Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Hof wordt nogmaals verzocht zich uit te spreken over het zogenoemde octroi de mer, waarover het reeds ging in zaak C-163/90, Legros, waarin op 16 juli 1992 arrest is gewezen.(1) Zoals bekend gaat het om een geldelijke last die in de Franse overzeese departementen (hierna: "DOM") wordt geheven over goederen die in die gebieden worden binnengebracht, ongeacht de oorsprong of de herkomst daarvan, of dat nu een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, een derde land of zelfs een ander gebiedsdeel van Frankrijk zelf is. In de zaak Legros kwalificeerde het Hof het octroi de mer als een heffing van gelijke werking als een douanerecht; voor deze kwalificatie was volgens het Hof niet relevant, dat de heffing in gelijke mate drukte op goederen die uit andere Franse gebiedsdelen afkomstig waren.
In de eerste plaats moet daarbij worden opgemerkt, dat het in de zaak Legros ging om de heffing op uit andere Lid-Staten afkomstige goederen (alsmede uit een derde land waarmee de Gemeenschap een vrijhandelsovereenkomst had gesloten), dus om "ingevoerde" goederen in de eigenlijke zin des woords. In de tweede plaats werden de gevolgen van het arrest in de tijd beperkt, in dier voege dat de onverenigbaarheid van bedoelde heffing met het EEG-Verdrag niet kon worden ingeroepen ter ondersteuning van vorderingen tot terugbetaling van vóór de datum van het arrest betaalde heffingen, behalve door degenen die vóór die datum een beroep in rechte hadden ingesteld.
2. Op 22 december 1989, dus vóór voornoemd arrest maar na de hier aan de orde zijnde feiten, stelde de Raad op grond van de artikelen 227, lid 2, en 235 EEG-Verdrag beschikking 89/688/EEG(2) vast. Gelet op de betekenis van het octroi de mer voor de economische en sociale ontwikkeling van de overzeese departementen, maar ook op de noodzaak van herziening van de heffingsregeling teneinde de overzeese departementen volledig bij het proces van voltooiing van de interne markt te betrekken(3), is in artikel 1 van deze beschikking bepaald, dat de Franse autoriteiten uiterlijk per 31 december 1992 de regeling inzake het octroi de mer in die zin wijzigen, dat deze heffing zonder onderscheid geldt voor de in de overzeese departementen binnengebrachte en voor de aldaar verkregen produkten.
Artikel 2 van de beschikking voorziet in de mogelijkheid gedeeltelijke of volledige vrijstelling van octroi de mer toe te staan ten gunste van de lokale produkten, naargelang van de economische behoeften, voor een periode van ten hoogste tien jaar na de invoering van de nieuwe regeling. Artikel 4 ten slotte bepaalt: "In afwachting van de invoering van de herziene regeling voor de heffing op over zee aangevoerde goederen (...) is de Franse Republiek gemachtigd om uiterlijk tot en met 31 december 1992 de huidige regeling voor de heffing op over zee aangevoerde goederen te handhaven (...)"
Over deze bepaling gaat het in de onderhavige zaak.(4)
3. De door het Tribunal d' instance de Saint-Denis (Réunion) en de Cour d' appel de Paris gestelde prejudiciële vragen zijn minstens in één opzicht het logische vervolg op de zaak Legros; bovendien zijn zij vanwege hun specificiteit van groot belang. In de voor de rechter te Saint-Denis aanhangige zaken (zaken C-407/93 tot C-411/93) vorderen de betrokkenen alles terug wat zij van juli tot december 1992 aan octroi de mer hebben betaald wegens het binnenbrengen in het gebied van goederen zowel uit andere landen van de Gemeenschap als uit derde landen of uit andere gebiedsdelen van Frankrijk. In zaak C-409/93 is de litigieuze heffing uitsluitend betaald in verband met Frans bier.
Gezien de draagwijdte van het arrest Legros, in het bijzonder het feit dat daaruit niet op te maken is of het verbod van het octroi de mer ook geldt voor heffingen die in het kader van het interne goederenverkeer in Frankrijk worden geheven, vraagt de rechter: a) of de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag, voorzover daarin het beginsel van het communautaire douanegebied is vervat, de toepassing door een Lid-Staat van een proportionele heffing over de douanewaarde bij binnenkomst in een bepaald gebiedsdeel van die staat ook verbiedt voor goederen die afkomstig zijn uit andere gebiedsdelen van dezelfde Lid-Staat, en b) of artikel 4 van beschikking 89/688/EEG geldig is voor zover Frankrijk daarbij wordt gemachtigd de geldende regeling inzake het octroi de mer tijdelijk te handhaven tot december 1992.
Hoewel het in het hoofdgeding in zaak C-363/93 gaat om octroi de mer dat sinds 1974 uitsluitend is geheven op produkten (meel) uit Frankrijk die op Martinique zijn binnengebracht, heeft de Cour d' appel de Paris gemeend het Hof alleen de vraag betreffende de geldigheid van de beschikking van de Raad van 22 december 1989 te moeten stellen. De verwijzende rechter heeft het beroep, dat was ingesteld vóór de datum van het arrest Legros, toegewezen wat de vóór de vaststelling van de beschikking van de Raad toegepaste heffing betreft, ervan uitgaande dat de kwalificatie die het Hof in die uitspraak aan die belasting gaf ° en dus het verbod van maatregelen van gelijke werking als douanerechten in de zin van artikel 9 EEG-Verdrag ° ook gold voor het Franse binnenlandse goederenverkeer.
4. Ten slotte wil ik er nog op wijzen, dat in de procedures op Réunion ook de vraag aan de orde is geweest of de toepassing van de litigieuze heffing op de invoer uit derde landen wel met het Verdrag verenigbaar was. De rechter nam als vaststaand aan, dat de artikelen 9 en 13 op zulke goederen niet van toepassing zijn, tenzij zij in het vrije verkeer zijn of er bijzondere door de Gemeenschap gesloten handelsverdragen gelden, gevallen die in casu niet zijn aangetoond, en achtte het niet nodig het Hof hierover een vraag te stellen. Nu hierover geen specifieke vraag aan het Hof is voorgelegd, bepaal ik mij tot de opmerking dat, zodra is komen vast te staan dat het octroi de mer een heffing van gelijke werking als een douanerecht is, de vraag zou kunnen rijzen of de heffing, voorzover ook geheven over goederen uit derde landen, met de verdragsbepalingen inzake de douane-unie verenigbaar is. Het Hof heeft immers meermaals verklaard, dat de artikelen 18-29 alsook artikel 113 EEG-Verdrag de Lid-Staten verbieden het peil van de uit het gemeenschappelijk douanetarief voortvloeiende lasten te wijzigen door bijkomende nationale rechten of heffingen op te leggen.(5)
De geldigheid van artikel 4 van beschikking 89/688
5. Wat de geldigheid betreft van artikel 4 van beschikking 89/688, sluit ik mij aan bij het standpunt van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Legros: de in de loop van de onderhavige procedure naar voren gebrachte argumenten lijken mij weinig aan die zienswijze te kunnen veranderen.
