Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Wanneer een bepaling van een verordening van de Commissie, waarbij bepaalde belangrijke delen van video-apparaten in het kader van de gecombineerde nomenclatuur werden ingedeeld als complete video-apparaten, onverenigbaar blijkt met een later uitgebracht indelingsadvies van de Internationale Douaneraad en derhalve bij een latere verordening van de Commissie is ingetrokken, was de eerste verordening dan toepasselijk, ook al bleef de gecombineerde nomenclatuur zelf tijdens de relevante periode ongewijzigd, of heeft de latere verordening terugwerkende kracht, zodat zij toepasselijk is op voor haar inwerkingtreding ingevoerde goederen? Dat is in essentie de vraag waarover het Finanzgericht Rheinland-Pfalz het Hof om een beslissing verzoekt.
De toepasselijke gemeenschapsregeling
2. Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(1) verving met ingang van 1 januari 1988 de op dit gebied bestaande verordeningen, te weten verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief(2), en verordening (EEG) nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief.(3) In de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2658/87 wordt het doel van deze verordening toegelicht als volgt:
"(...) dat het verzamelen en uitwisselen van gegevens betreffende de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap het best kan worden bereikt door gebruik te maken van een gecombineerde nomenclatuur, die in de plaats treedt van de huidige nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief en van die van de NIMEXE, ten einde tegelijkertijd aan de vereisten op tarief- en statistiekgebied te voldoen;
(...) dat de Gemeenschap het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, het zogenaamde 'geharmoniseerde systeem' , heeft ondertekend, dat bestemd is om het Verdrag van 15 december 1950 inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven te vervangen; dat voornoemde gecombineerde nomenclatuur derhalve op basis van het geharmoniseerde systeem dient te worden opgesteld".
3. Bij artikel 1 van de verordening wordt de gecombineerde nomenclatuur ingesteld met de volgende bewoordingen:
"1. Er wordt een goederennomenclatuur ingesteld, hierna 'gecombineerde nomenclatuur' of, afgekort, 'GN' te noemen, die zowel aan de vereisten van het gemeenschappelijk douanetarief als aan die van de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap voldoet.
2. De gecombineerde nomenclatuur omvat:
a) de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem;
b) de communautaire onderverdelingen van deze nomenclatuur, die 'GN-onderverdelingen' worden genoemd wanneer daarnaast een invoerrecht wordt vermeld;
c) de inleidende bepalingen, aanvullende aantekeningen op afdelingen of op hoofdstukken en de voetnoten met betrekking tot de GN-onderverdelingen.
3. De gecombineerde nomenclatuur is in bijlage I opgenomen.
In die bijlage zijn tevens de autonome en conventionele invoerrechten van het gemeenschappelijk douanetarief, de bijzondere statistische maatstaven alsmede de andere vereiste elementen vastgesteld."
4. Artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt:
"Elke GN-onderverdeling is voorzien van een uit acht cijfers bestaand codenummer:
a) de eerste zes cijfers vormen de codenummers van de posten en van de onderverdelingen van de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem;
b) het zevende en het achtste cijfer dienen ter identificatie van de GN-onderverdelingen. Als een post of onderverdeling van een post van het geharmoniseerde systeem voor Gemeenschapsdoeleinden niet verder is onderverdeeld, wordt in plaats van het zevende en achtste cijfer '00' gebruikt."
5. Tijdens de voor het hoofdgeding relevante periode, namelijk van 25 oktober 1988 tot 25 oktober 1991, luidden de toepasselijke GN-codes(4) als volgt:
"8521 Video-opname- en videoweergaveapparaten:
8521 10 ° werkend met magneetbanden:
(...)
8521 10 39 ° ° andere
(...)
8522 Delen en toebehoren van de toestellen en apparaten bedoeld bij de posten 8519 tot en met 8521:
8522 10 00 ° weergavekoppen voor platenspelers
8522 90 ° andere
(...)
8522 90 99 ° ° andere."
6. Artikel 9 van verordening nr. 2658/87 voorziet in de vaststelling van maatregelen door de Commissie met betrekking tot, onder meer:
"a) de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur (...), met name met betrekking tot:
° de indeling van goederen in de nomenclaturen bedoeld in artikel 8,
° (...)"
Krachtens deze bepaling werden bepaalde goederen bij verordening (EEG) nr. 2275/88(5) in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld. Punt 9 van de bijlage bij die verordening bevatte de volgende indeling:
Omschrijving van het goedIndeling
(GN-code)MotiveringMechanisch geheel van een video-opname- en videoweergaveapparaat van GN-code 8521, voorzien van opname- en weergavekop (mecadeck)8521 10 39De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 2 a) en 6 en de tekst van de GN-codes 8521, 8521 10 en 8521 10 39. Dit mechanisch geheel vertoont de essentiële kenmerken van een video-opname- en videoweergaveapparaat.
