Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A ° Inleiding
1. I. In deze niet-nakomingszaak verwijt de Commissie de Franse Republiek inbreuk te hebben gemaakt op artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86(1), die op het gebied van het zeevervoer tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen het beginsel van het vrij verrichten van diensten heeft ingevoerd. De inbreuk bestaat erin, dat de betrokken Lid-Staat voor het gebruik van de Franse haveninstallaties verschillende belastingen heft bij het vervoer van passagiers tussen binnenlandse havens of tussen deze havens en havens in andere Lid-Staten.
2. Verordening nr. 4055/86 is vastgesteld op grond van artikel 84, lid 2, van het Verdrag, daar het vrije verkeer van diensten op het gebied van het vervoer krachtens artikel 61 van het Verdrag wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel betreffende het vervoer.(2) Op dit gebied dient de Gemeenschap het doel van artikel 59 van het Verdrag te verwezenlijken in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid.(3)
3. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 bepaalt dienaangaande in bewoordingen die nauw bij die van artikel 59 aansluiten:
"Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de Lid-Staten die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht."
4. De leden 2, 3 en 4 luiden als volgt:
"2. Deze verordening geldt eveneens voor de onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een Lid-Staat, indien hun schepen in deze Lid-Staat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die Lid-Staat.
3. De artikelen 55 tot en met 58 en 62 van het Verdrag zijn van toepassing op de onder deze verordening vallende aangelegenheden.
4. In de zin van deze verordening wordt, indien deze normaal tegen vergoeding worden verricht, onder diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen verstaan:
a) intracommunautaire vervoerdiensten:
vervoer over zee van reizigers of goederen tussen een haven van een Lid-Staat en een haven of een off-shore-installatie van een andere Lid-Staat;
(...)."
5. Artikel 8 van de verordening verklaart het in artikel 60, derde alinea, van het Verdrag neergelegde beginsel van toepassing op de in de verordening geregelde materie en bepaalt daaromtrent:
"Onverminderd de bepalingen van het Verdrag betreffende het recht van vestiging, kan degene die een dienst inzake zeevervoer verricht, zijn activiteit in de Lid-Staat waar de dienst wordt verricht daartoe tijdelijk voortzetten onder dezelfde voorwaarden als die welke door de betrokken Staat worden opgelegd aan zijn eigen onderdanen."
6. De artikelen 2-4 van de verordening bevatten een overgangsregeling voor "unilaterale nationale beperkingen op het vervoer van bepaalde goederen" en voor tussen Lid-Staten en derde landen bestaande "vrachtverdelingsregelingen".(4) Dergelijke regelingen kunnen in de toekomst slechts onder de voorwaarden van de artikelen 5 en 6 overeengekomen worden. Voor het overige voorziet de verordening niet in beperkingen van de in artikel 1 verleende vrijheid van dienstverrichting. Afgezien van voormelde uitzonderingen bevat zij met name geen overgangstermijn, zodat het beginsel van het vrij verrichten van diensten van kracht is sinds 1 januari 1987, datum van inwerkingtreding van de verordening (artikel 12).
7. Daar de materiële werkingssfeer van deze verordening beperkt blijft tot het vervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen, achtte de Raad het opportuun, ze aan te vullen met een verordening over het zeevervoer binnen de Lid-Staten (cabotage in het zeevervoer), verordening (EEG) nr. 3577/92.(5) Artikel 1, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:
"Met ingang van 1 januari 1993 wordt het vrij verrichten van zeevervoerdiensten binnen een Lid-Staat (cabotage in het zeevervoer) ingevoerd voor reders uit de Gemeenschap die met in een Lid-Staat geregistreerde schepen varen welke de vlag van een Lid-Staat voeren, mits die schepen voldoen aan alle eisen voor toelating tot cabotage van die Lid-Staat, met inbegrip van bij EUROS geregistreerde schepen, zodra dit register door de Raad is goedgekeurd."
