CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 25 januari 1996 ( *1 )
1.
In de onderhavige zaken wordt het Hof in een aantal beschikkingen van de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Castelnuovo di Porto, verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30, 36 en 52 van het Verdrag, alsmede van de bepalingen van richtlijn 64/223/EEG van de Raad van 25 februari 1964 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren ( 1 ), en van de richtlijnen van de Raad 83/189/EEG van 28 maart 1983 ( 2 ) en 88/182/EEG van 22 maart 1988 ( 3 ), betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.
2.
Bij beschikking van 10 november 1993 heeft het Hof de zaken C-418/93, C-419/93, C-420/93 en C-421/93 gevoegd. Bij beschikking van 27 januari 1994 heeft het deze zaken gevoegd met de zaken C-460/93, C-461/93, C-462/93, C-464/93, C-9/94, C-10/94, C-ll/94, C-14/94 en C-15/94, en bij beschikking van 23 februari 1994 heeft het Hof de zaken C-23/94 en C-24/94 gevoegd. Ten slotte heeft het bij beschikking van 19 oktober 1995 deze laatste twee zaken en de zaak C-332/94 gevoegd met alle andere voornoemde zaken.
I — Het geschil
3.
De besluiten tot prejudiciële verwijzing zijn genomen in het kader van beroepen die door diverse beheersmaatschappijen van grote winkelcentra waren ingesteld tegen besluiten van burgemeesters, waarbij hun vergunningaanvragen voor openstelling van hun winkels op zondag waren afgewezen met de mededeling, dat in geval van overtreding van het verbod wettelijke sancties zouden worden opgelegd. De afwijzing door de betrokken burgemeesters is gebaseerd op de Italiaanse wet nr. 558 van 28 juli 1971 tot regeling van de winkelopeningstijden. ( 4 ) Artikeli, lid2, suba, van deze wet schrijft de winkelsluiting op zon-en feestdagen voor. Artikel 10 voorziet in administratieve sancties in geval van overtreding van deze bepalingen. Bij herhaalde overtreding kan de winkel zelfs gedurende een periode van maximaal vijftien dagen worden gesloten.
Wet nr. 558 is een kaderwet die de toepassing van het daarin neergelegde verbod overlaat aan regionale instanties, die bevoegd zijn op lokaal niveau gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de winkelopeningstijden vast te stellen. De wettelijke sancties worden opgelegd door de burgemeesters of de voorzitters van de lokale overheid van het gebied waar de winkels zijn gevestigd.
4.
Voor de Pretura betwijfelden verzoeksters, of de Italiaanse wet verenigbaar was met het gemeenschapsrecht en inzonderheid met voornoemde bepalingen. Derhalve heeft de Pretura besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag enkele prejudiciële vragen te stellen.
II — De prejudiciële vragen
5.
In het kader van bovengenoemde geschillen heeft de Pretura circondariale di Roma, sezione distaccata di Castelnuovo di Porto, bij een aantal identieke beschikkingen van 18 juli, 28 oktober, 11 november, 2 en 16 december 1993 ( 5 ), het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
„1)
Vormt een bepaling van nationaal recht, die kleinhandelaars het verbod oplegt op zon-en feestdagen te verkopen (uitgezonderd bepaalde produkten), maar niet verbiedt dat op die dagen in het winkelpand werkzaamheden worden verricht, en waarbij aan de overtreders van die bepaling de sanctie van gedwongen sluiting van de winkel wordt opgelegd, waardoor de verkoop in die winkels, mede de verkoop van in andere Lid-Staten van de Gemeenschap geproduceerde goederen, aanzienlijk daalt, met als gevolg een daling van de invoer uit die Lid-Staten,
a)
een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en de later overeenkomstig de beginselen van dat artikel vastgestelde communautaire bepalingen;
b)
dan wel een middel tot willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten;
c)
dan wel een onevenredige of niet passende maatregel, gelet op het sociale en/of morele doel dat eventueel met de bepaling van nationaal recht wordt nagestreefd;
nu
—
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie (waartoe verzoeksters behoren) gemiddeld meer uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten verkopen dan de kleine en middelgrote winkels;
—
de omzet van de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie op zondag niet kan worden gecompenseerd door andere aankopen tijdens de overige weekdagen, daar de klanten zich dan voor hun aankopen tot een verkoopcircuit wenden dat zich in het algemeen bij de nationale producenten bevoorraadt?