6. In de eerste plaats betoogt de Raad, dat het octroi de mer sinds de beschikking moet worden beschouwd als een communautaire belastingmaatregel en niet meer als een door een staat eenzijdig opgelegde geldelijke last: daardoor zou het buiten het toepassingsgebied van de artikelen 9 en volgende zijn komen te vallen. Wat voorts de rechtsgrondslag betreft van de gemeenschapsrechtelijke bevoegdheid tot vaststelling van de beschikking, betoogt de Raad dat artikel 227, lid 2, derde alinea, EEG-Verdrag de instellingen van de Gemeenschap opdraagt de economische en sociale ontwikkeling van de DOM te bevorderen: aangezien nu het hier in geding zijnde optreden noodzakelijk is gebleken ter bereiking van dat doel, maar anderzijds de bepalingen van het Verdrag niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzagen, zou de toepassing van artikel 235, nu in casu aan alle voorwaarden was voldaan, volkomen regelmatig zijn.
Dat argument ter verdediging van de geldigheid van beschikking 89/688 is ook door de Franse en de Spaanse regering en door de Commissie naar voren gebracht. Deze laatste met name zoekt nog verdere bevestiging voor de deugdelijkheid van haar standpunt in de verwijzing in artikel 227, lid 2, derde alinea, naar de procedures van artikel 226, waarin voor de overgangsperiode is voorzien in een algemene vrijwaringsclausule voor het geval van ernstige moeilijkheden in een economische sector of in een bepaalde streek, waarbij de Lid-Staten konden worden gemachtigd om, voor zover en voor zolang zulks noodzakelijk was, van de verdragsbepalingen af te wijken. Aangezien artikel 226 niet meer kan worden toegepast, maar artikel 227 nog steeds geldt, kan volgens de Commissie het doel van dit laatste artikel alleen worden bereikt door uit te gaan van een andere rechtsgrondslag, namelijk artikel 235, waaraan hetzelfde principe ten grondslag ligt als aan artikel 226.
Voor de Commissie is er dus geen twijfel mogelijk over de noodzaak van de getroffen maatregel, want indien volgens artikel 92, lid 3, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd "steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst", wat in de DOM ontegenzeglijk het geval is, zijn er geen redenen waarom uitgesloten zou moeten worden dat het nastreven van dit doel tijdelijke en uitzonderlijke afwijkingen van de regels inzake het vrije verkeer van goederen mogelijk zou maken.
7. Deze argumenten ° die althans gedeeltelijk overeenkomen met de ook in de zaak Legros verdedigde standpunten ° lijken mij niet houdbaar. Aangaande de beweerde "communautarisering" van het octroi de mer kan ik volstaan met de opmerking, dat de enkele vervanging van een in een Lid-Staat geldende regeling door een handeling van de Gemeenschap die ° ik herhaal het nogmaals ° niet meer inhoudt dan een machtiging tot het handhaven van een nationale maatregel die bij arrest van het Hof strijdig met de verdragsbepalingen is verklaard, niet automatisch tot gevolg heeft dat de betrokken maatregel wettig is. Wat de regels inzake het vrije verkeer van goederen betreft, waarop in het licht van het arrest Legros het verbod van de heffing is terug te voeren, heeft het Hof meermaals onder verwijzing naar de artikelen 30-36 verklaard, dat ofschoon deze bepalingen "in de eerste plaats betrekking hebben op eenzijdige maatregelen van de Lid-Staten, toch ook de gemeenschapsinstellingen verplicht zijn om de vrijheid van het intracommunautaire handelsverkeer ° een grondbeginsel van de gemeenschappelijke markt ° te eerbiedigen".(6)
8. Evenmin kan voor de geldigheid van beschikking 89/688 een argument worden gevonden in de aan de gemeenschapsinstellingen opgedragen doelstellingen van artikel 227, lid 2, in samenhang met het bepaalde in artikel 235. Zoals advocaat-generaal Jacobs terecht opmerkt in zijn conclusie in de zaak Legros, gaat deze redenering voorbij aan het fundamentele onderscheid dat in artikel 227, lid 2, wordt gemaakt ° wat het Hof in het arrest Hansen(7) heeft bevestigd ° tussen de in de eerste alinea genoemde bepalingen, waaronder die inzake het vrije verkeer van goederen, die bij de inwerkingtreding van het Verdrag direct van toepassing zijn geworden, en de andere, waarvan de toepassing in de DOM geleidelijk diende te geschieden, waarbij een zo ruim mogelijke marge werd gelaten om bijzondere, aan de specifieke behoeften van deze Franse gebiedsdelen aangepaste bepalingen vast te stellen. Een andere oplossing zou tekort doen aan de betekenis en strekking van niet alleen artikel 227, maar ook van artikel 235 en van de daarin neergelegde procedure ter vervollediging van de communautaire bevoegdheden.
9. Ware het immers mogelijk met een beroep op artikel 235 van ongeacht welke verdragsbepaling af te wijken met het oog op de te verwezenlijken ontwikkeling van de DOM, dan zou het onderscheid in artikel 227, lid 2, tussen de verschillende categorieën van verdragsbepalingen elke betekenis verliezen. Aangezien bij de keuze tussen twee mogelijke interpretaties van een bepaling in ieder geval voor die lezing moet worden gekozen die de normatieve strekking ervan verzekert, is een dergelijk resultaat klaarblijkelijk onaanvaardbaar.
