Conclusie van de advocaat generaal
++++
1 In het onderhavige geval verzoekt het Landessozialgericht fuer das Saarland om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van enkele bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad(1)).
2 Verzoekster in het hoofdgeding, Delavant, is Frans onderdaan en is werkzaam in Frankrijk, waar zij is aangesloten bij een ziekenkas (de Caisse primaire d'assurance maladie de Metz). Zij is gehuwd met een Duits onderdaan en woont samen met hem en hun twee kinderen in Saarbruecken. De echtgenoot van Delavant is werkzaam in Duitsland en is particulier verzekerd. Ingevolge de Duitse wettelijke regeling is hij niet verplicht verzekerd op grond dat zijn inkomen per maand meer bedraagt dan 1/12 van een bepaald, wettelijk vastgesteld bedrag ("jaarinkomensgrens").
3 Verweerster in het hoofdgeding, de Allgemeine Ortskrankenkasse fuer das Saarland, is een Duitse ziekenkas.
4 In 1989 werd een van Delavants kinderen opgenomen in de kliniek Rotes Kreuz te Saarbruecken. Delavant verzocht verweerster om vergoeding van de kosten van die behandeling. Na aanvankelijke weigering ging verweerster, op het bezwaar van verzoekster, hiermee akkoord; zij weigerde evenwel een verklaring af te geven volgens welke Delavant en haar gezinsleden recht hadden op verstrekkingen (waaronder wordt verstaan medische behandeling, ziekenhuisopname, geneesmiddelen etc.), alsof zij bij verweerster waren aangesloten, en wel ongeacht het inkomen van verzoekster of dat van haar echtgenoot. Delavant vocht deze weigering vergeefs aan bij het Sozialgericht fuer das Saarland en stelde vervolgens hoger beroep in bij het Landessozialgericht fuer das Saarland.
5 Delavant baseerde haar beroep op artikel 19, lid 1, sub a, en lid 2, van verordening nr. 1408/71. Artikel 19 bepaalt:
"1. De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde Staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, heeft in de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
b) uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen, voor zover zij krachtens de wettelijke regeling van de Staat, op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht op deze prestaties hebben.
Ingeval de gezinsleden wonen op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid, worden de hun verleende verstrekkingen geacht te zijn verleend voor rekening van het orgaan waarbij de werknemer of zelfstandige is aangesloten, behalve wanneer de echtgeno(o)t(e) of degene die het toezicht over de kinderen heeft, beroepswerkzaamheden verricht op het grondgebied van deze Lid-Staat."
6 Volgens Delavant blijkt uit artikel 19, lid 2, niet alleen, dat zij zelf recht heeft op verstrekkingen die door verweerster voor rekening van het Franse verzekeringsorgaan worden verleend, maar dat dit recht ook aan haar kinderen toekomt. Verweerster is van mening, dat zij (verweerster) op grond van artikel 19, lid 1, sub a, weliswaar verplicht is Delavant voor rekening van het Franse verzekeringsorgaan verstrekkingen te verlenen, alsof zij bij verweerster was aangesloten, doch dat zij ingevolge artikel 19, lid 2, niet verplicht is haar kinderen dergelijke verstrekkingen te verlenen. Verweerster baseert haar weigering om de kinderen verstrekkingen te verlenen op § 10, lid 3, van Boek V van het Sozialgesetzbuch. Volgens deze bepaling (hierna: "§ 10, lid 3, SGB V") zijn kinderen van aangeslotenen bij een ziekenkas niet verzekerd, wanneer de met de kinderen verwante echtgenoot van de aangeslotene niet bij een verplichte ziekenkas is aangesloten en zijn totale inkomen per maand meer bedraagt dan 1/12 van de jaarinkomensgrens en gewoonlijk hoger is dan dat van de aangeslotene. Delavants echtgenoot, die de natuurlijke vader van haar kinderen is, is niet aangesloten bij een verplichte ziekenkas en zijn inkomen overschrijdt bovenbedoelde grens en is gewoonlijk hoger dan dat van Delavant.