8. Artikel 2, lid 1, bepaalt het volgende:
"In deze verordening:
1. wordt onder 'zeevervoerdiensten binnen een Lid-Staat (cabotage in het zeevervoer)' verstaan: diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht en met name het volgende omvatten:
a) cabotage met het vasteland: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen havens op het vasteland of het hoofdgrondgebied van een Lid-Staat, waarbij geen eilanden worden aangedaan;
b) 'off-shore' -bevoorradingsdiensten: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen een haven in een Lid-Staat en installaties of bouwwerken op het continentale plat van die Lid-Staat;
c) cabotage met eilanden: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen:
° havens op het vasteland en op een of meer eilanden van een Lid-Staat;
° havens op eilanden van een Lid-Staat.
(...)"
9. Artikel 6, lid 1, laatste streepje, voorziet in de volgende uitzondering:
"Bij wijze van uitzondering worden de volgende zeevervoerdiensten in de Middellandse Zee en langs de kust van Spanje, Portugal en Frankrijk, tijdelijk uitgesloten van de toepassing van deze verordening:
(...)
° geregelde passagiers- en veerdiensten, tot 1 januari 1999."
10. Krachtens artikel 11 is verordening nr. 3577/92 op 1 januari 1993 in werking getreden.
11. Het verwijt van de Commissie dat hier aan de orde is, betreft hoofdzakelijk verordening nr. 4055/86. Volgens de Commissie zijn de artikelen R. 212-17, R. 212-19 en R. 212-20 van de Franse Code des ports maritimes(6) onverenigbaar met de verordening. Die artikelen bevatten een nadere regeling van het havenrecht voor het gebruik van Franse zeehavens (artikel L 211-1 van de Code). Bij het verstrijken van de door de Commissie in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (waarschijnlijk in april 1993(7)) golden deze bepalingen in de versie van 1 oktober 1992.(8)
12. Ingevolge artikel R. 212-17 wordt van de reder een belasting geheven voor elke passagier die in een zeehaven op het Franse grondgebied in Europa inscheept, ontscheept of verscheept. De reder kan deze belasting op de passagiers afwentelen.
13. Artikel R. 212-19, lid 1(9), bepaalde het volgende met betrekking tot de belasting geheven in de zeehavens op het Franse vasteland voor de passagiers van een hovercraft of enig ander handelsvaartuig:
° Passagiers die naar een haven op het Franse vasteland reizen: 8,28 FF (met 50 % reductie voor passagiers vierde klas). Voor de heffing van de belasting werden passagiers van een hovercraft of van een vaartuig met één klas gelijkgesteld met passagiers tweede klas (nr. 1);
° Passagiers die reizen van of naar een haven op de Britse eilanden of de Kanaaleilanden: 17,52 FF (nr. 2);
° Passagiers die reizen van of naar een haven in Europa (uitgezonderd de in de nrs. 1 en 2 genoemde) of in een land van het Middellandse-Zeebekken: 21,01 FF (nr. 3);
° Passagiers die reizen van of naar eender welke andere haven: 74,81 FF (nr. 4).
14. Ingevolge artikel R. 212-10, lid 1, golden voor diezelfde belasting in de zeehavens op Corsica de volgende tarieven:
° Passagiers die naar een haven op Corsica, het Franse vasteland of Sardinië reizen: 8,28 FF (met 50 % reductie voor passagiers vierde klas) (nr. 1);
° Passagiers die reizen van of naar een haven in Europa (uitgezonderd de in nr. 1 genoemde) of in Noord-Afrika: 8,28 FF (nr. 2);
° Passagiers die reizen van of naar eender welke andere haven: 49,88 FF (nr. 3).
15. II. De Commissie voert tegen deze bepalingen twee bezwaren aan:
° enerzijds geldt een ander tarief voor het vervoer naar een Franse haven of naar een haven in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap (behalve voor het vervoer van Corsica naar Sardinië);
° anderzijds wordt de belasting in geval van vervoer tussen Franse havens slechts bij inscheping geheven, terwijl zij in het geval van vervoer tussen havens in Frankrijk en in andere Lid-Staten zowel bij inscheping als bij ontscheping wordt geheven.
