CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. B. ELMER
van 21 februari 1995 ( *1 )
Inleiding
1.
Volgens artikel 5, sub 5, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken kan iemand die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging in een andere Verdragsluitende Staat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn.
In de onderhavige zaak dient het Hof een prejudiciële beslissing te geven over de vraag van de Franse Cour de cassation, of de verzoeker deze bevoegdheidsregel enkel kan inroepen in geval het geschil betrekking heeft op een verbintenis die moet worden uitgevoerd in de staat waarin het filiaal, het agentschap of enige andere vestiging is gelegen.
Een dergelijke geografische beperking blijkt niet uit de bewoordingen van de bepaling.
Een opmerking van het Hof in zijn arrest van 22 november 1978 in de zaak Somafer ( 1 ) zou echter aldus kunnen worden opgevat, dat voor het toepassingsgebied van deze bepaling wel een dergelijke beperking geldt.
De feiten
2.
De Franse vennootschap Campenon Bernard kreeg in 1985 van het Ministerie van Openbare werken te Koeweit opdracht tot de bouw van een autosnelweg tussen de haven van Koeweit en de Iraakse grens. Het staal waarmee het beton moest worden gewapend, diende volgens het bestek van de opdrachtgever te voldoen aan een Amerikaanse technische norm, namelijk ASTM A 615.
Campenon Bernard bestelde het betonstaal bij de Franse vennootschap Fercometal, die de opdracht uitbesteedde aan een Spaanse vennootschap.
Om te verzekeren dat het staal in overeenstemming met het bestek van de opdrachtgever was, wendde Campenon Bernard zich tot het filiaal van The Lloyd's Register of Shipping (hierna: „Lloyd's Register”), dat bij overeenkomst van 3 december 1985, die bij brief van 9 december 1985 aan Campenon Bernard werd verstuurd, zich ertoe verbond te controleren of het staal aan de voorgeschreven norm voldeed. Volgens de overeenkomst zou deze controle bij de Spaanse onderaannemer worden verricht door het Spaanse filiaal van Lloyd's Register en zou de betaling in peseta's geschieden.
Nadat het Spaanse filiaal van Lloyd's Register op 17 en 24 januari 1986 certificaten had afgegeven waarbij de partij staal in overeenstemming met de technische normen werd verklaard, betaalde Campenon Bernard de totale contractuele prijs aan Fercometal en liet zij het staal naar Koeweit overbrengen.
De opdrachtgever in Koeweit weigerde in mei 1986 het staal evenwel in ontvangst te nemen, omdat het niet aan de vereiste norm voldeed.
Daarop vorderde Campenon Bernard bij het Tribunal de commerce de Paris een schadevergoeding van Lloyd's Register via haar Franse filiaal.
3.
Bij het Tribunal de commerce de Paris en nadien bij de Cour d'appel de Paris concludeerde Lloyd's Register tot niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat de Franse gerechten op grond van artikel 5, sub 5, van het Executieverdrag niet bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van het geschil. In het kader van het onderzoek van de cassatie die Lloyd's Register tegen het arrest van de Cour d'appel de Paris van 5 juni 1991 instelde, heeft de Cour de cassation vervolgens het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Houdt het begrip ‚geschil betreffende de exploitatie van een filiaal (...)’, bedoeld in artikel 5, sub 5, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gelet op het bepaalde in artikel 5, sub 1, van dit Verdrag, noodzakelijkerwijs in, dat de betrokken verbintenissen die door het filiaal namens de moedermaatschappij zijn aangegaan, moeten worden uitgevoerd in de Verdragsluitende Staat waar het filiaal is geves-tigd?”
Het Executieverdrag
4.
De algemene bevoegdheidsregel staat in artikel 2, sub 1, van het Executieverdrag, dat luidt:
„Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.”
5.
Artikel 5, dat staat in afdeling 2 van titel II, waarvan het opschrift luidt „Bijzondere bevoegdheid”, voorziet in een aantal bijzondere bevoegde fora, waartoe de verzoeker zich in voorkomend geval, bij wijze van alternatief, kan wenden.
„Artikel 5:
De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:
1)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
(...)
2)
(...)
3)
ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan;
4)
(...)
5)
ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging: voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn;
6)
(...)
7)
(...)”
