CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. LA PERGOLA
van 4 mei 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
Met de onderhavige hogere voorziening komt H. Henrichs, voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en thans ambtenaar bij het Duitse Bundesministerium für Forschung und Technologie, op tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 24 juni 1993 in zaak T- 92/91 (Henrichs, Jurispr. 1993, blz. II-611) en verzoekt hij het Hof om nietigverklaring van de besluiten die de Commissie op 25 april en 3 mei 1991 heeft genomen op grond van verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2274/87 van de Raad van 23 juli 1987 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen ( 1 )(hierna: „de verordening”). Voorts verzoekt hij het Hof, verweerster te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding en haar te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de onderhavige procedure.
2.
Daar hogere voorziening ingevolge artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG alleen rechtsvragen kan betreffen, verwijs ik voor een beschrijving van de feiten integraal naar het arrest van het Gerecht, dat op dat punt bij het Hof niet kan worden aangevochten.
3.
Requirant voert tegen elk der betwiste besluiten afzonderlijke middelen aan. Ik zal in mijn conclusie de volgorde van het verzoekschrift in hogere voorziening volgen.
Het besluit van 25 april 1991
Ontbreken van motivering
4.
In het eerste middel tegen het arrest van het Gerecht betreffende het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 april 1991, stelt requirant, dat dit besluit niet is gemotiveerd. Heel zijn betoog heeft evenwel betrekking op de feiten: hij zou niet de gegevens hebben gehad om zijn salarisafrekening te kunnen analyseren. Gelet op de dwingende bepaling van artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG kan dit evenwel niet in hogere voorziening worden beoordeeld.
5.
Voorts moet hoe dan ook worden opgemerkt, dat requirant zich ertoe bepaalt de argumenten te herhalen, die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd, en dat hij daarmee ingaat tegen het bij herhaling door het Hof geponeerde beginsel, „dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, bezwaar wordt gemaakt en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven”. ( 2 ) In de rechtspraak van het Hof is bovendien verklaard, dat een hogere voorziening waarin slechts de in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, in werkelijkheid een verzoek om een heronderzoek van het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift is, waartoe het Hof niet bevoegd is. ( 3 )
6.
Derhalve meen ik, dat het eerste middel van requirant niet-ontvankelijk moet worden verldaard.
De gestelde schending van artikel 4, lid 4, van de verordening
7.
Het tweede middel van requirant betreffende het besluit van de Commissie van 25 april 1991 stelt schending van artikel 4, lid 4, van de verordening door de Commissie. Dit lid luidt als volgt:
„Het bedrag van de bmto-inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet, wordt in mindering gebracht op de in lid 1 bedoelde vergoeding, voor zover deze inkomsten te zamen met deze vergoeding meer bedragen dan de laatste totale brutobezoldiging van de betrokkene, vastgesteld op basis van de salaristabel die van kracht is op de eerste dag van de maand waarover de vergoeding moet worden betaald. Op deze bezoldiging is de in lid 3 bedoelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.
Onder de in de eerste alinea bedoelde bruto-inkomsten en de laatste totale brutobezoldiging worden verstaan de bedragen na aftrek van sociale lasten en vóór aftrek van belasting.
De betrokkene is gehouden de schriftelijke bewijsstukken die verlangd kunnen worden, over te leggen en aan de Instelling mededeling te doen van alle gegevens die verandering kunnen brengen in zijn aanspraken op de vergoeding.”
Volgens requirant heeft de Commissie bij de berekening van zijn bezoldiging als ambtenaar in Duitsland de bedoelde bedragen niet in mindering gebracht. De bezoldiging die de Commissie als „bruto-inkomsten” in aanmerking heeft genomen, zou dus hoger liggen dan het bedrag waarvan volgens artikel 4, lid 4, van de verordening moet worden uitgegaan.
8.
Het Gerecht aanvaardde het verweer van de Commissie en oordeelde, dat dit middel niet gegrond was. Thans betwist requirant dit standpunt op grond van verschillende argumenten: in de eerste plaats zou het Gerecht zich niet hebben uitgesproken over hetgeen de verordening verstaat onder „bruto-inkomsten” waarvan de „sociale lasten” moeten worden afgetrokken; voorts zou het aan de begrippen „inkomsten” en „lasten” in de gemeenschapsregeling een andere betekenis hebben gegeven dan in het Duitse recht; ten slotte zou het Gerecht geen rekening hebben gehouden met de door de Commissie bij de toepassing van artikel 4, lid 4, van de verordening gevolgde praktijk.
Uiteindelijk komen deze argumenten erop neer, dat de Commissie de begrippen inkomsten en sociale lasten, zoals zij volgens het Duitse recht moeten worden opgevat, onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Mijns inziens moet op dit argument nader worden ingegaan.
9.
Requirant stelt meer bepaald, dat de socialezekerheidsregeling in het Duitse recht, die op hem als ambtenaar van toepassing is, op het „alimentatiebeginsel” berust; de staatwerkgever betaalt de ambtenaar zowel een bedrag, dat ten dele de kosten van de aansluiting bij een ziekteverzekering dient te deliken, als een bijzondere tegemoetkoming, de „Beihilfe”, die althans gedeeltelijk de medische kosten van de ambtenaar dient te dekken. Zodra zij zijn bepaald, zouden deze beide bedragen als sociale lasten moeten worden beschouwd en dus van de bezoldiging van de betrokkene worden afgetrokken. In casu zou het om een sociale last gaan, die als zodanig aftrekbaar is in de zin van de verordening en die hij aan een socialezekerheidsinstelling moet betalen opdat hij en zijn gezin tegen ziekte verzekerd zijn, en wel ook wanneer het gaat om bedragen die niet uitdrukkelijk en specifiek met opgave van de grond van betaling op de salarisafrekening zijn vermeld, of die de betrokkene van zijn kant moet begroten of bewijzen dat hij ze heeft betaald.
Slechts indien een dergelijk criterium wordt toegepast, zou het juiste bedrag in het kader van artikel 4, lid 4, van de verordening in aanmerking te nemen bruto-inkomsten kunnen worden bepaald.
10.