7 Het Landessozialgericht fuer das Saarland verzoekt om een prejudiciële beslissing over de vraag,
"of de artikelen 1, sub f-i, 2, lid 1, 3, lid 1, 19, lid 1, sub a, en lid 2, en 20 van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, een rechtsbeginsel bevatten, dat de Lid-Staten verbiedt, de aansluiting van de eigen kinderen van een in een andere Lid-Staat verzekerde grensarbeider bij een stelsel van sociale zekerheid behalve van aan de persoon van de kinderen gebonden voorwaarden ook van de hoogte van het inkomen van de echtgenoot van de grensarbeider afhankelijk te stellen".
8 Artikel 19 van verordening nr. 1408/71 is reeds aangehaald. Volledigheidshalve volgt hieronder de tekst van de andere in voormelde vraag genoemde artikelen. Het begrip "gezinslid" wordt in artikel 1, sub f-i, als volgt omschreven:
"wordt onder `gezinslid' verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend of, in de gevallen bedoeld in artikel 22, lid 1, onder a), en artikel 31, in de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid; indien deze wetgevingen echter uitsluitend als gezinslid of huisgenoot beschouwen degene die bij de werknemer of de zelfstandige inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van deze werknemer of zelfstandige wordt onderhouden. Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat met betrekking tot verstrekkingen wegens ziekte of moederschap het niet mogelijk maakt de gezinsleden te onderscheiden van de andere personen op wie zij van toepassing is, heeft de term `gezinslid' de betekenis die daaraan is gegeven in bijlage I."
9 Artikel 2, lid 1, bepaalt:
"Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen."
10 Artikel 3, lid 1, bepaalt:
"Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."
11 Artikel 20 bepaalt:
"De grensarbeider kan de prestaties op het grondgebied van de bevoegde Staat eveneens verkrijgen. Deze prestaties worden verleend door het bevoegde orgaan, volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof de betrokkene op het grondgebied daarvan woonde. Zijn gezinsleden kunnen op dezelfde wijze de prestaties genieten; zij komen hiervoor, behoudens in spoedgevallen, evenwel slechts in aanmerking wanneer tussen de betrokken Lid-Staten of tussen de bevoegde autoriteiten van die Lid-Staten ter zake een overeenkomst bestaat, of, bij het ontbreken van een zodanige overeenkomst, na voorafgaande toestemming van het bevoegde orgaan."
12 In hun schriftelijke opmerkingen zijn de Commissie en de Belgische, de Franse, de Duitse en de Nederlandse regering het erover eens, dat de relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 niet het in de vraag geponeerde beginsel bevatten. Zij baseren dat standpunt op de uitlegging van het begrip "gezinsleden" in artikel 19, lid 2, van de verordening, met de opmerking dat naar luid van artikel 1, sub f-i, van de verordening onder "gezinslid" wordt verstaan "iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend (...), als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid". Zij betogen, dat in de omstandigheden van het onderhavige geval derhalve naar Duits recht moet worden vastgesteld, wie lid van Delavants gezin is en als zodanig uit hoofde van artikel 19, lid 1, sub a, van de verordening door overeenkomstige toepassing van deze bepaling conform artikel 19, lid 2, in Duitsland recht heeft op verstrekkingen. Volgens hen staat niets in het gemeenschapsrecht - en inzonderheid niets in verordening nr. 1408/71 - eraan in de weg, dat de Duitse wettelijke regeling de kinderen van Delavant verstrekkingen ontzegt, aangezien haar echtgenoot, die de natuurlijke vader van de kinderen is, zelf niet is aangesloten bij een verplichte ziekenkas in Duitsland en zijn totale inkomen per maand een bepaald bedrag overschrijdt en gewoonlijk hoger is dan Delavants eigen inkomen.
13 Hoewel ik instem met de conclusie van de Commissie en de Belgische, de Franse, de Duitse en de Nederlandse regering, ben ik er niet van overtuigd, dat zij op de juiste wijze tot deze conclusie zijn gekomen.
