Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. P. Magdalena Fernández, ambtenaar van de Commissie van Spaanse nationaliteit, heeft bij het Gerecht van eerste aanleg beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 1992 van de administratie, waarbij hem de ontheemdingstoelage bedoeld in artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut was geweigerd.
Ik memoreer, dat volgens deze bepaling de ontheemdingstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar "die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen en die deze ook nooit heeft bezeten, en die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie."
2. Bij arrest van 28 september 1993(1) verwierp het Gerecht het beroep, omdat in casu niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, dat wil zeggen dat de betrokkene tijdens de referentieperiode geen gewone verblijfplaats of zijn voornaamste beroepsbezigheden op het grondgebied van de staat van de standplaats heeft gehad (r.o. 24-30).
Meer in het bijzonder verwierp het Gerecht verzoekers betoog, dat hij de eerste acht maanden van de referentieperiode in Spanje had verbleven(2); het achtte dit irrelevant, omdat "verzoeker na dit verblijf juist zoals ervoor, in Luik heeft gewoond en gewerkt. Een dergelijke sporadische, kortstondige afwezigheid uit het land van de standplaats is van te weinig belang om aan de verblijfplaats van verzoeker in het land van de standplaats het karakter van gewone verblijfplaats in de zin van genoemde bepaling van het Statuut te ontnemen. Deze afwezigheid betreft immers enkel de eerste acht maanden van de referentieperiode en volstaat bijgevolg niet om het regelmatige verblijf van verzoeker in België sedert 1965 als onderbroken aan te merken, gegeven het feit dat hij tijdens de gehele resterende referentieperiode zonder onderbreking in deze staat heeft gewoond" (r.o. 29).
3. Het is met name tegen deze overwegingen van het bestreden arrest dat Magdalena Fernández hogere voorziening heeft ingesteld. Hij meent, dat het Gerecht bij de bepaling van de gewone verblijfplaats geen rekening heeft gehouden met, of althans een verkeerde betekenis heeft gehecht aan het verblijf van acht maanden in Spanje en aldus artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut heeft geschonden.
De Commissie werpt tegen deze grief een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, daar requirant haars inziens aldus de feitelijke beoordeling(3) door het Gerecht ter discussie stelt, hetgeen in hogere voorziening voor het Hof niet is toegelaten.
4. De exceptie lijkt mij evenwel niet ter zake dienend. In feite wil requirant niet zozeer betwisten, dat hij tijdens nagenoeg de gehele referentieperiode effectief in België heeft gewoond, als wel de uit het arrest van het Gerecht blijkende beoordeling, dat acht maanden verblijf in Spanje van onvoldoende belang is om het (gewone) verblijf sedert 1965 in België als onderbroken te beschouwen. Volgens requirant heeft het Gerecht het niet eens dienstig geacht na te gaan of, en in welke mate, het verblijf in België door het verblijf in Spanje is onderbroken.
De grief is bijgevolg niet gericht tegen de feitelijke beoordeling door het Gerecht, maar tegen zijn uitlegging van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut, meer in het bijzonder van het begrip "gewone verblijfplaats".
5. Waar het in wezen dus om gaat, is of een onderbreking van het verblijf tijdens de referentieperiode ipso facto bepalend is voor het recht op ontheemdingstoelage en, meer in het bijzonder, of het Gerecht terecht heeft geoordeeld, dat de buiten de staat van de standplaats doorgebrachte periode van onvoldoende belang is om, overeenkomstig genoemde bepaling van het Statuut, aan de verblijfplaats in België het karakter van gewone verblijfplaats te ontnemen.
Dit gezegd zijnde, breng ik vooreerst in herinnering, dat volgens vaste rechtspraak "de ontheemdingstoelage is bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde genoodzaakt zijn hun woonplaats te verleggen van het land van hun domicilie naar het land waar hun standplaats is gelegen, en die zich in een nieuwe omgeving moeten integreren. Anderzijds hangt het begrip ontheemding eveneens af van de subjectieve situatie van de ambtenaar, dat wil zeggen van de mate waarin hij in zijn nieuwe omgeving is geïntegreerd, die bij voorbeeld wordt bepaald door zijn gebruikelijke woonplaats of door de uitoefening van zijn voornaamste beroepsbezigheid."(4)
6. Uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut en uit het doel van de ontheemdingstoelage, zoals in bovengeciteerde rechtspraak toegelicht, blijkt duidelijk, dat de (gewone) verblijfplaats van de ambtenaar vóór de indiensttreding een essentieel criterium is voor de toekenning van het recht op ontheemdingstoelage.