Overigens stemt de precieze vermelding in artikel 227, lid 2, van de titels en artikelen van het Verdrag die ook in de DOM direct van toepassing zouden worden, overeen met de functie van die titels en artikelen in het algemene kader van het systeem dat men tot stand heeft willen brengen. In het bijzonder met betrekking tot de in de artikelen 9 e.v. neergelegde verboden heeft het Hof reeds in zijn arrest van 14 december 1962, Commissie/Luxemburg en België(8) verklaard, dat uit de duidelijke, uitdrukkelijke en zonder enig voorbehoud geformuleerde verboden alsmede uit de betekenis van de desbetreffende bepalingen in het systeem van het Verdrag ° in het bijzonder hun samenhang met het beginsel van het vrije goederenverkeer ° het fundamentele karakter daarvan blijkt, en dat "bijgevolg iedere eventuele uitzondering, welke trouwens strikt dient te worden geïnterpreteerd, duidelijk behoort te zijn voorzien". In latere rechtspraak heeft het Hof dit beginsel meermaals herhaald, vaak in dezelfde termen.(9)
Veelzeggend ° en nog duidelijker, mocht dat nog nodig zijn ° is een andere passage uit hetzelfde arrest van 1962, waarin het heet, dat om een geldelijke last als een bij artikel 9 verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht te kunnen kwalificeren, slechts behoeft te worden nagegaan of die heffing het vrije verkeer van goederen belemmert en of zij "niet langs communautaire weg tot stand is gekomen, doch voortvloeit uit een eenzijdige beslissing". Van belang is hier de zinsnede "niet langs communautaire weg tot stand gekomen": niet alleen verleent artikel 227, lid 2, de gemeenschapsinstellingen geen bevoegdheid om van artikel 9 af te wijken: het sluit zulke afwijkingen uitdrukkelijk uit.(10)
10. Het lijkt mij hier ook de plaats om het arrest in de zaak Ramel(11) in herinnering te brengen. Het Hof werd in die zaak om een uitspraak verzocht over de geldigheid van een bepaling in een verordening inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, die de Lid-Staten machtigde om na het einde van de overgangsperiode, zolang niet alle voor het beheer van de wijnmarkt noodzakelijke administratieve instrumenten toepassing zouden vinden, heffingen van gelijke werking als douanerechten in te stellen en toe te passen in het intracommunautaire handelsverkeer van tafelwijn, telkens wanneer zulks nodig was om verstoring van de betrokken markten te voorkomen.
Na te hebben overwogen dat artikel 38, lid 2, EEG-Verdrag de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt uitbreidt tot landbouwprodukten, en in de daarop volgende artikelen 39 tot 46 geen bepaling te vinden is die uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, maar zonder mogelijke twijfel, de invoering van zulke heffingen regelt of toestaat, stelde het Hof de ongeldigheid vast van de litigieuze bepaling. Daaraan voegde het toe, dat "uit al deze bepalingen en uit hun onderlinge samenhang volgt dat de gemeenschapsinstellingen bij het uitoefenen van de hun ° met name op sectorieel en regionaal gebied ° toegemeten ruime bevoegdheden om een communautair landbouwbeleid te kunnen voeren, in elk geval na het einde van de overgangsperiode steeds de eenheid van de markt voor ogen dient te staan, zodat elke maatregel die de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen of heffingen en maatregelen van gelijke werking (...) tegenwerkt, is uitgesloten".(12)
11. Hiermee is ook het argument weerlegd van de Commissie, die meent de verwijzing in artikel 227, lid 2, derde alinea, naar artikel 226 aldus te kunnen uitleggen, dat deze bepaling de mogelijkheid zou bieden ook na afloop van de overgangsperiode, wanneer de in artikel 226 genoemde procedures dus niet meer kunnen worden gebruikt, af te wijken van de verdragsbepalingen, en wel van alle bepalingen, met inbegrip van die welke volgens artikel 227 direct van toepassing zouden worden, wanneer zulke afwijkingen nodig zijn voor de sociale en economische ontwikkeling van de DOM, louter door een beroep te doen op een andere rechtsgrondslag, in casu artikel 235.
In werkelijkheid was artikel 226 bedoeld om in de periode direct na de inwerkingtreding van het Verdrag te voorzien in de mogelijkheid van afwijking van de verdragsregels met het oog op een geleidelijke aanpassing van de verschillende nationale economieën aan de nieuwe situatie in geval van ernstige moeilijkheden als gevolg van de opening van de markten, hetgeen vooral voor de DOM van belang was wegens hun bijzondere situatie. Bij de afloop van de overgangsperiode kwam hieraan echter een einde, en er kan geen sprake van zijn dat die bepaling op enigerlei wijze onrechtstreeks of beperkt is blijven voortleven, zeker nu het EEG-Verdrag andere vrijwaringsclausules kent van onbeperkte duur, voor bepaalde materies (doch niet voor die welke thans aan de orde is). Ik geloof niet dat artikel 235 thans deze functie vervult.
12. Zo niet, zou de betekenis van deze bepaling, zoals ik reeds zei, uiteindelijk worden ondergraven. Artikel 235 strekt er immers toe te voorzien in een formele procedure ° die vlotter is dan die voor de herziening van het Verdrag ° om, in het licht van het verloop van de integratie en de evolutie van het stelsel als geheel, de uitdrukkelijk aan de gemeenschapsinstellingen toegekende bevoegdheden aan te vullen met bijkomende bevoegdheden en opdrachten, voor zover die ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag noodzakelijk zijn.
Beziet men de concrete gevallen waarin dit artikel toepassing heeft gekregen, dan kan men zonder meer stellen dat een "constitutionele praktijk" tot stand is gekomen, en dat op grond van artikel 235 ter verwezenlijking van de in artikel 2 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen alle nodige maatregelen kunnen worden genomen die rechtstreeks en qua inhoud verband houden met een vanaf het begin of sinds een later tijdstip tot het werkterrein van de Gemeenschap behorende materie. Aan deze praktijk zijn echter ook grenzen gesteld, die niet mogen worden overschreden.(13) Niet te ontkennen is, dat via deze bepaling zelfs de wezenlijke strekking van sommige verdragsbepalingen is gewijzigd. De eerbiediging van de materiële beginselen van het "constitutionele gemeenschapsrecht" moet in ieder geval de uiterste grens zijn die bij de toepassing van die bepaling niet mag worden overschreden. Tot die beginselen is stellig ook dat van het vrije verkeer van goederen te rekenen, dat niet toevallig is geregeld in het begin van het tweede deel van het Verdrag, betreffende de grondslagen van de Gemeenschap.
Overigens geldt weliswaar als voorwaarde voor de toepassing van artikel 235 dat "een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken", maar in dit geval heb ik veeleer de indruk, dat de bepaling wordt gebruikt om een verbod te omzeilen. Artikel 227, lid 2, kan immers alleen betekenen, dat in de DOM na afloop van de overgangsperiode geen afwijkingen van de regels inzake het vrije verkeer van goederen meer mogelijk zijn. En zoals ook advocaat-generaal Jacobs opmerkt in zijn conclusie in de zaak Legros, mag artikel 235 niet aldus worden uitgelegd, dat ingevolge die bepaling toegelaten is wat krachtens artikel 227, lid 2, verboden is.