6.
In het verwijzingsarrest verwijst de Cour de cassation naar het reeds genoemde arrest Somafer. In dit arrest heeft het Hof verklaard:
„dat wanneer artikel 5 voorziet in een aantal bijzondere bevoegdheden ter keuze van verzoeker, deze keuzemogelijkheid is gegeven ter wille van een nuttige procesinrichting in welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauw verband bestaat tussen een vordering en de rechter die kan worden geroepen daarvan kennis te nemen;
dat waar een veelheid van bevoegdheidsgronden ten aanzien van een zelfde geschil niet bevorderlijk is voor de rechtszekerheid en een doeltreffende rechtsbescherming in het gehele gebied van de Gemeenschap, het in overeenstemming is met de doelstelling van het Executieverdrag om een extensieve en veelvormige uitlegging van de uitzonderingen op de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2 te vermijden (...)” (r. o. 7),
en dat
„de strekking en de begrenzing van de in artikel 5, sub 5, aan verzoeker geboden mogelijkheid afhankelijk zijn van de beoordeling van de bijzondere factoren waaruit — hetzij in de betrekkingen tussen het moederbedrijf en zijn filialen, agentschappen of andere vestigingen, hetzij in de betrekkingen tussen een van deze nevenvestigingen en derden— blijkt van de bijzondere aanknoping die, in afwijking van artikel 2, de aan verzoeker gegeven keuzemogelijkheid rechtvaardigt (...)” (r. o. 8).
Bovendien verklaarde het Hof
„dat deze bijzondere aanknoping in de eerste plaats betrekking heeft op de materiële kentekenen waaraan het bestaan van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging gemakkelijk kan worden herkend, en in de tweede plaats op de verhouding tussen de aldus gelocaliseerde nevenvestiging en het voorwerp van het geding dat tegen het in een andere Verdragsluitende Staat gevestigde moederbedrijf aanhangig is gemaakt” (r. o. 11).
In het kader van de thans aanhangige zaak verdient de door het Hof gegeven definitie van het begrip exploitatie van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging bijzondere aandacht. Ter zake wordt in het arrest Somafer verklaard:
„dat dit begrip exploitatie enerzijds omvat de geschillen inzake contractuele of niet-contractuele rechten en verplichtingen met betrekking tot het eigenlijke beheer van het agentschap, het filiaal of de vestiging zelf, bij voorbeeld betreffende de huur van het gebouw waarin deze nevenvestigingen zijn gevestigd, of het ter plaatse aanstellen van aldaar werkzaam personeel;
dat dit begrip anderzijds ook omvat de geschillen inzake door het vorenomschreven centrum van werkzaamheid namens het moederbedrijf aangegane verplichtingen die moeten worden nagekomen in de Verdragsluitende Staat waar dit centrum is gevestigd, alsmede geschillen inzake met-contractuele verplichtingen die hun oorsprong vinden in werkzaamheden die het filiaal, agentschap of enige andere vestiging —in de vorenomschreven zin — heeft verricht ter plaatse waar het voor rekening van het moederbedrijf is gevestigd (...)” (r. o. 13; cursivering van mij).
7.
De overweging van het Hof dat het begrip exploitatie eveneens de door het filiaal, agentschap of enige andere vestiging namens de moedermaatschappij aangegane verbintenissen omvat, heeft met betrekking tot de toevoeging „die moeten worden nagekomen in de Verdragsluitende Staat waar dit centrum is gevestigd”, zowel in de doctrine ( 2 ), als in de conclusie van advocaat-generaal Slynn in de zaak Schotte ( 3 ) aanleiding gegeven tot kritische commentaren.
Het procesverloop voor het Hof
8.
In hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen hebben zowel Campenon Bernard, het Verenigd Koninkrijk en de Griekse regering, als de Commissie zich bij deze kritiek aangesloten.
Zij beklemtonen in deze opmerkingen, dat de bewoordingen van artikel 5, sub 5, geen enkele geografische beperking inhouden van het begrip „exploitatie”, dat een zuiver economisch begrip is.