In repliek geeft de Commissie een andere uitlegging van de posten die volgens requirant van de brutobezoldiging moeten worden afgetrokken. Zij stelt namelijk, dat de als sociale lasten betaalde bedragen door de Duitse Staat als werkgever aan de bron worden ingehouden. Zoals requirant trouwens zelf heeft erkend, is het zeer moeilijk om die lasten te becijferen. Er moet van worden uitgegaan dat de betrokken bedragen reeds zijn afgetrokken, maar tot welke hoogte zou onmogelijk concreet te berekenen zijn. Daar de betrokken lasten ook om deze reden niet op de salarisafrekening zijn vermeld, kunnen zij volgens de Commissie ook niet later worden afgetrokken, zodat de stelling van requirant dan ook ongegrond is.
11.
De rechtsvraag die aldus aan het Hof wordt gesteld, betreft dus de betekenis van de begrippen die op het salaris van requirant moeten worden toegepast: voor de onderhavige zaak volstaat het, na te gaan wat onder sociale lasten moet worden verstaan. De verordening onderscheidt namelijk de sociale van de fiscale lasten, om te bepalen dat de eerste, anders dan de laatste, een weerslag hebben op de bruto-inkomsten.
12.
Requirant bestrijdt het arrest van het Gerecht ook op grond van de onjuiste juridische definitie die door de Commissie aan de betrokken begrippen werd gegeven en die door het Gerecht werd bevestigd, voor zover die begrippen relevant zijn voor de toepassing van de verordening.
Ter verduidelijking van dit punt zij opgemerkt, dat het Gerecht, nog steeds volgens requirant, de toepasselijke bepalingen verkeerd heeft uitgelegd door aan de betrokken lasten een andere betekenis te geven dan in het Duitse recht.
13.
Het Hof dient dan ook na te gaan, of artikel 4, lid 4, van de verordening voor het onderhavige geschil naar het nationale recht — in casu het Duitse-— verwijst, en met welke gevolgen.
14.
Het Gerecht heeft het probleem in rechtsoverweging 22 van het arrest nauwelijks aangeroerd, maar heeft, onder verwijzing naar zijn arrest Khouri ( 4 ), de vraag beantwoord of het kennis kan nemen van een nationale bepaling en van de toepassing van deze bepaling door een instelling van de Gemeenschap, wanneer een gemeenschapsbepaling afhankelijk is van een nationale bepaling. In casu achtte het Gerecht zich bevoegd de argumenten te onderzoeken, die requirant had aangevoerd tot staving van het feit dat de Commissie de toepasselijke bepalingen van het Duitse recht buiten beschouwing heeft gelaten of verkeerd heeft begrepen.
15.
Rechtsoverweging 32 van het arrest Khouri bevat nog meer punten die in dit verband vermeldenswaard zijn.
In dat arrest sloot het Gerecht zich aan bij het standpunt dat het Hof in het arrest Ekro ( 5 ) als volgt had geformuleerd: „Met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling is het als algemene regel noodzakelijk dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.”
Na deze herinnering aan het arrest Ekro meende het Gerecht evenwel in de volgende woorden te moeten preciseren, hoe de verwijzing van het gemeenschapsrecht naar het nationale recht kon worden voorgesteld: „Naar het oordeel van het Gerecht kan evenwel, waar een uitdrukkelijke verwijzing ontbreekt, de toepassing van het gemeenschapsrecht in voorkomend geval een verwijzing naar het recht van de Lid-Staten impliceren wanneer de communautaire rechter noch in het gemeenschapsrecht noch in de algemene beginselen daarvan iets vindt wat hem in staat stelt de inhoud en draagwijdte van het gemeenschapsrecht door autonome uitlegging te preciseren.”
16.
De preciseringen in dit laatste arrest van het Gerecht leveren mijns inziens een duidelijke en nuttige bijdrage om het hier gestelde verwijzingsprobleem op te lossen.
Hiermee heeft het Gerecht van eerste aanleg een lineair criterium aangegeven: zelfs zonder uitdrukkelijke verwijzing kan de toepassing van het gemeenschapsrecht een verwijzing naar het nationale recht inhouden, wanneer de mogelijkheid is uitgesloten om op grond van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan de inhoud en de draagwijdte van het toe te passen voorschrift vast te stellen.
Bekijken wij het onderhavige geval. Ik meen, dat voor de uitlegger niet het probleem rijst, dat hij artikel 4, lid 4, van de verordening — uiteraard beperkt tot de gevolgen die hier van belang zijn— moet uitleggen met inachtneming van de context van de uitleggingscriteria die uit het stelsel of uit de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht kunnen worden afgeleid.
In het voorschrift dat bepalend is voor de onderhavige regeling, wordt niet uitdrukkelijk naar het nationale recht verwezen, maar is de verwijzing zeker inherent aan de ratio legis: het is dus een verwijzing waarvan kan worden aangenomen dat zij door het doel dat door de gemeenschapswetgever wordt nagestreefd, niet zozeer wordt toegestaan, doch veeleer wordt voorgeschreven. Het betreft in werkelijkheid niet een bepaling die een op nationaal niveau geregelde materie wil harmoniseren, of de verschillen tussen de uiteenlopende regelingen wil elimineren of reduceren. Artikel 4, lid 4, eist van de Lid-Staten evenmin dat zij de behandeling van de betrokkenen afstemmen op een criterium dat aan de communautaire rechtsorde kan worden ontleend. Het gaat integendeel om een voorschrift dat specifiek is vastgesteld voor gemeenschapsambtenaren die de dienst hebben beëindigd, en dat zich ertoe beperkt, aan de toepassing daarvan de bepalingen — welke zij ook mogen zijn — ten grondslag te leggen die worden voorzien in het recht dat op het concrete geval van toepassing is, ter bepaling van de inkomsten en sociale lasten die de voormalige ambtenaar door de uitoefening van de nieuwe functie of werkzaamheid geniet.
Bij de vaststelling van deze regeling was de gemeenschapswetgever zich overigens ervan bewust, dat hij verwees naar criteria die van de ene rechtsorde tot de andere kunnen verschillen, en die in werkelijkheid ook verschillen naar gelang van de politieke keuze die in elk stelsel bepalend is voor de inkomsten en de lasten die daarvan moeten worden afgetrokken. De betrokken verordening is dus vastgesteld met de duidelijke veronderstelling dat het niet opportuun is om in te grijpen in de normatieve beoordelingsbevoegdheid van de nationale wetgevers, en dus in de beoordeling van de oplossingen in de wettelijke regelingen waarnaar zij verwijst. De verwijzing is gestructureerd zoals wij hebben gezien: uiteindelijk wilde men erkennen of vooropstellen, dat elke nationale rechtsorde moet bepalen welke verhouding tussen inkomsten en sociale lasten billijk en redelijk is. Het verschil in behandeling van voormalige personeelsleden van de Gemeenschap, dat uit deze oplossing kan voortvloeien naar gelang van de plaats waar zij hun nieuwe functie uitoefenen, is dus te wijten aan nationaalrechtelijke bepalingen, waarin de gemeenschapsregeling niet wil ingrijpen.
