarde van de ingevoerde auto minder dan 90 % van de waarde van een nieuwe auto bedraagt.
16.
Volgens de Nederlandse regering, die schriftelijke opmerkingen heeft ingediend, verschilt de Portugese voertuigbelasting qua berekeningsmethode van de Deense registratiebelasting. De eerste is gebaseerd op de cilinderinhoud van de auto, terwijl de laatste een heffing ad valorem is. De Nederlandse regering oppert, dat dat verschil voldoende kan zijn om de Portugese belasting verenigbaar te maken met artikel 95. Ik zie niet hoe dat mogelijk is. Ongeacht de vraag of de belasting is gebaseerd op de cilinderinhoud dan wel op de waarde van het voertuig, is het een feit, dat zowel volgens het Portugese als volgens het Deense stelsel de restbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlandse gebruikte auto, automatisch kleiner wordt naarmate de auto in waarde daalt. Het in artikel 95 neergelegde beginsel van fiscale neutraliteit vereist, dat de op een ingevoerde gebruikte auto geheven belasting eveneens varieert naar gelang van de waarde van de auto.
17.
De Portugese regering betoogt, dat de onderhavige belastingregeling niet een protectionistisch doel, noch een protectionistische werking kan hebben, omdat de prijs van een ingevoerde gebruikte auto, zelfs na met de voertuigbelasting te zijn verhoogd, lager is dan de prijs van een daarmee gelijk te stellen binnenlandse gebruikte auto. De Portugese regering voert ter verdediging van de op gebruikte auto's toepasselijke belastingregeling aan, dat zij „enkel een principiële gelijkheid tussen de handelswaarde van binnenlandse en ingevoerde gebruikte auto's wil waarborgen”. Dit argument lijkt te steunen op een verkeerd begrip van de uit artikel 95 van het Verdrag voortvloeiende vereisten. Het feit dat de prijs van een ingevoerd produkt, inclusief belasting, de prijs van een gelijksoortig nationaal produkt niet te boven gaat, betekent op zichzelf nog niet, dat aan deze vereisten wordt voldaan. Het is mogelijk, dat de prijs exclusief belasting van een ingevoerd produkt beduidend lager is dan de prijs exclusief belasting van een concurrerend nationaal produkt. Een belastingregeling die erop is gericht dit concurrentievoordeel teniet te doen, is kennelijk in strijd met artikel 95. Dit artikel vereist een gelijkwaardige belastingdruk op nationale en ingevoerde produkten en niet gelijkwaardige detailverkoopprijzen.
18.
Evenwel zij opgemerkt, dat de staat van invoer niet verplicht is bij de berekening van de belasting uit te gaan van de prijs die de importeur voor de auto heeft betaald of van de waarde van de auto in de staat van uitvoer; hij mag de waarde in de staat van invoer in aanmerking nemen. Dit vloeit voort uit de voorwaarde, dat de in de staat van invoer geheven belasting de restbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlandse gebruikte auto met dezelfde kenmerken, niet te boven mag gaan. Zo de staat van invoer verplicht zou zijn de lagere waarde in de staat van uitvoer als belastinggrondslag te nemen, zou dat niet enkel een eventueel uit deze lagere waarde voortvloeiend concurrentievoordeel beschutten, maar de importeur daarnaast een fiscaal voordeel verlenen dat in strijd zou zijn met de fiscale neutraliteit.
19.