Bij deze verordening werden "mecadecks" dus ingedeeld als een compleet video-opname- en videoweergaveapparaat en niet als een deel van een dergelijk apparaat.
7. De Internationale Douaneraad bracht op 7 april 1991 een advies uit, (geciteerd in punt 33 infra), inhoudende dat een mechanisch geheel van een video-opname- en videoweergaveapparaat als een deel van een dergelijk apparaat moet worden ingedeeld in post 8522 90 van de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem.
8. Ingevolge dit advies schrapte de Commissie bij verordening (EEG) nr. 3085/91 van 21 oktober 1991(6) punt 9 van de bijlage bij verordening nr. 2275/88, met ingang van 23 oktober 1991.
De feiten van het hoofdgeding en de naar het Hof verwezen vragen
9. GoldStar Europe GmbH (hierna: "Goldstar") importeerde vanaf 3 juni 1988 uit Zuid-Korea bandtransportsystemen van video-apparaten, zogenoemde "deck ass' y' s"), hetzij afzonderlijk, hetzij te zamen met printkaarten, ("main board ass' y' s"). Beide soorten produkten werden aanvankelijk als delen van video-apparaten ingedeeld onder GN-code 8522 90 99 en onderworpen aan een invoerrecht van 5,8 %. Na de vaststelling van verordening nr. 2275/88 kwam verweerder, het Hauptzollamt Ludwigshafen, tot de conclusie, dat de goederen beantwoordden aan de in die verordening gegeven beschrijving van "mecadecks" en hadden moeten worden ingedeeld onder GN-code 8521 10 39 als "andere video-opname- en videoweergaveapparaten", onderworpen aan een recht van 14 %. Derhalve vorderde het Hauptzollamt invoerrechten volgens het hogere tarief, zowel voor de eerdere als voor de latere importen. Na de vaststelling van verordening nr. 3085/91, waarbij verordening nr. 2275/88 werd gewijzigd, verzocht GoldStar op 25 oktober 1991 het Hauptzollamt om terugbetaling van de aanvullende rechten die de in de loop van de voorafgaande drie jaren over de ingevoerde goederen waren geheven, dat wil zeggen vanaf 25 oktober 1988. Het Hauptzollamt weigerde de terugbetaling, waarop GoldStar beroep instelde bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz. Voor deze rechterlijke instantie betoogde GoldStar allereerst, dat er essentiële verschillen bestaan tussen een "mecadeck" en een "deck ass' y" en dat dit laatste, zelfs te zamen met een "main board ass' y", geen video-apparaat is en wegens het ontbreken van enkele belangrijke componenten ook niet de essentiële kenmerken van een dergelijk apparaat vertoont. In de tweede plaats betoogde zij, dat de verordeningen nrs. 2275/88 en 3085/91 alleen een declaratoir karakter hadden, aangezien zij ertoe strekten de uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te verzekeren en niet de draagwijdte van de betrokken GN-codes te wijzigen; verordening nr. 3085/91, waarbij een door de Commissie als onjuist erkende indelingspraktijk was gewijzigd, was dienovereenkomstig van toepassing op eerdere importen, met name omdat de tekst van de betrokken codes heel de betrokken periode ongewijzigd was gebleven.
10. Ter beslechting van het geschil heeft het Finanzgericht het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
"1) Was verordening (EEG) nr. 2275/88 van de Commissie van 25 juli 1988 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 1988, L 200, blz. 10) geldig, voor zover daarbij het in punt 9 van de bijlage omschreven 'mechanisch geheel van een video-opname- en videoweergaveapparaat van GN-code 8521, voorzien van opname- en weergavekop (mecadeck)' onder GN-code 8521 10 39 werd ingedeeld?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
Heeft verordening (EEG) nr. 3085/91 van de Commissie van 21 oktober 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2275/88 (PB 1991, L 291, blz. 12) terugwerkende kracht, zodat zij ook moet worden toegepast op invoer die plaatsvond vóór de inwerkingtreding ervan?
3) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:
Welke zijn de essentiële kenmerken (zie de motivering van punt 9 van verordening nr. 2275/88) in de zin van algemene regel 2 a), die de Commissie ertoe hebben gebracht, 'mecadecks' als complete video-opname- en videoweergaveapparaten in post 8521 in te delen?"
De eerste vraag
11. In het kader van de eerste vraag van het Finanzgericht behandelt de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen alle door de drie vragen opgeworpen kwesties. Allereerst ingaand op een door het Finanzgericht in de verwijzingsbeschikking opgeworpen punt, betoogt zij, dat verordening nr. 2275/88 niet ongeldig is enkel omdat het Comité Nomenclatuur (wat wil zeggen het bij artikel 7 van verordening nr. 2658/87 ingestelde comité, bestaande uit nationale douanedeskundigen en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie) zijn advies niet heeft uitgebracht binnen de door zijn voorzitter gestelde termijn en vóór de vaststelling van de verordening. Volgens artikel 10, leden 1 en 2, van verordening nr. 2658/87 dient de Commissie de toepassing van maatregelen alleen uit te stellen indien zij niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité. Het niet uitbrengen van een advies door het comité geldt als een gunstig advies.