17.
Derhalve moet in casu worden nagegaan, of het Duitse recht in sociale lasten voorziet, en hoe dit recht het bedrag daarvan vaststelt in relatie tot de bruto-inkomsten.
Het Gerecht stelde vast, dat uit de salarisafrekening van requirant niet blijkt, dat enig deel van zijn bezoldiging bestemd is om dergelijke lasten te deleken. Dit is een feitelijke vraag, die in de onderhavige procedure dan ook niet kan worden getoetst. Om rechtens te kunnen concluderen, dat de Duitse rechtsorde niet voorziet in sociale lasten die van de bruto-inkomsten van de betrokkene in de zin van de verordening kunnen worden afgetrokken, kan men zich in elk geval baseren op de overweging dat degene die de gemeenschapsbepaling moet uitleggen en toepassen, niet zijn eigen versie van de aan requirant betaalde bezoldiging kan geven, door via een hypothetische constructie de verschillende onderdelen van de bezoldiging op een andere wijze dan in de salarisafrekening uit elkaar te halen en weer samen te voegen: een dergelijke hermeneutische handeling zou de grenzen van de bevoegdheid van de Commissie en van de rechter die de beslissing van de Commissie dient te toetsen, te buiten gaan.
Het behoeft nauwelijks betoog, dat de verwijzing naar het nationale recht in de hiervoor gepreciseerde termen anderzijds uitsluit dat de salarisafrekening wordt beoordeeld aan de hand van een begrip inkomsten en sociale lasten, dat het Hof eventueel aan de rechtsorde van de Gemeenschap kan ontlenen.
Daarbij komt, dat requirant niet heeft bewezen — overeenkomstig het beginsel onus probandi incumbit ei qui dick en het bepaalde in artikel 4, lid 4, laatste alinea, van de verordening —, dat hij enig uit de salarisafrekening blijkend bedrag of enig ander verplicht bedrag of bijdrage uit welker hoofde dan ook heeft betaald om als ambtenaar onder het door het Duitse recht geregelde sociale-zekerheidsstelsel te kunnen vallen. De argumenten op basis waarvan requirant betoogt dat de verklaring van het Gerecht van eerste aanleg, dat de betaling van de gestelde sociale lasten niet bewezen is, onjuist is, is niet-ontvankelijk in hogere voorziening, daar het betrekking heeft op door het Gerecht vastgestelde feiten.
Uit een en ander blijkt dus dat het middel inzake schending van artikel 4, lid 4, van de verordening wegens het niet aftrekken van de sociale lasten ongegrond is.
De gestelde niet-inaanmerkingneming van § 8 Bundesbesoldungsgesetz
18.
Requirant stelt, dat de Commissie rekening had moeten houden met de mogelijke korting van zijn bezoldiging krachtens § 8 Bundesbesoldungsgesetz (hierna: „BBesG”). Op zijn beurt zou het Gerecht ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de eventuele nadelige gevolgen van deze bepaling of met de gevolgen die voor requirant zouden kunnen voortvloeien uit de toepassing van de analoge bepaling van § 56 Beamtenversorgungsgesetz (hierna: „BeamtVG”).
De Commissie antwoordt, dat de met dit middel aan de orde gestelde vraag voorbarig is, daar de Duitse instanties de door requirant verwachte korting nog niet hadden toegepast toen het bestreden besluit werd genomen, en daar deze korting niet blijkt uit de salarisafrekening. Voorts preciseert de Commissie, dat indien de nationale instanties een dergelijke aftrek zouden toepassen, zij overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de verordening rekening zou houden met de daaruit voortvloeiende vermindering van het inkomen van requirant. Wat § 56 BeamtVG betreft, stelt de Commissie dat deze bepaling slechts toepassing kan vinden in het nog niet actuele geval dat requirant in Duitsland een pensioen ontvangt.
19.
Op dit punt ben ik het eens met het betoog van de Commissie. Dit middel kan uiteraard niet slagen, daar het betrekking heeft op de slechts eventuele niet-toepassing van de toepasselijke gemeenschapsverordening. Op de dag dat het beroep werd ingesteld, had de Duitse administratie nog geen enkele aftrek toegepast en kon niet worden voorzien of en wanneer zij dat zou doen. Indien het salaris zou worden gekort op de hier bedoelde wijze en de Commissie, zoals zij heeft verldaard, op de juiste wijze rekening zou houden met de nieuwe bezoldiging, zou het gemeenschapsrecht niet worden geschonden.
20.
Zoals de zaak thans staat, zie ik niet wat de grondslag is voor de vraag of de door requirant gestelde salarissituatie wel of niet in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het hem krachtens de verordening verschuldigde bedrag. Het Hof kan zich thans niet over deze vraag uitspreken; dat is pas mogelijk wanneer de Duitse instanties de voorgenomen aftrek hebben toegepast en de Commissie van haar kant heeft nagelaten de bezoldiging van requirant overeenkomstig de aldus vastgestelde bepalingen van het nationale recht te herzien. Enkel een dergelijk eventueel gedrag van de Commissie kan een inbreuk op artikel 4 van de verordening in de hier onderzochte zin opleveren en het voorwerp van een wettigheidstoetsing door het Hof zijn.
Het door requirant aangevoerde middel is dan ook ongegrond.
Het gestelde verzuim, de verordening teleologisch uit te leggen
21.
Requirant stelt voorts, dat de Commissie artikel 4, lid 4, niet juist heeft toegepast, doordat zij deze bepaling niet „teleologisch” heeft uitgelegd, dat wil zeggen doordat zij haar niet heeft uitgelegd in overeenstemming met het zijns inziens door de wetgever beoogde doel.