Ter terechtzitting heeft de Portugese regering enige praktische moeilijkheden aangeroerd, die zich zouden voordoen wanneer bij de berekening van de belasting op ingevoerde gebruikte auto's zou moeten worden uitgegaan van de werkelijke handelswaarde ervan; volgens de Portugese regering zou de vaststelling van deze waarde wel eens moeilijk kunnen zijn, aangezien er aanzienlijke discrepanties bestaan tussen de verschillende prijslijsten van gebruikte auto's die in Portugal zijn gepubliceerd. Dit is geen overtuigend argument. Indien het zou worden gevolgd, zou zelfs niet een schijn van fiscale neutraliteit tussen binnenlandse en ingevoerde gebruikte goederen kunnen worden gegarandeerd. Bovendien is het probleem van de taxatie van de waarde van ingevoerde gebruikte goederen niet nieuw en speelt het steeds bij invoer van gebruikte goederen die aan een belasting ad valorem, de belasting over de toegevoegde waarde daaronder begrepen, zijn onderworpen. Het stelt een feitelijke vraag aan de orde, die niet bijzonder complex lijkt en die in voorkomend geval kan worden opgelost door het advies van deskundigen in te winnen. Deze vraag is stellig niet dermate complex, dat het gerechtvaardigd is, de belasting op ingevoerde gebruikte auto's vast te stellen op de grondslag van een stelsel dat lijkt uit te gaan van de onwaarschijnlijke veronderstelling, dat een gebruikte auto, ongeacht de ouderdom, staat of kilometerstand ervan, nooit minder waard kan zijn dan negen tiende van de waarde van een nieuwe auto.
20.
Sinds de feiten van de onderhavige zaak zich hebben voorgedaan, is de wettelijke regeling meermaals gewijzigd. Het bedrag van de op een ingevoerde gebruikte auto geheven belasting wordt thans progressief verlaagd in overeenstemming met de ouderdom van de auto. Ter terechtzitting heeft de Commissie het Hof meegedeeld, dat, indien de thans van kracht zijnde wettelijke regeling van toepassing zou zijn geweest toen Nunes Tadeu's auto werd ingevoerd, de belasting niet met 10 %, maar met 32 % zou zijn verlaagd. Blijkens de tabel in bijlage V bij de opmerkingen van de Portugese regering wordt er een aftrek toegepast die voor elk jaar oploopt, tot maximaal 67 % voor auto's van ouder dan acht jaar. De Commissie lijkt de mening toegedaan, dat de nieuwe wettelijke regeling toereikend is en heeft het Hof ter terechtzitting laten weten, dat zij de tegen Portugal ingeleide niet-nakomingsprocedure heeft gestaakt.
21.
In weerwil van het standpunt van de Commissie is het twijfelachtig, of de huidige Portugese wettelijke regeling (waarvan de verenigbaarheid met het Verdrag in de onderhavige procedure natuurlijk niet aan de orde is) voldoet aan de vereisten van artikel 95. Hoewel in deze wettelijke regeling thans rekening wordt gehouden met de ouderdom van het voertuig, worden daarin alle andere factoren die de waarde van een ingevoerd voertuig kunnen beïnvloeden, zoals de kilometerstand, de staat waarin het verkeert en het model (aangezien sommige modellen sneller in waarde dalen dan andere), buiten beschouwing gelaten. Nochtans zijn al deze factoren van invloed op de waarde van een binnenlands gebruikt voertuig en dus op het bedrag van de in deze waarde begrepen restantbelasting. Derhalve zullen er altijd gevallen zijn waarin de fiscale neutraliteit niet is gewaarborgd. Wanneer bij voorbeeld iemand een auto invoert die tussen de vijf en zes jaar oud is, wordt de belasting met 49 % verminderd, hetgeen betekent dat hij 51 % van de voor een nieuwe auto verschuldigde belasting moet betalen. Maar wanneer de auto meer dan 49 % in waarde is gedaald — hetgeen zeker mogelijk is, in het bijzonder wanneer de auto meer dan het gemiddelde aantal kilometers op de teller heeft en in betrekkelijk slechte staat verkeert—, dan zal de geheven belasting meer bedragen dan de restantbelasting die is begrepen in de waarde van een binnenlands gebruikt voertuig met dezelfde kenmerken.
22.
