CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 31 januari 1995 ( *1 )
1.
De door de Court of Appeal aan het Hof voorgelegde vragen betreffen de uitlegging van artikel 5, leden 1 en 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”), zoals gewijzigd door het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 1978.
Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter, of in het geval waarin van een verweerder terugbetaling wordt gevorderd van geldsommen die de verzoeker aan de verweerder heeft betaald ter uitvoering van een overeenkomst die nadien nietig is verklaard wegens onbekwaamheid van één der partijen, de verweerder moet worden gedagvaard voor de rechter van de plaats waar de verbintenis is of moet worden uitgevoerd, omdat het om een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, lid 1, Executieverdrag gaat, dan wel voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden, omdat het gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, lid 3, van dat Verdrag.
2.
Ik wil er al meteen op wijzen, dat de verwijzende rechter het Hof weliswaar om uitlegging van voormelde bepalingen van het Executieverdrag verzoekt, doch dat het in het hoofdgeding gaat om de vraag, of de Londense dan wel de Glasgowse rechter bevoegd is; de zaak betreft dus een conflict over territoriale bevoegdheid tussen rechters van een en dezelfde Verdragsluitende Staat, namelijk het Verenigd Koninkrijk.
Ter beoordeling van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht, het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, is het nuttig in het kort de ter zake relevante nationale wettelijke regeling en de feiten in het hoofdgeding toe te lichten.
De nationale wettelijke regeling
3.
In Section 2 van de Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982 (Wet van 1982 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en beslissingen in burgerlijke zaken) is bepaald, dat het Executieverdrag, dat als bijlage 1 aan die wet is gehecht, kracht van wet heeft in het Verenigd Koninkrijk [Section 2(1)] en dat alle problemen in verband met de betekenis en de gevolgen van haar bepalingen, indien zij niet aan het Hof van Justitie worden voorgelegd met het oog op een prejudiciële beslissing, moeten worden opgelost overeenkomstig de door het Hof ontwikkelde beginselen en overeenkomstig 's Hofs rechtspraak (artikel 3, lid 1), zo nodig mede gelet op de rapporten Jenard en Schlosser [Section 3(3)].
Het Verdrag is uiteraard alleen op de Verdragsluitende Staten van toepassing. Om de problemen op te lossen die voortvloeien uit het feit dat er in het Verenigd Koninkrijk voor civielrechtelijke zaken verschillende rechtsgebieden bestaan (Engeland en Wales, Schotland, Noord-Ierland), bevat de wet van 1982 een regeling voor de oplossing van mogelijke territoriale-bevoegdheidsconflicten binnen het Verenigd Koninkrijk.
4.
Die regeling is te vinden in Section 16 van de wet, die, voor zover in casu relevant, bepaalt:
„(1)
De bepalingen van bijlage 4 (een gewijzigde versie van titel II van het EEG-Executieverdrag) regelen voor elk deel van het Verenigd Koninkrijk de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van dat deel in zaken waarin:
(a)
het onderwerp van het geding binnen het toepassingsgebied van het EEG-Executieverdrag zoals vastgesteld in artikel 1 valt (ongeacht of het EEG-Executieverdrag in de zaak van toepassing is); en
(b)
de verweerder zijn woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk dan wel het een zaak betreft als bedoeld in artikel 16 (exclusieve bevoegdheid ongeacht de woonplaats).
(2)
(...)
(3)
Bij problemen in verband met de betekenis of de gevolgen van een in bijlage 4 bedoelde bepaling
(a)
moet rekening worden gehouden met alle door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot titel II van het Verdrag van 1968 ontwikkelde relevante beginselen, alsmede met alle arresten van bedoeld Hof die de betekenis of de gevolgen van de bepalingen van die titel betreffen; en
(b)
behoudens het algemene karakter van het bepaalde sub (a), kan rekening worden gehouden met de in Section 3(3) bedoelde rapporten, waaraan, voor zover relevant, een naargelang van de omstandigheden passend belang moet worden gehecht.”
Daarnaast wijs ik op artikel 2 van bijlage 4, dat bepaalt:
„Onverminderd de bepalingen van deze titel, worden zij die woonplaats hebben in een deel van het Verenigd Koninkrijk, opgeroepen voor de gerechten van dat deel.”
Voorts bepaalt artikel 5 van bijlage 4:
„De verweerder die woonplaats heeft in een deel van het Verenigd Koninkrijk, kan in een ander deel van het Verenigd Koninkrijk worden opgeroepen:
(1)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd;
(2)
(...)
(3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of dreigt zich voor te doen.”
5.
De artikelen 2 en 5(1) en (3) van bijlage 4 zijn dus een nagenoeg letterlijke weergave van de overeenkomstige artikelen van het Executieverdrag, zoals gewijzigd bij het Toetredingsverdrag van 1978. ( 1 ) Ook al blijkt dit niet uit de stukken, opgemerkt zij, dat terwijl de bij het Toetredingsverdrag van 1989 in artikel 5, lid 1 ( 2 ), aangebrachte wijzigingen op 1 december 1991 in het Verenigd Koninkrijk in werking zijn getreden, bijlage 4, voor zover hier van belang, eerst per 1 april 1993 is gewijzigd. Dit feit verdient te worden beklemtoond, want het toont duidelijk aan, dat in de bepalingen van bijlage 4 weliswaar de tekst van de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag is overgenomen, doch in een versie die in die vorm thans niet meer geldt; de nationale wetgeving sluit dus wel aan bij het Executieverdrag, maar op starre, niet-dynamische wijze.
Verder wijs ik erop, dat ingevolge genoemde wet van 1982 bijlage 4 kan worden gewijzigd „rekening houdend met de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot titel II van het Verdrag van 1968 ontwikkelde beginselen, alsmede met alle arresten van bedoeld Hof die de betekenis of de gevolgen van de bepalingen van die titel betreffen” [Section 47(l)(b)]. Daarbij wordt nog gepreciseerd, dat het daarbij ook kan gaan om „wijzigingen die tot verschillen tussen de bepalingen van bijlage 4 (...) en de overeenkomstige bepalingen van titel II van het Verdrag van 1968” kunnen leiden, zoals die welke voortvloeien uit door het Hof van Justitie gegeven uitleggingen [Section 47(3)].