Wanneer artikel 5, sub 5, enkel van toepassing zou zijn op geschillen betreffende verbintenissen die moeten worden uitgevoerd in de staat waar het filiaal, het agentschap of enige andere vestiging is gelegen, zou het zelfstandige praktische belang van deze bepaling bovendien uiterst gering worden. Volgens artikel 5, sub 1, is het gerecht van de plaats van uitvoering reeds bevoegd bij verbintenissen uit overeenkomst en volgens artikel 5, sub 3, is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, bevoegd ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad. Met een dergelijke beperking zou artikel 5, sub 5, in werkelijkheid enkel nog gelden voor gevallen waarin de verweerder de keus heeft tussen rechtsgebieden die binnen één bepaalde Verdragsluitende Staat zijn gelegen, hetgeen niet de bedoeling van deze bepaling kan zijn.
Bovendien beoogt artikel 5, sub 5, de belangen van derden te beschermen die een overeenkomst met een filiaal of een agentschap van de moedermaatschappij sluiten, en het belang van deze derden is hetzelfde, ongeacht de plaats waar de overeenkomst moet worden uitgevoerd.
Ten slotte wijst het Verenigd Koninkrijk erop dat in de artikelen 8, tweede alinea (verzekeringszaken), en 13, tweede alinea (bepaalde consumentenzaken), van het Executieverdrag dezelfde bewoordingen worden gebruikt als in de betwiste bepaling van artikel 5, sub 5. Deze bepalingen moeten volgens het Verenigd Koninkrijk dus op dezelfde wijze worden uitgelegd. ( 4 ) De praktische werking van de artikelen 8, tweede alinea, en 13, tweede alinea, zou evenwel aanzienlijk worden gereduceerd, wanneer bij de uitlegging van deze bepalingen rekening zou moeten worden gehouden met de beperkte strekking die in het arrest Somafer aan artikel 5, sub 5, is gegeven.
9.
De Franse regering hoedt zich in haar opmerkingen voor een volstrekt letterlijke uitlegging van de in het arrest Somafer omschreven voorwaarden. Onder verwijzing naar in het bijzonder de latere beslissing van het Hof in de zaak Schotte ( 5 ) staat zij een oplossing voor, waarbij tussen het geschil en de staat van de bevoegde rechter een werkelijke band moet bestaan, zodat ten minste een van de elementen van de overeenkomst in die staat moet worden uitgevoerd.
10.
Lloyd's Register heeft het Hof in haar opmerkingen verzocht om de in het arrest Somafer neergelegde geografische beperking van artikel 5, sub 5, integraal te handhaven en heeft in dit verband onder meer opgemerkt, dat aan deze bepaling praktische procedurele overwegingen ten grondslag liggen, waardoor geschillen, om zo te zeggen, ter plaatse kunnen worden beslecht. In zijn conclusie in de zaak Blanckaert & Willems ( 6 ) wordt liet arrest Somafer door advocaat-generaal Reischl overigens als volgt uitgelegd:
„(...) Uit het arrest volgt verder dat voor de toepassing van artikel 5, sub 5, Executieverdrag een zekere beperking van de onafhankelijkheid van een handelsagent of zekere mogelijkheden tot beïnvloeding door het moederbedrijf niet volstaan. Een agentschap dient in feite veeleer een soort buitendienst van het bedrijf te zijn, met in wezen gelijke transactiebevoegdheden als het moederbedrijf, zij het natuurlijk beperkt tot het grondgebied van de Lid-Staat waarin het is gevestigd. Dit vereiste volgt mijns inziens uit de eerder geciteerde formuleringen en met name uit de term ‚centrum van werkzaamheid’” (cursivering van mij).
Volgens Lloyd's Register heeft dit vereiste met betrekking tot de plaats van uitvoering niet tot gevolg gehad, dat de strekking van deze bepaling wordt beperkt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
Standpunt
11.
Volgens vaste rechtspraak moeten de bijzondere bevoegdheidsregels van het Executieverdrag — die een uitzondering vormen op de algemene regel van artikel 2, eerste alinea, waarbij het forum van de woonplaats van de verweerder bevoegd wordt verklaard — restrictief worden uitgelegd. ( 7 )
12.
Op het eerste gezicht kan men enige twijfel koesteren over het belang dat in een zaak als de onderhavige aan de overwegingen van het arrest Somafer met betrekking tot het begrip exploitatie kan worden toegekend.