2)
In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag: valt de in de betrokken nationale bepaling vastgestelde maatregel onder de in artikel 36 EEG-Verdrag voorziene afwijkingen van artikel 30, of onder andere in het gemeenschapsrecht voorziene afwijkingen?”
Voorts heeft deze rechterlijke instantie bij beschikking van 10 oktober 1994 ( 6 ) (zaak C-332/94) het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd, die gedeeltelijk identiek zijn aan die welke hierboven zijn vermeld:
„In overweging genomen dat
—
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie, waarvan de vestigingen grotendeels in de periferie van of buiten de stad gelegen zijn, gemiddeld meer uit andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap ingevoerde produkten aanbieden en verkopen dan de kleine en middelgrote winkels, die — anders dan eerstgenoemde winkels — binnen en buiten het stedelijk gebied zijn verspreid;
—
de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie in de korte perioden waarin zondagsverkoop wel is toegestaan, alleen al op zondag een hogere omzet behalen dan op alle weekdagen te zamen;
—
de omzet die de grootwinkelbedrijven en de georganiseerde distributie op feestdagen moeten missen, niet wordt goedgemaakt door de verkoop op werkdagen, waardoor de onbevredigd gebleven vraag zich richt tot andere handelscircuits (de kleine en middelgrote winkels die voor de consument dichterbij en ook op werkdagen gemakkelijk bereikbaar zijn), die zich in het algemeen enkel bij de nationale producenten bevoorraden;
1)
vormt dan een bepaling van nationaal recht, die kleinhandelaars het verbod oplegt op zon-en feestdagen te verkopen (uitgezonderd bepaalde produkten), maar niet verbiedt dat op die dagen in het winkelpand werkzaamheden worden verricht, en waarbij aan de overtreders van die bepaling de sanctie van gedwongen sluiting en intrekking van de vergunning wordt opgelegd,
a)
een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en de later overeenkomstig de beginselen van dat artikel vastgestelde communautaire bepalingen;
b)
dan wel een middel tot willekeurige discriminatie of verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Statcn;
c)
dan wel een onevenredige of niet passende maatregel, gelet op het sociale en/of morele doel dat eventueel met de bepaling van nationaal recht wordt nagestreefd;
d)
dan wel een schending van de bepalingen van artikel 52 EEG-Verdrag, betreffende de vrijheid van vestiging, en van de later overeenkomstig dat beginsel vastgestelde communautaire regeling;
e)
of althans een schending van artikel 2, lid 2, van richtlijn 64/223/EEG betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren;
f)
dan wel een schending van de richtlijnen 83/189/EEG en 88/182/EEG, betreffende de verwijdering van technische belemmeringen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten, gelet op het feit dat de verplichte winkelsluiting op zondag slechts in schijn algemeen geldt, maar in werkelijkheid uitzonderingen kent voor een aantal produkten die — afgezien van enkele onvermijdelijke, schaarse uitzonderingen— uitsluitend van binnenlandse oorsprong zijn?
2)
In geval van een bevestigend antwoord op enig onderdeel van de eerste vraag: valt de in de betrokken nationale bepaling vastgestelde maatregel onder de in artikel 36 EEG-Verdrag voorziene afwijkingen van artikel 30, of onder andere in het gemeenschapsrecht voorziene afwijkingen?”
6.
Met uitzondering van zaak C-332/94, waarin de prejudiciële vraag niet alleen betrekking heeft op de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, maar ook op andere gemeenschapsbepalingen, heeft het Hof de prejudiciële vragen reeds beantwoord in zijn arrest Punto Casa en PPV van 2 juni 1994. ( 7 ) Dit arrest is gewezen op een prejudiciële verwijzing van de Pretura circondariale di Roma (sezione distaccata di Castelnuovo di Porto), die het Hof bij beschikkingen van 16 december 1992 en 22 maart 1993 soortgelijke vragen had gesteld als die welke hierboven zijn aangehaald. Na de uitspraak van dit arrest verzocht het Hof de Pretura duidelijk te maken, of zij de door haar in alle bovengenoemde zaken, met uitzondering van zaak C-332/94, gestelde prejudiciële vragen handhaafde.