12. Wat de geldigheid van punt 9 van de bijlage bij verordening nr. 2275/88 betreft, merkt de Commissie op, dat het beslissende indelingscriterium over het algemeen de objectieve kenmerken en eigenschappen van de betrokken produkten zijn, zoals omschreven in de tekst van de posten en onderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: "het tarief") en in de aantekeningen bij de afdelingen en hoofdstukken. De Commissie kan krachtens de artikelen 9, lid 1, sub a, en 10 van verordening nr. 2658/87 bepaalde produkten ook zelf indelen. Dergelijke indelingen mogen de tekst van het tarief of de inhoud van de posten en onderverdelingen weliswaar niet wijzigen, doch de Commissie beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze tussen de posten en het toezicht van het Hof is beperkt tot de vraag, of de Commissie zich kennelijk heeft vergist of haar bevoegdheid heeft misbruikt. Zij moet tevens rekening houden met de toelichtingen en adviezen van de Internationale Douaneraad, omdat anders de uniforme toepassing van de nomenclatuur in het kader van het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem in het gedrang zou komen.
13. Deze beginselen op de onderhavige zaak toepassend, meent de Commissie dat het mechanische geheel van een video-apparaat, het zogenoemde "mecadeck", de "essentiële kenmerken" vertoont van een compleet video-apparaat in de zin van regel 2 a) van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur. Het is dat deel van het apparaat, dat alle componenten bevat die kenmerkend zijn voor de werking ervan, namelijk video-opname en -weergave. Ten tijde van de vaststelling van de verordening stond er niets anders in de toelichtingen of adviezen van de Internationale Douaneraad. Punt 9 van de bijlage was dus geldig toen de verordening werd vastgesteld.
14. Verwijzend naar het arrest van 28 maart 1979(7), merkt de Commissie op, dat indelingsverordeningen in beginsel geen terugwerkende kracht hebben. Dat is anders met een verordening die enkel de vóór haar inwerkingtreding bestaande rechtssituatie toelicht. Dat is hier niet het geval. Het advies van de Internationale Douaneraad, dat werd uitgebracht op initiatief van de Japanse delegatie, werd vastgesteld met een meerderheid van 14 tegen 8 stemmen. Hoewel de Commissie overtuigd bleef van de juistheid van haar zienswijze, was zij verplicht verordening nr. 2275/88 te wijzigen om de uniforme toepassing van de nomenclatuur te verzekeren op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem. De Commissie erkent, dat het advies van de Internationale Douaneraad één mogelijke uitlegging van het tarief is. Vóór het advies was er evenwel heel wat onzekerheid. Hiervoor wijst de Commissie op een brief van het directoraat Nomenclatuur en indeling van de Internationale Douaneraad aan de Koreaanse ambassade, waarin wordt verklaard dat de vroegere indeling van "mecadecks" in de Gemeenschap niet kan worden beschouwd als een schending van haar verplichtingen krachtens het Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem; in de brief wordt erop gewezen, dat "het secretariaat van mening is, dat het hier niet gaat om een juridische verplichting, maar om de uitlegging van een rechtsregel", en dat "er altijd grensgevallen zullen zijn waarin verschillende uitleggingen mogelijk zijn".
15. Ik acht de opmerkingen van de Commissie op alle wezenlijke punten overtuigend. Om te beginnen denk ik niet, dat verordening nr. 2275/88 als ongeldig kan worden beschouwd omdat de Commissie ze onmiddellijk in werking deed treden in plaats van de toepassing ervan krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2658/87 met drie maanden uit te stellen. Artikel 10, lid 2, dat de procedure regelt voor de vaststelling van maatregelen krachtens artikel 9, bepaalt:
"1. De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt over dit onderwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van de materie. Het advies wordt uitgebracht met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemmingen in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
2. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk toepasselijk zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. De Commissie stelt in dat geval de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten drie maanden uit na deze kennisgeving.
3. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen binnen de in lid 2 genoemde termijn een andersluidend besluit nemen."
16. Volgens de tekst van artikel 10, lid 2, zijn de door de Commissie vastgestelde maatregelen onmiddellijk van toepassing, tenzij zij ingaan tegen een met de vereiste meerderheid vastgesteld advies van het Comité Nomenclatuur. In dit opzicht verschilt de tekst van de verordening van die van haar voorgangster, verordening nr. 97/69.(8) Artikel 3, lid 2, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2055/84 van de Raad(9), stelde het geval waarin geen advies is uitgebracht, uitdrukkelijk op één lijn met dat waarin de in overweging genomen verordening niet in overeenstemming was met het advies van het comité. Deze bepaling luidde als volgt:
"a) De Commissie stelt de in overweging genomen verordening vast, indien deze met het advies van het Comité in overeenstemming is.
b) Indien de in overweging genomen verordening niet met het advies van het Comité in overeenstemming is of bij gebreke van een advies, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel voor een verordening in.