In dit verband is het nuttig te herinneren aan het vaststaande beginsel, dat artikel 95 wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde produkt en die op het gelijksoortige nationale produkt op verschillende wijze op basis van verschillende criteria worden berekend, waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in bepaalde gevallen, hoger wordt belast. ( 8 ) In het geval van de Portugese voertuigbelasting worden het ingevoerde produkt en het gelijksoortige nationale produkt in beginsel op basis van hetzelfde criterium belast (te weten de cilinderinhoud), maar is de invloed van de belasting niet dezelfde; de belastingdruk op een nationaal gebruikt voertuig neemt af naarmate de auto in waarde daalt, terwijl ingevoerde gebruikte voertuigen volgens een forfaitair stelsel worden belast. Het is duidelijk, dat de fiscale neutraliteit tussen ingevoerde en binnenlandse gebruikte auto's niet kan worden gewaarborgd door een forfaitair stelsel waarin slechts rekening wordt gehouden met één van meerdere factoren die de waarde van een gebruikt voertuig kunnen beïnvloeden. De belasting op een ingevoerd gebruikt voertuig moet worden vastgesteld op de grondslag van de werkelijke waarde ervan, aangezien de belasting op het gelijksoortige nationale produkt onvermijdelijk afhangt van de werkelijke waarde van dit produkt.
23.
Het is hoe dan ook duidelijk, dat de ten tijde van de onderhavige feiten van kracht zijnde wettelijke regeling in bepaalde gevallen tot een bij artikel 95 verboden discriminerende belasting kon leiden. Het is van belang te benadrukken, dat daardoor niet noodzakelijkerwijs de gehele wettelijke regeling niet-toepasselijk is. ( 9 ) Een nationale belasting is slechts in strijd met artikel 95, voor zover zij discriminerend is voor ingevoerde produkten. Het staat aan de nationale rechter om in het kader van zijn eigen rechtsstelsel vast te stellen, of de belasting in haar geheel moet worden gerestitueerd dan wel enkel voor het gedeelte waarmee zij het voor een gelijksoortig nationaal produkt verschuldigde bedrag te boven gaat. ( 10 )
Conclusie
24.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Supremo Tribunal Administrativo te beantwoorden als volgt:
1)
Een voertuigbelasting die wordt geheven op alle in een Lid-Staat geregistreerde auto's, ongeacht of zij aldaar worden gefabriceerd dan wel nieuw of gebruikt worden ingevoerd, en waarvan het bedrag varieert naar gelang van de cilinderinhoud, maakt deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen en kan als zodanig niet worden aangemerkt als een douanerecht of een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag.
2)
De heffing van een dergelijke belasting op ingevoerde gebruikte auto's is in strijd met artikel 95 van het Verdrag, voor zover het geheven bedrag hoger is dan het bedrag van de restantbelasting die is begrepen in de waarde van een gebruikte auto met dezelfde kenmerken en die in de betrokken Lid-Staat reeds in de handel is gebracht.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Jurispr. 1992, blz. I-4673.
( 2 ) Arrest Lourenço Dias, reeds aangehaald in voetnoot 1, r. o. 55.
( 3 ) Arrest van 7 mei 1987, zaak 193/85, Jurispr. 1987, blz. 2085.
( 4 ) Arrest Co-Frutta, r. o. 8 en 9.
( 5 ) Arrest Co-Prutta, r. o. 10.
( 6 ) Arrest van 11 december 1990, zaak C-47/88, Jurispr. 1990, blz. I-4509.
( 7 ) Arrest van 21 mei 1985, zaak 47/84, Schul, Jurispr. 1985, blz. 1491, r. o. 34.
( 8 ) Zie arresten van 26 juni 1991, zaak C-152/89, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1991, blz. I-3141, r. o. 20, en zaak C-153/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-3171, r. o. 12; zie eveneens de arresten aangehaald in de punten 23 en 24 van mijn conclusie in deze zaken en mijn commentaar in de punten 25 en 26 van deze conclusie. Dit beginsel is met betrekking tot de belastingheffing op auto's bevestigd in het arrest van 12 mei 1992, zaak C-327/90, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1992, blz. I-3033, r. o. 20.
( 9 ) Arrest Lourenço Dias, r. o. 49.10
( 10 ) Arresten van 4 april 1968, zaak 34/67, Lück, Jurispr. 1968, blz. 345, inz. blz. 356, en 22 maart 1977, zaak 74/76, Iannelli, Jurispr. 1977, blz. 557, r. o. 22.
Full & Egal Universal Law Academy