14 De kinderen waarom het gaat, zijn de eigen kinderen van Delavant en zij wonen samen met haar en hun vader in de gezinswoning te Saarbruecken. Ten tijde van de feiten waren zij 11 en 9 jaar. In elk mogelijk relevant rechtsstelsel moeten zij zonder meer als leden van haar gezin worden aangemerkt. In feite lijkt § 10, lid 3, SGB V niet te impliceren, dat de kinderen van Delavant geen leden van haar gezin zijn; hij houdt enkel in, dat zij in de omstandigheden van het onderhavige geval niet uit hoofde van de aansluiting van hun moeder bij een ziekenkas aanspraak kunnen maken op een ziekteverzekering. De door de Commissie en de vier regeringen voorgestelde uitlegging komt er uiteraard op neer, dat het begrip "gezinslid" of "gezinsleden" in de artikelen 1, sub f-i, en 19, lid 2, van de verordening doelt op "gezinsleden die als zodanig recht hebben op sociale-zekerheidsprestaties". Deze uitlegging van het betrokken begrip leidt in casu weliswaar tot een aanvaardbaar resultaat, doch het is niet zeker dat dit altijd het geval is (in het bijzonder wanneer men bedenkt, dat het begrip in een groot aantal andere bepalingen van verordening nr. 1408/71 wordt gehanteerd); bovendien blijft er hoe dan ook het fundamentele bezwaar, dat dit niet de natuurlijke betekenis van "gezinslid" of "gezinsleden" is. Indien de opstellers van de verordening een zinsnede met een dermate precieze inhoud voor ogen had gestaan, zouden zij stellig woorden hebben gekozen die meer aan hun bedoeling beantwoordden dan de uiterst vage begrippen "gezinslid" en "gezinsleden".
15 In plaats van stil te staan bij de betekenis van een bepaald begrip, is het mijns inziens zinvoller de systematiek en het doel van de relevante bepalingen te onderzoeken. Artikel 19 bevat voorschriften voor de algemene situatie waarin een werknemer of zelfstandige op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont (dat wil zeggen de staat waar hij is verzekerd(2), normaliter de staat waar hij werkzaam is). Artikel 20 ziet op een bijzondere situatie, te weten de situatie van een grensarbeider die in verband met zijn werkzaamheden regelmatig een grens oversteekt. In die situaties geldt het algemene beginsel, dat de kosten van het verlenen van verstrekkingen of uitkeringen aan personen die in een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat wonen, - vanzelfsprekend - moeten worden gedragen door het "bevoegde orgaan" (dat wil zeggen het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten(3)).
16 De opstellers van de verordening zagen evenwel in, dat er omstandigheden zijn waarin iemand die in een andere staat woont dan die waar hij is verzekerd, in de staat van de woonplaats medische behandeling behoeft, aangezien de kans dat iemand in zijn woonplaats ziek wordt even groot is als de kans dat hij op de plaats van zijn tewerkstelling ziek wordt. Daartoe schrijft artikel 19, lid 1, sub a, voor, dat de verstrekkingen aan de werknemer of zelfstandige worden verleend door het orgaan van de woonplaats "voor rekening van het bevoegde orgaan". Er zij op gewezen, dat de kosten van die prestaties volledig moeten worden gedragen door het orgaan waarbij de werknemer of zelfstandige is aangesloten, zoals wordt bepaald in artikel 36, lid 1, van de verordening. Derhalve zou het wellicht logisch zijn geweest om voor te schrijven, dat het orgaan van de woonplaats prestaties verleent volgens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bevoegde orgaan, dat toch de kosten moet dragen. Dat zou evenwel geen praktische oplossing zijn, omdat een orgaan dan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat zou moeten toepassen. Dit is ongetwijfeld de reden waarom de opstellers van de verordening in plaats daarvan hebben besloten, dat de verstrekkingen door het orgaan van de woonplaats moeten worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof de betrokkene bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten. Deze oplossing heeft in de praktijk het onmiskenbare voordeel, dat het orgaan dat de verstrekkingen verleent, dit doet volgens de enige wettelijke regeling waarmee het kan worden geacht bekend te zijn, namelijk zijn eigen wettelijke regeling.
17 In het onderhavige geval gaat het om de vraag, wat in artikel 19, lid 2, wordt bedoeld met de overeenkomstige toepassing van artikel 19, lid 1, op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen. Hoewel het begrip "overeenkomstige toepassing" niet altijd bruikbaar is, blijkt in de context tamelijk duidelijk wat hieronder wordt verstaan, namelijk dat de gezinsleden van de verzekerde persoon in de woonplaats recht hebben op de verstrekkingen waarop zij volgens de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wettelijke regeling recht zouden hebben, indien de verzekerde bij dat orgaan was aangesloten. Toegepast op het onderhavige geval, betekent dit, dat Delavants kinderen in Duitsland recht hebben op dezelfde verstrekkingen als waarop zij recht zouden hebben indien Delavant zelf in Duitsland was verzekerd. En hiervoor is reeds gebleken, dat indien Delavant bij de Allgemeine Ortskrankenkasse fuer das Saarland was aangesloten, haar kinderen ingevolge § 10, lid 3, SGB V geen recht zouden hebben op verstrekkingen door dat orgaan, omdat haar echtgenoot niet is aangesloten bij een verplichte ziekenkas en zijn inkomen de door de Duitse wettelijke regeling vastgestelde bovengrens overschrijdt en gewoonlijk hoger is dan haar inkomen.