De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid.
c) Indien na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van het voorstel bij de Raad door deze geen besluit is genomen, wordt de voorgestelde verordening door de Commissie vastgesteld" (cursivering van mij).
Uit de weglating van de gecursiveerde woorden in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 2658/87 blijkt duidelijk, dat de Commissie een indelingsmaatregel onmiddellijk in werking mag doen treden zowel wanneer de maatregel in overeenstemming is met het advies van het comité als wanneer het comité geen advies heeft uitgebracht binnen de door zijn voorzitter gestelde termijn. In casu is niet gesteld, dat de termijn, die door de vertegenwoordiger van de Commissie, die het comité voorzit, was gesteld, onredelijk kort was of dat enige andere de procedure in het comité anderszins onregelmatig was.
17. Dan kom ik nu tot het punt van de omvang van de bevoegdheid van de Commissie om indelingsmaatregelen te treffen, en van het toezicht van het Hof op die maatregelen. Het Hof heeft deze kwestie al verscheidene malen kunnen behandelen, onder meer in de zaak Vismans Nederland betreffende een door de Commissie krachtens verordening nr. 97/69 vastgestelde indelingsverordening. In zijn desbetreffend arrest(10) verklaarde het Hof (r.o. 13):
"Ter zake van de uitlegging van het GDT heeft de Raad aan de Commissie, handelend in nauwe samenwerking met de douanedeskundigen van de Lid-Staten, een ruime beoordelingsbevoegdheid gelaten bij de verduidelijking van de inhoud van de posten die voor de indeling van een produkt in aanmerking komen. Daarbij geldt als enig voorbehoud, dat de door de Commissie vastgestelde bepalingen geen wijziging mogen brengen in de tekst van het gemeenschappelijk douanetarief (...)"
Zie ook de arresten in de zaak Imperial Tobacco(11) en in de zaken Bagusat.(12)
18. Met betrekking tot een in overeenstemming met het advies van het Comité Nomenclatuur vastgestelde indelingsverordening van de Commissie heeft advocaat-generaal Mayras er in zijn conclusie in de eerste zaak Bagusat(13) evenwel op gewezen, dat "in dit opzicht (...) uw toetsing onzes inziens echter marginaal (is): een ongeldigverklaring is alleen mogelijk bij kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid. U kunt zich in zoverre niet in de plaats van het Comité Nomenclatuur stellen."
19. Deze opmerking van advocaat-generaal Mayras ligt in de lijn van de vaststelling van het Hof in die zaak, dat uit niets bleek, dat de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid had overschreden, en met de vaststelling in de tweede zaak Bagusat(14) betreffende dezelfde verordening, dat uit niets was gebleken dat de indeling van de Commissie "kennelijk onjuist" was.
20. In casu is geen advies uitgebracht door de douanedeskundigen van de Lid-Staten in het Comité Nomenclatuur, zodat het uitgesloten is dat het Hof zijn eigen oordeel in de plaats van dat van het comité zou stellen, doch ik acht dit niet beslissend. De Commissie handelde volledig conform de procedurevereisten van verordening nr. 2658/87, door de zaak voor te leggen aan het comité en de vaststelling van de maatregel uit te stellen totdat de door de voorzitter van het comité gestelde termijn was verstreken. Zij kon dus naar eigen inzicht een indelingsmaatregel nemen.
21. Alvorens in te gaan op de vraag, of de Commissie, door "mecadecks" in te delen in verordening nr. 2275/88, een juist gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsvrijheid op dit gebied, wijs ik erop, dat die indeling mijns inziens niet ongeldig was enkel omdat zij onverenigbaar bleek met een later advies van de Internationale Douaneraad. Uiteraard moet de Commissie bij de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid op dit gebied rekening houden met de toelichtingen en adviezen van de Internationale Douaneraad met het oog op de uniforme toepassing van de nomenclatuur op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem. Zo overwoog het Hof in de zaak Nederlandse Spoorwegen(15),
"dat deze indelingsadviezen ongetwijfeld de verdragsluitende partijen niet binden, maar interpretatiegegevens vormen die te meer doorslaggevend zijn daar zij afkomstig zijn van een gezag dat door de verdragsluitende partijen is belast met de waarborging der eenvormigheid in de uitlegging en toepassing van de nomenclatuur;
dat een dergelijke uitlegging, wanneer zij bovendien overeenkomt met de door de verdragsluitende Staten algemeen gevolgde praktijk, slechts terzijde kan worden gesteld indien zij onverenigbaar lijkt met de bewoordingen van de betrokken post of indien zij kennelijk de aan de Internationale Douaneraad verleende beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat".
