Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Wanneer krachtens nationaal recht het bedrag van de invaliditeitsuitkering afhangt van het laatste loon van de aanvrager, is het bevoegde orgaan van de betrokken Lid-Staat dan verplicht rekening te houden met het in een andere Lid-Staat verdiende laatste loon? Dat is in wezen de vraag die thans aan de orde is en die door de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau aan het Hof is voorgelegd.
2. Verzoeker in het hoofdgeding, A. Reichling, is een Belgisch onderdaan die achtereenvolgens werkte in België (in totaal gedurende 7 569 dagen) en in Luxemburg, waar hij 734 dagen werkte voordat hij op 11 november 1989 zijn werkzaamheden wegens ziekte moest staken. Na een op 8 november 1990 ingediend verzoek kende verweerder in het hoofdgeding, het Belgische Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), Reichling een invaliditeitspensioen toe met ingang van 11 november 1990.
3. België en Luxemburg hebben verschillende soorten wetgeving betreffende invaliditeitsuitkeringen. De Belgische wetgeving behoort tot het "type A", waaronder het bedrag van de invaliditeitsuitkering niet afhankelijk is van de duur van de in België vervulde verzekeringstijdvakken, maar van het laatste loon dat de aanvrager verdiende voordat hij arbeidsongeschikt werd. Volgens de Luxemburgse wetgeving ("type B") hangt het bedrag van de invaliditeitsuitkering daarentegen af van de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken. Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad bevat bepalingen tot cooerdinatie van de toekenning van invaliditeitsuitkeringen wanneer een migrerend werknemer onderworpen is geweest zowel aan regelingen van type A als van type B.(1)
Artikel 40, lid 1, van de verordening bepaalt, dat de werknemer die achtereenvolgens of afwisselend onderworpen is geweest aan de wetgeving van twee of meer Lid-Staten, waarvan er ten minste een niet tot type A behoort, recht heeft op uitkeringen overeenkomstig de naar analogie toe te passen bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening (ouderdom en overlijden ° pensioenen). In hoofdstuk 3 bepaalt artikel 45, lid 1:
"Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of wonen, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regelingen waren vervuld."
Het RIZIV erkent, dat Reichling krachtens die bepaling recht heeft op een Belgische invaliditeitsuitkering, hoewel hij op het tijdstip dat hij arbeidsongeschikt werd, niet verzekerd was in België, maar was aangesloten bij een regeling van een andere Lid-Staat.
4. Artikel 46, lid 2, bevat de regels voor de berekening van de uitkeringen wanneer, zoals in casu, de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 zijn vervuld. Deze regels zijn gebaseerd op het beginsel van samentelling van in verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering en wonen, en van de omslag van de daaruit voortvloeiende uitkering over de bevoegde organen. Het bevoegde orgaan in elke Lid-Staat moet eerst het theoretische uitkeringsbedrag berekenen, dat wil zeggen het bedrag waarop de aanvrager recht zou hebben indien hij alle tijdvakken van verzekering of wonen in de betrokken Lid-Staat had vervuld. Vervolgens berekent het het werkelijke uitkeringsbedrag door op het theoretische bedrag een breuk toe te passen die de verhouding weergeeft tussen de tijdvakken van verzekering of wonen die krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, en de totale duur van de tijdvakken van verzekering of wonen die krachtens de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten zijn vervuld. Voor een nadere uitlegging van de regels voor de berekening van de uitkeringen in artikel 46 verwijs ik naar de arresten van het Hof in de gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91.(2)
5. De onderhavige zaak betreft de eerste stap van die berekening, namelijk de berekening van het theoretische uitkeringsbedrag krachtens artikel 46, lid 2, sub a. Deze bepaling luidt:
"Het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag."
Aangezien het bedrag van de uitkering naar Belgisch recht niet afhangt van de lengte van de vervulde tijdvakken, is de tweede volzin van artikel 46, lid 2, sub a, van toepassing. Het theoretische bedrag is dus gelijk aan het bedrag van de invaliditeitsuitkering krachtens de Belgische regeling.
6. In casu is het probleem, dat terwijl de invaliditeitsuitkering volgens de Belgische wet normaal gesproken is gebaseerd op het laatste loon van de aanvrager vóór hij arbeidsongeschikt wordt, het RIZIV het theoretische bedrag niet heeft berekend op basis van Reichlings laatste loon in Luxemburg, maar op basis van het bij een Belgische collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde minimumloon. De beschikking van het RIZIV was gebaseerd op artikel 28, eerste alinea, van het Belgische koninklijk besluit van 31 december 1963, dat bepaalt:
"Wanneer de gerechtigde bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid sedert meer dan veertien dagen niet meer onder de regeling van de Belgische verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering staat, is het loon dat als basis dient voor de berekening van de invaliditeitsuitkering die krachtens een internationaal verdrag of een internationale verordening inzake sociale zekerheid, geheel of gedeeltelijk ten laste van die regeling komt, het in artikel 27, § 2, bedoelde loon."
Volgens artikel 27, § 2, dat eigenlijk de gevallen regelt waarin de aanvrager geen loon uit arbeid heeft, "is het gederfde loon gelijk aan het minimumloon dat voor een bediende van categorie I is vastgesteld door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden, rekening houdend met de leeftijd van de gerechtigde op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid".
7. Reichling stelde beroep in tegen de beschikking van het RIZIV bij de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau, stellende dat het RIZIV zijn invaliditeitsuitkering op basis van zijn loon in Luxemburg had moeten berekenen. De Arbeidsrechtbank heeft het Hof daarop de volgende vraag gesteld:
"Moet artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 aldus worden uitgelegd, dat het bedrag van de uitkering noodzakelijk en alleen het bedrag is waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering vervuld waren in de betrokken Lid-Staat en krachtens de wettelijke regeling die van toepassing is op de datum van vaststelling van de uitkering, zodat het bevoegde orgaan geen onderbreking van de onderwerping aan het sociale-zekerheidsstelsel van de betrokken staat kan aanvoeren om het bedrag van de uitkering vast te stellen zonder rekening te houden met het laatste door de werknemer ontvangen loon, dat wil zeggen op andere wijze dan geldt in het geval van werknemers die in de betrokken staat wegens ziekte ophouden met werken?"
8. De Belgische wetgeving is per 1 juni 1992 gewijzigd in verband met de vaststelling van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad.(3) Punt 9 van bijlage VI A bij verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, bepaalt:
"Voor de berekening van het theoretische bedrag van een invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel 46, lid 2, van de verordening, baseert het bevoegde Belgische orgaan zich op de inkomsten die zijn ontvangen in het beroep dat de betrokkene laatstelijk heeft uitgeoefend."
Reichlings pensioen werd dienovereenkomstig voor de periode vanaf 1 juni 1992 door het RIZIV herberekend op basis van zijn loon in Luxemburg. Het geding voor de nationale rechter heeft dus enkel betrekking op de periode van 11 november 1990 tot 31 mei 1992.
9. In zijn schriftelijke opmerkingen voor het Hof betoogt Reichling allereerst, dat het RIZIV zijn uitkering had moeten berekenen op basis van zijn loon in Luxemburg. De Commissie steunt hem in dat betoog met nagenoeg gelijkluidende argumenten. Beiden betogen, dat de artikelen 45, 46, lid 2, en 47 van verordening nr. 1408/71 enkel uitvoering geven aan de in artikel 51 van het Verdrag neergelegde beginselen, en wijzen erop, dat het samentellingsbeginsel krachtens dat artikel niet alleen van toepassing is op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, maar ook op de berekening daarvan. Volgens hen moet de uitkering van een migrerend werknemer worden berekend door de verzekeringssituatie van een werknemer in een andere Lid-Staat fictief te transponeren naar België; het theoretische bedrag is dus de uitkering die de werknemer zou ontvangen indien hij steeds in België had gewerkt.
Subsidiair betoogt Reichling, dat het RIZIV zijn uitkering krachtens artikel 47 van de verordening had moeten baseren op zijn gemiddelde verdiensten in België, daarbij toepassing gevend aan de voorschriften inzake de aanpassing van uitkeringen krachtens artikel 47, lid 2. De Commissie steunt hem niet in dat betoog.
10. Het RIZIV betoogt, dat de tweede volzin van artikel 46, lid 2, sub a, duidelijk verwijst naar de nationale wetgeving. Het RIZIV berekende Reichlings uitkering overeenkomstig de bij gebrek aan een reëel loonbedrag toepasselijke nationale regeling. Dit zou niet discriminerend zijn, omdat dezelfde methode wordt gebruikt voor werknemers die alleen onderworpen zijn geweest aan de Belgische wetgeving. Het beginsel van samentelling van verzekeringstijdvakken zou niet gelden voor de berekening van uitkeringen onder een type A-wetgeving.
11. Wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering krachtens de wetgeving van een Lid-Staat niet afhangt van de duur van de vervulde verzekeringstijdvakken, verlangt artikel 46, lid 2, sub a, tweede volzin, mijns inziens, dat het bevoegde orgaan van de Lid-Staat het theoretische bedrag van de invaliditeitsuitkering berekent op dezelfde basis als in het geval van een zuiver nationale situatie. Dat wordt allereerst gesuggereerd door de tekst van de bepaling, dat het theoretische bedrag de invaliditeitsuitkering is die verschuldigd is krachtens de wetgeving van de betrokken Lid-Staat. Die bepaling zegt niet enkel, zoals het RIZIV lijkt te suggereren, dat het theoretische bedrag volgens het nationale recht moet worden bepaald, doch verbindt het theoretische bedrag aan het volgens het nationale recht bepaalde bedrag van de invaliditeitsuitkering. Was het de bedoeling geweest een Lid-Staat die een type A-wetgeving toepast, toe te staan het theoretische bedrag van de uitkering van een migrerend werknemer te berekenen op een wijze die een resultaat oplevert dat wezenlijk verschilt van de uitkering die krachtens zijn wetgeving normaal verschuldigd is aan iemand in de situatie van een migrerend werknemer, dan had de tekst anders moeten luiden.
12. Deze zienswijze vindt steun in het doel en de opzet van de verordening. Zoals blijkt uit artikel 51 van het Verdrag, moet verordening nr. 1408/71 ertoe bijdragen, het vrije verkeer van werknemers te verzekeren door de migrerende werknemers en hun gezinnen te waarborgen, "dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen". In de preambule van de verordening wordt het doel vrijwel gelijkluidend weergegeven: zie de zesde overweging van de considerans. De verordening beoogt dus te verzekeren, dat de migrerend werknemer geen aanspraken op sociale-zekerheidsuitkeringen verliest of met lagere uitkeringen genoegen moet nemen doordat hij in meer dan één Lid-Staat heeft gewerkt.
13. Wat invaliditeitsuitkeringen betreft, bevat de verordening in feite aparte regels voor twee verschillende situaties:
a) wanneer de aanvrager alleen heeft gewerkt in Lid-Staten met een type A-wetgeving (artikelen 37-39);
b) wanneer de aanvrager alleen heeft gewerkt in Lid-Staten met een type B-wetgeving of was onderworpen zowel aan een type A- als aan een type B-wetgeving (artikelen 40, lid 1, en 44-51).
14. Geval a) is tamelijk eenvoudig. De hoofdregel is, dat de werknemer enkel uitkeringen ontvangt van de staat waarvan de wetgeving toepasselijk was op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt en vervolgens invalide werd (artikel 39, leden 1 en 2). Krachtens artikel 38 worden, waar nodig, tijdvakken van verzekering of wonen in andere Lid-Staten bijeengeteld, doch enkel voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen. Er zijn geen bijzondere bepalingen nodig voor de berekening van het uitkeringsbedrag, aangezien de werknemer gewoon het uitkeringsbedrag krijgt dat iemand in zijn situatie krachtens de nationale wetgeving toekomt.