16. Deze regeling zou dus onderscheid maken ("discrimineren") tussen vervoerdiensten vanuit en naar Franse havens en vervoerdiensten die vanuit of naar een haven in een andere Lid-Staat worden verricht en dus grensoverschrijdend zijn. Dat gebeurt ondanks het feit, dat het gebruik van de haven waarvoor de retributie wordt geheven, in beide gevallen hetzelfde is. Dergelijke bepalingen kunnen de keuze van het traject door de passagiers beïnvloeden. Zij leveren derhalve een door verordening nr. 4055/86 verboden belemmering van de vrije dienstverrichting op.
17. De Commissie baseert haar standpunt met name op het arrest van het Hof van 13 december 1989 in de zaak Corsica Ferries I.(10) Ook die zaak betrof de Franse regeling inzake havenrechten (in de vorm van een bij in- of ontscheping van passagiers geheven belasting). Artikel R 212-20 van de Code des ports maritimes maakte namelijk reeds in de versie die in het toenmalige hoofdgeding betreffende de jaren 1981 en 1982(11) van toepassing was, onderscheid naar gelang van het traject dat vanuit of naar Corsicaanse havens werd afgelegd. Het onderscheid betrof weliswaar niet het tarief, maar de grondslag van de belasting: zij werd geheven voor alle passagiers met als bestemming een haven op Corsica, op het Franse vasteland of op Sardinië (dus enkel bij inscheping), terwijl zij tegen hetzelfde tarief werd geheven voor passagiers komend uit of reizend naar een in Europa gelegen haven (dus bij in- én ontscheping).(12)
18. De Franse Cour de cassation, waar een beroep van Corsica Ferries France tot terugbetaling van havenrechten aanhangig was, stelde het Hof van Justitie een vraag over de verenigbaarheid van de Franse regeling met de artikelen 59, 62 en 84 van het Verdrag. Daar in de periode waarop het hoofdgeding betrekking had(13), verordening nr. 4055/86 nog niet in werking was getreden, verklaarde het Hof voor recht:
"Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 4055/86 (...) verzette het EEG-Verdrag, met name de artikelen 59, 61, 62 en 84, zich er niet tegen, dat een Lid-Staat, bij gebruik door een schip van haveninstallaties op een tot zijn grondgebied behorend eiland, belastingen hief bij inscheping en ontscheping van passagiers die van of naar havens in een andere Lid-Staat reisden, terwijl deze belastingen in het geval van vervoer tussen twee op het nationale grondgebied gelegen havens enkel werden geheven bij inscheping in een haven op dat eiland."
19. Met nadruk wijst de Commissie erop, dat het Hof evenwel ook overwoog,
"dat de in het hoofdgeding bestreden Franse regeling een beperking kan vormen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap, in de zin van artikel 59, eerste alinea, EEG-Verdrag, voor zover wordt gediscrimineerd tussen degene die vervoerdiensten verricht tussen een haven op het nationale grondgebied en een haven in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, en degene die vervoerdiensten verricht tussen twee havens op het nationale grondgebied".
20. Voorts meent de Commissie, dat verordening nr. 3577/92 ° waarop verweerster, zoals ik nog zal uiteenzetten, zich tot haar verdediging beroept ° de gestelde discriminatie nog versterkt. Weliswaar discrimineren de litigieuze bepalingen niet rechtstreeks op grond van de nationaliteit van de dienstverrichter, maar gelet op artikel 6 van verordening nr. 3577/92 mag cabotage in het zeevervoer tot 1999 enkel worden verricht door Franse reders met onder Franse vlag varende schepen, terwijl reders uit andere Lid-Staten zich moeten beperken tot vervoerdiensten tussen Franse havens en havens in andere Lid-Staten. De litigieuze bepalingen leveren dus nog een verkapte discriminatie op grond van nationaliteit op.