Bij schrijven van 22 juli 1994 antwoordde de Pretura, dat zij deze prejudiciële vragen handhaafde. In zijn brief stelt de Pretore, dat het arrest Punto Casa en PPV op alle aspecten noch op alle vraagstukken antwoord gaf die in de betrokken zaken aan de orde werden gesteld met betrekking tot de verenigbaarheid van de Italiaanse wet met de bepalingen van gemeenschapsrecht, en inzonderheid met de artikelen 30 en 36 van het Verdrag. Hij wijst erop, dat de grote winkelcentra in de periferie van of buiten de steden zijn gevestigd, zodat zij op werkdagen voor de klanten niet gemakkelijk bereikbaar zijn. Vergeleken met de kleine winkels, die op grotere schaal binnen de stedelijke gebieden zijn verspreid en die zich tot een beperkt publiek richten, worden door de grote winkelcentra gemiddeld veel meer uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap ingevoerde produkten aangeboden en verkocht dan in de kleine winkels te vinden zijn, waar in de regel nationale produkten worden verkocht. Volgens de Pretura heeft dit fenomeen tot gevolg, dat de vraag naar binnenlandse produkten wordt geleid, ten koste van buitenlandse produkten, die in de kleine winkels slechts zeer beperkt verkrijgbaar zijn.
III — Het antwoord op de prejudiciële vragen
De artikelen 30 en 36 van het Verdrag
7.
De prejudiciële vragen stellen het vraagstuk aan de orde, of een nationale wettelijke regeling als die waarom het gaat in het hoofdgeding, onder de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag valt. Deze bepaling verbiedt kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten. Volgens de welbekende formule van het arrest Dassonville is als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen te beschouwen „iedere handelsregeling (...) die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren”. ( 8 ) Bovendien vloeit uit andere rechtspraak van het Hof, ingeleid door het arrest „Cassis de Dijon” ( 9 ), voort, dat de wettelijke bepalingen van een staat ook zonder discriminatie naar de herkomst van de goederen, inbreuk kunnen maken op artikel 30, wanneer zij de intracommunautaire handel belemmeren, doch niet gerechtvaardigd zijn door dwingende redenen van algemeen belang.
8.
In zijn arrest Keek en Mithouard ( 10 ) heeft het Hof de draagwijdte van deze rechtspraak beperkt door een onderscheid aan te brengen tussen
—
beperkende nationale voorschriften betreffende de voorwaarden (inzake benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling etc.) waaraan goederen uit andere Lid-Statcn, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, moeten voldoen, enerzijds, en
—
nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten of-vormen aan banden leggen of verbieden en naar hun aard de intracommunautaire handel niet kunnen beïnvloeden, omdat zij niet tot doel hebben het goederenverkeer binnen de Gemeenschap te regelen, anderzijds.
9.
Onder verwijzing naar het reeds genoemde arrest Cassis de Dijon heeft het Hof overwogen, dat de nationale wettelijke regelingen van de eerste categorie binnen de werkingssfeer van artikel 30 vallen en maatregelen van gelijke werking vormen die als zodanig zijn verboden, tenzij zij kunnen worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang. ( 11 ) Met betrekking tot de tweede categorie van nationale wettelijke bepalingen heeft het Hof geoordeeld, dat zij niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag vallen, mits zij van toepassing zijn op alle ondernemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Statcn. Wanneer, aldus het Hof, aan die voorwaarden is voldaan, heeft de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is, ( 12 )
10.