Het is juist, dat het Statuut geen omschrijving van het begrip "gewone verblijfplaats" bevat en enkel verwijst naar de plaats waar de ambtenaar regelmatig woonachtig is geweest. Maar uit vaste rechtspraak van het Hof ° ook op andere gebieden van het gemeenschapsrecht ° is echter duidelijk, dat onder gewone verblijfplaats moet worden verstaan "de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd"(5), en dat, wanneer het om het bewijs gaat, moet worden gezien naar alle feitelijke omstandigheden die voor het begrip verblijfplaats bepalend zijn.(6)
7. Nu heeft het Gerecht bevonden, en dat wordt door requirant niet betwist, dat deze tijdens de referentieperiode ° met uitzondering van acht maanden verblijf in Spanje ° zijn verblijfplaats effectief in België had. Daarom mag aan de omstandigheid dat betrokkene tijdens de referentieperiode (gedurende acht maanden) fysiek afwezig was uit het land van de standplaats, niet zoveel belang worden toegemeten ° zoals requirant wenst te doen °, dat zij automatisch een onderbreking zou teweegbrengen van het sedert 1965 in België gevestigde verblijf en alleen al daarom recht op de ontheemdingstoelage zou verschaffen.(7)
Dit neemt evenwel niet weg, dat in het licht van de geciteerde rechtspraak toch nog moet worden nagegaan, of een dergelijke onderbreking toelaat te stellen, dat betrokkene zijn belangencentrum naar een andere staat heeft overgebracht.
8. Dienaangaande herinner ik eraan, dat de eerste rechter tot de conclusie is gekomen, dat het verblijf in Spanje niet voldoende van belang was om aan de verblijfplaats van verzoeker in het land van de standplaats haar "karakter van gewone verblijfplaats te ontnemen" (r.o. 29). Ik meen deze conclusie te moeten overnemen, daar het Gerecht tevens heeft vastgesteld, dat requirant "(slechts) voorlopig is vertrokken" naar Spanje en vervolgens weer in België heeft gewoond en gewerkt. Rekening gehouden met de uitlegging van het begrip "gewone verblijfplaats" mag de afwezigheid van acht maanden uit België inderdaad niet worden aangemerkt als een omstandigheid die impliceert dat betrokkene zijn belangencentrum naar Spanje heeft overgebracht, een en ander op straffe van algehele verdraaiing van de betekenis en het doel van artikel 4, lid 1, sub a, van bijlage VII bij het Statuut.
De grief is derhalve ongegrond; in casu kan immers niet worden gesteld dat het Gerecht in zijn uitlegging van het recht heeft gedwaald.
9. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof derhalve in overweging, de hogere voorziening van Magdalena Fernández af te wijzen.
Wat de kosten betreft, stel ik voor, requirant in alle proceskosten te verwijzen, daaronder begrepen de kosten die de andere partij in hogere voorziening heeft gemaakt.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° Zaak T-90/92, Magdalena Fernández (Jurispr. 1993, blz. II-971).
(2) ° Het Gerecht heeft meer bepaald geconstateerd, dat verzoeker effectief in België heeft gewoond van 1965 tot 1 mei 1986, behoudens tijdens de periode van 1 oktober 1980 tot 28 juni 1981, tijdens welke hij blijkens een attest van het consulaat van Spanje voorlopig naar Spanje was teruggekeerd. Aangezien de referentieperiode zich uitstrekt van 1 november 1980 tot 30 oktober 1985, heeft requirant gedurende de eerste acht maanden van de referentieperiode niet in België gewoond (r.o. 28 van het arrest).
(3) ° R.o. 28 van het arrest van het Gerecht.
(4) ° Arrest van 10 oktober 1989, zaak 201/88, Atala Palmerini, Jurispr. 1988, blz. 3109, r.o. 9; ook arresten van 8 april 1992, zaak T-18/91, Costacurta Gelabert, Jurispr. 1992, blz. II-1655, r.o. 42, en 30 maart 1993, zaak T-4/92, Vardakas, Jurispr. 1993, blz. II-357, r.o. 39.
(5) ° Recentelijke arresten van 23 april 1991, zaak C-297/89, Ryborg, Jurispr. 1991, blz. I-1943, r.o. 19, en 10 juli 1992, zaak T-63/91, