Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 De Commissie heeft met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Engelstalige typisten C5/C4 algemeen vergelijkend onderzoek COM/C/741 georganiseerd; op 24 december 1991(1) heeft zij de desbetreffende aankondiging gepubliceerd.
2 Naar luid van punt II, B, 2, van deze aankondiging, mochten kandidaten die in het bezit waren van een graad of diploma dat toegang gaf tot vergelijkende onderzoeken van het niveau A of LA niet aan het vergelijkend onderzoek deelnemen.
3 Bij brief van 9 juni 1992 is M. Noonan, verweerster in hogere voorziening, in kennis gesteld van het besluit van de jury om haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, op grond dat zij een universitaire opleiding had voltooid en een Honours Degree Franse en Italiaanse letterkunde had behaald aan het University College Dublin.
4 Op 21 augustus 1992 heeft M. Noonan bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van dit besluit, stellende dat de uitsluiting van houders van universitaire diploma's van vergelijkende onderzoeken voor de categorie C in strijd is met het Ambtenarenstatuut, met het gelijkheidsbeginsel en met de vrijheid van beroepsuitoefening.
5 Vooraleer verweer ten gronde te voeren, heeft de Commissie bij wege van exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerd, dat een ambtenaar in een beroep tegen een jurybesluit geen middelen kan aanvoeren ontleend aan beweerde onregelmatigheden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, wanneer hij niet tijdig is opgekomen tegen de bepalingen van die aankondiging die hem zijns inziens bezwaren. Zij baseerde zich hiervoor hoofdzakelijk op de arresten van het Hof van 11 maart 1986(2) en van het Gerecht van 16 oktober 1990.(3)
6 Het Gerecht van eerste aanleg heeft in zijn arrest van 16 september 1993(4) de exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen en het beroep ontvankelijk verklaard, stellende dat in de rechtspraak van het Hof "de ontvankelijkheid is erkend van middelen ontleend aan onregelmatigheden in een aankondiging van vergelijkend onderzoek die zelf niet tijdig was aangevochten, wanneer die middelen betrekking hadden op de motivering van het bestreden toepassingsbesluit".(5)
7 Het Gerecht voegde hieraan toe, dat het arrest Adams niet met deze rechtspraak in strijd was, nu "de middelen betreffende onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die in die zaak niet-ontvankelijk werden verklaard, door de verzoekers niet waren voorgedragen in verband met de motivering van de beroepen besluiten om hen niet tot de examens toe te laten".(6)
8 Tot slot stelde het Gerecht vast, dat de middelen ontleend aan de onregelmatigheid van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden (geen houder zijn van een diploma) verband hielden met de motivering van het bestreden besluit (dat gebaseerd was op de omstandigheid dat M. Noonan wel een universitair diploma had(7)), waarop het bij arrest van 16 september 1993 het beroep ontvankelijk heeft verklaard.
9 Tegen dit arrest is de hogere voorziening van de Commissie gericht. 10 De hogere voorziening is gebaseerd op drie middelen:
- het arrest is in strijd met de rechtspraak van het Hof en vloeit daar ook niet uit voort: rechtsonzekerheid is daarvan het gevolg;
- het arrest is een bron van "administratieve onzekerheid";
- de termijn van het Ambtenarenstatuut wordt ten onrechte verlengd.
11 Ik zal deze middelen een na een bespreken.
I - Kan volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht de nietigverklaring van een individueel besluit om een sollicitant niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, worden gevorderd op grond van de onregelmatigheid van de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek?
12 De redenering van de Commissie kan als volgt worden samengevat:
- de aankondiging van vergelijkend onderzoek is een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat voor een particulier bezwarend kan zijn en waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat onder de voorwaarden van de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut;
- zodra de termijn van drie maanden na de publikatie verstreken is, kan tegen de aankondiging niet meer worden opgekomen;
- de sollicitant die bij individueel besluit niet tot een vergelijkend onderzoek is toegelaten, kan niet de nietigverklaring daarvan vorderen met een beroep op de onregelmatigheid van de aankondiging, anders zou de termijn van drie maanden opnieuw ingaan en zou de rechtszekerheid worden aangetast;
- sedert het arrest Adams(8) dat op dit punt de eerdere rechtspraak niet volgt, "... kan de termijn om tegen een beweerde onregelmatigheid van een aankondiging van vergelijkend onderzoek in te gaan, alleen dan opnieuw ingaan, wanneer een onregelmatigheid in het verloop van het vergelijkend onderzoek kan worden teruggevoerd op de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek"(9);
- een onregelmatigheid in het verloop van het vergelijkend onderzoek kan niet worden teruggevoerd op een bepaling van de aankondiging van vergelijkend onderzoek die duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar is.(10)
13 Laat ik meteen duidelijk stellen, dat ik niet zie waarop de Commissie zich baseert om in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht twee strekkingen te onderscheiden. Zoals ik hierna zal uiteenzetten, stel ik integendeel een geleidelijke verfijning vast van de zienswijze van de communautaire rechterlijke instanties.
