CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G.JACOBS
van 2 februari 1995 ( *1 )
1.
Dit is een van drie verwante zaken waarin de Commissie krachtens artikel 93, lid 2, van het Verdrag beroep heeft ingesteld tegen Italië. ( 1 ) In de onderhavige zaak vordert de Commissie een verklaring voor recht dat Italië, door geen uitvoering te geven aan haar beschikking 89/43/EEG van 26 juli 1988 inzake een steunmaatregel van de Italiaanse regering ten behoeve van ENI-Lanerossi ( 2 ), de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. In casu rijst dezelfde vraag als in zaak C-348/93, te weten of, wanneer indirect, via een openbare onderneming, onwettige staatsteun is betaald, deze steun aan die onderneming of aan de staat moet worden terugbetaald. Ik zal dan ook waar nodig naar mijn conclusie in zaak C-348/93 verwijzen.
2.
ENI (Ente nazionale idrocarburi), een staatsholding, nam in 1962 de Lanerossi-groep over teneinde de financiële problemen van een aantal tot die groep behorende textiel- en kledingondernemingen op te lossen. Ondanks herstructureringspogingen bleven vier dochtermaatschappijen van Lanerossi in de herenbovenldedingsector, namelijk Lanerossi Confezioni, Intesa, Confezioni di Filottrano en Confezioni Monti („de vier dochtermaatschappijen”), zware exploitatieverliezen lijden, die gedurende een aantal jaren door de staat werden vergoed.
3.
Bij brief van 20 mei 1983 aan de Italiaanse regering verklaarde de Commissie, dat zij tot 1982 geen bezwaar tegen de verlening van steun had gemaakt wegens het sociale en regionale belang van de vier dochtermaatschappijen. Zij betwijfelde echter, of ook in de toekomst financiële bijstand uit openbare middelen aan deze ondernemingen kon worden verleend zonder in strijd te komen met de behoorlijke werking van de gemeenschappelijke markt. Zij verzocht de Italiaanse regering, haar in de toekomst overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag in kennis te stellen van voornemens tot steunverlening.
4.
Ofschoon de Italiaanse regering antwoordde, dat geen verdere steunverlening aan de vier dochtermaatschappijen zou plaatsvinden, bleef zij na eind 1982 hun exploitatieverliezen deklién uit openbare middelen. De Commissie stelde zich op het standpunt, dat dit staatssteun was en dat de Italiaanse regering de krachtens artikel 93, lid 3, op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, aangezien zij de steun had verleend zonder voorafgaande kennisgeving. Zij leidde daarom bij brief van 19 december 1984 de procedure van artikel 93, lid 2, in.
5.
Op grond van de door de regering tijdens die procedure verschafte informatie stelde de Commissie vast, dat ENI tussen 1983 en 1987 staatssteun in de vorm van kapitaalinbreng had ontvangen ter dekking van de exploitatieverliezen van de vier dochtermaatschappijen. Het totaalbedrag van de steun was 260,4 miljard LIT, waarvan 78 miljard LIT in 1983, 56,8 miljard LIT in 1984, 42,2 miljard LIT in 1985, 45,9 miljard LIT in 1986 en 37,5 miljard LIT in 1987. ( 3 ) De Commissie stelde zich op het standpunt, dat de steun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
6.
Op 26 juli 1988 stelde de Commissie de in geding zijnde beschikking vast. De artikelen 1, 2 en 3 daarvan luiden als volgt:
„Artikel 1
De steun welke tussen 1983 en 1987 aan ENI-Lanerossi is verstrekt in de vorm van kapitaalinjecties ten gunste van de herenbovenkledingdochtermaatschappijen van het concern ten bedrage van 260,4 miljard lire, is onrechtmatig omdat hij is verstrekt in overtreding van het bepaalde in artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag. Hij is bovendien onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
Artikel 2
Deze steun moet worden ingetrokken via terugvordering.