In de zaak Van de Kolk(16) overwoog het Hof evenwel:
"In de gevallen waarin de uitlegging door de Internationale Douaneraad niet bindend is voor de Gemeenschap of wanneer zulk een uitlegging ontbreekt, is de gemeenschapswetgever ° onder het toezicht van het Hof van Justitie ° bevoegd, de nomenclatuur bij wege van verordening uit te leggen voor de toepassing ervan door de Gemeenschap."
22. De indelingsverordeningen ° alsook overigens de adviezen van de Internationale Douaneraad ° beogen precies de rechtsituatie in grensgevallen te verduidelijken, dat wil zeggen in gevallen waarin goederen op meerdere wijzen kunnen worden ingedeeld. Bij gebreke van een advies van de Internationale Douaneraad heeft de Commissie de bevoegdheid het geharmoniseerde systeem, zoals het door de Gemeenschap moet worden toegepast, uit te leggen onder het toezicht van het Hof. In dergelijke grensgevallen blijft het uiteraard steeds mogelijk, dat de Internationale Douaneraad later tot een andere zienswijze komt. De Gemeenschap moet dan rekening houden met die zienswijze, tenzij deze onverenigbaar is met de tekst van de betrokken post of de Internationale Douaneraad daarmee duidelijk zijn bevoegdheid heeft overschreden. Het betekent echter niet, dat een eerder door de Commissie vastgestelde indeling daardoor ongeldig wordt. Bij de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid op een bepaald tijdstip moet de Commissie rekening houden met een aantal gegevens, waaronder de aantekeningen bij de posten en onderverdelingen van het tarief, de toelichtingen bij de gecombineerde nomenclatuur en de toelichtingen en adviezen van de Internationale Douaneraad. Zij moet uiteraard een bepaalde indeling kunnen herzien wanneer dat noodzakelijk is in het licht van relevante ontwikkelingen, zoals een advies van de Internationale Douaneraad. Voor zover de Commissie bij de vaststelling van een indelingsverordening binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid handelt en in het licht van de dan bestaande omstandigheden, kan de geldigheid van de verordening niet worden aangetast door latere ontwikkelingen die een herziening van de indeling noodzakelijk maken.
23. Deze benadering vindt steun in eerdere arresten van het Hof. Zo overwoog het Hof in de zaak Compagnie d' approvisionnement(17) in volstrekt duidelijke bewoordingen, dat "de wettigheid van een verordening niet op grond van later opgekomen feiten kan worden bestreden".(18)
24. De tegengestelde zienswijze zou ook onverenigbaar zijn met de vereisten van de rechtszekerheid. Het zou voor de Commissie onmogelijk zijn een indelingsverordening in het licht van latere ontwikkelingen te wijzigen zonder de behandeling van vroegere invoertransacties op de helling te zetten. Bovendien kan bij een herindeling een hoger in plaats van een lager invoerrecht van toepassing worden; zou in een dergelijk geval de eerdere verordening, die tot toepassing van een lager recht had geleid, ongeldig zijn, dan zou de douane met terugwerkende kracht de betaling kunnen verlangen van een aanvullend recht op goederen die al verkocht zijn, ofschoon de indeling ten tijde van de invoer correct werd geacht.
25. Het blijft dan ook noodzakelijk dat wij nagaan, of de Commissie, door "mecadecks" in te delen in GN-code 8521 10 39, de grenzen van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden door te kiezen voor een kennelijk onjuiste indeling, die eigenlijk neerkomt op een wijziging van het tarief. Dat heeft zij mijns inziens niet gedaan.
26. Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat
"omwille van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de posten van het GDT en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn vastgelegd".(19)
27. Ik wijs voorts op regel 2 a), van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, die deel uitmaken van de oorspronkelijk in bijlage I van verordening nr. 2658/87 vastgestelde nomenclatuur. Regel 2 a), bepaalt:
"De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat."
28. Het is dus noodzakelijk de essentiële kenmerken van een video-opname- en -weergaveapparaat te bepalen en na te gaan of "mecadecks", hoewel niet compleet, de essentiële kenmerken van een dergelijk apparaat bezitten.
29. Het essentiële kenmerk van een video-opname en -weergaveapparaat is zijn vermogen beelden en geluid op te nemen en weer te geven. In technische termen: het neemt op een drager, gewoonlijk een magneetband, elektrische impulsen (signalen) op, die overeenkomen met beelden en geluid, en het zet deze opgenomen signalen weer om in beelden en geluid: zie de toelichtingen van de Internationale Douaneraad bij post 8521.