Naast deze twee categorieën bestaat er evenwel nog een derde categorie van nationale maatregelen die onder de Dassonvillerechtspraak kunnen vallen. Dat is bij voorbeeld een nationale wettelijke regeling krachtens welke de schatkist beslag kan leggen op goederen die op afbetaling en met eigendomsvoorbehoud zijn verkocht, zelfs wanneer die goederen afkomstig zijn en eigendom zijn van een in een andere Lid-Staat gevestigde leverancier ( 13 ); het kan eveneens gaan om een nationale bepaling die alle vaartuigen zonder onderscheid, alsmede op volle zee vaartuigen die onder nationale vlag varen, verbiedt gevaarlijke stoffen in de territoriale wateren te lozen, en die scheepskapiteins die de nationaliteit van de betrokken staat bezitten, straft met schorsing van het recht hun beroep uit te oefenen ( 14 ); ook kan het het vereiste van een vergunning voor de opening van een winkel ( 15 ) betreffen of een nationale bepaling die voorschrijft, dat zij die handel in aardolieprodukten willen drijven in een eilandengroep van een Lid-Staat, een minimumaantal eilanden bevoorraden. ( 16 ) Nationale maatregelen van deze categorie kunnen in de regel niet worden geacht inbreuk op artikel 30 te maken, omdat zij niet tot doel hebben het handelsverkeer met andere Lid-Staten te regelen, en de beperkingen die zij voor het vrije verkeer van goederen teweeg zouden kunnen brengen normaliter onzeker en indirect zijn, zodat zij niet kunnen worden geacht de handel tussen de Lid-Staten te belemmeren. ( 17 )
11.
Derhalve is het, wanneer de vraag rijst, of artikel 30 van toepassing is, noodzakelijk na te gaan tot welke van de bovengenoemde categorieën de betrokken nationale maatregel behoort en meer in het bijzonder, of het al dan niet om een verkoopmodaliteit in de zin van het arrest Keek en Mithouard gaat.
Er zij hier aan herinnerd, dat het Hof reeds vóór dit arrest met dergelijke nationale regelingen te maken had gehad en het derhalve in de gelegenheid was een omvangrijke rechtspraak op dit punt te ontwikkelen. In zijn arrest Torfaen Borough Council van 23 november 1989 ( 18 ) overwoog het Hof, dat het in artikel 30 van het Verdrag vervatte verbod van maatregelen van gelijke werking niet geldt voor een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt, hun winkels op zondag te openen, wanneer de eventuele invloed op de intracommunautaire handel niet beperkender is dan in het kader van een dergelijke regeling is beoogd. Deze rechtspraak is bevestigd in de arresten Council of the City of Stoke-on-Trent ( 19 ) en Payless DIY e. a. ( 20 ) van 16 december 1992, die, evenals het hiervoor genoemde arrest, betrekking hadden op Britse bepalingen die de openstelling van detailhandelszaken op zondag verboden. ( 21 ) Ook de arresten Conforama e. a. ( 22 ) en Marchandise e. a. ( 23 ) van 28 februari 1991, waarin het ging om een (achtereenvolgens Franse en Belgische) regeling die verbood werknemers op zondag tewerk te stellen, houden verband met deze materie. In beide gevallen overwoog het Hof, dat dergelijke bepalingen niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag vielen.
12.
Deze opvatting is bekrachtigd in de na het arrest Keek en Mithouard gewezen arresten. In het arrest Tankstation 't Hcukske en Bocrmans van 2 juni 1994 ( 24 ), betreffende een Nederlandse regeling inzake de openingstijden van benzinestations, evenals in het arrest Punto Casa en PPV, dat — zoals reeds gezegd — betrekking had op de, ook in de onderhavige zaak in geding zijnde, bepaling van de Italiaanse wet nr. 558 die de openstelling van winkels op zon-en feestdagen verbiedt, heeft het Hof overwogen, dat de betrokken regelingen niet onder het verbod van artikel 30 van het Verdrag vielen. In die arresten oordeelde het Hof, dat bovengenoemde bepalingen van de Nederlandse en Italiaanse wetgeving verkoopmodaliteiten vormden die voldeden aan de in het arrest Keek en Mithouard genoemde voorwaarden. Meer in het bijzonder erkende het Hof in zijn arrest Punto Casa en PPV, dat de betrokken regeling „zonder onderscheid naar de herkomst van de produkten, [geldt] voor alle betrokken marktdeelnemers en (...) de verhandeling van produkten uit andere Lid-Staten niet anders [treft] dan die van nationale produkten”. ( 25 ) Bijgevolg is de vraag, of artikel 30 van het Verdrag van toepassing is op nationale regelingen die de openstelling van winkels op bepaalde uren van de dag of, zoals de in geding zijnde regeling, op bepaalde dagen van de week verbieden, reeds in de rechtspraak beantwoord.
13.