21. III. Verweerster brengt daartegen in, dat verordening nr. 4055/86 enkel betrekking heeft op vervoerdiensten tussen Lid-Staten onderling en tussen Lid-Staten en derde landen, terwijl het vrij verrichten van diensten op het gebied van de cabotage in het zeevervoer is geregeld bij verordening nr. 3577/92. Krachtens artikel 6 van deze verordening geldt voor het cabotagevervoer in Frankrijk tot 1 januari 1999 evenwel een uitzondering op de vrijheid van dienstverrichting. Voor de twee groepen diensten voldoet Frankrijk aan de eisen die voortvloeien uit het beginsel van het vrij verrichten van diensten. Dit brengt de opheffing mee "van elke discriminatie tegen de dienstverlener op grond van zijn nationaliteit of van het feit dat hij is gevestigd in een andere staat dan die waar de dienst moet worden verricht".(14)
22. In overeenstemming met dit beginsel worden alle ondernemers die van of naar een Franse haven vervoer verrichten binnen de Gemeenschap of met een derde land, op het vlak van de passagiersbelasting juridisch gelijk behandeld. Er is geen sprake van discriminatie tussen Franse ondernemers en ondernemers uit andere Lid-Staten. Tevens worden alle ondernemers uit andere Lid-Staten voor de Franse cabotageregeling gelijk behandeld.
23. Of Frankrijk het discriminatieverbod van het Verdrag respecteert, moet voor de twee soorten diensten afzonderlijk worden bepaald. Men kan niet de ene Franse regeling met de andere vergelijken, zoals de Commissie doet. Het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het gebied van het zeevervoer betekent immers niet, aldus de Franse regering in dupliek, dat voor intracommunautair vervoer geen andere regeling kan gelden dan voor binnenlands vervoer, te meer nu het beginsel slechts voor een van beide soorten vervoer geldt.
24. Uit het dictum van het arrest van het Hof in zaak C-49/89 kan geen conclusie worden getrokken. Het Hof diende zich daarin niet uit te spreken over de verenigbaarheid van de Franse regeling met verordening nr. 4055/86, daar deze verordening ratione temporis niet van toepassing was. Hoewel het Hof overwoog, dat de Franse regeling een beperking op het vrij verrichten van diensten "kan"(15) vormen, betekent dat niet, dat zij een dergelijke beperking oplevert, maar dat zij de mogelijkheid daartoe in zich draagt. Het Hof deed geen uitspraak over de omstandigheden waaronder die mogelijkheid werkelijkheid wordt.
25. De Franse regering betwist ook het argument van de Commissie, dat er sprake is van verkapte discriminatie op grond van de nationaliteit van de dienstverrichter. Dat enkel Franse of in Frankrijk gevestigde maatschappijen tot de cabotage worden toegelaten en daardoor onder het gunstiger tarief vallen, ligt aan het feit, dat de vrijheid van dienstverrichting ° krachtens de gemeenschapsregeling zelf ° nog niet van toepassing is op cabotagevervoer in Frankrijk. Bovendien wordt het aan hogere tarieven onderworpen intracommunautaire vervoer van passagiers van en naar Franse havens grotendeels door Franse of in Frankrijk gevestigde maatschappijen verricht.
26. Evenmin steekhoudend is volgens de Franse regering het argument van de Commissie, dat de Franse regeling het verkeer tussen Franse havens bevoordeelt tegenover het intracommunautaire verkeer. Enerzijds is het tariefverschil in verhouding tot de vervoerkosten te gering om de keuze van het reisdoel te kunnen beïnvloeden of de mededinging meer dan op marginale wijze ten gunste van de binnenlandse zeevervoerdiensten te wijzigen. Anderzijds heeft dit bezwaar van de Commissie geen betrekking op de verdragsregels over de vrijheid van dienstverrichting, maar op die inzake de mededinging. Het beroep van de Commissie is evenwel niet op de mededingingsregeling gebaseerd.
27. Ter terechtzitting betoogde de Franse regering nog, dat de door de Commissie bedoelde vervoerdiensten, te weten die tussen het Franse vasteland en Corsica en die tussen Corsica en Italië, verschillend van aard zijn. De cabotage tussen Corsica en het vasteland wordt verricht krachtens een door de plaatselijke Corsicaanse autoriteiten verleende concessie, volgens welke de betrokken dienst het hele jaar door een passende frequentie moet hebben en waarvoor bijzondere tarieven gelden. Het verkeer tussen Corsica en Italië is daarentegen seizoengebonden en vindt op louter commerciële basis plaats. Hiervoor gelden lagere tarieven dan voor het verkeer tussen Corsica en het vasteland, en dit verschil bestond reeds vóór de invoering van de heffing bij ontscheping.(16) De argumenten van de Commissie zijn in casu dus puur theoretisch.