13. Evenmin relevant is volgens mij ten slotte het beroep van de Commissie op de verdragsbepalingen inzake steunmaatregelen van de staten, met name artikel 92, lid 3, volgens hetwelk, niettegenstaande het algemene verbod van lid 1 van dat artikel, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd "steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst". Tegen dat argument kan worden ingebracht(14), dat de Raad op grond van de artikelen 92, lid 3, sub d, 93, lid 2, derde alinea, en 94 weliswaar bepaalde bevoegdheden heeft met betrekking tot de toepassing van de verdragsbepalingen inzake steunmaatregelen, maar bij de vaststelling van beschikking 89/688 niet de bedoeling had op te treden in het kader van de verdragsregels betreffende steunmaatregelen van staten. Bijgevolg kan de eventuele toepasselijkheid van die bepalingen in casu geen enkele invloed hebben op de geldigheid van die beschikking. Bovendien mag de toepassing van de regels en de procedures betreffende steunmaatregelen van staten in geen geval leiden tot een resultaat dat strijdig zou zijn met andere verdragsregels.(15)
Deze verwijzing naar de regels inzake steunmaatregelen van de staten laat integendeel zien, dat het Verdrag evenals overigens het secundaire recht, verschillende instrumenten biedt ter verwezenlijking van het in artikel 227, lid 2, derde alinea, genoemde doel, namelijk de economische en sociale ontwikkeling van de DOM, zonder dat daarvoor aan de beginselen waarop de Gemeenschap is gegrondvest, moet worden geraakt.
14. Bij nadere beschouwing van de litigieuze beschikking lijkt het alsof men door het raam heeft willen binnenhalen wat door de deur naar buiten was gestuurd, anders gezegd, alsof men een met het Verdrag strijdige ° en bij arrest van het Hof(16) als zodanig aangemerkte ° maatregel tot elke prijs heeft willen handhaven. Dit blijkt in de eerste plaats uit artikel 4 van de beschikking ° dat hier aan de orde is ° waarbij machtiging wordt verleend tot tijdelijke handhaving van de thans geldende regeling, maar op het eerste gezicht ook uit de beschikking als geheel. Want terwijl zij de Franse autoriteiten opdraagt de regeling inzake het octroi de mer in een binnenlandse belasting om te zetten, laat zij anderzijds toe dat ten gunste van lokale produkties voor een periode tot tien jaar vrijstellingen worden verleend. Daarmee wordt bereikt, dat het voordien geldende systeem de facto in stand blijft, zij het onder een andere naam, wat blijkbaar ook wordt bevestigd door de nationale wet ter uitvoering van de beschikking.(17) Een dergelijk systeem nu zou op het eerste gezicht reeds onverenigbaar zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, aangezien het een discriminatie tussen uit de DOM afkomstige en uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten inhoudt.
Het is dus niet uitgesloten, dat het Hof zich nogmaals over deze problematiek zal moeten buigen.
De aard van het over goederen uit andere Franse gebiedsdelen geheven octroi de mer
15. De andere prejudiciële vraag strekt ertoe te vernemen, of artikel 9 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing door een Lid-Staat van een heffing met de kenmerken van het octroi de mer, ook wanneer deze heffing wordt toegepast op goederen die niet uit een andere Lid-Staat afkomstig zijn, maar wegens de enkele binnenkomst van die goederen in een bepaald gebied van diezelfde Lid-Staat.
16. Verzoeksters in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie geven in overweging deze vraag bevestigend te beantwoorden, op grond van een reeks argumenten die volgens mij echter niet beslissend zijn.
In de eerste plaats is gesteld, dat de verdragsbepalingen betreffende de douane-unie op het beginsel van de eenheid van het communautaire douanegebied steunen, welk beginsel van zijn inhoud zou worden ontdaan wanneer het de Lid-Staten zou vrijstaan om ter bescherming van sommige lokale markten opnieuw binnenlandse beschermingsmaatregelen in te voeren.
Ook is naar voren gebracht, dat in casu niet met succes een beroep kan worden gedaan op de rechtspraak van het Hof, dat de verdragsbepalingen niet van toepassing zijn in situaties die tot de zuiver interne sfeer van een Lid-Staat behoren, nu het octroi de mer zonder onderscheid geldt voor goederen uit andere gebiedsdelen van Frankrijk en voor goederen die uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap of uit derde landen worden ingevoerd. In de loop van de procedure en ter terechtzitting zijn daarentegen wel passages geciteerd uit arresten van het Hof ° het arrest Legros zelf en het arrest Ligur Carni e.a.(18) ° waarin het probleem dat ons thans bezighoudt reeds zou zijn opgelost, en wel in die zin dat het verbod van artikel 9 ook geldt voor het binnenlandse handelsverkeer. Met name wat het arrest Legros betreft, is gesteld dat het Hof zich weliswaar niet expliciet over de verenigbaarheid met het Verdrag van een heffing in het kader van het binnenlandse handelsverkeer heeft uitgesproken, maar dat, voor zover het octroi de mer in dat arrest als een heffing van gelijke werking is aangemerkt, nu het in feite ook op de invoer uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap werd toegepast, deze kwalificatie evenzeer geldt voor een heffing die uitsluitend het nationale handelsverkeer treft, zoals in twee van de onderhavige zaken het geval is.
17. Ten slotte heeft met name de Commissie betoogd, dat wanneer de Lid-Staten tarifaire belemmeringen tussen de verschillende delen van hun grondgebied en de produkten daarvan konden handhaven, daaruit praktische problemen zouden voortvloeien: in ieder geval moet namelijk voorkomen worden dat een uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt indirect wordt belast, niet alleen produkten die vanuit een Lid-Staat via een ander gebiedsdeel van Frankrijk naar een DOM "transiteren", maar ook in Frankrijk ingevoerde produkten die eerst later naar een DOM worden overgebracht.
18. Zoals gezegd, kunnen die argumenten mij niet overtuigen, niet in het licht van de relevante bepalingen van het EEG-Verdrag en evenmin in dat van de uitlegging die het Hof daaraan steeds heeft gegeven.
Artikel 9 verbiedt "in- en uitvoerrechten en alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten"; artikel 12 verbiedt de invoering van nieuwe rechten en heffingen; artikel 13 schrijft de geleidelijke opheffing voor in de loop van de overgangsperiode van de tussen de Lid-Staten toegepaste invoerrechten. Uit de tekst van deze artikelen blijkt, dat een heffing binnen het toepassingsgebied van die bepalingen valt, wanneer zij wordt toegepast op goederen bij of wegens overschrijding van de grens tussen twee Lid-Staten. Deze bepalingen zijn overigens opgenomen in de titel van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, en evenals het in de artikelen 30 EEG-Verdrag en volgende neergelegde verbod van kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking, beogen zij de volledige vrijmaking van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten.
Voor de toepassing van die bepalingen is dus essentieel, dat er twee Lid-Staten in het spel zijn. Is er geen sprake van grensoverschrijdend verkeer, zoals in het geval van een produkt van oorsprong uit een Lid-Staat dat naar een ander gebied van diezelfde staat wordt gebracht, dan is het gemeenschapsrecht op deze situatie niet van toepassing, evenmin als op enige andere situatie waarin alle elementen tot de interne sfeer van een enkele Lid-Staat beperkt blijven. Een en ander is bevestigd door vaste rechtspraak van het Hof.