18 Het is duidelijk, dat Delavants standpunt enkel houdbaar zou zijn, indien de zinsnede "alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten" in artikel 19, lid 1, sub a, in fine, in geval van overeenkomstige toepassing van de bepaling op de gezinsleden van de verzekerde zou betekenen, "alsof de gezinsleden bij laatstbedoeld orgaan waren aangesloten". Die uitlegging zou evenwel logica ontberen. In de schriftelijke opmerkingen is uiteengezet dat § 10, lid 3, SGB V, zo Delavant in Duitsland werkzaam was, ongetwijfeld toepassing zou vinden, en dat haar kinderen niet uit hoofde van de aansluiting van hun moeder bij het verwerend orgaan recht zouden hebben op een ziekteverzekering in Duitsland. Er is geen dwingende reden waarom zij recht zouden moeten hebben op een ziekteverzekering in Duitsland (betaald door het Franse orgaan waarbij Delavant is aangesloten), enkel op grond dat Delavant in Frankrijk en niet in Duitsland werkzaam is. Dit zou in strijd zijn met het fundamentele beginsel van artikel 19, dat een werknemer of zelfstandige die in een ander land woont dan dat waar hij is verzekerd, in het land van de woonplaats recht heeft op behandeling, alsof hij daar was verzekerd. Wanneer dat beginsel wordt toegepast op de gezinsleden van een werknemer of zelfstandige, kan het enkel betekenen, dat zij in het land van de woonplaats recht hebben op de dezelfde behandeling die zij zouden krijgen wanneer de werknemer of zelfstandige in dat land zou zijn verzekerd. Er zij hier aan herinnerd, dat de rechten van het gezin van de werknemer of zelfstandige afgeleide rechten zijn, dat wil zeggen rechten die ontstaan wegens de verwantschap van het gezinslid met de verzekerde persoon, in tegenstelling tot rechten die een gezinslid uit eigen hoofde verwerft. Het argument van Delavant komt erop neer, dat de gezinsleden die in een ander land wonen dan dat waar de werknemer of zelfstandige is verzekerd, automatisch de rechtspositie van zelfstandig verzekerden moeten krijgen. Dat argument is onhoudbaar, omdat het voorbijgaat aan het feit, dat de rechten van de gezinsleden van de werknemer of zelfstandige afgeleide rechten zijn.
19 De verwijzende rechter voert verschillende redenen aan waarom hij betwijfelt, of de toepassing van § 10, lid 3, SGB V in het onderhavige geval verenigbaar zou zijn met het gemeenschapsrecht. Inzonderheid noemt hij het arrest Petroni(4), waarin het Hof van Justitie overwoog, dat de communautaire wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid er niet toe kan leiden, dat de werknemers of zelfstandigen voordelen verliezen die hun door de wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat zijn gewaarborgd. Volgens de verwijzende rechter kan § 10, lid 3, SGB V ertoe leiden, dat Delavant of haar echtgenoot voor de dekking van hun kinderen door een verplichte ziekteverzekering in Duitsland nog eens een bijdrage zouden moeten betalen, hoewel volgens de Franse wetgeving gezinsleden in de regel medeverzekerd zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen van hun ouders, voor zover zij geen eigen inkomen hebben. Toepassing van § 10, lid 3, SGB V zou, aldus de verwijzende rechter, ook schending van het beginsel van gelijke behandeling kunnen opleveren: de hoogte van de premie die een grensarbeider in Frankrijk betaalt, is afgestemd op het risico dat zijn gezinsleden een beroep op verstrekkingen doen, doch ingevolge artikel 20 kunnen de gezinsleden geen verstrekkingen ontvangen, behoudens in spoedgevallen, tenzij de twee betrokken organen een overeenkomst sluiten of het bevoegde orgaan voorafgaande toestemming verleent. Bijgevolg moet een grensarbeider voor de verzekering van zijn gezinsleden uiteindelijk meer betalen dan iemand met een vergelijkbaar inkomen uit een arbeidsbetrekking, die niet de grens behoeft te overschrijden. De verwijzende rechter wijst ook op de onzekerheid die kan ontstaan als gevolg van schommelingen van de wisselkoersen van de Franse frank en de Duitse mark.