30. Wat zijn dan de componenten van het apparaat waardoor het die essentiële kenmerken heeft? Blijkens de aan het Hof voorgelegde stukken bevat het apparaat met name de volgende delen: een bandtransportsysteem, een printkaart met de noodzakelijke elektrische circuits, een afstemeenheid, een tijdmechanisme, een toetsenpaneel, een cassettehuis en verscheidene omhullingen. Het bandtransportsysteem bevat in een welbepaalde configuratie de volgende componenten:
° een transducent voor video- en audio-informatie (video- en audiokoppen), die tijdens het opnemen de elektrische video-informatie omzet in elektromagnetische informatie die op de band kan worden opgenomen, en die tijdens de weergave de op de band opgeslagen elektromagnetische informatie omzet in elektrische signalen;
° een transducent voor controle-informatie (controlekop), die dient om tijdens het opnemen en het aflezen van de informatie op de magneetband, een bepaalde afrolsnelheid van de magneetband te handhaven en te controleren;
° een transducent voor het uitwissen van opgenomen informatie (wiskop) die op de magneetband opgenomen elektromagnetische informatie uitwist;
° andere elektromagnetische transducenten met speciale functies, zoals het weergeven van stilstaande beelden;
° elektrische motoren voor de noodzakelijke beweging bij het opnemen en weergeven.
31. Uit voormelde beschrijving blijkt duidelijk, dat de componenten van het bandtransportsysteem, en met name de video- en audiokoppen, de controlekop en de andere elektromagnetische transducenten, aan het apparaat zijn essentiële kenmerken verlenen. Vooral dankzij deze elementen, die op het bandtransportsysteem op een welbepaalde wijze zijn gemonteerd, kan het apparaat zijn basisfuncties, namelijk video-opname en -weergave, vervullen.
32. Het in punt 9 van de bijlage bij verordening nr. 2275/88 bedoelde "mecadeck" bevat deze componenten. Punt 9 zelf omschrijft een "mecadeck" als een "mechanisch geheel van een video-opname- en videoweergaveapparaat, voorzien van opname- en weergavekop".
33. Verder verwijs ik naar het bij de Toelichtingen van de Internationale Douaneraad gepubliceerde advies van de Internationale Douaneraad (REC/MJ 7 ° juli 1991, blz. 39F), dat luidt:
"8522.90 1. Mechanisch geheel van een video-opname- en videoweergaveapparaat, bestaand uit een chassis waarop de volgende hoofddelen zijn gemonteerd:
(i) een trommel met een roterende boventrommel met videokoppen en een vaste ondertrommel en een motor; het geheel maakt het mogelijk videosignalen op de magneetband te brengen en die signalen te lezen;
(ii) een geluidskop die de audiosignalen op de magnetische band brengt en die signalen leest;
(iii) een wiskop die bij het opnemen de eerder opgenomen signalen uitwist;
(iv) een toonas die de magneetband op gelijkblijvende snelheid doet aflopen.
Indeling als deel van het betrokken apparaat."
34. De term "mecadeck" wordt in het advies zelf weliswaar niet gebruikt, doch de aan het Hof voorgelegde stukken, met name document 35.479 van de Internationale Douaneraad, bevestigen dat "mecadeck" de gebruikelijke verkorte benaming is voor het mechanisch geheel van een video-opname- en -weergaveapparaat, dat het voorwerp was van de besprekingen van de Internationale Douaneraad en van het advies.
35. Ter terechtzitting heeft het Hof de Commissie gevraagd, wat het aandeel is van het mecadeck in de prijs van een compleet video-apparaat. Over die vraag zijn de Commissie en GoldStar verdeeld. Volgens het schriftelijk antwoord van de Commissie op de vraag van het Hof, vertegenwoordigden de mecadecks tijdens de betrokken periode 30 tot 40 % van de totale waarde van complete video-apparaten. GoldStar betwist deze cijfers en legt facturen voor waaruit blijkt, dat de bandtransportsystemen, naargelang van het model, 15 of 19 % vertegenwoordigen van de verkoopprijs van een video-apparaat.
36. De door GoldStar gemaakte vergelijking tussen de kosten van het bandtransportsysteem en de verkoopprijs van een compleet video-apparaat is niet ter zake dienend, omdat de verkoopprijs vermoedelijk nog andere kosten omvat, zoals lonen, algemene kosten en winst. Een meer relevant criterium is het aandeel van het bandtransportsysteem in de totale kosten van de componenten van het apparaat. Dat ligt vermoedelijk significant hoger. Het bandtransportsysteem vertegenwoordigt hoe dan ook duidelijk een significant aandeel in de totale kosten van het apparaat.
37. De toelichtingen bij regel 2 a) van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur verwijzen niet naar de waarde van de componenten. In haar opmerkingen over het antwoord van de Commissie verwijst GoldStar naar toelichting VIII bij regel 3 van de Algemene regels. Regel 3 b) luidt:
"Mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder a) worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald."