Indien de Commissie het door hem aangevoerde hermeneutische criterium had gehanteerd, had zij volgens hem bij de in artikel 4, lid 4, bedoelde berekening moeten letten op het verschil in fiscale behandeling van zijn bezoldiging op nationaal vlak ten opzichte van de communautaire fiscale regeling. De verordening zou degene die een vergoeding ontvangt, een bezoldiging willen garanderen, die niet lager ligt dan het salaris dat hij voordien als ambtenaar in dienst van de Gemeenschap ontving. Op zijn beurt had het Gerecht ook ongelijk, toen het stelde dat de progressiviteit van de nationale belastingen niet van belang kon zijn voor de uitkomst van deze zaak.
Dienaangaande stelt de Commissie, dat artikel 4, lid 4, haar bevoegdheden om de in aanmerking te nemen bruto-inkomsten te bepalen, uitputtend regelt. Zij is haars inziens in het geheel niet bevoegd om de fiscale behandeling van de salarissen op nationaal niveau te harmoniseren. Dit artikel sluit dat trouwens uitdrukkelijk uit.
22.
Ook indien men de verordening in casu teleologisch zou willen uitleggen, zou het resultaat zeker niet dat zijn wat requirant aan het Hof voorstelt. Hooguit kan ermee worden ingestemd, dat de gemeenschapswetgever, door de vergoedingsregeling in te stellen, aan de betrokkene een zeker vergoedingsniveau wilde waarborgen, waarvan niet kan worden afgeweken. Requirant laat evenwel buiten beschouwing, dat de berekening van die vergoeding in dezelfde verordening wordt vastgesteld. Ofschoon wordt bepaald, dat de vergoeding en de nieuwe inkomsten kunnen worden gecumuleerd, is deze cumulatie, zoals met zoveel woorden in artikel 4 wordt verklaard, slechts geoorloofd tot het bedrag van de laatste bezoldiging die requirant als gemeenschapsambtenaar heeft genoten, waarbij steeds als criterium moet worden toegepast, dat het bedrag Van de maximaal toegestane bezoldiging met betrekking tot beide cumuleerbare posten wordt bepaald zonder rekening te houden met de belasting.
Ik meen dan ook, dat met het standpunt van de Commissie moet worden ingestemd. Het door requirant aangevoerde middel is ongegrond.
Het besluit van 3 mei 1991
23.
Artikel 4, lid 6, van de verordening luidt als volgt:
„De betrokkene heeft voor zichzelf en zijn medeverzekerden recht op de prestaties van de in artikel 72 van het Statuut bedoelde regeling inzake sociale zekerheid, mits hij de desbetreffende bijdragen, berekend over het bedrag van de in lid 1 bedoelde vergoeding, betaalt en hij niet uit hoofde van een andere ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen is verzekerd.”
Op basis van deze bepaling heeft de Commissie het besluit vastgesteld waarbij requirant wordt uitgesloten van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering, omdat zij de uitkeringen uit hoofde van de „Beihilfe” gelijkstelde met uitkeringen van een ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.
Het gestelde ontbreken van motivering
24.
Requirant stelt om te beginnen, dat het betrokken besluit niet is gemotiveerd. Hij ontleent een eerste middel aan het feit, dat in het jegens hem genomen besluit enkel de tekst van artikel 4, lid 6, van de verordening wordt geciteerd, doch de reden waarom deze bepaling in casu is toegepast, niet wordt gepreciseerd of vermeld.
25.
De Commissie brengt daartegen in, dat de verwijzing naar de gelijkwaardigheid van de uitkeringen van de „Beihilfe” en van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering een afdoende motivering vormt.
26.
Zoals in het bestreden arrest wordt verklaard, heeft de aldus geformuleerde vraag veeleer betrekking op de grond van de zaak dan op een gebrekkige motivering. Ook ik ben van mening, dat de onderzochte maatregel toereikend is gemotiveerd. De motivering blijkt uit de aanvaarding van de gelijkwaardigheid waarnaar de Commissie bij het nemen van het bestreden besluit uitdrukkelijk verwees. Of deze opvatting rechtens gerechtvaardigd is, is een andere vraag, die een motivering onderstelt en betrekking heeft op de grond van de zaak.
Ik concludeer dan ook tot afwijzing van dit middel.
27.
Met betrekking tot het gestelde motiveringsgebrek stelt requirant voorts, dat de bestreden handeling hem in het ongewisse laat over zijn rechtspositie en hem niet in staat stelt die positie te kennen. De Commissie zou trouwens hebben beloofd, de met deze situatie verband houdende vragen opnieuw te onderzoeken en op te helderen, maar zij heeft dat niet gedaan. Dit middel is evenmin gegrond. Zoals de Commissie opmerkt, is de in casu vastgestelde handeling een beschikking, die overeenkomstig artikel 189 van het Verdrag verbindend is. Het is dus een handeling, die door de gevolgen die zij heeft, volstrekt adequaat lijkt om zekerheid te verschaffen over de rechtspositie van de betrokkene, die van de in de verordening genoemde socialezekerheidsregeling is uitgesloten en tot dusverre ook blijft. Anderzijds heeft het dispositief van het onderzochte besluit requirant de toegang tot rechtsmiddelen geopend, die hij ook heeft benut. De zekerheid en de bescherming van zijn subjectieve rechten zijn dus niet in het gedrang gekomen.
De verklaring van requirant betreffende het beloofde heronderzoek van de vragen betreffende zijn bezoldiging ten slotte heeft betrekking op feiten en is derhalve in deze procedure niet-ontvankelijk.
De gestelde schending van artikel 4, lid 6, van de verordening
28.
Het Gerecht heeft uitgesloten, dat requirant onder het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering kan vallen, daar hij is aangesloten bij het naar Duits recht voor ambtenaren geldende stelsel.
Requirant stelt, dat het Gerecht van eerste aanleg tot een verkeerde conclusie is gekomen. De uitkeringen op grond van de gemeenschapsregeling verschillen volgens hem sterk van de steun die hij krachtens de „Beihilfe”-regeling kan ontvangen; daar de twee socialezekerheidsstelsels niet gelijkwaardig zijn, is er geen reden om hem het recht op de in artikel 4, lid 6, bedoelde uitkeringen te ontzeggen.
In casu zou verder evenmin het door het Hof in het arrest Kontogeorgis ( 6 ) ontwikkelde beginsel analoog kunnen worden toegepast. Volgens requirant is in dat arrest eenieder die voor het ziekterisico een andere, volledige dekking geniet, van de communautaire socialezekerheidsregeling uitgesloten, terwijl de aan Duitse ambtenaren via de „Beihilfe” verstrekte steun niet van dien aard is. Op grond daarvan moet het bestreden besluit nietig worden verklaard.