15. De zaak ligt ingewikkelder in geval b). Samentelling van tijdvakken van verzekering en wonen is niet alleen noodzakelijk voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, maar in sommige gevallen ook voor de berekening van het uitkeringsbedrag. Wat de aanspraak betreft, verlangt artikel 45, lid 1, dat de Lid-Staten die ° ongeacht of hun wetgeving van het type A of het type B is ° alleen een recht op uitkering toekennen aan personen die op hun grondgebied zijn verzekerd of wonen, voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering, rekening houden met tijdvakken van verzekering en wonen in andere Lid-Staten.
16. Wat de berekening van de uitkering betreft, wordt het uitkeringsbedrag weliswaar niet berekend, zoals het RIZIV opmerkt, op basis van het samentellen van de verzekeringstijdvakken ingeval een Lid-Staat een type A-wetgeving heeft, doch dezelfde oogmerken en beginselen gelden voor beide types wetgeving. Krachtens artikel 46 berekent elke Lid-Staat het volle bedrag van het krachtens zijn wetgeving aan iemand in de situatie van de migrerend werknemer verschuldigde uitkeringsbedrag (het theoretische bedrag) en vermindert het vervolgens in verhouding tot het tijdvak van verzekering of wonen op zijn grondgebied (het werkelijke bedrag). De verschillende wijzen van berekening van het theoretische bedrag in artikel 46, lid 2, sub a, weerspiegelen eenvoudig de verschillende kenmerken van type A- en type B-wetgevingen. Een staat die een type B-wetgeving toepast, berekent de uitkeringen op basis van tijdvakken van verzekering of wonen en moet dus noodzakelijkerwijs een berekening maken voor de hele Gemeenschap. Een staat die een type A-wetgeving toepast, hoeft dit niet te doen. Het theoretische bedrag is de krachtens zijn gebruikelijke regels verschuldigde invaliditeitsuitkering.
17. Uit het voorgaande overzicht van de toepasselijke regels blijkt, dat de verordening ertoe strekt, zoals Reichling en de Commissie betogen, elke Lid-Staat te verplichten de verzekeringssituatie van de migrerend werknemer te transponeren op zijn eigen grondgebied wat het recht op en de berekening van de uitkering betreft. In geval a) heeft de werknemer krachtens de verordening recht op de invaliditeitsuitkering die iemand in zijn situatie ten laste van een enkele Lid-Staat normaal toekomt. In geval b) is het theoretische bedrag van de uitkering evenzeer bedoeld om het bedrag te vertegenwoordigen waarop de werknemer recht zou hebben indien hij zijn hele actieve leven in de betrokken Lid-Staat had gewerkt. Het bedrag wordt dan verminderd in verhouding tot de tijdvakken van verzekering of wonen in de Lid-Staat om te komen tot de werkelijk verschuldigde uitkering. Het doel en de opzet van de verordening zouden aanzienlijk worden ondermijnd, indien een Lid-Staat met een type A-wetgeving in het geval van een migrerend werknemer de normale berekening mocht vervangen door een volledig kunstmatige, die een veel lager theoretisch bedrag oplevert dan het uitkeringsbedrag dat verschuldigd is aan een werknemer in een zelfde situatie, die onderworpen was aan de wetgeving van een enkele staat. Dat is hier precies het geval. In plaats van Reichlings uitkering te berekenen op basis van zijn laatste loon, zoals het dat zou doen voor een werknemer die nog steeds onderworpen was aan de Belgische wetgeving, stelde het RIZIV Reichling gelijk met iemand die geen inkomen uit arbeid had, en berekende het zijn uitkering op basis van het minimumloon krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst.
18. Deze uitlegging vindt, zoals de Commissie opmerkt, ook steun in de wijziging die bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI is aangebracht. Dat die wijziging alleen de bestaande situatie verduidelijkt, blijkt uit het feit, dat anders dan bij andere in verordening nr. 1408/71, met inbegrip van bijlage VI, aangebrachte wijzigingen, geen toelichting erop wordt gegeven in de preambule van de wijzigingsverordening.