14 De rechtspraak van het Hof is gebaseerd op een essentieel onderscheid.
15 De aankondiging van vergelijkend onderzoek is een algemene en niet-individuele handeling van een gemeenschapsinstelling die tot alle potentiële kandidaten is gericht. Particulieren kunnen hiertegen binnen drie maanden na de publikatie een beroep tot nietigverklaring instellen (artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut). Ingevolge artikel 173, lid 4, EG-Verdrag moet de verzoekende partij aantonen, dat de handeling haar rechtstreeks en individueel raakt.
16 Daarentegen is het besluit om een kandidaat niet tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, een individueel besluit ter uitvoering van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarbij de voorschriften ervan worden toegepast. Het is voor de adressaat ervan niet moeilijk om aan te tonen, dat het besluit voor hem bezwarend is. Het besluit verwijst naar de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde eisen.
17 De vraag is nu, of een kandidaat die de nietigverklaring vordert van een besluit om hem niet toe te laten, de onregelmatigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek kan aanvoeren. Anders gezegd, kan hij tegen het jurybesluit om hem niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, een soort exceptie van onwettigheid opwerpen?
18 Het Hof heeft deze exceptie, die is voorzien in artikel 184 EG-Verdrag, omschreven als "de uitdrukking van een algemeen beginsel, krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de vernietiging van een haar rechtstreeks en individueel rakende beschikking de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende handelingen der instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet - krachtens artikel 173 van het Verdrag - rechtstreeks tegen die handelingen in beroep mocht komen, zodat zij, zonder vernietiging te mogen vorderen, de gevolgen ervan heeft te dragen".(11)
19 Sedert het arrest Simmenthal(12) is het Hof van oordeel, dat de exceptie van onwettigheid kan worden opgeworpen tegen elke handeling van algemene strekking die soortgelijke gevolgen sorteert als een verordening.(13)
20 Het Hof verlangt, dat tussen het bestreden individuele besluit en de handeling van algemene strekking waartegen de exceptie is gericht, een "onmiddellijk verband rechtens" bestaat.(14)
21 Het Hof past de exceptie van onwettigheid toe in ambtenarenzaken als bedoeld in artikel 179 EG-Verdrag en artikel 91 van het Ambtenarenstatuut. In de zaak Acton(15), betreffende beroepen tot nietigverklaring van individuele besluiten tot inhouding van salaris wegens staking, vastgesteld krachtens een besluit met algemene strekking van de Commissie, heeft het Hof het beginsel geformuleerd,
"dat in het kader van de bij artikel 91 van het Ambtenarenstatuut opengestelde beroepsweg en in het geval van een handeling van algemene aard, bestemd om ten uitvoer te worden gelegd door middel van een reeks individuele besluiten jegens alle of een groot aantal ambtenaren van een instelling, de ambtenaar individueel niet het recht kan worden ontzegd de onwettigheid dier handeling in te roepen ter betwisting van het individuele besluit ten einde zekerheid te verkrijgen over de vraag hoe en in hoeverre zijn individuele belangen worden geraakt".(16)
22 Mijns inziens is van het arrest van het Hof van 31 maart 1965 (Ley)(17) tot het reeds aangehaalde arrest Gallone in de door partijen aangevoerde rechtspraak juist dit beginsel toegepast, en zijn gaandeweg de voorwaarden vastgesteld voor de toepassing ervan op het onderhavige gebied:
1) Een algemene handeling zonder individuele strekking is niet vatbaar voor rechtstreeks beroep door een particulier of mag door een particulier slechts uitzonderlijk ter discussie worden gesteld. Immers, volgens het reeds aangehaalde arrest Simmenthal is "zulk een ruime uitlegging van artikel 184 geboden ter verzekering van rechtmatigheidscontrole ten behoeve van degenen die volgens artikel 173, lid 2, tegen handelingen van algemene strekking niet rechtstreeks in beroep kunnen komen en door uitvoeringsbeschikkingen rechtstreeks en individueel worden geraakt".(18) Zo heeft het Hof in zijn arrest van 9 maart 1994 (TWD Textilwerke Deggendorf)(19) vastgesteld, dat de begunstigde van overheidssteun die opkomt tegen een handeling van de nationale overheid waarbij de besluiten die de rechtsgrond van de steun vormen, worden ingetrokken, zich niet op de onwettigheid kan beroepen van de beschikking van de Commissie waarbij de steun onverenigbaar met het gemeenschapsrecht is verklaard. Volgens het Hof had "verzoekster in het hoofdgeding de beschikking (...) zonder enige twijfel krachtens artikel 173 EEG-Verdrag kunnen aanvechten".(20)
Inzake vergelijkende onderzoeken zij erop gewezen, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek een maatregel van algemene strekking is (die volgens verweerster in hogere voorziening kan worden vergeleken met een openbare aanbesteding(21)), waartegen een particulier slechts uitzonderlijk een beroep tot nietigverklaring zal kunnen instellen. Het arrest van 19 juni 1975 (Kuester)(22) is in dat opzicht atypisch. De aankondiging van het intern vergelijkend onderzoek voorzag voor de toegang tot het ambt in een vereiste van talenkennis, welke de uitsluiting van Kuesters kandidatuur en een inbreuk op zijn aanspraak op bevordering meebracht.