In de eerste plaats bevat de formulering van rechtsoverweging 13 een aanwijzing omtrent datgene wat door het begrip exploitatie wordt omvat, maar daarentegen geen enkele aanwijzing omtrent datgene wat door dit begrip niet wordt omvat; zie de formulering „dat dit begrip exploitatie enerzijds omvat (...)” en „dat dit begrip anderzijds ook omvat (...)”. Het Hof had trouwens geen enkele reden om een standpunt in te nemen omtrent de vraag of in artikel 5, sub 5, een geografische beperking diende te worden aangebracht. Het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil had namelijk betrekking op een situatie die —ook wanneer men ervan uitgaat dat een dergelijke beperking geldt — in elk geval onder deze bepaling viel. Bovendien is het probleem van een geografische beperking te oordelen naar de opmerkingen van partijen, zoals weergegeven in het rapport ter terechtzitting, zelfs niet onderzocht.
Vervolgens moet worden beklemtoond, dat de overweging van het Hof dat „het begrip exploitatie ook omvat de geschillen inzake door het vorenomschreven centrum van werkzaamheid namens het moederbedrijf aangegane verplichtingen die moeten worden nagekomen in de verdragsluitende Staat waar dit centrum is gevestigd” het karakter van een obiter dictum heeft. Dit was namelijk niet het geschil waarover de zaak ging; in deze zaak ging het daarentegen om een geschil betreffende „niet-contractuele verplichtingen die hun oorsprong vinden in werkzaamheden die het filiaal, agentschap of enige andere vestiging —in vorenomschreven zin — heeft verricht ter plaatse waar het voor rekening van het moederbedrijf is gevestigd”.
Ook kan worden verwezen naar rechtsoverweging 2 van het arrest, volgens welke de zaak betrekking had op de vraag of de Duitse rechter bevoegd was
„(...) kennis te nemen van een door een Duitse tegen een Franse onderneming — die in Frankrijk is gevestigd, doch in de Bondsrepubliek een, op haar briefpapier als ‚Vertretung für Deutschland’ aangeduid, bureau of contactadres bezit — ingestelde vordering tot terugbetaling van de door de Duitse onderneming gemaakte kosten ter beveiliging van haar toebehorende gasleidingen tegen schade die eventueel het gevolg had kunnen zijn van sloopwerkzaamheden, door de Franse onderneming voor rekening van Saarland in de nabijheid uitgevoerd”.
Het lijkt dus logisch om ervan uit te gaan, dat het Hof met deze opmerking niet heeft beslist op de vraag van de toepassing van artikel 5, sub 5, in een zaak als de onderhavige.
13.
Dezelfde redenering kan worden gevolgd met betrekking tot de zaak Blanckaert & Willems. ( 8 ) Deze zaak betrof de bevoegdheid van een Duitse rechter om kennis te nemen van een geschil over de vertegenwoordiging van de verweerder voor het gebied Rhein-Ruhr/Eifel/Süd-Westfalen. De opmerking van advocaat-generaal Reischl ( 9 ), dat de commerciële activiteit natuurlijk beperkt moet blijven tot het grondgebied van de Verdragsluitende Staat, is dus gemaakt in een kader waarin niet behoefde te worden onderzocht, welke consequenties het tegengestelde standpunt zou hebben.
14.
In zijn arrest van 9 december 1987 in de zaak Schotte ( 10 ) spreekt het Hof zich niet uit over de vraag —die, zoals hiervoor vermeld ( 11 ), door advocaat-generaal Slynn werd onderzocht — of voor artikel 5, sub 5, een geografische beperking zou moeten gelden. Hierover was weliswaar geen prejudiciële vraag gesteld, maar uit de stukken blijkt duidelijk, dat de verstuiverpompen waarom het in deze zaak ging, niet moesten worden geleverd in de Verdragsluitende Staat waar het filiaal, agentschap of enige andere vestiging was gelegen (Duitsland), maar in de Verdragsluitende Staat waar de moedermaatschappij van verweerster was gevestigd (Frankrijk).
In dit arrest stelde het Hof vast, dat artikel 5, sub 5, van toepassing kon zijn op een situatie waarin „twee gelijknamige vennootschappen met een gemeenschappelijke directie, waarvan een, zonder een onzelfstandig filiaal of agentschap van de ander te zijn, zaken doet voor rekening van de andere en dus in het handelsverkeer als haar verlengstuk optreedt” (r. o. 13).