Artikel 3
De Italiaanse regering moet de Commissie binnen twee maanden na datum van de kennisgeving van deze beschikking mededelen welke maatregelen zij genomen heeft om daaraan gevolg te geven.”
7.
Van deze beschikking werd de Italiaanse regering in kennis gesteld bij brief van 10 augustus 1988. Zij nam niet de voor terugvordering van de steun noodzakelijke maatregelen, maar stelde beroep in tot nietigverklaring van de beschikking. Dit beroep werd door het Hof bij arrest van 21 maart 1991 (zaak C-303/88, Italië/Commissie; hierna: „Lanerossi I”) ( 4 ) verworpen. In Lanerossi I verwierp het Hof onder meer de argumenten van de Italiaanse regering, dat de Commissie aan de niet-aanmelding van de steun onwettige gevolgen had verbonden, dat het bevel tot terugvordering van de steun onvoldoende was gemotiveerd, en dat het onmogelijk was om de steun terug te vorderen. In antwoord op het argument van de Italiaanse regering dat het onduidelijk was, van wie de steun moest worden teruggevorderd, verklaarde het Hof dat de steun moest worden teruggevorderd van de ondernemingen die deze feitelijk hadden genoten, dat wil zeggen de vier dochtermaatschappijen. ( 5 ) In Lanerossi I onderzocht het Hof evenwel alleen de vraag, welk orgaan gehouden was tot terugbetaling van de steun, en niet, aan welk orgaan de steun moest worden terugbetaald om de beschikking uit te voeren. ( 6 )
8.
Na het arrest van het Hof verzocht de Commissie de Italiaanse regering, de nodige maatregelen te treffen om de beschikking uit te voeren. Op 24 mei 1991 deelden de Italiaanse autoriteiten de Commissie mee, dat de terugvordering van de steun moeilijk bleek. In het bijzonder had de voor Staatsholdings verantwoordelijke minister ENI weliswaar verzocht, alle maatregelen te treffen die noodzakelijk waren om de steun, vermeerderd met rente, van de vier dochtermaatschappijen terug te vorderen, doch ENI had verklaard, dat het rechtens en feitelijk onmogelijk was de steun terug te vorderen, aangezien de vier dochtermaatschappijen waren geliquideerd en aan de particuliere sector waren verkocht.
9.
Bij brief van 26 september 1991 gaf de Commissie te kennen, dat de door de Italiaanse regering aangevoerde moeilijkheden haar niet onthieven van de verplichting tot terugvordering van de steun, en zij verzocht de Italiaanse regering haar binnen veertien dagen mee te delen welke maatregelen zij had getroffen om tot terugvordering over te gaan. Aangezien de Italiaanse autoriteiten geen maatregelen troffen, wees de Commissie in een brief van 10 maart 1992 nogmaals nadrukkelijk op de dringende noodzaak, de beschikking uit te voeren.
10.
Bij brief van 25 maart 1992 stelden de Italiaanse autoriteiten de Commissie in kennis van hun voornemen om de steun terug te vorderen door ervoor te zorgen, dat Lanerossi (thans genaamd SNAM SpA) aan ENI 260,4 miljard LIT vermeerderd met rente zou terugbetalen. Deze terugvorderingsmethode volstond volgens hen om de beschikking uit te voeren. Blijkens een mededeling van de voor Staatsholdings verantwoordelijke Italiaanse minister aan het Ministerie van Buitenlandse zaken, die in bijlage bij de brief van 25 maart 1992 was gevoegd en dezelfde datum droeg, zou de terugvordering van de steun plaatsvinden door bij SNAM SpA een bedrag gelijk aan het bedrag van de steun, vermeerderd met rente, onder de passiva te boeken.
11.