De feiten
6.
Dan kom ik nu tot de feiten die aan de onderhavige procedure ten grondslag liggen. Kleinwort Benson Ltd (hierna: „Kleinwort”), een in Engeland gevestigde bank, en de City of Glasgow District Council (hierna: „District Council”) sloten in september 1982 zeven rente-swapovereenkomsten. ( 3 ) Ter uitvoering van die overeenkomsten betaalde Kleinwort tijdens de periode van 9 maart 1983 tot 10 december 1987 een bedrag van 807230,31 UKL.
Op 24 januari 1991 verklaarde het House of Lords ( 4 ) de door plaatselijke besturen als de District Council gesloten rente-swapovereenkomsten onwettig, op grond dat die besturen niet bevoegd waren dergelijke overeenkomsten te sluiten. Daarop volgde een reeks gedingen tussen de betrokken plaatselijke besturen en de banken; laatstgenoemde wilden de nog niet uitgekeerde bedragen inhouden of de ter uitvoering van de wegens onbevoegdheid nietige overeenkomsten betaalde bedragen terugvorderen. Ook tegen de District Council is een dergelijk proces ingeleid.
7.
Op 6 september 1991 stelde Kleinwort bij de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, tegen de District Council een op het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering tot terugbetaling in. De District Council voerde onbevoegdheid van de Londense rechter aan en stelde, dat ingevolge artikel 2 van bijlage 4 de rechter van de woonplaats van verweerder voor dit geschil bevoegd was, dus de Glasgowse rechter. In eerste aanleg kreeg de District Council gelijk, waarop Kleinwort tegen dat vonnis hoger beroep instelde bij de Court of Appeal.
Juist om te kunnen bepalen, welke rechter in het Verenigd Koninkrijk voor dit geschil bevoegd is, heeft de Court of Appeal het Hof een prejudiciële vraag gesteld. De Court of Appeal vraagt, of de vordering tot terugbetaling, gelet op het feit dat de overeenkomst ab initio nietig is, een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5, lid 1, Executieverdrag betreft, dan wel een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, lid 3, van dat Verdrag.
8.
Partijen betwisten niet, dat op de betrokken, in Londen gesloten overeenkomsten het Engelse recht van toepassing is, en dat Engeland zowel de plaats is „waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd” (artikel 5 (1) van bijlage 4) als de „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of dreigt zich voor te doen” (artikel 5 (3) van bijlage 4), zodat het volstrekt duidelijk is, dat in beide gevallen (verbintenis uit overeenkomst én verbintenis uit onrechtmatige daad) de Engelse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Daaruit volgt, dat de vordering van de District Council om voor de rechter van de woonplaats van verweerder te worden gedaagd, dus voor de Schotse rechter, slechts kan slagen wanneer wordt aangenomen, dat een op het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering als die waarom het in het hoofdgeding gaat, noch onder artikel 5, lid 1, noch onder artikel 5, lid 3, Executieverdrag valt.
De bevoegdheid van het Hof
9.
Vooraf wil ik erop wijzen, dat het Executieverdrag niet van toepassing is op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde bevoegdheidsconflict, wat partijen en de verwijzende rechter overigens erkennen. In de considerans van het Executieverdrag staat immers te lezen, dat het betrekking heeft op de internationale bevoegdheid van de gerechten van de Verdragsluitende Staten („de bevoegdheid van hun gerechten in internationaal verband vast te stellen”), en niet op binnenlandse conflicten over territoriale bevoegdheid.
Zelfs indien men ten volle rekening houdt met de bijzonderheden van het Britse procesrecht (in het bijzonder de verdeling in drie rechtsgebieden, afgezien van de bevoegdheid van het House of Lords op burgerlijk gebied), is het dus redelijkerwijs niet mogelijk te concluderen, dat het Executieverdrag als zodanig van toepassing is op de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak. ( 5 ) Het is immers in ieder geval uitgesloten het Verenigd Koninkrijk, zelfs in het kader van het Executieverdrag, niet als één enkele Verdragsluitende Staat te beschouwen, en het is dus al evenzeer uitgesloten, dat daar spelende geschillen over territoriale bevoegdheid binnen de werkingssfeer van het Executieverdrag vallen.
10.
In het onderhavige geval wordt het geschil dus beheerst door een nationale bepaling, en niet door een bepaling van het Executieverdrag. Wij zullen derhalve eerst moeten nagaan, of het Hof bevoegd is een bepaling van het Executieverdrag uit te leggen, wanneer de nationale bepaling, die als enige van toepassing is, nagenoeg letterlijk de inhoud van de overeenkomstige bepaling van het Executieverdrag weergeeft, en wanneer de nationale rechter krachtens dezelfde wet gehouden is rekening te houden met 's Hofs rechtspraak ter zake [artikel 16(3)(a)], doch niet verplicht is deze rechtspraak toe te passen.
Dit probleem is slechts nieuw, voor zover het de uitlegging van het Executieverdrag betreft. In het verleden is het Hof immers bij wege van prejudiciële verwijzing krachtens artikel 177 EG-Verdrag meermaals verzocht om uitlegging van gemeenschapsrecht met betrekking tot feitelijke situaties waarop niet het gemeenschapsrecht van toepassing was, maar nationaal recht, dat voor de vraag welke bepalingen op een zuiver nationale situatie van toepassing zijn, naar het gemeenschapsrecht verwees. Bij die gelegenheden heeft het Hof zich bevoegd verklaard. ( 6 )
11.