In het arrest wordt bovendien beklemtoond, dat de verwerende Duitse vennootschap, „niet alleen betrokken was bij de onderhandelingen over en het sluiten van het contract, doch eveneens — in de uitvoeringsfase van het contract— bij de behoorlijke afwikkeling van de overeengekomen leveringen en bij de betaling van de facturen” (r. o. 14).
Het geschil betrof „de uitvoering van een aantal orders voor de levering (...) aan verweerster van verstuiverpompen (...)”
Het Hof wijst er dus uitdrukkelijk op, dat het ging om benodigdheden voor een in Frankrijk gevestigde onderneming, doch vermeldt niet het probleem van een geografische beperking bij de toepassing van artikel 5, sub 5, in een geval waarin deze beperking eventueel tot een tegengesteld resultaat had kunnen leiden. ( 12 )
15.
Het Verenigd Koninkrijk is van mening ( 13 ), dat de identieke bewoordingen van artikel 5, sub 5, enerzijds, en de artikelen 8, tweede alinea, ert 13, tweede alinea, anderzijds ( 14 ), noodzakelijkerwijze moeten leiden tot een en dezelfde uitlegging. Deze mening kan ik evenwel niet delen. Mijns inziens wordt dit argument namelijk aanzienlijk afgezwakt door het specifieke doel van beide laatstgenoemde bepalingen: het beschermen van de verzekeringnemer (artikel 8, tweede alinea), respectievelijk de consument (artikel 13, tweede alinea), dat wil zeggen de zwakke partij in de betrokken contractuele verhouding. Daarbij komt nog het wezenlijke verschil dat artikel 5, sub 5, van toepassing is wanneer de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, terwijl de artikelen 8, tweede alinea, en 13, tweede alinea, uitdrukkelijk betrekking hebben op situaties waarin de verzekeraar of de wederpartij van de consument geen woonplaats hebben op het grondgebied van de Verdragsluitende Staat. Ik ben het ermee eens, dat beide laatstgenoemde bepalingen moeilijk kunnen worden toegepast met een geografische beperking als hier in geding, maar daarom kan daaruit nog niet rechtstreeks worden afgeleid, dat deze beperking niet met betrekking tot artikel 5, sub 5, zou kunnen worden gehandhaafd.
16.
Van doorslaggevend belang is echter het feit, dat artikel 5, sub 5, globaal genomen geen zelfstandige betekenis meer zou hebben, wanneer het slechts van toepassing zou zijn op geschillen betreffende verbintenissen die moeten worden uitgevoerd in de Verdragsluitende Staat waar het filiaal, het agentschap of enige andere vestiging is gelegen. Ingevolge artikel 5, sub 1, is het gerecht van de plaats van uitvoering namelijk reeds bevoegd bij verbintenissen uit overeenkomst, en op grond van artikel 5, sub 3, is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan reeds bevoegd ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad. Zoals Campenon Bernard, het Verenigd Koninkrijk, de Griekse regering en de Commissie beklemtonen, zou artikel 5, sub 5, met een dergelijke beperking dan in feite enkel nog van toepassing zijn ingeval binnen de Verdragsluitende Staat een keus uit meerdere rechtsgebieden kan worden gemaakt.
17.
Wanneer —in het algemeen— in het economische begrip „exploitatie” in artikel 5, sub 5, een geografische beperking zou worden gelegd, dan zou dit eveneens ernstige uitleggingsproblemen en dus rechtsonzekerheid met zich kunnen brengen. Zou de toepassing van deze bepaling bij voorbeeld zijn uitgesloten ingeval een enkel onderdeel van de overeenkomst buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Staat moet worden uitgevoerd? Het voorstel van de Franse regering, dat verlangd moet kunnen worden dat althans een van de onderdelen van de overeenkomst binnen de Verdragsluitende Staat moet worden uitgevoerd, levert hetzelfde probleem op, zij het omgekeerd. Kan bij voorbeeld worden verlangd, dat het om een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst moet gaan? Zou de wederpartij zich aan de procedure kunnen onttrekken door bepaalde onderdelen van de door hem aangegane verbintenis buiten de Verdragsluitende Staat te laten uitvoeren, bij voorbeeld door een onderaannemer in te schakelen, en is het in dit verband van belang, dat is overeengekomen in hoeverre bij de uitvoering van de verbintenis beroep kan worden gedaan op een (in de overeenkomst met name genoemde) onderaannemer? En levert dit criterium, in voorkomend geval, geen verschillen op naargelang het gaat om levering van goederen of om een dienstverrichting?