Op 26 juni 1992 schreef het met de mededinging belaste lid van de Commissie de Italiaanse regering een brief over de drie in punt 1 genoemde zaken. Met betrekking tot de onderhavige zaak verklaarde hij, dat het om de beschikking volledig uit te voeren, niet volstond dat de steun door Lanerossi aan ENI werd terugbetaald. De steun moest worden terugbetaald aan de Italiaanse Staat. Bovendien hadden de Italiaanse autoriteiten niet aannemelijk gemaakt, dat terugvordering door ENI volstond om de beschikking uit te voeren. Voorts zou hij, aangezien Italië niet de noodzakelijke maatregelen had getroffen om de beschikking uit te voeren, de Commissie vóór eind juli 1992 voorstellen, de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden.
12.
Bij brief van 14 oktober 1992 verzochten de Italiaanse autoriteiten om extra uitstel, op grond dat de terugvordering van de steun diende te worden bekeken in de context van het regeringsprogramma voor de privatisering van staatsondernemingen. Bij brief van 10 maart 1993 verzocht de Commissie de Italiaanse regering andermaal, de noodzakelijke maatregelen te treffen om aan de beschikking gevolg te geven. Zij beklemtoonde de dringende noodzaak, de uit de niet-uitvoering van de beschikking voortvloeiende mededingingsverstoringen op te heffen en stelde 31 maart 1993 vast als uiterste datum voor tenuitvoerlegging. Aangezien de Italiaanse autoriteiten de vereiste maatregelen niet troffen, leidde de Commissie de onderhavige procedure in.
13.
In haar verzoekschrift stelt de Commissie dat het, om de beschikking volledig uit te voeren, niet volstaat dat de steun door Lanerossi aan ENI wordt terugbetaald. ENI moet aan de Italiaanse Staat dat deel van de steun terugbetalen dat was gefinancierd met staatsmiddelen die speciaal bestemd waren voor de textielsector van de Lanerossi-groep. Met name moet SNAM SpA, als rechtsopvolger van Lanerossi, aan ENI 260,4 miljard LIT betalen. Op haar beurt moet ENI aan de Italiaanse Staat 173,7 miljard LIT betalen, welk bedrag overeenkomt met de door ENI van de staat ontvangen middelen die bestemd waren voor de Lanerossi-groep. ENI mag een bedrag van 86,7 miljard LIT inhouden, daar dit deel van de steun uit de eigen middelen van ENI is gefinancierd.
14.
De Italiaanse regering betwist de ontvankelijkheid van het beroep op twee gronden. Zij betoogt, dat de gestelde verplichting van ENI om een deel van de steun aan de Italiaanse Staat terug te betalen, niet in de beschikking is neergelegd. Van deze verplichting is door de Commissie voor het eerst melding gemaakt in haar brief van 26 januari 1992. Volgens de Italiaanse regering is het beroep derhalve niet-ontvankelijk, aangezien de Commissie de niet-nakoming wil doen vaststellen van een verplichting die in de beschikking niet is vermeld. Volgens de Italiaanse regering is voorts niet voldaan aan artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten.
15.
In zaak C-348/93 heeft de Italiaanse regering soortgelijke excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Hier behoeft slechts te worden opgemerkt, dat de in casu opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid moeten worden verworpen om de in mijn conclusie in vorengenoemde zaak uiteengezette redenen: zie de punten 12 tot en met 16 van mijn conclusie in zaak C-348/93. Thans kom ik dan tot de zaak ten gronde.
16.