28. Volledigheidshalve wil ik er ten slotte op wijzen, dat volgens de eensluidende verklaringen van partijen ter terechtzitting de litigieuze bepalingen na de indiening van de dupliek zijn gewijzigd. Krachtens de nieuwe tekst(17) wordt de belasting thans voor de beide vormen van vervoer die hier aan de orde zijn, bij in- en ontscheping geheven tegen hetzelfde tarief.
29. IV. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
° vast te stellen, dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1 van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen, door een regeling in stand te houden op grond waarvan, wanneer schepen gebruik maken van haveninstallaties op haar grondgebied (vasteland of eilanden), belastingen worden geheven bij inscheping of ontscheping van passagiers die van of naar havens in een andere Lid-Staat reizen, terwijl deze belastingen in het geval van vervoer tussen twee op het nationale grondgebied gelegen havens enkel worden geheven bij inscheping in een haven op dat vasteland of eiland, alsmede door deze belastingen volgens een hoger tarief te heffen wanneer de passagiers van of naar havens in een andere Lid-Staat reizen dan wanneer zij naar een op het nationale grondgebied gelegen haven reizen;
° de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
De Franse Republiek concludeert dat het het Hof behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
B ° Discussie
30. I. Het beroep van de Commissie doet primair de vraag rijzen, of het in strijd is met de door verordening nr. 4055/86 gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting, dat de tarieven voor binnenlands vervoer voor de betrokken marktdeelnemers gunstiger waren dan voor intracommunautair vervoer. De Commissie beschouwt dit als een zelfstandige inbreuk op het Verdrag. Daarentegen is de gestelde verkapte discriminatie op grond van nationaliteit in de opvatting van de Commissie, zoals die blijkt uit de hiervoor samengevatte argumenten, slechts een bijkomstig gevolg van die inbreuk.
31. II. Met betrekking tot de vraag die volgens deze overwegingen de kern van het geschil vormt, moet van meet af aan worden vastgesteld, dat de Franse regeling geen onderscheid maakt naar gelang van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de dienstverrichter, maar naar gelang van het traject.
32. Derhalve moet worden onderzocht, of het beginsel van vrije dienstverrichting zoals het in verordening nr. 4055/86 is gedefinieerd, niet alleen regelingen verbiedt die discrimineren op grond van nationaliteit of plaats van vestiging, maar ook regelingen die het hier in geding zijnde onderscheid betreffen.
33. Afgezien van het arrest Corsica Ferries I, over het belang waarvan voor deze zaak partijen van mening verschillen, heeft het Hof zich nog niet over die vraag uitgesproken. Arresten die op andere gebieden over de uitlegging van de fundamentele vrijheden zijn gewezen, geven evenwel nuttige aanwijzingen, wanneer men met betrekking tot deze fundamentele vrijheden een constante voor ogen houdt. Deze constante is, dat de uitoefening van de fundamentele vrijheden steeds ° ten minste ° twee Lid-Staten van de Gemeenschap betreft: de fundamentele vrijheden gelden niet in een casuspositie die in elk opzicht tot het grondgebied van één Lid-Staat beperkt blijft.(18)
34. Willen de fundamentele vrijheden ten volle uitgeoefend kunnen worden, dan moeten alle betrokken staten meewerken aan de verwezenlijking ervan, dat wil zeggen, dat de overschrijding van een grens binnen de Gemeenschap niet door specifieke hindernissen mag worden bemoeilijkt.
35. Deze gedachte ligt reeds ten grondslag aan het stelsel van de artikelen 30 e.v.: niet enkel de staat van invoer (artikel 30), maar ook de staat van uitvoer (artikel 34) is het verboden het vrije goederenverkeer te belemmeren.
36. Zoals uit vaste rechtspraak van het Hof sinds het arrest Groenveld(19) blijkt, gaat het in dit laatste artikel om "nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een Lid-Staat leiden, waardoor aan de nationale produktie of de binnenlandse markt van de betrokken Lid-Staat ten koste van de produktie of de handel van andere Lid-Staten een bijzonder voordeel wordt verzekerd".