19. Argumenten voor het tegenovergestelde standpunt lijken mij niet aan het arrest Legros te kunnen worden ontleend, zoals in de onderhavige procedure nochtans is gesteld. Rechtsoverweging 18 van dat arrest ° overgenomen in punt 1 van het dictum ° volgens welke een heffing met de kenmerken van octroi de mer "die door een Lid-Staat wordt toegepast op uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen wegens hun binnenkomst in een regio van het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat, een heffing van gelijke werking als een invoerrecht is, ook al wordt die heffing tevens gelegd op uit een ander deel van dezelfde staat afkomstige goederen die in die regio worden binnengebracht" (cursivering van mij), sluit volgens mij elke twijfel uit. Dat deze uitspraak niet afdoet aan de kwalificatie van de heffing wanneer zij op nationale goederen wordt toegepast, lijkt mij volstrekt duidelijk; zij preciseert eigenlijk alleen maar, dat de toepassing van zulke heffing niet uitsluit dat een heffing op ingevoerde goederen als heffing van gelijke werking kan worden gekwalificeerd, ook al wordt zij ook op nationale goederen toegepast.
Voor deze opvatting vind ik trouwens bevestiging in rechtsoverweging 16 van het arrest, waarin het Hof, na te hebben verwezen naar zijn eerdere rechtspraak, waarin het heeft verklaard, dat de rechtvaardiging van het verbod van douanerechten in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten is gelegen in de belemmering die geldelijke lasten voor het goederenverkeer opleveren, stelt dat "een heffing die aan een regionale grens wegens het binnenbrengen van produkten in een regio van een Lid-Staat wordt toegepast, (...) een minstens even ernstige belemmering [vormt] voor het vrije verkeer van goederen als een heffing die bij de nationale grens wordt toegepast wegens het binnenbrengen van produkten in een Lid-Staat als geheel" (cursivering van mij). Voor de verenigbaarheid met de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag maakt het dus geen verschil, of een heffing op ingevoerde produkten wordt toegepast op het moment van binnenkomst in een niet aan de staatsgrens gelegen regio dan wel bij het overschrijden van de staatsgrens. Uiteraard moet het dan wel gaan om goederen die van de ene Lid-Staat naar de andere worden gebracht. Het maakt bij voorbeeld geen verschil, of Schotse whisky in Calais (zeevervoer) of in Lyon (luchtvervoer) de grens overschrijdt: in beide gevallen is er, voorzover hier relevant, sprake van overschrijding van de grens van de Lid-Staat.
20. Het Hof heeft dit beginsel ook herhaaldelijk toegepast bij de uitlegging van artikel 30. Bij herhaling, laatstelijk in het arrest Ligur Carni(19), heeft het Hof immers verklaard, dat een nationale maatregel niet aan de kwalificatie van discriminerende of beschermende maatregel in de zin van de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer kan ontsnappen op de enkele grond dat hij een beperkte territoriale werkingssfeer heeft en zowel van toepassing is op produkten uit andere delen van het nationale grondgebied als op produkten uit andere Lid-Staten. Er lijkt mij geen twijfel over mogelijk, dat de onverenigbaarheid van de nationale maatregel, zoals die in de hier besproken gevallen is vastgesteld, uitsluitend betrekking had op de toepassing van de litigieuze maatregel op ingevoerde goederen en niet op binnenlandse produkten die binnen het land zelf in de handel worden gebracht. Dat de maatregel, zoals uit de uitspraak van het Hof kon worden afgeleid, mogelijkerwijs evenmin op binnenlandse produkten mocht worden toegepast, is niet meer dan een uitvloeisel van het mechanisme van de nationale regeling waarin die maatregel was opgenomen, die niet voorzag in een gedifferentieerde toepassing naargelang van de herkomst van de produkten; of anders een gevolg van de uitvoeringsmodaliteiten waardoor de maatregel ° vanwege de controles die hij vergde ° een nieuwe maatregel van gelijke werking in het leven riep.
21. Het is dus volstrekt duidelijk ° ik zeg het nogmaals ° dat in vorenbedoelde zaken de vraag aan de orde was, of een op uit een andere Lid-Staat ingevoerde goederen toegepaste heffing of nationale maatregel anders kon worden gekwalificeerd dan als een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en volgende, of als een kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30, op grond dat ook nationale produkten werden getroffen; het antwoord op deze vraag was ontkennend.
Thans is een andere vraag aan de orde, namelijk of een particulier zich met een beroep op de artikelen 9 en volgende kan onttrekken aan de betaling van een heffing, die hem niet bij de invoer van een produkt, maar bij het binnenbrengen van een binnenlands produkt in een ander gebiedsdeel van hetzelfde land wordt opgelegd. De vraag is, of een particulier het gemeenschapsrecht kan inroepen om de onwettigheid te doen vaststellen van een belasting op ° om hetzelfde voorbeeld als daarnet te gebruiken ° whisky die niet naar Lyon maar naar Londen wordt gebracht of op San Daniele-ham uit Friuli die niet naar Stuttgart maar naar Sardinië wordt gebracht. Dit probleem is in de arresten Legros en Ligur Carni e.a. niet behandeld: wie dit denkt, vergist zich, en treedt buiten de grenzen van de nauwgezette analyse die hier geboden is.
22. Het is vaste rechtspraak van het Hof, enerzijds, dat de verdragsregels niet van toepassing zijn op situaties in de zuiver binnenlandse sfeer, en anderzijds dat de vastgestelde onverenigbaarheid van een nationale regeling met het Verdrag niet noodzakelijk impliceert, dat die regeling ook niet op nationale produkten mag worden toegepast.
Om nadere verduidelijking verzocht van de draagwijdte van een eerder arrest waarin een Franse regeling inzake reclame voor alcoholhoudende dranken onverenigbaar was verklaard met artikel 30 EEG-Verdrag(20), besliste het Hof in het arrest Waterkeyn(21), dat deze uitspraak "enkel het oog had op de behandeling van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten", zodat de "vastgestelde niet-nakoming geen betrekking had op de op nationale produkten toepasselijke voorschriften".(22) Dit komt dus neer op een afwijzing van de theorie van de "globale werking", volgens welke ten gevolge van het eerste arrest de Franse regeling inzake reclame voor alcoholhoudende dranken in haar geheel zou zijn veroordeeld en geen onderscheid zou mogen worden gemaakt naar de oorsprong van een produkt, in die zin dat voor het nationale produkt een ongunstiger regeling zou gelden.