Ik wil hieraan toevoegen, dat een aankondiging van vergelijkend onderzoek in de praktijk niet zal worden bestreden vóór de indiening van de sollicitaties, maar wel te zamen met het individuele besluit tot niet-toelating. Een rechtstreeks beroep tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek is dus niet onmogelijk, maar wel uitzonderlijk.(23)
2) Het beroep is gericht tegen het individuele besluit tot niet-toelating en is gebaseerd op de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.(24) De verzoeker dient een rechtstreeks verband(25) aan te tonen tussen de aangevoerde onregelmatigheden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en het jurybesluit om hem niet toe te laten.
Het Hof heeft dit beginsel in het arrest Simonella(26) als volgt samengevat:
"(Het) middel (ontleend aan onverenigbaarheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek met het Ambtenarenstatuut) moet worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op het ontbreken in de aankondiging van een puntenwaardering voor sommige onderdelen van het vergelijkend onderzoek, maar (...) het moet worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op de motivering van het bestreden besluit".(27)
In het arrest Agazzi Léonard(28) heeft het Hof zich nog explicieter uitgedrukt:
"de voorgedragen middelen moeten worden afgewezen voor zover zij de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek als zodanig betreffen, maar zij dienen ten gronde te worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op onregelmatigheden die het verder verloop van het vergelijkend onderzoek zouden hebben aangetast".(29)
23 Voorkomen dient dus te worden, dat via de betwisting van een individueel besluit in feite de aankondiging van vergelijkend onderzoek zelf opnieuw ter discussie wordt gesteld, terwijl de beweerde onregelmatigheid in de aankondiging zonder gevolgen is gebleven voor het individuele besluit.
24 Het reeds aangehaalde arrest Adams sluit hierbij aan. Het beroep tot nietigverklaring van het jurybesluit om de betrokkene niet toe te laten tot de examens van een vergelijkend onderzoek was met name gebaseerd op de twee volgende middelen.
25 Het eerste middel hield in, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd was met artikel 1, sub d, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, doordat de diploma's en andere schriftelijke bewijsstukken of de ervaring die voor het te begeven ambt was vereist, niet waren vermeld. De in latere brieven verstrekte informatie was tardief.
26 Het tweede middel hield in, dat de aard van de examens als omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd was met artikel 1, sub e, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk "bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen, de aard van dit examen en de waardering der verschillende onderdelen hiervan" moeten worden vermeld. Volgens verzoekers was niet meegedeeld waarin de examens zouden bestaan.
27 Wat het eerste punt betreft, is duidelijk, dat meer precisie in de aankondiging op het punt van de vereiste beroepservaring, voor de individuele besluiten om bepaalde kandidaten niet toe te laten, van generlei invloed zou zijn geweest. Wat het tweede punt betreft, dit kan voor de verzoekers niet bezwarend zijn geweest, nu zij niet aan de examens hebben deelgenomen.
28 Wegens het ontbreken van enig verband tussen de gestelde onregelmatigheid van de aankondiging en de motivering van de besluiten om een aantal kandidaten niet toe te laten (ontoereikende kwalificaties en ervaring), heeft het Hof deze middelen niet-ontvankelijk verklaard, stellende dat het beroep tegen de individuele besluiten in feite de regelmatigheid van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek in het geding bracht.(30)
29 Het Hof heeft zijn onderzoek ten gronde dus beperkt tot de middelen ontleend aan de onregelmatigheid van bepaalde juryhandelingen in de loop van de procedure.(31)
30 Uit het arrest Adams blijkt dus, dat de besluiten inzake de niet-toelating van bepaalde kandidaten per saldo nietig zijn verklaard op andere gronden dan de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Niet onbelangrijk is bovendien, dat de procedure van het vergelijkend onderzoek in deze zaak twee en een half jaar in beslag heeft genomen.
31 In het kader van een beroep tegen een individueel besluit om een sollicitant niet toe te laten, kan niet de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek worden opgeworpen, wanneer die geen verband houdt met het besluit inzake de niet-toelating. Zo heeft het Gerecht uit het arrest Adams terecht afgeleid, dat
"de middelen betreffende onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die in die zaak niet-ontvankelijk werden verklaard, door de verzoekers niet waren voorgedragen in verband met de motivering van de beroepen besluiten om hen niet tot de examens toe te laten".(32)
32 Wanneer integendeel de bestreden bepalingen van de aankondiging die zijn waarop het besluit om de sollicitant niet toe te laten is gebaseerd, is de exceptie van onwettigheid dan wél ontvankelijk? Bestaat in dat geval een "onmiddellijk verband rechtens" zoals de rechtspraak van het Hof in verband met de exceptie van onrechtmatigheid ex artikel 184 van het Verdrag verlangt?
33 Deze vraag blijft in het arrest Adams onbeantwoord.
34 In latere arresten is aan het in dit arrest ontwikkelde beginsel herinnerd:
"de ambtenaar die zich bezwaard acht door de onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek (moet) tijdig daartegen opkomen. Anders zou de regelmatigheid van een aankondiging van vergelijkend onderzoek nog in geding kunnen worden gebracht lang nadat zij is gepubliceerd en wanneer de meeste zo niet alle verrichtingen van het vergelijkend onderzoek reeds achter de rug zijn. Dit zou in strijd zijn met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en met het beginsel van goed bestuur".(33)
35 Voorts heet het daarin:
"Het is juist, dat wanneer een verzoeker niet tijdig tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek is opgekomen, dit hem niet belet zich te beroepen op onregelmatigheden die zich in de loop van het vergelijkend onderzoek hebben voorgedaan, ook al ligt de bron van die onregelmatigheden in de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek."(34)
36 De vastgestelde onregelmatigheid moet gevolgen hebben gehad voor het verloop van het vergelijkend onderzoek.
37 Zo heeft het Gerecht in het bestreden arrest terecht opgemerkt, dat "wanneer in een middel dat betrekking heeft op de motivering van het bestreden individuele besluit wordt geklaagd over onregelmatigheden van een niet tijdig bestreden aankondiging van vergelijkend onderzoek, het Hof dat middel ontvankelijk acht".(35)
38 Dit geldt mijns inziens ook, wanneer de jury voor de toepassing van de in de aankondiging gestelde vereisten over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt. In een dergelijk geval heeft hij geen beoordelingsmarge die hem de mogelijkheid zou geven de voorschriften van deze aankondiging buiten toepassing te laten.
39 Welke conclusie dient hieraan te worden verbonden wat M. Noonan betreft? De weigering haar tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, is rechtstreeks terug te voeren op het in de aankondiging gestelde principe, dat kandidaten met een universitair diploma worden geweerd. Het middel ontleend aan onwettigheid van dit vereiste, houdt rechtstreeks verband met de motivering van het bestreden besluit. Het Gerecht heeft dit in rechtsoverweging 29 van zijn arrest vastgesteld.
40 Dit arrest ligt dus in de lijn van de rechtspraak van het Hof, waarop het ook uitdrukkelijk is gesteund en die het correct heeft uitgelegd. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is dus geen sprake.
II - Brengt de oplossing die het Gerecht heeft gegeven, "bestuurlijke onzekerheid" teweeg?
41 Volgens de Commissie leidt de oplossing die het Gerecht aan de zaak heeft gegeven, ertoe, dat de vereisten van de aankondiging van vergelijkend onderzoek zelf gedurende een onbeperkte tijd in geding kunnen worden gebracht, zelfs wanneer zij duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar zijn.
42 Over dit middel kan ik kort zijn.
43 Van een onbeperkte verlenging van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring kan geen sprake zijn, gewoon omdat het hier niet om een beroep tot nietigverklaring gaat.