Ik wijs er in de eerste plaats op, dat zelfs al zou worden aanvaard, dat ENI niet verplicht was, het bedrag van 173,7 miljard LIT aan de Italiaanse Staat terug te betalen, Italië niettemin zou hebben gehandeld in strijd met de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen. Volgens artikel 3 van de beschikking moest Italië de Commissie binnen twee maanden na datum van de kennisgeving, die plaatsvond op 10 augustus 1988, meedelen, welke maatregelen zij had genomen om de steun terug te vorderen. De Italiaanse regering erkent, dat SNAM SpA de steun aan ENI heeft terugbetaald na ommekomst van de gestelde termijn. Bijgevolg heeft Italië niet tijdig de maatregelen getroffen die noodzakelijk waren om de beschikking uit te voeren. De Italiaanse regering stelt, dat de steun weliswaar is terugbetaald na ommekomst van de gestelde termijn, maar dat er rente is betaald. Het is evenwel duidelijk, dat het betalen van rente een Lid-Staat niet ontheft van de verplichting om de steun terug te vorderen binnen de door de Commissie in haar beschikking voorgeschreven termijn. Anders zou het de Lid-Staat vrij staan, de uitvoering van een beschikking waarbij de terugvordering van onwettige staatssteun wordt gelast uit te stellen en de door de steunverlening veroorzaakte mededingingsverstoringen te laten voortbestaan. Dit zou de bepalingen van het Verdrag inzake staatssteun zinledig maken.
17.
Derhalve is Italië hoe dan ook de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, aangezien het de beschikking niet tijdig heeft uitgevoerd.
18.
Dan kom ik nu toe aan het kernprobleem in deze zaak, namelijk de vraag of het volstaat dat de steun door Lanerossi aan ENI wordt terugbetaald, of dat, zoals de Commissie stelt, de steun voor een deel door ENI aan de Italiaanse Staat moet worden terugbetaald.
19.
Zoals ik in mijn conclusie in zaakC-348/93 heb betoogd, kan de Commissie in een procedure krachtens artikel 93, lid 2, enkel stellen, dat de betrokken Lid-Staat een verplichting niet is nagekomen die voortvloeit uit de beschikking waarvan de gestelde niet-nakoming het voorwerp van de procedure vormt. De vraag welk orgaan gehouden is tot terugvordering van de onrechtmatig betaalde steun, moet derhalve worden beantwoord aan de hand van de beschikking, waarbij de bedoeling van de terugvorderingsverplichting in aanmerking moet worden genomen. Derhalve dient te worden vastgesteld, of de steun volgens de beschikking aan de Italiaanse Staat moet worden terugbetaald.
20.
De beschikking bepaalt niet expliciet, aan welk orgaan de steun moet worden terugbetaald. In artikel 2 wordt slechts gesteld, dat „deze steun moet worden ingetrokken via terugvordering”. De Italiaanse taalversie, de enige die authentiek is, komt op hetzelfde neer. ( 7 ) Uit de beschikking blijkt evenwel duidelijk, dat de voor de financiering van de steun noodzakelijke middelen waren opgebracht door de staat en niet door ENI. Artikel 1 spreekt van „de steun welke tussen 1983 en 1987 aan ENI-Lanerossi is verstrekt (...) ten gunste van de herenbovenkledingdochtermaatschappijen van het concern”. De beschikking wijst dus ENI veeleer als ontvanger dan als verlener van de steun aan. Dit wordt bevestigd door de considerans van de beschikking, waarin het volgende wordt verklaard ( 8 ):
„De interventies van de Italiaanse Staat ten gunste van ENI-Lanerossi die ten doel hadden de exploitatieverhezen te dekken welke door haar herenkledingmaatschappijen tussen 1983 en 1987 waren geleden en 260,4 miljard lire bedroegen, vonden plaats in de vorm van kapitaalinjecties die uitdrukkelijk en specifiek het bovengenoemde doel dienden.”
De beschikking betekent dan ook ongetwijfeld, dat ENI financiële bijstand aan de vier dochtermaatschappijen heeft verleend met gebruikmaking van de gelden die haar door de Italiaanse Staat waren verstrekt en dat ENI als tussenpersoon is opgetreden.
21.
Volgens de Italiaanse regering volstaat het voor de uitvoering van de beschikking, dat de steun wordt terugbetaald aan ENI, en behoeft deze niet aan de Italiaanse Staat te worden terugbetaald. Tot staving van dit standpunt brengt zij soortgelijke argumenten naar voren als in zaak C-348/93.