23. In het arrest Cognet(23) had de verwijzende rechter gevraagd of het met de verdragsregels in strijd was een tweeledige prijsregeling in te voeren voor de handel in boeken, die ° behoudens de mogelijkheid van een geringe korting ° vaste prijzen voorschreef voor in de betrokken staat zelf uitgegeven en verkochte boeken die zonder een communautaire binnengrens te passeren werden gedistribueerd, doch vrije prijzen voor in die staat uitgegeven, maar uit een andere Lid-Staat wederingevoerde boeken. Het Hof verklaarde, dat "artikel 30 EEG-Verdrag een dergelijk verschil in behandeling niet uitsluit. Dit artikel heeft immers tot doel belemmeringen van de invoer van goederen op te heffen, en niet om nationale goederen in alle gevallen dezelfde behandeling te waarborgen als ingevoerde of wederingevoerde goederen (...) Ongelijke behandeling van goederen valt niet onder het verbod van dit artikel, wanneer zulks de invoer niet belemmert, noch de verkoop van de ingevoerde of wederingevoerde goederen bemoeilijkt."
24. Van bijzonder belang zijn ten slotte nog twee andere arresten. In de zaak Smanor(24) ging het erom te weten, of de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag eraan in de weg staan, dat een Lid-Staat op yoghurt die een diepvriesbehandeling heeft ondergaan, een nationale wettelijke regeling toepast die het in de handel brengen ervan onder de benaming "diepgevroren yoghurt" verbiedt omdat de benaming "yoghurt" alleen mocht worden gebruikt voor verse yoghurt. Het Hof verklaarde de regeling onverenigbaar, maar alleen voor zover zij wordt toegepast op produkten die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en onder bedoelde benaming in de handel gebracht, waaruit blijkt dat niets eraan in de weg stond dat de betrokken regeling op nationale produkten werd toegepast.
Het tweede arrest is dat in de zaak Drei Glocken(25), waarin het Hof de uitbreiding tot ingevoerde produkten van een verbod op de verkoop van op basis van zachte tarwe of een mengsel van zachte en harde tarwe vervaardigde deegwaren onverenigbaar verklaarde met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag. Vooral van belang is rechtsoverweging 25, waarin het Hof in antwoord op het argument waarmee de Italiaanse regering ter verdediging van de nationale regeling, dat zij nodig was om een gewaarborgde afzetmarkt te verzekeren voor de teelt van harde tarwe, verklaarde: "In de eerste plaats zij opgemerkt dat hier de uitbreiding van de Deegwarenwet tot ingevoerde produkten in geding is, en dat het gemeenschapsrecht niet vereist dat de wetgever de wet intrekt ten aanzien van de op Italiaans grondgebied gevestigde deegwarenproducenten" (cursivering van mij).
25. Zoals de Raad en de Spaanse regering terecht opmerken, bevestigt deze rechtspraak het algemenere beginsel dat de bepalingen van gemeenschapsrecht die de Lid-Staten in hun onderlinge betrekkingen bepaalde verboden opleggen, niet van toepassing zijn op zuiver interne situaties. Deze zienswijze vindt bevestiging in de rechtspraak inzake het vrije verkeer van personen of de vrijheid van vestiging of van dienstverrichting.(26)
26. Tegen het argument van de Commissie ten slotte, dat handhaving van het octroi de mer uitsluitend voor nationale produkten moeilijk op te lossen problemen zou creëren in verband met de wijze waarop de herkomst en dus de belastbaarheid van de produkten moet worden gecontroleerd, valt in te brengen dat de problemen of complicaties die ongetwijfeld mogelijk zijn, op zich geen reden vormen om voor de juridische vraag of het verbod van douanerechten of daarmee gelijk te stellen heffingen ook in het Franse binnenlandse handelsverkeer geldt, de ene oplossing te prefereren boven de andere. Praktische problemen kunnen niet bepalend zijn voor de oplossing van juridische problemen. Dergelijke controles zouden naar mij voorkomt niet al te bezwaarlijk moeten zijn (en misschien kan de gemeenschapspraktijk op dit punt bruikbare modellen aan de hand doen). Zou dit evenwel belemmeringen voor het goederenverkeer uit andere Lid-Staten meebrengen, dan ware dit in elk geval te bezien in het licht van de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag; het zou dus om maatregelen ° en niet heffingen ° van gelijke werking gaan. Het staat derhalve aan de nationale rechter om deze regels toe te passen en in geval van twijfel, het Hof om uitlegging ervan te verzoeken.
27. Concluderend zou ik de voorgestelde oplossingen willen samenvatten: wanneer het uit een Lid-Staat afkomstige produkt van een regio van diezelfde Lid-Staat naar een andere wordt gebracht, is aan de fundamentele en onontbeerlijke voorwaarde voor toepassing van de artikelen 9 en volgende EEG-Verdrag niet voldaan. Die voorwaarde is het overschrijden van de grens tussen twee Lid-Staten.(27) In casu vormen de DOM, bestaande uit eilanden (Réunion, Martinique, Guadeloupe) of vasteland (Guyana), alleen een "grens" wanneer de produkten uit een andere Lid-Staat afkomstig zijn, maar niet wanneer zij van oorsprong zijn uit een ander gebiedsdeel van Frankrijk en van daaruit in de DOM worden binnengebracht. In dat laatste geval is het verbod van rechten en daarmee gelijk te stellen heffingen niet van toepassing. Zoals gezegd, berust de tegenovergestelde zienswijze op een vergissing.
28. Ik moet evenwel toegeven, dat de oplossing van het probleem die aldus uit de verdragstekst en de rechtspraak van het Hof is afgeleid, inderdaad wat paradoxaal kan voorkomen. Ook de meest rechtlijnige jurist is immers niet ongevoelig voor de paradox van een binnenmarkt waar handelsbelemmeringen tussen Portugal en Denemarken verboden zijn, maar waar belemmeringen van het handelsverkeer tussen Napels en Capri buiten beschouwing blijven.
Voor deze paradox kan noch het Verdrag noch de rechtspraak van het Hof een oplossing bieden, maar wel het gezond verstand waarvan ook een minder scherpzinnige wetgever niet zal zijn verstoken, wat overigens hieruit blijkt dat het geval waarover het Hof zich thans heeft uit te spreken, uitzonderlijk is. Ik kan mij geen wetgever voorstellen die, zodra douanerechten op ingevoerde goederen onwettig worden verklaard en dus worden afgeschaft, zulke rechten op nationale produkten wil handhaven. De oplossing is dus in de zaak zelf gelegen en niet in een al te vrije interpretatie van een fundamentele en zeer duidelijke verdragsbepaling, zoals die welke de Commissie ° overigens zonder argumenten ° verdedigt; een zienswijze waarmee ik in geen geval kan instemmen.
De in de loop van deze procedure meermaals te berde gebrachte idee van de eenheid van het douanegebied lijkt veelbelovend, maar kan toch niet los worden gezien van de in het Verdrag neergelegde regeling inzake de douane-unie. Die regeling, ik hoef het eigenlijk niet te herhalen, beoogt de belemmeringen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten (artikel 12 spreekt van de in- en uitvoer) weg te nemen, en niet ook die in het handelsverkeer tussen de regio' s of gemeenten van één Lid-Staat.