Ik ben eveneens van mening, dat een dergelijke regeling onder de rechtspraak Keek en Mithouard valt. De in geding zijnde nationale regeling vormt immers een verkoopmodaliteit in de zin van dit arrest, riet gaat om een maatregel die betrekking heeft op de voorwaarden inzake tijd en de plaats waaronder, alsmede op de wijze waarop, de betrokken goederen aan de consumenten worden verkocht. Deze regeling verbiedt een bepaalde categorie detailhandelaren bepaalde produkten op bepaalde dagen (zon-en feestdagen) te verkopen. Zij bevat geen bepaling betreffende de intrinsieke of extrinsieke eigenschappen van de betrokken produkten en zij legt in de Lid-Staat waar zij wordt toegepast, geen extra lasten op de produktic of distributie van produkten die op reguliere wijze in andere Lid-Staten worden vervaardigd en gedistribueerd, omdat zij geen aanpassing van de intrinsieke of extrinsieke eigenschappen van de ingevoerde produkten vereist, Aangezien deze regeling een verkoopmodaliteit blijkt te zijn, kan zij niet worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 van het Verdrag, tenzij de twee in het arrest Keek en Mithouard genoemde voorwaarden niet zijn vervuld.
14.
Wat de eerste voorwaarde betreft, is het duidelijk dat een nationale regeling als die welke in casu in geding is, geen onderscheid maakt tussen nationale en buitenlandse ondernemers wat betreft de voorwaarden voor toegang tot de nationale markt. Met betrekking tot de tweede voorwaarde zij om te beginnen opgemerkt, dat de in geding zijnde regeling niet tot doel heeft, liet goederenverkeer tussen Lid-Staten te regelen en in de tweede plaats, dat nergens blijkt dat deze regeling, in haar geheel beschouwd, vanuit juridisch oogpunt een ongelijke behandeling van binnenlandse en ingevoerde produkten met betrekking tot hun toegang tot de markt kan meebrengen of in de praktijk tot een dergelijke ongelijke behandeling kan leiden, rekening houdend met de normale gang van zaken. ( 26 )
15.
Dienaangaande zij opgemerkt, dat nationale regelingen die in het algemeen de handel in een produkt en, bijgevolg, de invoer ervan beperken, niet enkel op deze grond kunnen worden geacht de mogelijkheid van toegang tot de markt voor deze ingevoerde produkten in sterkere mate te beperken dan voor gelijksoortige binnenlandse produkten het geval is. Zoals het Hof in het arrest Keek en Mithouard heeft erkend, volstaat het feit dat een nationale wettelijke regeling in het algemeen de omvang van de verkoop en, bijgevolg, die van de verkoop van produkten uit andere Lid-Staten kan beperken, niet om deze regeling aan te merken als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. ( 27 )
Ten slotte is geen andere omstandigheid aangetoond op grond waarvan de wettelijke regeling als een maatregel van gelijke werking zou kunnen worden aangemerkt. De thans onderzochte zaken vertonen, zowel wat de feiten als de opgeworpen rechtsvragen betreft, een opmerkelijke gelijkenis met de zaken C-69/93 en C-258/93, die tot het arrest Punto Casa en PPV hebben geleid. Voorts zij eraan herinnerd, dat de formulering van de prejudiciële vragen in casu overeenkomsten vertoont met die in de zaken C-69/93 en C-258/93.
16.
Op 22 juli 1994 richtte de verwijzende rechterlijke instantie een schrijven tot het Hof waarin zij, na te hebben verklaard dat zij de prejudiciële vragen handhaaft, een aantal aspecten uiteenzet die betrekking hebben op de bijzonderheden van het functioneren van de winkelcentra in Italië. Deze aspecten maken het volgens haar noodzakelijk, grondig na te gaan welke concrete gevolgen de in geding zijnde regeling in de praktijk voor de invoer van produkten uit andere Lid-Staten heeft.
Mijns inziens leveren de zowel in dit schrijven als in de verwijzingsbeschikkingen vermelde aspecten in feite geen nieuwe gezichtspunten op vergeleken met de zaken C-69/93 en C-258/93. Zowel in deze laatste zaken als in de te onderzoeken zaken gaat het om grote winkelcentra die buiten de stad zijn gevestigd, die onder andere artikelen uit andere Lid-Staten verkopen en waarvoor het verbod van openstelling op zondag een omzetdaling meebrengt.
17.