Voor hun standpunt dat het Hof bevoegd is, verwijzen partijen in het hoofdgeding alsmede de Duitse en de Spaanse regering naar de arresten van het Hof, waarin dit zich bevoegd heeft verklaard het gemeenschapsrecht uit te leggen, ofschoon het duidelijk om zuiver nationale situaties ging, die niet door het gemeenschapsrecht, maar door het nationale recht werden beheerst. De Franse en de Britse regering, alsmede de Commissie stellen daarentegen, dat het Hof onbevoegd is, gelet op de verschillen tussen het onderhavige geval en die waarom het in die eerdere arresten ging.
Het lijkt mij daarom nuttig die rechtspraak kort te bespreken.
12.
Zij is begonnen met het arrest Thomasdünger van 26 september 1985. ( 7 ) In de eerste plaats bevestigde het Hof in dat arrest het beginsel, dat het de verwijzende rechter is die „aan de hand van de feiten heeft na te gaan of de beantwoording van de prejudiciële vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geschil”. Vervolgens gaf het de verwijzende rechter een uitlegging van een aantal posten van het gemeenschappelijk douanetarief, ofschoon het duidelijk was, dat de zaak buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht viel en de tariefposten waarvan om uitlegging werd verzocht, door de bevoegde nationale instanties als referentie voor een andere feitelijke situatie waren genomen, namelijk de invoer van goederen niet uit derde landen, maar uit een andere Lid-Staat.
In de latere arresten Dzodzi ( 8 ) en Gmurzynska-Bscher ( 9 ) werkte het Hof zijn redenering verder uit. Het verklaarde zich daarin bevoegd, bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen naar welker inhoud het nationale recht van een Lid-Staat verwees bij de vaststelling van regels betreffende zuiver nationale situaties in die staat. Meer in het bijzonder gaf het Hof in het arrest Dzodzi de verwijzende rechter een uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 64/221/EEG ( 10 ), ofschoon de situatie van verzoekster in het hoofdgeding ingevolge artikel 2 van de richtlijn uitdrukkelijk van haar werkingssfeer was uitgesloten. In het arrest Gmurzynska-Bscher sprak het Hof zich uit over de uitlegging van een aantal posten van het gemeenschappelijk douanetarief, zulks in verband met een geschil dat niet rechtstreeks dat tarief, maar een nationale bepaling van een Lid-Staat betrof, die voor de vaststelling van het bedrag van de omzetbelasting uitdrukkelijk naar de communautaire douanenomenclatuur verwees. ( 11 )
13.
In beide zaken herinnerde het Hof eraan, dat artikel 177 een instrument is voor de samenwerking tussen de gemeenschapsrechter en de nationale rechter en dat laatstgenoemde de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vragen heeft te beoordelen. Ter rechtvaardiging van zijn bevoegdheid voerde het Hof in wezen twee argumenten aan. In de eerste plaats wees het erop, dat het „voor de communautaire rechtsorde van evident belang (is), dat ter vermijding van toekomstige uitleggingsgeschillen iedere bepaling van gemeenschapsrecht, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden, op eenvormige wijze wordt uitgelegd”. ( 12 ) In de tweede plaats merkte het op, dat artikel 177 van het Verdrag gevallen als die welke aan de orde waren, niet van zijn werkingssfeer uitsluit; meer in het bijzonder blijkt „uit de tekst van artikel 177 noch uit het doel van de bij dit artikel ingestelde procedure (...), dat de auteurs van het EEG-Verdrag de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht, hebben willen uitsluiten in het bijzondere geval dat het nationale recht van een Lid-Staat naar de inhoud van die bepaling verwijst ter vaststelling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die Lid-Staat van toepassing zijn”. ( 13 )
Dezelfde redenering bracht het Hof er voorts toe, zich bevoegd te verklaren om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht, waarnaar niet werd verwezen in een nationale bepaling, doch in een contractuele clausule, en dit om te bepalen hoever de financiële aansprakelijkheid van een der partijen bij de overeenkomst reikte. ( 14 )
14.
Bijzondere vermelding verdient het arrest Fournier ( 15 ), waarin het Hof zich uitsprak over de uitlegging van het in een richtlijn voorkomende begrip „plaats waar een voertuig gewoonlijk is gestald” ( 16 ), ofschoon het duidelijk was, dat het in die zaak niet ging om toepassing van een richtlijn, maar van een overeenkomst tussen centrale verzekeraars, waarin een aantal bepalingen van de richtlijn, waaronder die betreffende voormeld begrip, letterlijk waren overgenomen. ( 17 ) Bovendien verzocht de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van dat begrip om te kunnen beslissen, welk verzekeringsbureau de schade diende te vergoeden, een probleem dat volstrekt buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt.
Het Hof onderzocht niet eens, of het bevoegd was zich in een dergelijk geval uit te spreken. ( 18 ) Het merkte op, dat „de in de overeenkomst gebruikte termen (...) niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis hoeven te hebben als die in de richtlijn”, en gaf de verwijzende rechter niettemin de gevraagde uitlegging. Aangezien de richtlijn en de overeenkomst niet hetzelfde doel beogen, preciseerde het Hof daarbij wel, dat het uiteindelijk „de verwijzende rechter, die bij uitsluiting bevoegd is de overeenkomst tussen nationale bureaus uit te leggen, (...)vrij (staat) aan de daarin voorkomende termen de betekenis te geven die hij geschikt acht, en (dat) hij (...) in zoverre niet gebonden (is) aan de betekenis die aan dezelfde uitdrukking in de richtlijn moet worden gegeven” (r. o. 23).
15.
Kortom, in de zojuist besproken zaken was de omstandigheid dat de vragen van de verwijzende rechter op een of andere manier de uitlegging van het gemeenschapsrecht betroffen, voor het Hof voldoende om zich bevoegd te verklaren er uitspraak over te doen. Het Hof deed dat in gevallen waarin het er zich van bewust was, dat de betrokken uitlegging mogelijkerwijs enkel in de toekomst nuttig kon zijn voor de communautaire rechtsorde ( 19 ), en zelfs in gevallen waarin de uitlegging voor de verwijzende rechter mogelijkerwijs geen nut had. ( 20 )
16.