20 Mijns inziens kan geen van deze overwegingen van invloed zijn op het antwoord op de gestelde vraag. De toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1408/71 ontnemen Delavant noch haar kinderen enig voordeel dat zij enkel op grond van de Duitse wettelijke regeling zouden genieten. Dat iemand wiens inkomen een bepaalde grens overschrijdt, voor de ziekteverzekering van zijn kinderen een extra bijdrage moet betalen, is op zich evenmin onjuist. Het feit dat een andere Lid-Staat een andere regeling kent, doet niet ter zake, aangezien verordening nr. 1408/71 geen harmonisatie van de sociale-zekerheidsregelingen beoogt, maar de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten enkel cooerdineert.
21 Wat de schommelingen van de wisselkoersen betreft, zij toegegeven dat de aanspraak van Delavants kinderen op verstrekkingen in Duitsland als gevolg van monetaire factoren periodiek kan variëren, aangezien haar inkomen soms hoger is dan dat van haar echtgenoot. Deze onzekerheid verschilt echter niet wezenlijk van de onzekerheid als gevolg van andere factoren die de verhouding tussen de inkomens van de echtgenoten beïnvloeden, zoals bevordering of overwerk. Voorts zij opgemerkt, dat de kinderen van een aangeslotene bij een ziekenkas hun aanspraak op verstrekkingen ingevolge § 10, lid 3, SGB V alleen dan verliezen, wanneer het inkomen van de echtgenoot van de aangeslotene gewoonlijk hoger is dan dat van de aangeslotene zelf. Hierdoor lijkt een verlies van de aanspraak als gevolg van korte-termijn-schommelingen uitgesloten.
22 In de prejudiciële vraag wordt gewag gemaakt van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat het beginsel behelst van "nationale behandeling" voor personen op wie de verordening van toepassing is en die in een Lid-Staat wonen. Dat beginsel wordt duidelijk niet geschonden door § 10, lid 3, SGB V, die niet rechtstreeks of anderszins discrimineert op grond van nationaliteit. Hier kan worden volstaan met de opmerking, dat Delavant op precies dezelfde wijze wordt behandeld als een Duits onderdaan in dezelfde omstandigheden.
23 Artikel 20 van de verordening lijkt evenwel op het eerste gezicht een mogelijke schending van het in het arrest Petroni erkende beginsel in te houden, wanneer het Delavants kinderen op grond van dit artikel onmogelijk is in Frankrijk verstrekkingen te ontvangen waarop zij anderszins ingevolge de Franse wettelijke regeling recht zouden hebben. Volgens de Commissie zouden de kinderen enkel uit hoofde van het Franse recht dergelijke prestaties in Frankrijk feitelijk niet kunnen verkrijgen, zolang zij in Duitsland wonen. Dit aspect is hoe dan ook in de onderhavige zaak niet aan de orde, nu het hier enkel gaat om de wettigheid van de door een Duits orgaan van de sociale zekerheid gevolgde praktijk.
Conclusie
24 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Landessozialgericht fuer das Saarland te beantwoorden als volgt:
De artikelen 1, sub f-i, 2, lid 1, 3, lid 1, 19, lid 1, sub a, en lid 2, en 20 van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, verbieden een Lid-Staat niet, de aansluiting van de kinderen van een in een andere Lid-Staat verzekerde grensarbeider bij een stelsel van sociale zekerheid in die Lid-Staat behalve van aan de persoon van de kinderen gebonden voorwaarden ook van de hoogte van het inkomen van de echtgenoot van de grensarbeider afhankelijk te stellen.
(1) - PB 1983, L 230, blz. 6. Voor een geconsolideerde versie van de verordening zie PB 1992, C 325, blz. 1.
(2) - Zie artikel 1, sub o en sub g, van verordening nr. 1408/71.
(3) - Zie artikel 1, sub o, van verordening nr. 1408/71.
(4) - Arrest van 21 oktober 1975, zaak 24/75, Jurispr. 1975, blz. 1149.
Full & Egal Universal Law Academy