Volgens de Pretura wordt door het verbod van openstelling van winkelcentra op zondag de vraag naar binnenlandse produkten geleid, omdat: a) de winkelcentra de consumenten een groter aantal ingevoerde produkten aanbieden dan de kleine detailhandelszaken, die in hoofdzaak binnenlandse produkten verkopen; b) de kleine detailhandclszaken op werkdagen voor de consument gemakkelijker bereikbaar zijn dan de winkelcentra, die buiten de stad zijn gevestigd. De aldus vastgestelde samenhang tussen winkelcentra en communautaire produkten uit andere Lid-Staten staat evenwel niet vast, noch is hij onbetwistbaar. Behalve dat verweersters in hun opmerkingen het bestaan ervan in twijfel trekken, zijn er ook geen statistieken of andere gegevens voorhanden waaruit blijkt dat, in vergelijking met kleine en middelgrote detailhandclszakcn, winkelcentra als die welke door verzoeksters worden geëxploiteerd, meer buitenlandse dan binnenlandse produkten zouden verkopen. Evenmin is aangetoond, dat de in de winkelcentra aangeboden produkten hoofdzakelijk op zon-en feestdagen zouden worden gekocht. In elk geval zijn de beperkingen die een dergelijk verbod voor de invoer teweeg zou kunnen brengen, geenszins voor de hand liggend en kunnen zij slechts onzeker en indirect zijn. ( 28 ) Niet te ontkennen valt, dat het verbod van openstelling op zondag de omvang van de verkoop in het algemeen beperkt. Het causale verband tussen de beperking van de verkoop en de daling van de invoer van produkten uit andere Lid-Staten is daarentegen geheel en al indirect en afhankelijk van een samenloop van onzekere omstandigheden, en kan niet worden aangenomen. Derhalve ben ik van mening, dat deze omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen, dat de in geding zijnde regeling, in haar geheel beschouwd, aan het intracommunautaire handelsverkeer in de weg staat. Mitsdien dient artikel 30 van het Verdrag in casu buiten toepassing te blijven,
18.
In tegenstelling tot de redenering die in de rechtspraak vóór het arrest Keek en Mithouard, alsmede in de uitspraken met betrekking tot het verbod van openstelling van winkels op zondag is gevolgd, is het na deze ommezwaai in de rechtspraak niet langer noodzakelijk, wanneer een nationale regeling een verkoopmodaliteit blijkt te zijn, nader te onderzoeken of zij wordt gerechtvaardigd door een dwingend vereiste van algemeen belang, en vanzelfsprekend ook niet of zij onder de uitzonderingen van artikel 36 van het Verdrag valt, aangezien zij per definitie niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 valt.
19.
Bovendien zij erop gewezen, dat het Hof heeft erkend, dat een dergelijke regeling een naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd doel nastreeft. Zoals het met name heeft opgemerkt in zijn reeds genoemde arrest Council of the City of Stokc-on-Trent van 16 december 1992, komen in nationale regelingen die de openstelling van winkels op zondag beperken, bepaalde keuzen tot uiting die verband houden met nationale of regionale sociaal-culturele eigenheden, en staat het aan de Lid-Staten om die keuzen te maken met inachtneming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende vereisten en met name van het evenredigheidsbeginsel. ( 29 ) In zijn reeds genoemde arrest Torfaen Borough Council van 23 november 1989 heeft het Hof verklaard, dat de nationale regeling betreffende de openingstijden van detailhandelszaken „immers de neerslag [vormt] van bepaalde politieke en economische keuzes, daar zij een verdeling van de arbeids-en rusttijden [beoogt] te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften; de beoordeling daarvan berust bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bij de Lid-Staten”. ( 30 )
Gelet op het voorafgaande, concludeer ik dat artikel 30 van het Verdrag niet van toepassing is op nationale regelingen die de openstelling van detailhandelszaken op zon-en feestdagen verbieden.
De richtlijnen 83/189 en 88/182
20.
Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/182/EEG van de Raad van 22 maart 1988, alsmede, recentelijker, bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 ( 31 ), voorziet in een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, waarbij de Lid-Staten worden verplicht ieder ontwerp voor een technisch voorschrift onmiddellijk aan de Commissie mee te delen (artikel 8 van de richtlijn). Volgens artikel 1 wordt onder „technische specificatie” verstaan „specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een produkt, zoals kwaliteitsniveaus, prestatie, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, zoals die op het produkt van toepassing zijn”. Hetzelfde artikel omschrijft „technisch voorschrift” als „technische specificaties, met inbegrip van de hierop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor het verhandelen of het gebruik in een Lid-Staat of in een groot deel van deze Staat, met uitzondering van die welke door de plaatselijke overheid zijn vastgesteld”. Deze omschrijvingen tonen aan, dat een nationale regeling als die van de Italiaanse wet nr. 558 niet kan worden aangemerkt als technische specificatie of als technisch voorschrift in de zin van de richtlijn. De betrokken regeling lijkt overigens onder geen enkele andere, in artikel 1 van de richtlijn gegeven omschrijving te vallen. Los hiervan moet evenwel worden opgemerkt, dat de richtlijn geen terugwerkende kracht heeft en dat zij derhalve niet van toepassing is op de in geding zijnde regeling, die is vastgesteld in 1971, dat wil zeggen in een periode waarin er geen sprake was van een verplichting tot voorafgaande mededeling.
Artikel 52 van het Verdrag en richtlijn 64/223
21.
In de laatste van de gevoegde zaken (C-332/94) vraagt de Pretura, of de in geding zijnde Italiaanse regeling verenigbaar is met artikel 52 van het Verdrag en met artikel 2, lid 2, van richtlijn 64/223 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden welke onder de groothandel ressorteren. Het is vaste rechtspraak, dat artikel 52 tot doel heeft te verzekeren, dat elke onderdaan van een Lid-Staat, die zich, zij het ook secundair, in een andere Lid-Staat vestigt om aldaar werkzaamheden anders dan in loondienst te verrichten, aldaar als een eigen onderdaan wordt behandeld, en iedere discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt, omdat zij de vrijheid van vestiging beperkt. ( 32 ) Derhalve, „waar het gaat om handclswerkzaamhcden in de distributiesector, waarvoor nog geen gemeenschappelijke regels bestaan, zijn de Lid-Staten, mits zij die gelijkheid van behandeling in acht nemen, (...) vrij om regels vast te stellen voor respectievelijk de groot-en de kleinhandel (...)”. ( 33 ) Het is duidelijk, dat de betrokken bepaling geen discriminatie op grond van nationaliteit meebrengt, aangezien zij onder dezelfde voorwaarden zowel op Italiaanse ondernemingen als op ondernemingen van andere Lid-Staten van toepassing is, Bijgevolg is deze regeling niet in strijd met het hiervoor genoemde verdragsartikel.
22.
In arresten van recente datum heeft het Hof weliswaar erkend, dat een nationale regeling, zelfs indien zij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, in strijd is met de artikelen 48 en 52, wanneer zij de uitoefening van de door het Verdrag toegekende fundamentele vrijheden door gemeenschapsonderdanen belemmert of minder aantrekkelijk maakt ( 34 ), doch in de stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de opvatting, dat de betrokken bepaling dergelijke beperkingen teweeg zou kunnen brengen. Evenmin kon worden aangetoond, dat er een causaal verband bestaat tussen het verbod van openstelling van winkels op zondag en de eventuele afschrikkende werking daarvan ten aanzien van de vestiging van grootwinkelbedrijven uit andere Lid-Staten. Het bestaan van een dergelijk causaal verband is onzeker en hypothetisch.
23.
Richtlijn 64/223 ten slotte heeft tot doel, op het gebied van de groothandel de door artikel 52 van het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging te verwezenlijken. Hetgeen is gezegd naar aanleiding van dit artikel, geldt ook hier. Bovendien zij erop gewezen, dat, zoals de Commissie in haar opmerkingen stelt, in deze richtlijn overgangsbepalingen zijn opgenomen die ertoe strekten de vrijheid van vestiging in deze sector te bevorderen gedurende de periode voorafgaande aan de volledige en rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 52 van het Verdrag. Derhalve wordt deze richtlijn, ook al is zij niet formeel ingetrokken, door voornoemd artikel reeds volledig gedekt en moet zij om die reden achterhaald worden geacht.