Het onderhavige geval past niet echt in de lijn van de besproken rechtspraak. Om te beginnen gaat het niet om een verwijzing krachtens artikel 177 EG-Verdrag, maar krachtens het Protocol betreffende de uitlegging van het Executieverdrag. Voorts ging het in de meeste eerder genoemde zaken om een loutere verwijzing door het nationale recht naar het gemeenschapsrecht, terwijl in casu de tekst van de bepalingen van het Executieverdrag nagenoeg letterlijk is overgenomen.
De vraag rijst derhalve, of deze twee elementen het probleem in een ander daglicht stellen en dus of zij, gelijk de Britse en de Franse regering en de Commissie stellen, tot een andere oplossing nopen.
17.
Gelet op de criteria en de overwegingen waarop voornoemde rechtspraak berust, denk ik dat het antwoord ontkennend moet zijn. In de eerste plaats lijkt het onderscheid tussen de twee soorten prejudiciële verwijzing — gebaseerd op het Protocol van 1971 respectievelijk op artikel 177 — mij eerder formeel dan materieel, om niet te zeggen kunstmatig. Ik zie inderdaad niet goed in, waarom de oplossing verschillend zou moeten zijn, al naargelang het probleem buiten de werkingssfeer van het Executieverdrag valt, zoals in casu, dan wel buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, zoals in de zaak Dzodzi. In beide gevallen zijn de logische premissen en de rechtsgrond van de prejudiciële verwijzing immers identiek: de nationale rechter de uitlegging geven waarom hij verzoekt, teneinde de eenvormige uitlegging en toepassing van het gemeenschapsrecht, of van het Executieverdrag, te garanderen, wanneer die uitlegging noodzakelijk is voor het wijzen van een vonnis waarin de betrokken norm (van het gemeenschapsrecht in strikte zin of van het Executieverdrag) wordt toegepast.
Evenmin lijkt het mij van bijzonder belang, dat het in de onderhavige zaak niet om een gewone verwijzing naar het gemeenschapsrecht gaat, maar om het overnemen van een aantal bepalingen van het Executieverdrag.
Wat in feite van belang is, is niet de inhoud van de bepaling noch de letter ervan, maar de vraag of zij een bepaling van gemeenschapsrecht is of niet (intern, contractueel of vervat in een verdrag). Bovendien maakt het Hof, zoals wij zagen in de hierboven aangehaalde zaak Fournier, geen onderscheid tussen de verwijzing naar de inhoud van een bepaling van gemeenschapsrecht en het letterlijk overnemen van zo een bepaling.
18.
Dit gezegd zijnde, wil ik onmiddellijk duidelijk stellen, dat ik het Hof niet in overweging wens te geven, de oplossing van het arrest Dzodzi ook in de onderhavige zaak toe te passen; integendeel, ik stel juist de tegenovergestelde oplossing voor. Ik kom daartoe op grond van een redenering die, ofschoon toegespitst op de feiten van de onderhavige zaak, in wezen ook opgaat voor verwijzingen krachtens artikel 177, zoals wij zullen zien.
Thans wens ik uiteen te zetten om welke, en elk voor zich doorslaggevende redenen ik van mening ben, dat het Hof de door de verwijzende rechter gestelde vraag niet dient te beantwoorden.
19.
In de eerste plaats is het Executieverdrag niet van toepassing op conflicten over territoriale bevoegdheid tussen gerechten van een en dezelfde Verdragsluitende Staat; het is ook niet met het oog daarop gesloten. Zoals reeds gezegd, is het Executieverdrag enkel op internationale bevoegdheidsconflicten van toepassing, en in de gespecialiseerde literatuur wordt, zoals bekend, met dit begrip in de regel gedoeld op bevoegdheidsconflicten tussen gerechten van verschillende landen.
In casu is de betrokken bepaling van het Executieverdrag niet als zodanig van toepassing, doch heeft zij model gestaan voor de toepasselijke nationale bepaling. Het gaat in ieder geval om twee bepalingen — de nationale bepaling en die van het Executieverdrag die voor eerstgenoemde model stond— die totaal verschillend zijn, niet alleen wat hun oorsprong en context betreft, maar ook met betrekking tot de feitelijke situatie die zij regelen. De bij het Protocol van 1971 aan het Hof verleende bevoegdheid tot prejudiciële uitlegging van het Executieverdrag is echter beperkt tot de werkingssfeer van dat Verdrag. Het zal dus eenieder duidelijk zijn, dat wanneer het Executieverdrag niet van toepassing is, het Hof ook niet bevoegd is het uit te leggen. ( 21 )
20.
Niet alleen is het Hof in een dergelijk geval niet bevoegd, die bevoegdheid zou ook geen zin hebben. Het mechanisme van een „gecentraliseerde” uitlegging door de gemeenschapsrechter beantwoordt aan het welomschreven vereiste van een eenvormige toepassing van de regels inzake conflicten en erkenning van vonnissen in alle landen die tot het Executieverdrag en de Gemeenschap zijn toegetreden. Deze eenvormigheid beantwoordt op haar beurt aan het complementaire vereiste van vrij verkeer van vonnissen binnen de gemeenschappelijke markt, wat de haar kenmerkende fundamentele vrijheden betreft. Beide vereisten hebben slechts één doel: de integratie te bewerkstelligen.