Het alternatief zou zijn, ervan uit te gaan dat de afschaffing van interregionale en intercommunale rechten in artikel 12 besloten ligt. Daarmee zou echter een sedert decennia vaststaande rechtspraak inzake zuiver interne situaties ter discussie komen te staan, niet alleen op het punt van de douane-unie en het vrije verkeer van goederen, maar ook op dat van het dienstenverkeer en het verkeer van personen in het algemeen.
Dit alternatief zou ik het Hof dus evenmin in overweging willen geven. Er is trouwens geen behoefte aan een alternatief. Ik hoef er nauwelijks op te wijzen, dat de nationale rechter altijd aan de hand van het eigen nationale recht kan toetsen of de behandeling die nationale ondernemingen en produkten ten deel valt, in feite discriminerend is, en of en hoe zulke discriminatie dient te worden opgeheven.(28)
De gevolgen van het arrest in de tijd
29. Voor het geval dat beschikking 89/688 ongeldig zou worden verklaard, vraagt ten slotte de Franse regering de gevolgen van het te wijzen arrest in de tijd te beperken. Dienaangaande zij opgemerkt, dat een arrest waarbij het Hof bij wege van prejudiciële beslissing de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling vaststelt, in beginsel terugwerkende kracht heeft, net als een arrest waarbij diezelfde handeling zou zijn nietigverklaard.(29)
Bovendien komt het mij niet voor, dat de in de rechtspraak, met name in verband met verordeningen, ontwikkelde beginselen ter zake van de beperking in de tijd van de gevolgen van een prejudiciële beslissing houdende ongeldigverklaring van een communautaire handeling, een aanknopingspunt bieden die dat verzoek rechtvaardigen. Ik zie niet in, welke gronden in casu zouden kunnen worden aangevoerd in verband met de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht in de gehele Gemeenschap of de vereisten van rechtszekerheid, om de gevolgen van de uitspraak van het Hof te beperken.(30) Veeleer moet worden gesteld, dat de redenering op grond waarvan het Hof in de zaak Legros de toepassing van het octroi de mer op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten onverenigbaar heeft verklaard met de verdragsbepalingen, op zijn minst ernstige twijfel had moeten doen rijzen omtrent de wettigheid van de handhaving van de regeling, ook al was die slechts voorlopig en bovendien gebaseerd op een gemeenschapshandeling.
30. Wel zij erop gewezen, dat het Hof juist bij die gelegenheid wel termen aanwezig heeft geacht om bij wijze van uitzondering de gevolgen van een uitleggingsarrest te beperken. In het bijzonder ging het Hof ervan uit, dat er in feite onzekerheid bestond over de wettigheid van de belasting vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, welke onzekerheid de gemeenschapsinstellingen zelf, onder meer door de vaststelling van beschikking 89/688, in de hand hadden gewerkt, en dat het financieringssysteem van de plaatselijke gemeenschappen in de DOM met terugwerkende kracht dreigde te worden verstoord, gelet op de vele rechtsbetrekkingen die te goeder trouw tot stand waren gekomen op basis van een regeling waarvan werd aangenomen dat zij rechtsgeldig was. Daarom werd beslist, dat op de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende heffingen van gelijke werking als invoerrechten geen beroep kon worden gedaan tot staving van vorderingen tot terugbetaling van het octroi de mer die voldaan was in de periode vóór de datum van dat arrest, behalve door degenen die vóór die datum een beroep in rechte hadden ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hadden ingediend.
31. Nu artikel 4 van beschikking 89/688 niet meer inhoudt dan een machtiging om de bestaande nationale regeling inzake octroi de mer te handhaven, en de gevolgen van het arrest Legros waarbij die regeling onverenigbaar werd verklaard met de verdragsbepalingen, om de hierboven genoemde redenen niet verder teruggaan dan de datum van het arrest, lijkt het mij niet logisch de gevolgen van een eventuele ongeldigverklaring van beschikking 89/688 op een eerdere datum te doen intreden.
32. Gelet op een en ander, en gesteld dat het Hof zich bij mijn zienswijze aansluit, dat de artikelen 9 en volgende niet van toepassing zijn op het Franse binnenlandse handelsverkeer, kan niet worden volstaan met een antwoord op de vraag zoals die door de Cour d' appel de Paris is geformuleerd.
In de aldaar aanhangige zaak is immers uitsluitend de heffing van octroi de mer op goederen van Franse oorsprong in het geding, en de vraag betreffende uitsluitend de geldigheid van artikel 4 van beschikking 89/688 was ingegeven door de overtuiging dat in het licht van het arrest Legros de inning van die heffing ook in dat geval met het Verdrag onverenigbaar was.
Aangezien deze opvatting echter in werkelijkheid niet is gegrond, moet de Cour d' appel de Paris, gelet op het beginsel van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechter, een antwoord worden gegeven dat bruikbaar is voor de beslechting van het voor hem dienende geschil, een antwoord dus waarin ook het punt betreffende de niet-toepasselijkheid op het Franse binnenlandse handelsverkeer van het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten aan de orde is.
33. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen in de onderhavige zaken te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 4 van beschikking 89/688/EEG van de Raad van 22 december 1989 inzake de regeling voor de heffing, in de Franse overzeese departementen, op over zee aangevoerde goederen, is ongeldig.
2) Het door de Franse autoriteiten vóór 16 juli 1992 geïnde octroi de mer kan niet met een beroep op de ongeldigverklaring van artikel 4 van beschikking 89/688/EEG van de Raad van 22 december 1989 worden teruggevorderd, behalve door degenen die vóór die datum een beroep in rechte hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen bezwaarschrift hebben ingediend.
3) Het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten op ingevoerde goederen geldt niet voor een heffing die door een Lid-Staat wordt geheven bij binnenkomst in een regio van die Lid-Staat van goederen uit andere delen van diezelfde staat."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° Jurispr. 1992, blz. I-4625.
(2) ° Beschikking inzake de regeling voor de heffing, in de Franse overzeese departementen, op over zee aangevoerde goederen (PB 1989, L 399, blz. 46).
(3) ° Zie de derde en de zesde overweging van de considerans.
(4) ° Advocaat-generaal Jacobs had in zijn conclusie in de zaak Legros het Hof in overweging gegeven, zich ook over de geldigheid van de beschikking van 1989 uit te spreken, voor zover zij een machtiging inhield tot tijdelijke handhaving van de destijds geldende regeling. Op die suggestie is in het arrest evenwel niet ingegaan, op grond dat ° zoals reeds benadrukt ° de feiten in de hoofdzaak zich vóór die beschikking hadden voorgedaan en het volstrekt uitgesloten was, dat de beschikking terugwerkende kracht zou hebben.
(5) ° Arrest van 13 december 1973 (zaken 37/73 en 38/73, Diamantarbeiders, Jurispr. 1973, blz. 1609); in dezelfde zin ook de arresten van 16 maart 1983 (zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731, inzonderheid r.o. 16-19; en gevoegde zaken 267/81-269/81, SPI en SAMI, Jurispr. 1983, blz. 801, inzonderheid r.o. 26 en 27).