22.
Met name stelt de Italiaanse regering, dat het doel van de verplichting tot terugvordering van onrechtmatig betaalde steun is, de begunstigde een onrechtmatig verkregen voordeel te ontnemen en een einde te maken aan de mededingingsverstoringen die door de betaling van de onwettige steun zijn veroorzaakt. Om dat doel te bereiken, volstaat het dat de steun wordt terugbetaald aan ENI.
23.
Voorts, zo vervolgt de Italiaanse regering, geldt de terugvorderingsverplichting enkel voor onrechtmatig betaalde steun. De Italiaanse Staat zou alleen dan verplicht zijn de steun van ENI terug te vorderen, indien de overdracht van gelden van de Italiaanse Staat aan ENI in de beschikking was aangemerkt als steun. De beschikking vermeldt echter niet, dat die overdracht van gelden staatssteun is. Tot staving van dit standpunt verwijst de Italiaanse regering naar het arrest „Lanerossi I”, waarin het Hof verklaarde dat, ten bewijze dat er sprake was van staatssteun, niet behoefde te worden aangetoond, dat de door ENI van de Italiaanse Staat ontvangen dotatie specifiek en uitdrukkelijk bestemd was ter dekking van de verliezen van de vier dochtermaatschappijen. Het was voldoende dat ENI, juist doordat zij dotaties ontving, andere middelen kon vrijmaken om de verliezen van de vier dochtermaatschappijen aan te zuiveren. ( 9 ) De Italiaanse regering concludeert daaruit, dat het voor de vraag aan welk orgaan de steun moet worden terugbetaald, irrelevant is welk orgaan de gelden voor de betaling van de steun heeft verschaft.
24.
Om de in mijn conclusie in zaak C-348/93 uiteengezette redenen kan ik deze argumenten niet aanvaarden.
25.
Zoals ik in mijn conclusie in die zaak heb gesteld, moet de vraag aan welk orgaan de steun moet worden terugbetaald, worden beantwoord aan de hand van het doel van de terugvorderingsverplichting. Een van de doelstellingen van die verplichting is het herstel van de toestand die zou hebben bestaan indien de Lid-Staat de steun had aangemeld en deze niet had verleend voordat zij daartoe de in artikel 93, lid 3, bedoelde toestemming van de Commissie had gekregen. Naar het Hof heeft verklaard, is de verplichting om onwettig betaalde steun terug te vorderen, het logische gevolg van de onwettigheid en is zij derhalve niet te beschouwen als onevenredig ten opzichte van de doelstellingen van de verdragsbepalingen inzake staatssteun. ( 10 ) Voorts moet de terugvordering van steun op zodanige wijze plaatsvinden, dat de middelen waarmee de steun was gefinancierd niet worden doorgeschoven naar andere ondernemingen, alsmede in dier voege, dat de toezichthoudende functie van de Commissie, die de kern vormt van het in artikel 93 neergelegde stelsel van preventief toezicht op nieuwe maatregelen van staatssteun, wordt vergemakkelijkt. Wil dat stelsel doeltreffend zijn, dan moeten de betrekkingen tussen de staten en openbare ondernemingen doorzichtig zijn en moet de Commissie zich ervan kunnen verzekeren, dat onwettige steun is teruggevorderd.
26.