Wat van belang is, is dat een conflict tussen een gerecht te Heidelberg en een gerecht te Napels op dezelfde wijze wordt opgelost als een conflict tussen een gerecht te Trier en een te Venetië, want het is nuttig en noodzakelijk dat binnen de Gemeenschap soortgelijke conflicten op soortgelijke wijze worden opgelost. Wanneer het echter niet nodig is dat aan dat vereiste wordt voldaan, vervalt ook de noodzaak en dus het nut van een eenvormige en gecentraliseerde uitlegging. Wanneer er een conflict over territoriale bevoegdheid bestaat tussen een gerecht te Heidelberg en een gerecht te Trier, is er geen enkele reden om te verlangen dat het op dezelfde wijze wordt opgelost als een bevoegdheidsconflict tussen een gerecht te Napels en een te Venetië. Omdat het Executieverdrag niet van toepassing is, is er dan ook evenmin plaats voor een uitleggingsbevoegdheid van de gemeenschapsrechter. Dat geldt ook, wanneer de Duitse of de Italiaanse conflictregel in dezelfde bewoordingen is gesteld als de overeenkomstige bepaling van het Executieverdrag, want er is geen reden om te verlangen dat een bepaling waarvoor een andere bepaling model heeft gestaan, op dezelfde wijze wordt uitgelegd als het model. Anders gezegd, het „systeem” van het Executieverdrag ziet niet op zuiver nationale situaties, zoals een conflict over territoriale bevoegdheid tussen twee gerechten van hetzelfde land.
21.
Ik wil daarmee niet ontkennen, dat dergelijke conflicten ook binnen een en dezelfde Lid-Staat het best op dezelfde wijze kunnen worden opgelost als op internationaal of communautair vlak bij internationale bevoegdheidsconflicten gebeurt. Het is voorts goed mogelijk, dat dit vaker het geval is in landen met een rechtssysteem dat in de verschillende geografische of administratieve gebieden anders is gestructureerd. Maar dit betekent nog niet, dat de volgens dat model opgestelde bepaling op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als in het systeem waaruit het model stamt. Integendeel, wanneer een wetgever een reeds in een andere rechtsorde bestaande bepaling als model neemt, kan hij in geen geval verlangen dat „zijn” bepaling in „zijn” land koste wat kost op dezelfde wijze wordt uitgelegd als in de staat waaruit het model stamt (men denke aan het wetboek van Napoleon), en ook nog dat de gerechten van die staat de uitlegging ervan voor hun rekening nemen.
Ten slotte lijkt het mij volstrekt normaal, dat in rechtsordes van verschillende landen verschillende conflictregels inzake territoriale bevoegdheid bestaan. Normaal is ook, dat wanneer verschillende landen voor een zelfde wettelijke oplossing hebben gekozen in de vorm van een bepaling met dezelfde teneur, in elk van die landen één of meer uitleggingen van die bepalingen kunnen voorkomen.
22.
Het vorenstaande vindt steun in 's Hofs rechtspraak. Het Hof heeft meermaals erkend, dat de bepalingen van het EG-Verdrag en die van overeenkomsten met derde landen, die dezelfde inhoud hebben en zelfs letterlijk identiek zijn, verschillend moeten en dus kunnen worden uitgelegd. ( 22 )
Belangrijk is, dat die gedachtengang juist is bevestigd met betrekking tot feiten die vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. Zoals men zich zal herinneren, preciseerde het Hof in het arrest Fournier ( 23 ), naar aanleiding van de uitlegging van een bepaling van een richtlijn die in een particuliere overeenkomst tussen centrale verzekeringsbureaus van de Lid-Staten was opgenomen, dat „de in de overeenkomst gebruikte termen (...) niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis hoeven te hebben als die in de richtlijn”.
23.
De tweede reden die mij tot onbevoegdheid van het Hof doet concluderen, is dat het verzoek om uitlegging van artikel 5 Executieverdrag niet alleen niet voldoet aan de in artikel 3 van het Protocol van 1971 gestelde voorwaarde, daar de gevraagde uitlegging niet noodzakelijk is voor de beslissing in het hoofdgeding, doch bovendien niet bindend zou zijn.
Wanneer men de betrokken nationale bepaling leest, wordt immers meteen duidelijk, dat zij, zoals gezegd, enerzijds uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van wijzigingen waardoor er verschillen kunnen ontstaan tussen de bepalingen van bijlage 4 en de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, en dat zij anderzijds hoe dan ook de nationale rechter niet verplicht het geschil volgens de door de gemeenschapsrechter gegeven uitlegging op te lossen. Overigens, ook al zou een nationale bepaling die verplichting opleggen, het zou zijn alsof die bepaling niet bestond, want een nationale wetgever kan of moet de naleving van een dergelijk voorschrift niet afdwingen.
Bedoelde verplichting kan eigenlijk alleen maar uit een bepaling van het Protocol of het Executieverdrag voortvloeien en zoals deze zaak ligt, bestaat zij niet.
24.
Het verdient opmerking, dat het Hof één keer heeft gezegd dat zijn uitlegging niet bindend was, toen de uitgelegde bepaling niet als zodanig op het voor de verwijzende rechter aanhangige geding van toepassing was. In de zaak Fournier gaf het Hof de nationale rechter de uitlegging waarom deze had verzocht en die door partijen in het kader van hun overeenkomst aan arbitrage was onderworpen. Tegelijkertijd erkende het, dat die uitlegging voor de nationale rechter niet bindend behoefde te zijn, daar de bewoordingen in de richtlijn en in de overeenkomst weliswaar identiek waren, doch niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis hadden, en daar het uiteindelijk „de verwijzende rechter, die bij uitsluiting bevoegd is de overeenkomst tussen nationale bureaus uit te leggen, vrij (staat) aan de daarin voorkomende termen de betekenis te geven die hij geschikt acht, en (dat) hij (...) in zoverre niet gebonden (is) aan de betekenis die aan dezelfde uitdrukking in de richtlijn moet worden gegeven”. ( 24 ) In zoverre heeft het Hof dus erkend, dat zijn beslissing op grond van artikel 177 niet-bindend kon zijn.