(6) ° Zie bij voorbeeld arrest van 29 februari 1984 (zaak 37/83, Rewe-Zentrale, Jurispr. 1984, blz. 1229, r.o. 18).
(7) ° Zie arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Jurispr. 1978, blz. 1787).
(8) ° Gevoegde zaken 2/62 en 3/62, Jurispr. 1962, blz. 853, met name blz. 865 en 866.
(9) ° Zie arresten van 1 juli 1969 (zaak 24/68, Commissie/Italië, Jurispr. 1969, blz. 193, r.o. 4 en 10, en gevoegde zaken 2/69 en 3/69, Sociaal Fonds Diamantarbeiders, Jurispr. 1969, blz. 211, r.o. 7 en 8, en 11 en 12). Zie bovendien de arresten van 19 juni 1973 (zaak 77/72, Capolongo, Jurispr. 1973, blz. 611, r.o. 10 en 11); 5 februari 1976 (zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, r.o. 7-9); 20 april 1978 (gevoegde zaken 80/77 en 81/77, Ramel, Jurispr. 1978, blz. 927, r.o. 24-26); 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r.o. 27), en 2 februari 1988 (zaak 61/86, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 431, r.o. 9).
(10) ° Dat artikel 227, lid 2, niet gebruikt kan worden om de toepassing in de DOM van de in het eerste lid genoemde verdragsregels te beperken, of om in die gebieden en de hier aan de orde zijnde sectoren een speciale, afwijkende regeling in te voeren, is een zienswijze die ook in de literatuur wordt aanvaard: zie voor nadere literatuurverwijzingen, J. L. Dewost, Article 227 , in Le droit de la Communauté économique européenne (Commentaire Megret), volume 15, Brussel 1987, blz. 474 e.v.
(11) ° Arrest van 20 april 1978 (gevoegde zaken 80/77 en 81/77) aangehaald in voetnoot 9.
(12) ° R.o. 35.
(13) ° Zie op dit punt A. Tizzano, De bevoegdheden van de Gemeenschap , in Dertig jaar gemeenschapsrecht, 1981, blz. 45 e.v.
(14) ° Zoals advocaat-generaal Jacobs opmerkte in de zaak Legros, waarin de Raad een beroep op deze bepaling had gedaan.
(15) ° Arrest van 21 mei 1980 (zaak 73/79, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 1533, r.o. 11).
(16) ° Opvallend is dat de Commissie zelf in de zaak Legros de betrokken maatregel in strijd met het Verdrag heeft genoemd.
(17) ° Wet 92-676 van 17 juli 1992 (JORF van 19.7.1992, blz. 9697).
(18) ° Arrest van 15 december 1993 (gevoegde zaken C-277/91, C-318/91 en C-319/93, Ligur Carni e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6621).
(19) ° Arrest van 15 december 1993, reeds aangehaald (r.o. 37 en 38). Zie ook de arresten van 20 maart 1990 (zaak C-21/88, Du Pont de Nemours Italiana, Jurispr. 1990, blz. I-889, r.o. 12 en 13); 25 juli 1991 (gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90, Aragonesa de Publicidad Exterior en Publivía, Jurispr. 1991, blz. I-4151, r.o. 24), en 10 december 1991 (zaak C-179/90, Merci convenzionali porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889, r.o. 21).
(20) ° Bedoeld is het arrest van 10 juli 1980 (zaak 152/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1980, blz. 2299).
(21) ° Arrest van 14 december 1982 (gevoegde zaken 314/81-316/81 en 83/82, Jurispr. 1982, blz. 4337).
(22) ° Zie r.o. 8-12 van het arrest van 14 december 1982, aangehaald in voetnoot 20.
(23) ° Arrest van 23 oktober 1986 (zaak 355/85, Jurispr. 1986, blz. 3231, r.o. 10). In dezelfde zin ook de arresten van 15 december 1982 (zaak 286/81, Oosthoek' s Uitgeversmaatschappij, Jurispr. 1982, blz. 4575, r.o. 9); 13 november 1986 (gevoegde zaken 80/85 en 159/85, Nederlandse Bakkerij Stichting, Jurispr. 1986, blz. 3359, r.o. 18-20); 18 februari 1987 (zaak 98/86, Mathot, Jurispr. 1987, blz. 809, r.o. 7-9), en 4 februari 1988 (zaak 255/86, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 693, r.o. 5 en 6).
(24) ° Arrest van 14 juli 1988 (zaak 298/87, Jurispr. 1988, blz. 4489, r.o. 8-25).
(25) ° Arrest van 14 juli 1988 (zaak 407/85, Jurispr. 1988, blz. 4233, r.o. 23-25).
(26) ° Recente arresten van 28 januari 1992 (gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90, López Brea en Hidalgo Palacios, Jurispr. 1992, blz. I-323, r.o. 7-9); 28 januari 1992 (zaak C-332/90, Steen, Jurispr. 1992, blz. I-341, r.o. 8-12), en 19 maart 1992 (zaak C-60/91, Batista Morais, Jurispr. 1992, blz. I-2085, r.o. 7-9).
(27) ° Zie in dit verband mijn conclusie van 26 april 1994 in zaak C-130/93, Lamaire, waarin het Hof binnenkort uitspraak zal doen. Het betrof een ander, maar logisch wel met het onderhavige op één lijn te stellen geval, waarin het ging om een geldelijke last die op uitgevoerde Belgische produkten werd toegepast. Aangezien de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag uitsluitend een verbod behelzen op heffingen van gelijke werking als douanerechten in het handelsverkeer tussen Lid-Staten, is een dergelijke heffing volgens mij niet met genoemde bepalingen in strijd wanneer zij wordt toegepast bij uitvoer naar derde landen.
(28) ° Zie in dit verband het arrest van 16 juni 1994 (zaak C-132/93, Jurispr. 1994, blz. I-2715, r.o. 8-11).
(29) ° Zie laatstelijk het arrest van 26 april 1994 (zaak C-228/92, Roquette Frères, Jurispr. 1994, blz. I-1445).
(30) ° Zie behalve het in de vorige noot aangehaalde arrest Roquette Frères, ook de arresten van 15 oktober 1980 (zaak 4/79, Providence agricole de la Champagne, Jurispr. 1980, blz. 2823, r.o. 44-46; zaak 109/79, Maïseries de Beauce, idem, blz. 2883, r.o. 44-46), en zaak 145/79, Roquette Frères, idem, blz. 2917, r.o. 51-53). Zie ook het arrest van 27 februari 1985 (zaak 112/83, Produits de maïs, Jurispr. 1985, blz. 719, r.o. 17).
Full & Egal Universal Law Academy