37. Met andere woorden: de Lid-Staat van uitvoer, waar de handeling waarmee van de fundamentele vrijheid gebruik wordt gemaakt, begint, mag het goederenverkeer dat over zijn grenzen heen gaat en dat derhalve het voor de toepassing van de artikelen 30 e.v. beslissende grensoverschrijdende aspect vertoont, niet ongunstiger behandelen dan het goederenverkeer binnen zijn grenzen, waaraan dat element ontbreekt.
38. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak Peralta(20) heb uiteengezet, kan dat beginsel ook op het gebied van de vrijheid van vestiging en van dienstverrichting worden toegepast. Aangaande de in de artikelen 52 e.v. geregelde vrijheid van vestiging overwoog het Hof in het arrest Daily Mail(21) het volgende:
"Hoewel die bepalingen met name beogen te verzekeren dat buitenlandse onderdanen en vennootschappen in de Lid-Staat van ontvangst op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen van die Lid-Staat, verbieden zij de Lid-Staat van oorsprong ook, de vestiging in een andere Lid-Staat te bemoeilijken van een van zijn onderdanen of van een naar zijn nationaal recht opgerichte en onder de definitie van artikel 58 vallende vennootschap. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zouden de door de artikelen 52 en volgende gewaarborgde rechten hun betekenis verliezen indien de Lid-Staat van oorsprong ondernemingen kon beletten het land te verlaten ten einde zich in een andere Lid-Staat te vestigen. Voor natuurlijke personen is het recht om hun land met dat doel te verlaten, uitdrukkelijk voorzien in richtlijn 73/148 (...)."
39. Het arrest Corsica Ferries I en met name de hiervoor(22) aangehaalde rechtsoverweging 7 ligt in dezelfde lijn. Die overweging stemt overeen met mijn conclusie in die zaak. Daarin verdedigde ik het standpunt, dat indien verordening nr. 4055/86 tijdens de voor die zaak relevante periode reeds van kracht was geweest, er een beperking van het vrije dienstenverkeer was geweest, omdat voor grensoverschrijdend vervoer niet dezelfde voorwaarden golden als voor zuiver binnenlands vervoer.(23)
40. Immers, wanneer een in Lid-Staat A gevestigde ondernemer personen of goederen (over zee) vervoert tussen deze staat en een andere Lid-Staat B, dan vertoont dat vervoer een voor de vrijheid van dienstverrichting in de zin van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 beslissend grensoverschrijdend aspect, daar deze dienst althans ten dele in een andere Lid-Staat dan de staat van vestiging van de ondernemer wordt verricht.(24) Wanneer een transport met dat grensoverschrijdende aspect ongunstiger wordt behandeld dan een transport waaraan dat aspect ontbreekt, dan wordt de vrijheid van deze ondernemer om diensten te verrichten, beperkt door een hindernis van dezelfde aard als die welke op het gebied van het goederenverkeer in het arrest Groenveld aan de orde was.
41. De opwerping van de Franse regering, dat tot 1 januari 1999 de vrijheid van dienstverrichting nog niet geldt voor het als vergelijkingspunt gehanteerde louter binnenlandse verkeer, doet aan deze redenering niet af. In deze zaak volstaat het, dat er een markt is voor cabotage en dat die wordt bevoordeeld tegenover de markt waarop de Franse reders zich als exporteurs van diensten bewegen. Zoals de Franse regering heeft erkend, bestaat er een dergelijke markt voor cabotage, en wel tussen Corsica en het Franse vasteland. Dat de vrijheid van dienstverrichting op die markt nog niet van toepassing is, betekent enkel dat ondernemers uit andere Lid-Staten niet het recht hebben zich op die markt te begeven. Dat staat evenwel los van het hiervoor gestelde recht om diensten die een aanknopingspunt hebben met het grondgebied van andere Lid-Staten, te kunnen verrichten onder dezelfde voorwaarden als diensten die uitsluitend op het grondgebied van de Lid-Staat van vestiging worden verricht.(25)
42. Juist is evenwel, dat al deze overwegingen alleen rechtstreeks betrekking hebben op in Frankrijk gevestigde marktdeelnemers. Marktdeelnemers uit andere Lid-Staten (evenals die welke krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 4055/86 met hen worden gelijkgesteld) die vervoerdiensten tussen Frankrijk en andere Lid-Staten verrichten, zijn vanuit Frans oogpunt geen exporteurs, maar importeurs van die diensten.(26) In zoverre bevat de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de Franse regeling in haar geheel, een nieuw element in vergelijking met de zaak Corsica Ferries I, die een in Frankrijk gevestigde marktdeelnemer betrof.