Dat het Hof in die zaak de gevraagde uitlegging gaf en niettemin erkende, dat die uitlegging niet bindend was voor de nationale rechter, kan alleen maar verbazing wekken. Het druist immers tegen de logica van het prejudiciële systeem in, dat een gevraagde en gegeven uitlegging van het Executieverdrag of van het gemeenschapsrecht niet bindend is voor de nationale rechter. Dit te meer, omdat het Hof minder dan één jaar eerder in een advies over principiële problemen dienaangaande terecht had opgemerkt, dat „het onaanvaardbaar is, dat de antwoorden die het Hof van Justitie aan de gerechten van de EVA-Staten geeft, louter een advieskarakter zouden hebben en niet bindend zouden zijn. Een dergelijke situatie zou in strijd zijn met de aard van de rol van het Hof van Justitie, zoals die in het EEG-Verdrag vorm heeft gekregen, namelijk die van een rechterlijke instantie waarvan de arresten bindende kracht hebben. Zelfs in het zeer bijzondere geval van artikel 228 heeft het advies van het Hof van Justitie de in dat artikel gepreciseerde bindende werking.” ( 25 )
25.
Zou men ervan uitgaan, dat het Hof een uitlegging kan geven als referentie voor de toekomst („ter vermijding van toekomstige uitleggingsgeschillen” ( 26 )), wanneer die uitlegging niet noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil in het hoofdgeding en voor de nationale rechter niet bindend is, dan zou dat bovendien flagrant in strijd zijn met de vaste rechtspraak van het Hof inzake hypothetische vragen aut similia. ( 27 ) De samenwerking tussen de nationale rechter en de gemeenschapsrechter en het mechanisme van de prejudiciële verwijzing mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan om het wijzen van vonnis in een concreet geval mogelijk te maken. Het verlenen van technische hulp, zeggen wij maar van juridisch advies, valt uiteraard buiten het in het Protocol van 1971 en in artikel 177 van het Verdrag voorziene systeem.
Wat dit laatste betreft, lijkt mij de opmerking van het Hof ongegrond, dat uit de tekst van artikel 177 noch uit het doel ervan blijkt, dat de auteurs van het van het Verdrag de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht, hebben willen uitsluiten wanneer deze bepaling als zodanig niet op de feiten van toepassing is ( 28 ), dat wil in feite zeggen, wanneer zij buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Talrijk zijn immers de gevallen die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten; dat betekent echter niet, dat zij zijn bedoeld, en dit geldt te meer in het gemeenschapsrecht, dat — moet dit nog worden herhaald? — op het beginsel van toegewezen bevoegdheden berust.
26.
Aangezien het thans niet langer uitzonderlijk is, dat het gemeenschapsrecht en ook het Executieverdrag model staan voor diverse bepalingen, mag ten slotte niet worden voorbijgegaan aan de gevaren van een rechtspraak die in een andere richting zou gaan dan hier voorgesteld. Juist in verband met de materie die ons in casu bezighoudt, behoeft men alleen maar te denken aan het tussen de EVA-landen en de Lid-Staten van de Gemeenschap gesloten Verdrag van Lugano ( 29 ) de meeste artikelen van dat verdrag zijn letterlijk overgenomen uit het Executieverdrag. Dat betekent daarom niet, dat de gemeenschapsrechter automatisch bevoegd is geworden om de bepalingen van dat verdrag uit te leggen, wanneer een gerecht van een Lid-Staat daarover vragen stelt bij een bevoegdheidsconflict tussen een gerecht van een Lid-Staat en een gerecht van een EVA-land. ( 30 ) Om een geval te nemen dat het gemeenschapsrecht in enge zin betreft, kan men ook denken aan artikel 85 van het Verdrag, dat bij voorbeeld model heeft gestaan voor de Italiaanse mededingingswet, die mutatis mutandis bedoeld artikel overneemt (artikel 2) en zelfs uitdrukkelijk naar de beginselen van de communautaire rechtspraak verwijst ( 31 ) ik denk niet, dat de Italiaanse rechter de gemeenschapsrechter om uitlegging van artikel 85 van het Verdrag kan verzoeken wanneer hij de overeenkomstige nationale bepaling moet toepassen, en ik ben er nog zekerder van, dat het Hof zijn vraag in geen geval zal beantwoorden.
27.
Op grond van het vorenstaande stel ik het Hof voor, de vraag van de verwijzende rechter niet te beantwoorden. Aangezien het Executieverdrag niet van toepassing is, is het Protocol evenmin van toepassing, zodat er geen rechtsgrondslag is voor de bevoegdheid van het Hof.
Voorts is het overduidelijk, dat mijn redenering niet enkel geldt voor verwijzingen krachtens het Protocol van 1971, maar eveneens voor verwijzingen krachtens artikel 177 van het Verdrag. Om het nog duidelijker te formuleren, ik geef het Hof in overweging — fundamenteel en hoe omstandig het dit ook zou moeten formuleren— de rechtspraak Dzodzi in haar geheel te herzien. Ik kan het met die rechtspraak niet eens zijn, vooral omdat zij vanuit het oogpunt van de algemene rechtstheorie in strijd is met het mechanisme van de prejudiciële verwijzing ( 32 ) en —waarom het verzwijgen?— regelrecht misbruik van procedure oplevert ( 33 ), maar. ook omdat zij, misschien minder sterk maar even duidelijk, in strijd is met de meest recente rechtspraak van het Hof inzake prejudiciële verwijzingen. ( 34 )
28.
Om de hiervoor uiteengezette redenen ben ik van mening, dat het Hof zich onbevoegd moet verklaren om uitspraak te doen over de prejudiciële vraag van de Court of Appeal. Gelet op het voorgaande is het mijns inziens overbodig de zaak ten gronde te onderzoeken.
29.