19. Tot staving van haar zienswijze verwijst de Commissie naar een aantal zaken waarin het Hof heeft verklaard, dat feiten of gebeurtenissen die in andere Lid-Staten hadden plaatsgevonden, dienden te worden gelijkgesteld met feiten of gebeurtenissen op het nationale grondgebied: zie bij voorbeeld het arrest in zaak Galati(4), waarin het Hof oordeelde, dat waar een in de Bondsrepubliek Duitsland vervuld verzekeringstijdvak van meer dan een maand volgens de Duitse wettelijke regeling als een volle maand moet worden beschouwd, hetzelfde van toepassing was op volgens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken; zie ook de arresten Bronzino en Gatto(5), waarin het Hof oordeelde, dat wanneer de wetgeving van de Lid-Staat die bepaalde gezinsbijslagen uitkeert, als voorwaarde voor toekenning van die bijslagen vereist, dat het gezinslid van de werknemer als werkloze ter beschikking staat van de dienst voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied waar die wetgeving van toepassing is, die voorwaarde moet worden geacht te zijn vervuld wanneer het gezinslid als werkloze ter beschikking staat van de dienst voor arbeidsbemiddeling van de Lid-Staat waar hij woont.
20. Een grotere gelijkenis kan misschien worden gevonden in de zaak Fellinger(6), waarin het Hof verklaarde, dat de woonstaat van een grensarbeider zijn werkloosheidsuitkering dient te berekenen op basis van zijn in een andere Lid-Staat verdiende laatste loon. Krachtens artikel 71, lid 1, sub a-ii, van de verordening diende de woonstaat van de grensarbeider de uitkering te betalen. De eerste volzin van artikel 68, lid 1, van de verordening verplichtte de woonstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt, dat voor de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van het bedrag van het vroegere loon, "uitsluitend rekening (te houden) met het loon dat betrokkene voor de laatste werkzaamheden welke hij op het grondgebied van die staat heeft uitgeoefend, heeft genoten". Krachtens de tweede volzin evenwel, indien de betrokkene niet ten minste vier weken werkzaamheden in zijn laatste betrekking heeft uitgeoefend, diende de uitkering te worden berekend op basis van het loon dat ter plaatse waar de werkloze woont of verblijft, gewoonlijk wordt verdiend met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die welke hij het laatst op het grondgebied van een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend.
21. Ondanks de tekst van die bepaling verklaarde het Hof, dat de eerste volzin van artikel 68, lid 1, aldus moest worden uitgelegd, dat de woonstaat voor de berekening van de uitkering het laatste loon in aanmerking moest nemen dat de grensarbeider verdiende in de Lid-Staat waar hij laatstelijk werkzaam was. Het Hof overwoog, dat artikel 68, lid 1, niet het geval regelt van grensarbeiders die, omdat zij in verschillende Lid-Staten wonen en werken, steeds onder de uitzondering van artikel 68, lid 1, tweede volzin, zouden vallen en nooit aanspraak zouden kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen op basis van het loon dat zij in hun laatste betrekking hebben verdiend. Het Hof concludeerde, dat een letterlijke uitlegging van die bepalingen in strijd zou zijn met de voorwaarden voor het vrije verkeer van werknemers en dat de bepaling derhalve moest worden uitgelegd in het licht van artikel 51 EEG-Verdrag en van het algemene beginsel dat aan de verordening ten grondslag ligt.
22. Soortgelijke overwegingen zijn hier mijns inziens van toepassing. Voor haar wijziging was de Belgische wettelijke regeling niet minder een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers. In casu zou zij tot gevolg hebben, dat Reichling het recht wordt ontnomen dat hij anders had gehad op een invaliditeitsuitkering op basis van zijn laatste loon, alleen omdat hij de laatste jaren van zijn loopbaan in een andere Lid-Staat heeft gewerkt. Terwijl het Hof in de zaak Fellinger verder diende te gaan dan de letter van die bepaling, teneinde een leemte in de gemeenschapsregeling aan te vullen, is de uitlegging die ik hier voorstel, zoals al gezegd, volledig consistent met de tekst van de bepaling zelf.