Verweerster antwoordt daarop, dat zij de betrokken maatregel heeft vastgesteld op grond van de wezenlijke gelijkwaardigheid van de „Beihilfe” en de communautaire socialezekerheidsregeling. De dekking waarop requirant volgens de nationale regeling recht heeft en die zíjn uitsluiting uit de communautaire ziektekostenregeling meebrengt, zou blijkens het arrest Kontogeorgis evenwel onafhankelijk van de mate waarin de verschillende prestaties daadwerkelijk worden vergoed, moeten worden beoordeeld: noch volgens de letter, noch op grond van het doel van artikel 4, lid 6, moet de dekking volledig zijn.
29.
Bij het onderzoek van dit middel moet in de eerste plaats worden nagegaan, hoe artikel 4, lid 6, het recht waarop requirant aanspraak maakt, definieert.
Dit recht van de betrokkene en zijn medeverzekerden bestaat erin, dat hij recht heeft op de prestaties van de in artikel 72 van het Statuut bedoelde regeling inzake sociale zekerheid voor de gemeenschapsambtenaren. Het recht van een voormalig ambtenaar op sociale-zekerheidsuitkeringen hangt samen met het recht op de vergoeding en vloeit derhalve voort uit de bezoldiging die ook wordt gewaarborgd aan degene die niet meer in actieve dienst is. Artikel 4, lid 6, bevat evenwel twee bepalingen: de eerste breidt de in het Statuut bedoelde regeling op algemene wijze uit tot degene die de vergoeding ontvangt; de tweede voorziet in een uitzondering op deze bepaling voor het geval de betrokkene verzekerd is uit hoofde van een andere ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen. De ambtenaar voor wie de statutaire regeling geldt, heeft recht op een gewaarborgde maximumuitkering; indien hij onder een andere regeling met lagere uitkeringen valt, heeft hij recht op het verschil tussen de uitkeringen van de andere regeling en die van het Statuut. Degene die de vergoeding ontvangt, kan evenwel slechts onder één enkele socialezekerheidsregeling vallen: indien hij onder een ander verzekeringsstelsel valt, verliest hij het recht op toepassing van de statutaire bepalingen. De bepaling die in dat geval afwijkt van de communautaire regeling van artikel 72 van het Statuut, is vastgesteld om het recht van de voormalige ambtenaar op dezelfde behandeling als de ambtenaar die nog in dienst is, uit te sluiten, en moet dus worden uitgelegd overeenkomstig de beginselen die gelden voor bepalingen die rechten beperken.
30.
Ik wil meteen wijzen op de consequenties van de door mij voorgestelde oplossing. Er is een eerste, volgens mij onontkoombaar, criterium voor de lezing van artikel 4, lid 6. Erkend moet worden, dat toen de gemeenschapswetgever het recht op de statutaire regeling verleende, hij het genot van die regeling slechts wilde ontzeggen wanneer er sprake is van een gelijkwaardig sociaal stelsel, en niet van om het even welke socialezekerheidsregeling. Dat een dergelijke gelijkwaardigheid moet bestaan, wordt door de toe te passen bepaling impliciet, doch duidelijk ondersteld. Bij de uitlegging moet noodzakelijkerwijs worden vastgesteld of dit in het betrokken geval zo is, alvorens de betrokkene wordt uitgesloten van de uitkeringen die hem anders verschuldigd zouden zijn.
Inderdaad is de bestreden handeling gemotiveerd op basis van een zeker gelijkwaardigheidscriterium. De Commissie heeft requirant het recht op aansluiting bij de ziektekostenverzekering van het coramunautaire stelsel ontzegd, omdat de „Beihilfe”-regeling waaronder hij naar Duits recht valt, een wettelijke regeling van uitkeringen vormt die „voor zover de Commissie bekend vergelijkbaar zijn” met die van het communautaire stelsel. De beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt slechts in die termen gesteld. Zoals ik in punt 26 al zei, moet worden onderzocht of deze motivering niet alleen afdoende is, maar ook juist. Dit punt en niet een ander moet bij de uitlegging van artikel 4, lid 6, worden opgehelderd. De rechter moet vaststellen, welk gelijkwaardigheidscriterium voor de oplossing van dit geschil uit die bepaling kan worden afgeleid.
31.
Het Gerecht van eerste aanleg was van oordeel, dat het besluit van 3 mei 1991 niet kon worden betwist, op basis van een aantal beoordelingen die ik om de hierna vermelde redenen niet kan volgen.
32.
Ik begin bij de opvatting dat de „Beihilfe” de kenmerken vertoont van een „wettelijke” regeling in de zin van de verordening, daar het betrokken stelsel van uitkeringen op een publiekrechtelijke regeling berust. Een wettelijk of bestuursrechtelijk stelsel van ziektekostenverzekering moet uiteraard zijn gebaseerd op een publiekrechtelijke handeling van de met de wetgevende functie beklede organen. Dit geschil betreft evenwel het statuut en de rechten van ambtenaren, hetgeen in de huidige rechtsstatelijke systemen vaak tot de bevoegdheid van de wetgever behoort. Dat is ook het geval in de Duitse rechtsorde met een strikte Grondwet. Dienaangaande wordt in de artikelen 73, sub 8, en 74a van het Grundgesetz bepaald, dat de verhouding tussen de staatwerkgever en de ambtenaren, alsmede hun socialezekerheidsregeling dienen te worden geregeld door de wet, hetgeen ook is gebeurd. Dat betekent evenwel nog niet, dat de Duitse wetgever inderdaad een aan artikel 72 van het Statuut gelijkwaardige socialezekerheidsregeling heeft ingesteld. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid dient niet enkel rekening te worden gehouden met de formele kwalificatie van de rechtsbron als wettelijk of bestuursrechtelijk, maar ook met de normatieve inhoud van de daarin vervatte bepalingen en die in ons geval bepalen welke regeling van toepassing is in plaats van de gemeenschapsregeling. In andere zaken waarin een gestelde schending van het nondiscriminatiebeginsel moest worden beoordeeld of moest worden vastgesteld of de pensioenregeling van bepaalde werknemers tot het gebied van de arbeidsverhouding in plaats van dat van de sociale zekerheid behoorde, bevestigde het Hof, dat de materiële inhoud van een regeling belangrijker is dan de vorm ervan of de instantie die haar heeft vastgesteld. Ik verwijs naar het recente arrest Beune ( 7 ) en verder naar het daarin aangehaalde arrest Bilka. ( 8 )
33.
In het onderhavige geval erkende het Gerecht dat rekening moest worden gehouden met de inhoud van de „Beihilfe”-regeling. Het nam daarbij evenwel als beoordelingscriterium de tarieven en de maximale vergoeding van ziektekosten die in deze regeling zijn voorzien, waarna het tot de slotsom kwam, dat het niveau van de voorziene uitkeringen vergelijkbaar is met dat van een algemeen sociaalzekerheidsstelsel. Het Gerecht van eerste aanleg heeft de „Beihilfe” aldus gelijkgesteld met „het algemene type”, dat wil zeggen met een soort van ziekteverzekering die het zonder nadere verklaringen als een algemeen erkende regeling aanvaardt, en tot welke elke wettelijke of bestuursrechtelijke regeling waaronder de betrokkene (de vergoedingsgerechtigde) in de zin van de verordening kan vallen, zou moeten worden herleid.
Hier doet zich evenwel het probleem voor, dat moet worden onderzocht of de „Beihilfe” gelijkwaardig is aan de gemeenschapsregeling, en niet of een andere regeling dat is. Het Gerecht spreekt zich over de aldus gepreciseerde vraag enkel uit om vervolgens te concluderen dat het arrest Kontogeorgis analoog moet worden toegepast. Die zaak betrof een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 4, lid 6, betreffende de ziekteverzekering van voormalige leden (van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer: artikel 11 van verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom). Ook die zaak had betrekking op de gelijkwaardigheid van de communautaire socialezekerheidsregeling en de op de betrokkene toepasselijke nationale regeling, die evenals in het onderhavige geding als alternatieve regelingen werden beschouwd.
Wat is evenwel het resultaat, wanneer de beginselen van het arrest Kontogeorgis op de onderhavige zaak worden toegepast?
In dat arrest overwoog het Hof, dat de gelijkwaardigheid — onder de in die zaak geldende voorwaarden, die zich in deze zaak op analoge wijze aandienen — niet dient te worden opgevat als een verwijzing naar de hoogte van de uitkeringen en de voorwaarden voor de dekking, tenzij de op de zaak toepasselijke gemeenschapsbepalingen uitdrukkelijk daarin voorzien.
In de onderhavige zaak bestaan niet dergelijke uitdrukkelijke bepalingen, zodat de uitlegger zich niet in de plaats kan stellen van de wetgever, die niet heeft voorzien in gelijkwaardigheid van de verschillende niveaus van dekking.
Juist het door het Gerecht aangehaalde precedent pleit er dus voor, dat het bestreden arrest, waarin een beslissend zo niet uitsluitend belang wordt gehecht aan de gelijkwaardigheid van het bedrag van de uitkeringen, is gebaseerd op een kwantitatief beoordelingscriterium, dat volgens de bepalingen die in de onderhavige zaak gelden, niet mag worden gehanteerd.
34.
Om de reeds uiteengezette redenen moet evenwel hoe dan ook uitspraak worden gedaan over de gelijkwaardigheid.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat in een geval als dit de kwantitatieve gelijkwaardigheid van de uitkeringen moet worden beoordeeld aan de hand van uitdrukkelijke en precieze bepalingen van de wetgever, en niet van een „rule of thumb” die de rechter zou willen gebruiken en die uiteraard tot approximatieve en betwistbare resultaten leidt. Anderzijds zou het van overbodig formalisme getuigen om een aansluiting van de voormalig ambtenaar bij de gemeenschapsregeling te beletten op de enkele grond dat hij ziekteuitkeringen ontvangt krachtens andere — wettelijke of lagere — bepalingen, zonder na te gaan of en hoe dergelijke bepalingen gelijkwaardig kunnen zijn aan de regeling van artikel 72 van het Statuut.
Indien het door het Gerecht van eerste aanleg gehanteerde criterium niet kan worden aanvaard, moet er een andere worden gedefinieerd, dat is aangepast aan de eisen van de onderhavige zaak: het moet dus een nuttige en redelijke uitlegging van de voorwaarden zijn die zijn vastgesteld om de voormalige ambtenaar uit te sluiten van het recht op de statutaire uitkeringen.
Mijns inziens moet voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid bij een juiste uitlegging van artikel 4, lid 6, in de eerste plaats het criterium van sociale zekerheid worden vastgesteld, dat de gemeenschapsregeling karakteriseert, waarna vervolgens moet worden onderzocht, of het andere wettelijke of bestuursrechtelijke stelsel waaronder requirant in deze zaak valt, van ditzelfde criterium uitgaat.
35.
Het wezenlijke kenmerk van de gemeenschapsregeling is te vinden in artikel 72 van het Statuut. De ambtenaar heeft recht op uitkeringen van een bepaald niveau, volgens een onderliggend congruentiecriterium. Het gaat niet om een volledige dekking, maar om een maximum dat verenigbaar is met de budgettaire vereisten, die de gemeenschapswetgever discretionair kan beoordelen. Het aldus bepaalde niveau staat vast — en in die zin gaat het om prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 6 — ongeacht of de betrokkene is aangesloten bij een andere wettelijke regeling, of zelfs bij een privé-verzekering. Wanneer er sprake is van een wettelijk stelsel waarvan de uitkeringen lager zijn dan in de communautaire regeling, weten wij dat de ziektekostenverzekering van de Gemeenschap ertoe dient om het verschil met het in het Statuut voorziene bedrag te dekken. Blijkens het Statuut, en vooral de in artikel 72, lid 4, vervatte zogenoemde anticumulatieregels, die het geval van dubbele dekking regelen, vervult het wettelijk stelsel van ziektekostenverzekering zijn karakteristieke sociale functie door middel van een congruentie- en voorrangscriterium. ( 9 ) Een privé-verzekering wordt door de regeling van artikel 72 als een aanvulling beschouwd, in de zin dat zij uitgaven kan dekken die door de communautaire verzekering niet worden vergoed. De uitkeringen van het communautaire stelsel richten zich dus hoe dan ook naar het vooraf bepaalde niveau. De aan de ambtenaar geboden garantie bestaat er uiteindelijk in, dat zijn recht op maximale vergoeding wordt erkend door middel van een verzekering die primair en zelfvoorzienend is; de consequentie van de dekking hangt niet af van de samenloop van andere vormen of bronnen van bijstand, en is eens en voor altijd bepaald door de vaststelling van de grenzen waarbinnen de gemeenschapsverzekering de ambtenaar van ziektekosten vrijwaart.