44 De exceptie van onwettigheid is niet hetzelfde als het beroep tot nietigverklaring, en brengt andere gevolgen teweeg. "De verordening wordt niet erga omnes nietig verklaard. Zij wordt niet-toepasselijk verklaard voorzover zij in het individuele besluit doorwerkt. Deze vaststelling heeft slechts gevolgen tussen partijen, en brengt het bestaan van de verordening zelf niet in het gedrang."(36) De gevolgen van de exceptie van onwettigheid voor de verordening zijn dus relatief.
45 Daarenboven kunnen duidelijke bepalingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek slechts ter discussie worden gesteld voor zover zij rechtstreeks verband houden met de motivering van het individuele besluit inzake de niet-toelating.
III - Wordt de in het Ambtenarenstatuut vastgestelde termijn "ten onrechte verlengd"?
46 Dit derde middel is hierboven reeds beantwoord(37), zodat ik er niet nader op behoef in te gaan.
47 Derhalve geef ik het Hof in overweging, het bestreden arrest te bevestigen.
48 Het arrest van het Hof zal het geding niet beëindigen in de zin van artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering, zodat de beslissing ten aanzien van de proceskosten moet worden aangehouden.
(1) - PB 1991, C 333 A, blz. 11 (Engelse versie).
(2) - Zaak 294/84, Adams, Jurispr. 1986, blz. 977.
(3) - Zaak T-132/89, Gallone, Jurispr. 1990, blz. II-549, r.o. 20.
(4) - Zaak T-60/92, Noonan, Jurispr. 1993, blz. II-911.
(5) - R.o. 24 van het bestreden arrest.
(6) - R.o. 25.
(7) - R.o. 29.
(8) - Reeds aangehaald.
(9) - Aldus de Commissie in haar verzoekschrift in hogere voorziening.
(10) - Ibidem.
(11) - Arrest van 6 maart 1979 (zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777, r.o. 39).
(12) - Aangehaald in voetnoot 11.
(13) - R.o. 40.
(14) - Arrest van 31 maart 1965 (zaak 21/64, Macchiorlati Dalmas e Figli, Jurispr. 1965, blz. 231).
(15) - Arrest van 18 maart 1975 (gevoegde zaken 44/74, 46/74 en 49/74, Jurispr. 1975, blz. 383).
(16) - R.o. 7.
(17) - Gevoegde zaken 12/64 en 29/64, Jurispr. 1965, blz. 143.
(18) - R.o. 41.
(19) - Zaak C-188/92, Jurispr. 1994, blz. I-833.
(20) - R.o. 24.
(21) - Punt 3.8 van de memorie van antwoord.
(22) - Zaak 79/74, Jurispr. 1975, blz. 725.
(23) - Dat is ook het geval met een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening. Zie arrest van 18 mei 1994 (zaak C-309/89, Codorniu, Jurispr. 1994, blz. I-1853).
(24) - Zie arrest van 14 december 1965 (zaak 11/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1311, 1321): "... de conclusies die betrekking hebben op het vergelijkend onderzoek zijn slechts ontvankelijk voor zover zij het tegen de hogerbedoelde handeling gerichte beroep ondersteunen".
(25) - Zie bij voorbeeld arrest van 22 maart 1972 (zaak 78/71, Costacurta/Commissie, Jurispr. 1972, blz. 163, r.o. 12).
(26) - Arrest van 6 juli 1988 (zaak 164/87, Jurispr. 1988, blz. 3807).
(27) - R.o. 19.
(28) - Arrest van 6 juli 1988 (zaak 181/87, Jurispr. 1988, blz. 3823).
(29) - R.o. 24.
(30) - R.o. 17 van het arrest Adams.
(31) - Ibidem, r.o. 18.
(32) - R.o. 25 van het bestreden arrest.
(33) - R.o. 13 van het arrest van 8 maart 1988 (gevoegde zaken 64/86, 71/86, 72/86, 73/86 en 78/86, Sergio, Jurispr. 1988, blz. 1399). Zie tevens r.o. 15 van het arrest Simonella, reeds aangehaald, en r.o. 22 van het arrest Agazzi Léonard, reeds aangehaald.
(34) - Ibidem, r.o. 15. Zie tevens r.o. 16 van het arrest Simonella, reeds aangehaald, r.o. 23 van het arrest Agazzi Léonard, reeds aangehaald en r.o. 20 van het arrest Gallone, reeds aangehaald.
(35) - R.o. 27.
(36) - Joliet R.: Le droit institutionnel des Communautés européennes - Le contentieux, 1981, blz. 137.
(37) - Zie punt 43.
Full & Egal Universal Law Academy