Om aan de terugvorderingsverplichting te voldoen, is het noodzakelijk, maar mogelijk niet voldoende, dat de begunstigde onderneming de door haar ontvangen onwettige steun wordt ontnomen. Indien de steun uiteindelijk is verleend door de staat, hetzij op aanwijzing van de staat hetzij met gebruik van staatsmiddelen, moet deze aan de staat worden terugbetaald, ook als hij indirect, bij voorbeeld via een holding, was verstrekt. Het volstaat niet, de steun terug te betalen aan de holding die als tussenpersoon is opgetreden of, zoals in casu, de steun van de ene holding aan de andere over te dragen. Anders zou het erop kunnen neerkomen, dat de terugvordering van steun niet meer is dan een boekhoudkundige operatie, die enkel de noodzakelijke noteringen in de boeken van de verschillende holdings vereist. In dat geval zou moeilijk kunnen worden gegarandeerd, dat de steun naar behoren wordt terugbetaald en dat de aldus overgedragen middelen in de toekomst worden gebruikt in overeenstemming met de vereisten van het Verdrag betreffende staatssteun.
27.
Het komt mij dan ook voor, dat onwettige steun die uit staatsmiddelen is bekostigd en die indirect via een staatsholding is betaald, moet worden terugbetaald aan de staat. Dit geldt ook, indien de staatsmiddelen niet specifiek bestemd waren voor de onderneming die de steun heeft ontvangen. Het is voldoende dat de staatsholding de steun niet zou hebben kunnen verlenen als zij geen gelden van de staat had ontvangen. Zoals gezegd, blijkt in casu duidelijk uit de beschikking, dat de steun aan de vier dochtermaatschappijen is betaald door de Italiaanse Staat via ENI. Ter uitvoering van de beschikking moet de steun derhalve aan de Italiaanse Staat worden terugbetaald.
28.
Volgens de Commissie dient evenwel slechts een deel van de steun, te weten 173,7 miljard LIT, aan de staat te worden terugbetaald, aangezien slechts dat deel was gefinancierd met staatsmiddelen. ENI mag het resterende deel van de steun (86,7 miljard LIT) behouden, aangezien dit uit de eigen middelen van ENI was gefinancierd.
29.
Uit de beschikking blijkt niet, dat de steun voor een deel was gefinancierd door de staat en voor een deel uit de eigen middelen van ENI. Evenmin blijkt dit uit de brief van 26 juni 1992 van de Commissie, waarin deze stelde dat ter uitvoering van de beschikking de steun moest worden teruggevorderd door de Italiaanse Staat. De eerste keer dat de Commissie onderscheid maakte tussen door de staat aan ENI toegekende gelden die bestemd waren voor de vier dochtermaatschappijen en gelden die uit de eigen middelen van ENI waren verstrekt, was in haar verzoekschrift aan het Hof.
30.
Tot staving van haar stelling dat ENI aan de Italiaanse Staat 173,7 miljard LIT moet terugbetalen, verwijst de Commissie naar een brief van 22 juli 1988 van het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse zaken aan de Commissie. Deze brief was verzonden vóór de vaststelling van de beschikking, om aan te tonen dat de door ENI aan de vier dochtermaatschappijen verleende financiële bijstand verenigbaar was met het Verdrag. Blijkens de brief ging het bij het kapitaal dat de staat aan ENI specifiek verstrekte ten behoeve van haar textielsector, om de volgende bedragen: 46 miljard LIT in 1983, 76 miljard LIT in 1985 en 51,7 miljard LIT in 1986, in totaal 173,7 miljard LIT. Ofschoon de considerans van de beschikking terloops verwijst naar een brief van 22 juli 1988 ( 11 ), gebeurt dit niet met de bedoeling, onderscheid te maken tussen gelden die de staat aan ENI specifiek heeft verstrekt ten behoeve van haar textielsector en uit de eigen middelen van ENI verstrekte gelden.
31.
De Italiaanse regering betoogt, dat aangezien de brief van 22 juli 1988 in de beschikking niet in aanmerking is genomen, de Commissie daarnaar in dit stadium niet mag verwijzen ten betoge, dat ENI verplicht is het bedrag van 173,7 miljard LIT aan de Italiaanse Staat te betalen.
32.