36.
Dit gezegd zijnde, moet worden nagegaan of ook de „Beihilfe”-regeling wordt gekenmerkt door de dekkingscriteria die ik met betrekking tot de gemeenschapsregeling heb vastgesteld. Hier is § 79 Bundesbeamtengesetz (hierna: „BBG”) van belang, juncto artikel 1, § 1, van het Allgemeine Verwaltungsvorschrift betreffende deze bepaling. Volgens de eerste bepaling beschermt de staatwerkgever de betrokkene bij zijn ambtelijke werkzaamheden en in zijn positie als ambtenaar en zorgt hij voor het welzijn van de ambtenaar en zijn gezinsleden, ook voor de tijd na de beëindiging van de dienst. In artikel 1, § 1, van het Allgemeine Verwaltungsvorschrift wordt gepreciseerd, hoe de bescherming van de ambtenaar die in § 79 in het algemeen wordt voorgeschreven, concreet functioneert in de context die ons hier interesseert: volgens de Duitse wetgever gebeurt dit door de toekenning van „steun” („Beihilfen”); in geval van ziekte (en geboorte, overlijden, preventiemaatregelen en bij inentingen) vormt deze steun een „aanvulling” op „de privé-dekking, die uit het lopende salaris wordt bekostigd”. Deze regeling heeft dus een aanvullend karakter; zij komt naast, maar niet in de plaats van de normale ziektekostenverzekering die de ambtenaar op eigen kosten moet aangaan. Deze typisch complementaire modaliteiten van de aan de ambtenaar verleende steun om de last van de dekking van de essentiële behoefte van medische verzorging te verlichten, worden vervolgens geregeld door het Allgemeine Verwaltungsvorschrift: de „Beihilfe” neemt — binnen de daarvoor gestelde grenzen — het deel van de medische kosten dat niet door de primaire ziektekostenverzekering wordt vergoed, voor haar rekening. De „Beihilfe” — die, en dat is tekenend, als steun en niet als een verzekering in eigenlijke zin wordt gedefinieerd— vormt in wezen een andere inkomstenbron waaruit de ambtenaar in de door de wet voorziene gevallen kan putten. De kenmerkende subsidiaire functie van het stelsel is ook te verklaren doordat de ambtenaar, gelet op de aan de overheidsdienst toegeschreven hoedanigheid van hoge vakkundigheid en onafhankelijkheid, is gelijkgesteld met een beoefenaar van een vrij beroep, zodat hem voor de dekking van het ziekterisico een analoge keuzemogelijkheid is geboden. Door de wijze waarop zij is opgezet, strookt de „Beihilfe”-regeling met dit belangrijk aspect van de positie van de ambtenaar, die § 79 BBG wil beschermen. De ambtenaar valt buiten de werkingssfeer van het Sozialgesetzbuch, maar hij is wat de medische kosten betreft gedekt door de bijzondere steunregeling die ik heb geschetst.
37.
Uit hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, blijkt dat de gemeenschapsregeling en de „Beihilfe” verre van gelijkwaardig zijn, maar integendeel sterk uiteenlopen door de essentiële criteria die deze beheersen: de ene heeft alle kenmerken van een primaire en zelfvoorzienende verzekering, de andere is een steunregeling die de privé-verzekering aanvult. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de „Beihilfe” ook wordt toegekend, wanneer de ambtenaar niet zelf een ziekteverzekering heeft aangegaan, al blijft de steun binnen de vooraf bepaalde grenzen. De aan de Duitse ambtenaar geboden dekking heeft zelfs in dat laatste geval niet het karakter van een met de gemeenschapsregeling vergelijkbare ziektekostenverzekering. De Duitse wetgever ziet haar als een middel tot steunverlening in de optiek van het zogenoemde Alimentationsprinzip, en niet als een passende vergoeding van ziektekosten. De regeling waarbij eenieder die niet anderszins is verzekerd steun ontvangt, kan overigens niet uit het geheel van de „Beihilfe”-regeling worden geïsoleerd: zij vormt slechts een deel van het normatieve kader; de logica van het stelsel is dat de „Beihilfe”, die onvoldoende is als zij los van een andere dekking wordt toegepast, integendeel tot een optimaal resultaat leidt, namelijk het maximaliseren van de vergoeding van door de ambtenaar gedragen ziektekosten, bij of als aanvulling op een bestaande primaire socialezekerheidsregeling. Het door de Duitse wetgever vastgestelde congruentiecriterium kan dus slechts aldus worden opgevat: de „Beihilfe” dekt de behoeften van de betrokkene enkel wanneer zij bovenop de uitkeringen uit andere verzekeringsvormen komt, die in een dergelijk stelsel als primair worden beschouwd. Dat bevestigt, dat het om een wezenlijk en onmiskenbaar ander criterium gaat dan dat van artikel 72 van het Statuut, dat de gemeenschapsambtenaar autonoom en primair ook zonder een andere dekking een maximale uitkering waarborgt.
38.
Ten slotte wil ik — enkel om de voorafgaande overwegingen met een subsidiaire uitlegging te staven— nog herinneren aan het standpunt van de Duitse regering, zoals dat is vervat in document nr. 7481/91, zijnde een nota „Punt I/A van de groep‚Statuut’ van het Comité van permanente vertegenwoordigers”, die requirant na het instellen van de hogere voorziening heeft overgelegd.
In deze verklaring wordt gezegd dat de prestaties die bij ziekte worden verstrekt uit hoofde van de regeling die in Duitsland op de openbare dienst van toepassing is („Beihilfe”), geen kostenvergoedingen uit hoofde van ziektekostenverzekering zijn en daarmee niet kunnen worden gelijkgesteld. Bijgevolg genieten de prestaties van de ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen grotere prioriteit op grond van het aanvullende karakter van de regeling voor de Duitse openbare dienst.
De Commissie stelt, dat dit een unilaterale verldaring is die niet bindend is. Ongeacht het beginsel iura novit curia, kan men dit volgens mij evenwel beschouwen als een stuk dat is overgelegd in het kader van de algemene plicht van partijen tot samenwerking met de rechter, zowel wat de kennis als de uitlegging betreft van een bepaling die, zoals in casu, behoort tot een andere dan de communautaire rechtsorde.