Toelichting VIII luidt:
"De factor die doorslaggevend is bij het bepalen van het wezenlijk karakter kan verschillen van de ene soort van goederen tot de andere. De goederen kunnen hun wezenlijk karakter ontlenen aan de stof waaruit zij bestaan, aan de artikelen waaruit zij zijn samengesteld, aan de omvang, de hoeveelheid, het gewicht en de waarde daarvan, ofwel aan de belangrijkheid van de samenstellende stoffen ten opzichte van het gebruik dat van de goederen zal worden gemaakt."
GoldStar betoogt, dat met die toelichting ook rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van regel 2 a) betreffende niet-complete of niet-afgewerkte goederen. Aangezien het bandtransportsysteem op basis van andere criteria niet kan worden geacht de essentiële kenmerken van complete video-apparaten te bezitten, moet het waardecriterium worden toegepast.
38. Het is evenwel verre van duidelijk, of de in toelichting VIII genoemde criteria met betrekking tot mengsels en samengestelde goederen zonder meer analogisch kunnen worden toegepast op niet-volledige of niet-afgewerkte goederen. Maar zelfs wanneer dit zo zou zijn, is het waardecriterium slechts een van de vele in toelichting VIII vermelde factoren, waar ook wordt verwezen naar "de belangrijkheid van de samenstellende stoffen ten opzichte van het gebruik dat van de goederen zal worden gemaakt". Het staat aan de Commissie om krachtens haar beoordelingsvrijheid te beoordelen, welk gewicht in de gegeven omstandigheden aan elk criterium moet worden gehecht. Mijns inziens kan de Commissie oordelen, dat de waarde in dit geval niet het beslissende criterium is. Laten wij eens aannemen, dat de resterende componenten van het video-apparaat, de printkaart inbegrepen, als één enkel goed worden ingevoerd. Ook al vertegenwoordigen zij het grootste deel van de kosten van het complete apparaat, toch valt te betwijfelen, of zij zonder het bandtransportsysteem, waarin de componenten zitten die het meest rechtstreeks de hoofdfuncties van een video-apparaat vervullen, wel kunnen worden geacht de essentiële kenmerken te bezitten van het complete apparaat in de zin van regel 2 a). Dat de waarde van een component niet beslissend is voor de indeling krachtens regel 3 b), blijkt bovendien duidelijk uit de zaak Schickedanz(20), waarin het Hof verklaarde, dat sportschoenen met een bovendeel uit textiel waarop stukjes leder zijn aangebracht, moesten worden ingedeeld, als "ander schoeisel" en niet als "schoeisel met bovendeel van leder", hoewel het leder ongeveer 70 % van het textiel bedekte en een grotere waarde had. Het Hof overwoog (r.o. 12):
"De hogere intrinsieke waarde van de stukjes leder ten opzichte van het textiel vormt onvoldoende grond voor de stelling, dat het bovendeel zijn wezenlijk karakter aan het leder ontleent."
39. De Commissie had zich stellig ook op het standpunt kunnen stellen, dat het bandtransportsysteem en de printkaart met het elektrische schakelsysteem te zamen het apparaat zijn essentiële kenmerken gaven. Men kan mijns inziens echter niet stellen, dat de Commissie een kennelijke fout heeft begaan door een ander standpunt in te nemen.
40. Ik meen dan ook, dat de Commissie binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid is gebleven toen zij tot de slotsom kwam, dat een "mecadeck" de essentiële kenmerken bezit van een compleet video-opname- en -weergaveapparaat in de zin van algemene regel 2 a) en derhalve moest worden ingedeeld onder GN-code 8521 10 39.
De tweede vraag
41. Met deze vraag vraagt de nationale rechter, of verordening nr. 3085/91 terugwerkende kracht heeft in dier voege, dat zij van toepassing is op vóór haar inwerkingtreding ingevoerde goederen.
42. Mijns inziens is dat duidelijk niet het geval. In de zaak Biegi(21) overwoog het Hof (r.o. 11):
"Een verordening waarin de voorwaarden voor indeling onder een post of postonderverdeling worden vastgesteld, is constitutief van aard en kan geen terugwerkende kracht hebben."
43. De Commissie lijkt van mening te zijn, dat een verordening terugwerkende kracht kan hebben voor zover zij enkel de bestaande rechtssituatie verduidelijkt. Het ware evenwel juister te zeggen, dat een indelingsverordening in die omstandigheden een richtsnoer kan geven voor de wijze waarop het tarief moest worden uitgelegd vóór de inwerkingtreding van die verordening. Verordening nr. 3085/91 was, zoals de Commissie correct opmerkt, hoe dan ook duidelijk niet bedoeld om de bestaande rechtssituatie te bevestigen. Zoals blijkt uit de preambule en de bepalingen ervan, wijzigde zij de bestaande situatie, teneinde het gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen met het advies van de Internationale Douaneraad.