43. Wat dit punt betreft, moeten wij ons slechts indenken, wat er zou gebeuren indien de gunstiger regeling voor cabotage in het vervoer van en naar andere Lid-Staten enkel tot in Frankrijk gevestigde reders zou worden uitgebreid. Dat zou een duidelijke schending opleveren van het in artikel 8 van verordening nr. 4055/86 gestelde discriminatieverbod, dat een element is van het "vrij verrichten van diensten" bedoeld in artikel 1. Volgens de rechtspraak over artikel 60, derde alinea, van het Verdrag ziet dit artikel op elke discriminatie tegen de dienstverlener op grond van zijn nationaliteit of van het feit dat hij is gevestigd in een andere staat dan die waar de dienst moet worden verricht.(27)
44. Daaruit volgt, dat artikel 1 van verordening nr. 4055/86 door de litigieuze Franse regeling wordt geschonden.
45. Daaraan wordt niet afgedaan door verweersters stelling, dat de betrokken belastingen wegens de hoogte van de vervoerprijs en de verhouding tussen de prijzen van de twee vormen van vervoer geen invloed kunnen hebben op de trajectkeuze van de passagiers.
46. Bij een verbod om binnenlandse diensten te bevoordelen boven diensten die mede op het grondgebied van een andere Lid-Staat worden verricht, is er geen ruimte voor een "de minimis"-regel. Dat verbod is immers het spiegelbeeld van het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de dienstverrichter. Dit laatste geldt voor "elke discriminatie" van die aard(28), zonder voorbehoud voor vormen van discriminatie die slechts geringe gevolgen hebben.(29)
47. Ook het ter terechtzitting door verweerster ontwikkelde argument over de verschillen tussen het verkeer tussen Corsica en het vasteland en tussen Corsica en Italië(30), kan mij niet overtuigen. Het is in wezen een herhaling van het zojuist behandelde argument over de vermeende onbeduidendheid van de inbreuk en moet dan ook om dezelfde redenen worden verworpen.
48. Indien dit argument aldus moet worden uitgelegd, dat verweerster zich voor haar verdediging op artikel 90, lid 2, van het Verdrag beroept, kan het evenmin worden aanvaard. Nog afgezien van het feit dat het beroep op dat artikel, gelet op artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, te laat is gedaan, is niet aangetoond dat de heffing van verschillende belastingen noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken van de concessiehouder.
49. De aldus geconstateerde schending van artikel 1 van verordening nr. 4055/86 is na afloop van de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn (en na het indienen van de dupliek) blijven bestaan. Met de wijziging bij decreet nr. 94-420(31) kan in deze procedure geen rekening worden gehouden, daar hier enkel de rechtssituatie bij afloop van genoemde termijn in aanmerking komt.(32)
C ° Conclusie
50. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
° het beroep van de Commissie toe te wijzen;
° verweerster krachtens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te verwijzen.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) ° Verordening van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen (PB 1986, L 378, blz. 1).
(2) ° Zie ook de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 4055/86.
(3) ° Vaste rechtspraak: zie laatstelijk het arrest van 17 mei 1994 (zaak C-18/93, Corsica Ferries Italia, Jurispr. 1994, blz. I-1783, r.o. 24).
(4) ° Deze bepalingen verklaren trouwens artikel 9 van de verordening, dat een echo is van artikel 65 van het Verdrag.
(5) ° Verordening van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de Lid-Staten (cabotage in het zeevervoer) (PB 1992, L 364, blz. 7).
(6) ° Zie de bij decreet nr. 78-487 gecodificeerde tekst [Journal officiel de la République française (JORF) van 2.10.1978].