23. Ten slotte bespreek ik kort Reichlings subsidiaire betoog op basis van artikel 47 van de verordening. Artikel 47, lid 1, bepaalt:
"1. De berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag vindt als volgt plaats:
a) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde verdienste, van een gemiddelde premie of bijdrage, van een gemiddelde verhoging of van de verhouding welke gedurende de tijdvakken van verzekering tussen de brutoverdienste van de betrokkene en de gemiddelde brutoverdienste van alle verzekerden met uitzondering van de leerlingen heeft bestaan, stelt deze gemiddelden of verhoudingsgetallen uitsluitend vast op grond van de krachtens de wettelijke regeling van genoemde Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van de door de betrokkene gedurende die tijdvakken genoten brutoverdienste."
Reichling betoogt, dat het RIZIV krachtens deze bepaling het theoretische bedrag moet berekenen op basis van zijn gemiddelde verdienste in België, gesteld dat er een dergelijke bepaling voor een dergelijke methode in het Belgisch recht is.
24. Mijns inziens blijkt duidelijk uit het arrest van het Hof in de zaak Weber(7), dat artikel 47 van de verordening in casu geen toepassing kan vinden. De zaak Weber had betrekking op de Nederlandse wetgeving betreffende invaliditeitsuitkeringen, die, zoals de onderhavige Belgische wetgeving, van het type A was. De invaliditeitsuitkering werd gebaseerd op het dagloon dat de aanvrager kon hebben verdiend in het jaar dat volgde op de dag waarop hij invalide werd, wat, indien hij een enkele betrekking had gehad, in de praktijk neerkwam op zijn laatste gemiddelde loon in het jaar vóór zijn invaliditeit. Weber, die voordien in Nederland had gewerkt, ging in Duitsland werken vóór hij arbeidsongeschikt werd. Anders dan het Belgische RIZIV in de onderhavige zaak, berekende het Nederlandse orgaan het theoretische bedrag van Webers uitkering op basis van zijn loon in de andere Lid-Staat, dat wil zeggen Duitsland. Weber betoogde evenwel, dat het het theoretische bedrag krachtens artikel 47, lid 1, diende te berekenen op basis van zijn gemiddelde verdienste in Nederland. Het Hof verklaarde, dat tot de in artikel 47, lid 1, bedoelde gevallen niet het geval behoort van een stelsel van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waarin het bedrag van de uitkeringen onafhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken, en dat ter bepaling van het gederfde loon primair uitgaat van het in het door de betrokkene gewoonlijk uitgeoefende beroep verdiende loon vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid of van het gemiddeld genoten loon dat hij ontving gedurende een bepaalde periode van niet meer dan twee jaar. Die beslissing is mijns inziens evenzeer van toepassing op de Belgische wetgeving, die de invaliditeitsuitkering berekent op basis van het laatste loon van de aanvrager.
Conclusie
Mitsdien concludeer ik, dat op de vraag van de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau moet worden geantwoord als volgt:
"Artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de invaliditeitsuitkering krachtens de wetgeving van een Lid-Staat wordt gebaseerd op het laatste loon van de aanvrager voordat hij arbeidsongeschikt werd, het theoretische bedrag van de uitkering van een migrerend werknemer die op het tijdstip dat hij arbeidsongeschikt werd, niet was onderworpen aan het sociale-zekerheidsstelsel van die Lid-Staat, doch werkzaam was in een andere Lid-Staat, moet worden berekend op basis van zijn laatste loon in laatstgenoemde staat."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
(1) ° Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6). De latere wijzigingen, bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7), in de hierna vermelde artikelen 40, 45 en 46 van de verordening zijn hier zonder belang.
(2) ° Arrest van het Hof van 11 juni 1992 (gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851).
(3) ° Aangehaald in voetnoot 1 supra.
(4) ° Arrest van 30 oktober 1975, zaak 33/75, Galati, Jurispr. 1975, blz. 1323.
(5) ° Arresten van 22 februari 1990, zaak C-228/88, Bronzino, en zaak C-12/89, Gatto, Jurispr. 1990, blz. I-531, resp. I-557.
(6) ° Arrest van 28 februari 1980, zaak 67/79, Fellinger, Jurispr. 1980, blz. 535.
(7) ° Arrest van 29 november 1984, zaak 181/83, Weber, Jurispr. 1984, blz. 4007.
Full & Egal Universal Law Academy