IV — Conclusie
24.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Pretura circondariale di Roma (sezione di Castelnuovo di Porto) te beantwoorden als volgt:
„De artikelen 30 en 52 van het Verdrag zijn niet van toepassing op een nationale regeling als die welke in casu in geding is, die zonder discriminatie de openstelling van detailhandelszaken op zon-en feestdagen verbiedt. Bovendien is deze regeling niet in strijd met de richtlijnen 83/189/EEG, 88/182/EEG en 64/223/EEG.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) PB 1964, blz. 863.
( 2 ) PB 1983, L 109, blz. 8.
( 3 ) PB 1988, L 81, blz. 75.
( 4 ) GURI (Publikaticblad van de Italiaanse Republiek) nr. 200 van 9 augustus 1971.
( 5 ) PB 1993, C 312, biz. 6, en PB 1994, C 76, biz. 4, 5, 9, 10 en 12.
( 6 ) PB 1994, C 392, blz. 3.
( 7 ) Gevoegde zaken C-69/93 en C-258/93, Jurispr. 1994, blz. I-2355.
( 8 ) Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Jurispr. 1974, bl/.. 837, r. o. 5.
( 9 ) Arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rcwc, Jurispr. 1979, blz. 649.
( 10 ) Arrest van 24 november 1993, gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Jurispr. 1993, blz. I-6097.
( 11 ) Zie arrest Keek en Mithouard, r. o. 15.
( 12 ) Zie arrest Keek en Mithouard, r. o. 16 en 17. Zie eveneens arrest Punto Casa en PPV, reeds aangehaald, r. o. 12.
( 13 ) Zie arrest van 7 maart 1990, zaak C-69/S8, Krantz, Jurispr. 1990, blz. I-583.
( 14 ) Arrest van 14 juli 1994, zaak C-379/92, Peralta, Jurispr. 1994, blz. I-3453.
( 15 ) Arrest van 17 oktober 1995, gevoegde zaken C-140/94, C-141/94 en C-142/94, DIP o. a., Jurispr. 1995, blz. I-3257.
( 16 ) Arrest van 30 november 1995, zaak C-134/94, Esso Española, Jurispr. 1995, blz. I-4223.
( 17 ) Zie arresten Krantz, Peralta en DIP, reeds aangehaald. Zìe eveneens arrest Esso Espanda, reeds aangehaald, alsmede mijn conclusie van 28 september 1995 in die zaak.
( 18 ) Zaak C-145/88, Jurispr. 19S9, blz. 3851.
( 19 ) Zaak C-169/91, Jurispr. 1992, blz. I-6635.
( 20 ) Zaak C-304/90, Jurispr. 1992, blz. I-6493.
( 21 ) Zie eveneens arrest van 16 december 1992, zaak C-306/88, Anders, Jurispr. 1992, blz. I-6457.
( 22 ) Zaak C-312/89, Jurispr. 1991, blz. I-997.
( 23 ) Zaak C-332/89, Jurispr. 1991, blz. I-1027.
( 24 ) Gevoegde zaken C-401/92 en C-402/92, Jurispr. 1994, bfe. I-2199.
( 25 ) Arrest Punto Casa en PPV, r. o. 14.
( 26 ) Zie punt 28 van mijn conclusie van 23 maart 1995 in zaak C-63/94, Bcleapom (arrest van 11 augustus 1995, Jurispr. 1995, blz. I-2467).
( 27 ) Zie arrest Keek en Mimouarar, r. o. 13.
( 28 ) Zie arresten Persila, r. o. 24, Krantz, r. o. 11, en Esso Española, r. o. 24, alle reeds aangehaald.
( 29 ) R. o.11 van het arrest.
( 30 ) R. o. 14 van het arrest. Zie eveneens arrest Conforama, reeds aangehaald, r. o. 11, en arrest Marchandise, reeds aangehaald, r. o. 12.
( 31 ) PB 1994, L 100, blz. 30.
( 32 ) Zie, onder meer, arresten van 20 april 1988, zaak 204/87, Bekaert, Jurispr. 1988, blz. 2029, r. o. 11; 28 januari 1986, zaak 270/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 273, r. o. 14; 12 februari 1987, zaak 221/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 719, r. o. 10, en 12 november 1987, zaak 198/86, Conradi, Jurispr. 1987, blz. 4469, r. o. 9.
( 33 ) Zie arrest Conradi, reeds aangehaald, r. o. 10.
( 34 ) Zie onder meer arrest van 31 maart 1993, zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663.
Full & Egal Universal Law Academy