In plaats van duidelijkheid te verschaffen zou een geografische beperking als thans in geding een reeks problemen oproepen en een bron van rechtsonzekerheid zijn.
18.
Daarbij komt nog, dat artikel 5, sub 5, een tweeledig doel heeft:
—
enerzijds wil het artikel het instellen van een rechtsvordering voor de verzoeker vereenvoudigen ingeval er sprake is van „een centrum van werkzaamheid, dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van een moederbedrijf, met een eigen directie en materiële uitrusting, zodat het zaken met derden kan doen, en wel dusdanig dat dezen, ofschoon wetend dat eventueel een rechtsband met het in het buitenland gevestigde moederbedrijf zal ontstaan, zich niet rechtstreeks daartoe behoeven te wenden en zaken kunnen doen in bedoeld centrum, dat het verlengstuk ervan vormt” (arrest Somafer, r. o. 12);
—
anderzijds wil het artikel, zoals reeds gezegd in de opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk, de zojuist beschreven situatie zoveel mogelijk laten aansluiten bij het uitgangspunt van artikel 2, eerste alinea, waarin het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd wordt verklaard. Voor vertegenwoordigingen als bedoeld in artikel 5, sub 5, — niet-rechtspersonen — bestaat een dergelijke bevoegdheid van het gerecht van woonplaats van de betrokkenen namelijk per definitie niet.
Mijns inziens moet artikel 5, sub 5, dus worden uitgelegd in overeenstemming met de duidelijke bewoordingen ervan, die geen enkele geografische beperking inhouden.
Conclusie
19.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
„Het begrip ‚geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enig andere vestiging (...)’, als bedoeld in artikel 5, sub 5, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, houdt niet in, dat de betrokken verbintenissen die door het filiaal namens de moedermaatschappij zijn aangegaan, moeten worden uitgevoerd in de Verdragsluitende Staat waar het filiaal is gevestigd.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) Zaak 33/78, Jurispr. 1978, blz. 2183.
( 2 ) Zíe Gotliot en Hollcaux: Let convention de Bruxelles, 1985, blz. 56. Dicey en Morris: On the Conflict of Laws, Londen 1987, blz. 348. Zie bovendien Tebbens, H.: Compétence judiciaire et exécution des jugements en Europe, Butterworths, 1993, blz. 99.
( 3 ) Arrest van 9 december 1987, zaak 218/86, Jurispr. 1987, blz. 4905.
( 4 ) Zie bovendien de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Shearson Lehman Hutton, arrest van 19 januari 1993, zaak C-89/91, Jurispr. 1993, blz. I-139.
( 5 ) Zie voetnoot 3.
( 6 ) Arrest van 18 maart 1981, zaak 139/80, Jurispr. 1981, blz. 819.
( 7 ) Zie bij voorbeeld arresten van 27 september 1988, zaak 189/87, Kalfelis, Jurispr. 1988, biz. 5565, r. o. 19, en 17 juni 1992, zaak C-26/91, Handle, Jurispr. 1992, biz. I-3967, r. o. 14.
( 8 ) Zie voetnoot 6.
( 9 ) Zie punt 10 van deze conclusie.
( 10 ) Zie voetnoot 3.
( 11 ) Zie punt 7 van deze conclusie.
( 12 ) In het arrest van 6 oktober 1976 (zaak 14/76, De Bloos, Jurispr. 1976, blz. 1497), ¡s artikel 5, sub 5, om andere redenen niet toegepast en is het probleem dus niet behandeld.
( 13 ) Zie punt S van deze conclusie.
( 14 ) Deze bepalingen luiden als volgt:
Artikel 8, tweede alinea:„Wanneer de verzekeraar geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat.”
Artikel 13, tweede alinea: „Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat.”
Full & Egal Universal Law Academy