Derhalve geef ik het Hof in overweging, de vraag van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:
„De bepalingen van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, kunnen niet worden toegepast bij het oplossen van conflicten over territoriale bevoegdheid tussen gerechten van een en dezelfde Verdragsluitende Staat. Daaruit volgt, dat het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging van dat Verdrag niet van toepassing is en dat op grond van artikel 3 van dat Protocol gestelde vragen buiten de bevoegdheid van het Hof vallen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Afgezien van de nodige aanpassingen, verschilt de aan de orde zijnde nationale bepaling slechts op weinig belangrijke punten van het Executieverdrag in de versie van 1978. In het kader van deze zaak is van belang, dat artikel 5, lid 3, enkel spreekt van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, en niet tevens, zoals de overeenkomstige bepaling van bijlade 4, van de plaats waar het schadebrengende feit zich dreigt voor te doen.
( 2 ) In haar huidige versie luidt die bepaling als volgt: „ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de cis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen”.
( 3 ) Dit zijn overeenkomsten waarbij de ene partij aan de andere gedurende een bepaalde periode en op regelmatige tijdstippen bedragen betaalt die zijn berekend op basis van het verschil tussen een vaste rentevoet en de variabele marktrente. Het contract gaat niet gepaard met een lening. De hoofdsom is louter theoretisch en bestaat uitsluitend met het oog op de berekening van de verbintenissen van partijen inzake betaling van renteverschillen. Het wezenlijke kenmerk van dit soort overeenkomsten is, dat het gaat om een kanscontract, daar de financiële gevolgen afhankelijk zijn van de toekomstige evolutie van de rentevoeten.
( 4 ) Zaak Hazell/Hammersmith and Fulham London Borough Council (1992, 2 A. Cl).
( 5 ) Zie dienaangaande Cheshire and North's: Private International Law, biz. 335; Anton en Beaumont: Civil Jurisdiction in Scotland, Supplement, 1987, in het bijzonder biz. 7; zie ook O'Malley en Layton: European Civil Practice, 1989, paragrafen 41.09 en 36.04. Zie voorts, met betrekking tot de onbevoegdheid van het Hof tot uidegging van de Britse wet waarbij de bepalingen van het Verdrag van Rome inzake verbintenissen uit overeenkomst toepasselijk zijn gemaakt op nationale conflicten binnen het Verenigd Koninkrijk, Jayme en Kohier: „Das internationale Privat- und Verfahrensrecht der EG auf dem Wege zum Binnenmarkt”, in Praxis des Internationalen Privat- und Verfahrensrecht, 1990, blz. 358.
( 6 ) Arresten van 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, biz. I-3763); 8 november 1990 (zaak C-231/89, Gmurzynska-Bscher, Jurispr. 1990, biz. I-4003), en 24 januari 1991 (zaak C-384/89, Tomatis en Fulchiron, Jurispr. 1991, blz. I-127, summiere publikatie). Zie voorts arrest van 25 juni 1992 (zaak C-88/91, Federconsorzi, Jurispr. 1992, blz. I-4035).
( 7 ) Zaak 166/84 Øurispr. 1985, biz. 3001, r. o. 11).
( 8 ) Arrest van 18 oktober 1990, reeds aangehaald, r. o. 26-43.
( 9 ) Arrest van 8 november 1990, reeds aangehaald, r. o. 15-25.
( 10 ) Richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, blz. 850).
( 11 ) Enigszins vergelijkbaar zijn de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest Tomatis en Fulchiron, reeds aangehaald.
( 12 ) Arresten Dzodzi, r. o. 37, en Gmurzynska-Bscher, r. 0.24.
( 13 ) Arresten Dzodzi, r. o. 36, en Gmurzynska-Bscher, r. o. 25.
( 14 ) Arrest Federconsorzi, r. o. 7-10.
( 15 ) Arrest van 12 november 1992 (zaak C-73/89, Fournier, Jurispr. 1992, blz. I-5621).
( 16 ) Meer in het bijzonder in artikel 1, lid 4, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 1972, L 103, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 (PB 1984, L 8, blz. 17).
( 17 ) Een ongewoon feit, dat opmerking verdient, is, dat krachtens artikel 2, sub d, van de aanvullende overeenkomst bij genoemde overeenkomst elk geschil betreffende de uitlegging van het begrip grondgebied waar het voertuig gewoonijk is gestald, „wordt voorgelegd aan een college van drie scheidsrechters”.
( 18 ) Ik wens eraan te herinneren, dat in een eerdere zaak waarin het Hof werd verzocht zich rechtstreeks uit te spreken over de bepaling van de betrokken overeenkomst, het zich onbevoegd had verklaard, op grond dat die overeenkomst niet kon „worden beschouwd als een handeling van een instelling van de Gemeenschap, aangezien geen instelling of orgaan van de Gemeenschap bij de totstandkoming ervan was betrokken” (arrest van 6 oktober 1987, zaak 152/83, Demouche, Jurispr. 1987, blz. 3833, r. o. 19).
( 19 ) Arrest Dzodzi, reeds aangehaald, r. o. 37. In hetzelfde arrest voegde het Hof daar bovendien aan toe: „Welke grenzen de nationale wetgever eventueel heeft gesteld aan de toepassing van het gemeenschapsrecht op de zuiver interne situaties waarop het enkel via de nationale wet van toepassing is, is een vraag van nationaal recht, die derhalve uitsluitend door de rechterlijke instanties van de betrokken Lid-Staat kan worden beoordeeld” (r. o. 42). Zie in die zin eveneens arrest Fedcrconsorzi, r. o. 10.
( 20 ) Arrest Fournier, r. o. 23.
( 21 ) In dezelfde zin, doch in verband met een verzoek om uitlegging van bepalingen van gemeenschapsrecht naar welker inhoud het nationale recht verwijst met net oog op de regeling van een zuiver nationale situatie, is de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de reeds aangehaalde zaak Dzodzi van bijzonder belang. In het bijzonder wil ik wijzen op de volgende overweging, die even evident en onbetwistbaar vanuit het oogpunt van de fundamentele beginselen van de algemene rechtstheorie, als verhelderend en duidelijk is: „Het gemeenschapsrecht treedt niet buiten zijn werkingssfeer: wat voor de goede werking ervan telt, is zijn homogeniteit binnen het door dat recht zelf gedetermineerde personele en materiële kader. Dat begrippen van gemeenschapsrecht eenzijdig worden overgenomen in een nationale regeling, brengt geen verruiming mee van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, en daarmee van de bevoegdheid van het Hof” (Jurispr. 1990, blz. I-3778, punt 11).