Ik kan dit betoog niet aanvaarden. Het is juist, dat in procedures krachtens artikel 93, lid 2, de omvang van de vordering wordt bepaald door de in geding zijnde beschikking van de Commissie en dat de Commissie de betrokken Lid-Staat geen andere verplichtingen kan opleggen dan in de beschikking reeds zijn neergelegd. In casu is het er de Commissie evenwel niet om te doen, de brief van 22 juli 1988 te gebruiken om de Italiaanse Staat nieuwe verplichtingen op te leggen. Evenmin heeft de brief nadelige gevolgen voor de belangen van de Italiaanse regering. De Commissie gebruikt de brief veeleer ten betoge, dat ENI niet de gehele steun aan de Italiaanse Staat behoeft terug te betalen, maar slechts 173,7 miljard LIT. Dit zou anders zijn, indien de brief nadelige gevolgen had voor de belangen van de Italiaanse regering. ( 12 )
33.
Een laatste punt: in haar verzoekschrift stelt de Commissie, dat de verplichting van SNAM SpA de onwettige steun vermeerderd met rente terug te betalen, de schadelijke gevolgen die de betaling van de steun reeds heeft gehad voor andere ondernemingen in de textielsector, niet opheft. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof volgens welke een verklaring in een procedure krachtens artikel 169, dat een Lid-Staat de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, de grondslag kan vormen voor de eventuele aansprakelijkheid van die Lid-Staat wegens niet-nakoming tegenover andere Lid-Staten, de Gemeenschap of particulieren. ( 13 ) Zij stelt, dat voor procedures krachtens artikel 93, lid 2, soortgelijke beginselen gelden en verzoekt het Hof, een uitdrukkelijke verklaring met die strekking in het in de onderhavige zaak te wijzen arrest op te nemen. Zij heeft overeenkomstige verzoeken gedaan in de zaken C-348/93 en C-349/93. Om de in mijn conclusies in die zaken uiteengezette redenen acht ik het niet noodzakelijk, dat het Hof de door de Commissie gevraagde verklaring in zijn arrest opneemt. ( 14 )
Conclusie
34.
Ik geef het Hof derhalve in overweging:
1)
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn uitvoering te geven aan beschikking 89/43/EEG van de Commissie inzake een steunmaatregel van de Italiaanse regering ten behoeve van ENI-Lanerossi, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
2)
de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 1 ) Zie ook de zaken C-348/93, Commissie/Italië „Alfa Romeo”, arrest van 4 april 1995, Jurisor. 1995, blz. I-673, en C-349/93, Commissie/Italië „Aluminia/Comsal”, nog niet gepubliceerd in Jurisprudentie.
( 2 ) PB 1989, L 16, biz. 52.
( 3 ) Zie beschikking 89/43 van de Commissie, aangehaald in voetnoot 2, blz. 54 en 55.
( 4 ) Jurispr. 1991, blz. I-1433.
( 5 ) R. o. 57.
( 6 ) Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven in Lanerossi ï, aangehaald in voetnoot 4, blz. I-1468.
( 7 ) In het Italiaans luidt artikel 2: „Tali aiuti debbono essere oggetto di recupero.”
( 8 ) Beschikking 89/43, aangehaald in voetnoot 2 (PB 1989, blz. 55).
( 9 ) R. o. 14.
( 10 ) Arrest van 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie (zaak „Tubemeuse”), Jurispr. 1990, blz. I-959, r. o. 66.
( 11 ) Beschikking 89/46, aangehaald in voetnoot 2 (PB 1989, blz. 55).
( 12 ) Zie arrest van 5 oktober 1994, zaakC-47/91, Italië/Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4635, r. o. 23.
( 13 ) Zie bij voorbeeld arrest van 12 december 1990, zaak C-263/88, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1990, blz. I-4611, r. o. 9.
( 14 ) Zie mijn conclusie van 19 januari 1995 in zaak C-349/93, punten 25 en 26, en mijn conclusie van 2 februari 1995 in zaak C-348/93, punten 47-49.
Full & Egal Universal Law Academy