Volgens deze verklaring kan de „Beihilfe” niet als een wettelijke ziektekostenverzekering worden aangemerkt. Wordt met deze opvatting ingestemd, dan kan zonder meer, zonder dat andere argumenten behoeven te worden aangevoerd, worden geconcludeerd dat requirant niet voldoet aan de in artikel 4, lid 6, van de verordening gestelde voorwaarden voor zijn eventuele uitsluiting van de communautaire ziektekostenverzekering.
Hetzelfde resultaat wordt overigens bereikt, wanneer de hiervoor uiteengezette redenering wordt gevolgd, hoe men de hier onderzochte regeling voor ambtenaren in de Duitse rechtsorde ook wil kwalificeren. Of het nu verzekeringsuitkeringen in eigenlijke zin zijn of niet, de vergoeding van ziektekosten door de „Beihilfe” is subsidiair en complementair ten opzichte van de uitkeringen van een andere, autonome en primaire verzekering. Dat is het essentiële en objectieve kenmerk van het Duitse stelsel. De verklaring kon dat slechts bevestigen. Dit stelsel heeft in geen geval kenmerken die gelijkwaardig zijn aan die van de gemeenschapsregeling, die zoals gezegd voorziet in andere criteria en waarborgen van dekking.
39.
Toen zij het bestreden besluit vaststelden respectievelijk bevestigden, hebben de Commissie en het Gerecht het criterium van gelijkwaardigheid tussen de twee te vergelijken socialezekerheidsstelsels niet juist uitgelegd en toegepast, waarna zij tot de onjuiste slotsom kwamen dat requirant van aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering was uitgesloten.
Om de hiervoor uiteengezette redenen meen ik, dat het middel inzake schending van artikel 4, lid 6, moet worden aanvaard. Daar het om een rechtsvraag gaat, zijn geen verdere maatregelen van instructie nodig, zodat het Hof mijns inziens overeenkomstig artikel 54 van zijn Statuut zelf uitspraak kan doen. Ik geef dan ook in overweging, het besluit van 3 mei 1991 nietig te verldaren.
De schadevordering
40.
Requirant verzoekt het Hof voorts om vergoeding van de schade die hij door het gedrag van verweerster heeft geleden.
Aangezien ik concludeer tot gedeeltelijke aanvaarding van het beroep, voor zover het betrekking heeft op het middel tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 mei 1991, moet ook dit verzoek mijns inziens slechts worden beoordeeld voor zover het met dat besluit verband houdt.
In het arrest van het Gerecht werd het beroep van requirant verworpen en werden de bestreden maatregelen rechtmatig verklaard. Het in eerste aanleg ingediende verzoek om vergoeding van de geleden schade kon dus niet worden ingewilligd, daar het gedrag van de Commissie niet onrechtmatig werd geacht. Daarom heeft het Gerecht niet onderzocht of het verzoek om schadevergoeding gegrond was, en heeft het evenmin de feiten onderzocht die de vordering van requirant staafden.
Mijns inziens zijn juist die feiten belangrijk om vast te stellen of er schade is, en in voorkomend geval, hoe hoog deze is en in welke mate die schade aan de Commissie te wijten is. Ik meen dat het Hof in de huidige stand van het geding niet over voldoende gegevens beschikt om ter zake uitspraak te doen. Op dit punt is nader onderzoek nodig en ik stel dan ook voor de zaak op dit punt naar het Gerecht te verwijzen.
De kosten
41.
Nu ik met betrekking tot de grond van de zaak heb geconcludeerd, de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een onderzoek van de schadevordering, dient overeenkomstig artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de rechter waarnaar de zaak wordt verwezen over de kosten te beslissen.
Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
—
de hogere voorziening strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van 24 juni 1993 in zaakT-92/91 af te wijzen, voor zover zij betrekking heeft op de middelen betreffende het besluit van de Commissie van 25 april 1991;
—
de hogere voorziening strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van 24 juni 1993 in zaak T-92/91 gegrond te verklaren, voor zover zij betrekking heeft op de middelen betreffende het besluit van de Commissie van 3 mei 1991, en bijgevolg het arrest van het Gerecht op dit punt te vernietigen, alsmede overeenkomstig artikel 54 van 's Hofs Statuut-EEG het besluit van de Commissie van 3 mei 1991 nietig te verklaren;
—
het arrest van het Gerecht te vernietigen, voor zover het de schadevordering betreft;
—
de zaak naar het Gerecht te verwijzen voor een uitspraak over de schadevordering en de kosten van de procedure.
( *1 ) Oorspronkelijke tank Italiaans.
( 1 ) PB 1987, L 209, blz. 1.
( 2 ) Beschikkingen van 26 april 1993 (zaak C-244/92 P, Kupka-Floridi, Jurispr. 1993, blz. I-2041) en 26 september 1994 (zaak C-26/94, X, Jurispr. 1994, blz. I-4379).
( 3 ) Arrest -van 22 december 1993, zaakC-354/92 P, Eppe, Jurispr. 1993, blz. I-7027.
( 4 ) Arrest van 18 december 1992, zaakT-85/91, Khouri, Jurispr. 1992, blz. II-2637.
( 5 ) Arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro, Jurispr. 1984, blz. 107, met name blz. 119.
( 6 ) Arrest van 12 december 1989, zaak C-163/88, Kontogeorgis, Jurispr. 1989, blz. 4189.
( 7 ) Arrest van 28 september 1994, zaak C-7/93, Beune, Jurispr. 1994, blz. I-4471.
( 8 ) Arrest van 13 mei 1986, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607.
( 9 ) De praktijk inzake de toepassing van artikel 72, lid 4, op in dienst zijnde of gepensioneerde gemeenschapsambtenaren die „Beihilfe” ontvangen, is bij mijn weten dat de anticumulatieregel niet wordt toegepast. De achterliggende logica is dat de ambtenaar of gepensioneerde ambtenaar van de Gemeenschap hoe dan ook de gehele bijdrage aan de ziekenkas moet betalen, zodat zijn gemeenschapsuitkeringen niet dienen te worden gekort en hij integendeel ten volle de rechten van de twee stelsels kan genieten.
Full & Egal Universal Law Academy