( 22 ) Arresten van 9 februari 1982 (zaak 270/80, Polydor, Jurispr. 1982, blz. 329) en 26 oktober 1982 (zaak 104/81, Kupferberg, Jurispr. 1982, blz. 3641, r. o. 30). Zie voorts het advies 1/91 van 14 december 1991 (Jurispr. 1991, blz. I-6084, punt 14), waarin het Hof verklaarde: „Dat de bepalingen van het Akkoord en de overeenkomstige gemeenschapsbepalingen in gelijke bewoordingen zijn gesteld, betekent niet noodzakelijkerwijs, dat zij op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd. Een internationaal verdrag moet immers niet enkel worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen waarin het is gesteld, doch ook in het licht van de doelstellingen ervan.”
( 23 ) Arrest van 12 november 1992, reeds aangehaald, r. o. 22.
( 24 ) Arrest Fournier, reeds aangehaald, r. o. 23, cursivering van mij.
( 25 ) Advies 1/91, reeds aangehaald, punt 61.
( 26 ) Arrest Dzodzi, reeds aangehaald, r. o. 37.
( 27 ) Ik wil met name verwijzen naar de arresten van 16 juli 1992 (zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, en zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871, r. o, 31-33), alsmede naar de beschikking van 16 mei 1994 (zaak C-428/93, Monin Automobiles II, Jurispr. 1994, blz. I-1707, r. o. 13-16). Ook -wijs ik erop, dat het met het oog op het door het Hof nagestreefde doel (het vermijden van toekomstige uitleggingsgeschillen) beslist nuttiger is de nationale rechter de gevraagde uitlegging te geven in gevallen als de zaak Foglia (arrest van 11 maart 1980, zaak 104/79, Jurispr. 1980, blz. 745) dan in de onderhavige zaak. De reden daarvoor is, dat het in eerstgenoemd geval gaat om situaties die ongetwijfeld door het gemeenschapsrecht worden geregeld en die, ofschoon zij zijn geconstrueerd en misschien juist omdat zij zijn geconstrueerd, zich in de toekomst kunnen voordoen, terwijl het in het tweede geval gaat om zuiver nationale situaties, die dus niet de minste „daadwerkelijke” band met het gemeenschapsrecht hebben. Zie Rodière: „Sur les effets directifs du droit (social) communautaire”, RTDE, 1991, blz. 565, 569 e. v.
( 28 ) Arrest Dzodzi, r. o. 36; arrest Gmurzynska-Bscher, r. o. 25.
( 29 ) PB 1988, L 319, blz. 9.
( 30 ) Zie dienaangaande Kohlen „Ein internationales Zivilverfahrensrecht für Gesamteuropa” in Jayme (ed.), Heidelberg, 1992, blz. 24 e. v.
( 31 ) Wet nr. 287 van 10 oktober 1990 inzake de bepalingen betreffende de controle op de mededinging en de markt (GURI nr. 240 van 13.10.1990). Artikeli, lid 4, van deze wet bepaalt, dat „de bepalingen van de onderhavige titel worden uitgelegd op basis van de beginselen van de communautaire reentsorde inzake het mededingingsbeleid”.
( 32 ) Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Mancini bij het arrest Thomasdünger Øurispr. 1985, blz. 3002).
( 33 ) Dienaangaande is overigens geschreven, dat het Hof, door zich in de zaak Dzodzi bevoegd te verklaren, heeft ontkend „qu'elle ne dispose que de compétences d'attribution” en dat het dus „a excédé sa compétence ou elle a admis qu'une compétence pouvait lut être attribuée par une législation nationale, ce qui dans les deux cas est incorrect” (Martin, Denis: „Du bon usage de l'article 177”, in: Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 1991, blz. 189 e. v.
( 34 ) Ik verwijs naar de meest recente ontwikkeling ter zake, met name naar de arresten waarin het Hof de hem voorgelegde prejudiciële verwijzingen niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat de feitelijke context en de betrokken nationale bepaling onvoldoende duidelijk omschreven waren: arrest van 26 januari 1993 (gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo, Jurispr. 1993, blz. I-393, r. o. 6); beschikking van 19 maart 1993 (zaak C-157/92, Banchcro, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r. o. 4); beschikking van 26 april 1993 (zaak C-386/92, Monin Automobiles I, Jurispr. 1993, blz. I-2049, r. o. 6), alsmede beschikking van 9 augustus 1994 (zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999, r. o. 14). De beperkende voorwaarden die het Hof met betrekking tot de ontvankelijkheid van prejudiciële verwijzingen stelt in gevallen die onbetwistbaar door het gemeenschapsrecht worden geregeld, doen de contradictie met de hier besproken rechtspraak maar al te duidelijk tot uiting komen. Met name kan men zich terecht afvragen, hoc de weigering om de vragen van de nationale rechter te beantwoorden op grond van het ontbreken van een naar believen gedefinieerde feitelijke en normatieve context die een nuttig antwoord in een concreet geval mogelijk maakt, valt te rijmen met de bevoegdheid die het Hof met betrekking tot uitleggingsvragen betreffende niet door het gemeenschapsrecht geregelde feiten stelt te hebben, nu in dit laatste geval de nationale context het Hof onbekend is en dus van geen nut kan zijn; het Hof kan dus — per definitie — slechts een abstract oordeel vellen, dat los staat van het concrete geval dat eraan ten grondslag ligt, juist omdat het om een zuiver nationale situatie gaat.
Full & Egal Universal Law Academy