(7) ° Het met redenen omkleed advies dateert van 25 januari 1993. Daarin was bepaald, dat de betrokken Lid-Staat het advies binnen twee maanden na de betekening moest opvolgen. Ik neem aan, dat dit stuk is betekend dadelijk nadat het was opgesteld.
(8) ° Decreet nr. 92-1089 (JORF van 7.10.1992).
(9) ° Lid 2 voorzag in bepaalde reducties, die voor dit geding evenwel van geen belang zijn.
(10) ° Zaak C-49/89, Corsica Ferries France, Jurispr. 1989, blz. 4441.
(11) ° Zie r.o. 14 van het in de vorige voetnoot aangehaalde arrest.
(12) ° Zie punt I.1, tweede alinea, van het rapport ter terechtzitting in zaak C-49/89.
(13) ° Supra, punt 17.
(14) ° Arrest van 3 februari 1982 (gevoegde zaken 62/81 en 63/81, Seco/EVI, Jurispr. 1982, blz. 223, r.o. 8). Zie meer recentelijk de arresten van 25 juli 1991 (zaak C-288/89, Collectieve Antennevoorziening Gouda, Jurispr. 1991, blz. I-4007, r.o. 10, en zaak C-353/89, Commissie/Nederland, Jurispr. 1991, blz. I-4069, r.o. 14).
(15) ° Supra, punt 19.
(16) ° Van 27 januari 1969 tot 12 maart 1981 werd in het verkeer tussen Corsica en Italië slechts een eenmalige belasting (bij de inscheping) geheven: zie punt I.1, derde alinea, van het rapport ter terechtzitting in zaak C-49/89.
(17) ° Zie JORF van 28.5.1994.
(18) ° Zie met betrekking tot de vrijheid van dienstverrichting bij voorbeeld het arrest van 23 april 1991 (zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 37).
(19) ° Arrest van 8 november 1979 (zaak 15/79, Groenveld, Jurispr. 1979, blz. 3409, r.o. 7).
(20) ° Conclusie van 11 mei 1994 (zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-0000, punt 90-93).
(21) ° Arrest van 27 september 1988 (zaak 81/87, Daily Mail, Jurispr. 1988, blz. 5483, r.o. 16).
(22) ° Supra, punt 19.
(23) ° Conclusie van 8 november 1989, Jurispr. 1989, blz. 4447, 4450, punt 17.
(24) ° Zie arresten van 26 februari 1991 (zaken C-154/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-659, r.o. 9 en 10, C-198/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-727, r.o. 9 en 10, en C-180/89, Commissie/Italië, Jurispr. 1991, blz. I-709, r.o. 8 en 9). Zie ook mijn conclusie in de zaak Peralta (reeds aangehaald in voetnoot 20, punten 74 en 75).
(25) ° Zie ook punt 23 van mijn conclusie in zaak C-49/89 (reeds aangehaald in voetnoot 23).
(26) ° Waar bij goederenverkeer de uitvoer betrekking heeft op de staat waar het goed (vóór de uitvoer) in het vrije verkeer was, is bij de vrijheid van dienstverrichting in de zin van de hiervoor vermelde overwegingen, staat van uitvoer de staat van vestiging vanwaaruit de dienst wordt verricht. Zie met betrekking tot diensten die vanuit een vestiging in een andere Lid-Staat worden verricht om de binnenlandse voorschriften te ontduiken, mijn conclusie van 16 juni 1994 (zaak C-23/93, TV 10 SA, Jurispr. 1994, blz. I-0000) en de daarin behandelde rechtspraak.
(27) ° Supra, punt 21 en voetnoot 14.
(28) ° Zie de in voetnoot 14 aangehaalde arresten, met name, de arresten in zaak C-288/89 r.o. 10 en 11 en in zaak C-353/89, r.o. 14 en 15.
(29) ° Zie ook het arrest Corsica Ferries I, r.o. 8 (reeds aangehaald in voetnoot 10).
(30) ° Supra, punt 27.
(31) ° Reeds aangehaald in voetnoot 17.
(32) ° Zie bij voorbeeld arrest van 17 juni 1987 (zaak 154/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2717, r.o. 6).
Full & Egal Universal Law Academy