De derde vraag
44. Met deze vraag vraagt de nationale rechter het Hof in wezen, de essentiële kenmerken aan te geven die de indeling van "mecadecks" als complete video-opname- en -weergaveapparaten rechtvaardigen. Het doel van zijn vraag is hem in staat te stellen te bepalen, of de indeling van "mecadecks" in punt 9 van de bijlage bij verordening nr. 2275/88 van toepassing was op de door GoldStar ingevoerde goederen.
45. Het antwoord op deze vraag volgt uit mijn antwoord op de eerste vraag. Het essentiële kenmerk van een video-opname- en -weergaveapparaat is zijn vermogen beelden en geluid op te nemen en weer te geven. De Commissie kan krachtens haar beoordelingsvrijheid tot het oordeel komen, dat een "mecadeck" of een mechanisch geheel van een video-opname- en -weergaveapparaat de essentiële kenmerken van het complete apparaat vertoont, omdat daarop in een welbepaalde configuratie de componenten zijn gemonteerd die de essentiële functie van het apparaat, namelijk video-opname en -weergave, vervullen, in het bijzonder de video-, audio- en wiskoppen.
Besluit
Ik geef het Hof derhalve in overweging de vragen van het Finanzgericht Rheinland-Pfalz te beantwoorden als volgt:
1) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niets gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van punt 9 van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2275/88 van de Commissie kunnen aantasten.
2) Verordening (EEG) nr. 3085/91 van de Commissie heeft geen terugwerkende kracht in dier voege, dat zij van toepassing zou zijn op vóór haar inwerkingtreding ingevoerde goederen.
3) Vóór de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 3085/91 kon een "mecadeck" of een mechanisch geheel van een video-opname- en -weergaveapparaat worden geacht de essentiële kenmerken te vertonen van het complete apparaat in de zin van regel 2 a) van de Algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, omdat daarop in een welbepaalde configuratie alle componenten zijn gemonteerd die de essentiële functie van het apparaat, namelijk video-opname en -weergave vervullen, in het bijzonder de video-, audio- en wiskoppen.
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
(1) ° PB 1987, L 256, blz. 1.
(2) ° PB 1968, L 172, blz. 1.
(3) ° PB 1969, L 14, blz. 1.
(4) ° De aanvankelijk in bijlage I van verordening nr. 2658/87 vastgestelde gecombineerde nomenclatuur is tijdens de relevante periode overeenkomstig artikel 9 van de verordening gewijzigd bij de verordeningen van de Commissie (EEG) nrs. 3174/88 van 21 september 1988 (PB 1988, L 298, blz. 1), 2886/89 van 2 augustus 1989 (PB 1989, L 282, blz. 1), 2472/90 van 31 juli 1990 (PB 1990, L 247, blz. 1) en 2587/81 van 26 juli 1991 (PB 1991, L 259, blz. 1). Overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 2658/87 is in elk van deze verordeningen de gewijzigde nomenclatuur opgenomen.
(5) ° PB 1988, L 200, blz. 10.
(6) ° PB 1991, L 291, blz. 12.
(7) ° Zaak 158/78, Biegi, Jurispr. 1979, blz. 1103.
(8) ° Zie voetnoot 3 supra.
(9) ° PB 1984, L 191, blz. 1.
(10) ° Arrest van 18 september 1990, zaak C-265/89, Jurispr. 1990, blz. I-3411.
(11) ° Arrest van 19 januari 1988, zaak 141/86, Jurispr. 1988, blz. 57.
(12) ° Arresten van 11 november 1975, zaak 37/75, Jurispr. 1975, blz. 1339, en 20 maart 1980, gevoegde zaken 87/79, 112/79 en 113/79, Jurispr. 1980, blz. 1159.
(13) ° Blz. 1350.
(14) ° R.o. 14 van het arrest.
(15) ° Arrest van 19 november 1975, zaak 38/75, Jurispr. 1975, blz. 1439, r.o. 24 en 25.
(16) ° Arrest van 8 februari 1990, zaak C-233/88, Jurispr. 1990, blz. I-265, r.o. 10.
(17) ° Arrest van 13 juni 1972, gevoegde zaken 9/71 en 11/71, Jurispr. 1972, blz. 391, r.o. 39.
(18) ° Zie ook arresten van 7 februari 1973 (zaak 40/72, Schroeder, Jurispr. 1973, blz. 125, r.o. 14) en 21 februari 1990 (gevoegde zaken C-267/88 ° C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435, r.o. 14).
(19) ° Arrest Vismans Nederland, zie voetnoot 10 supra, r.o. 14; zie ook arrest van 28 juni 1989 (zaak 164/88, Rispal e.a., Jurispr. 1989, blz. 2041) en arrest Van de Kolk, reeds aangehaald in voetnoot 16 supra.
(20) ° Arrest van 5 april 1984, zaak 298/82, Jurispr. 1984, blz. 1829.
(21) ° Zie voetnoot 7 supra.
Full & Egal Universal Law Academy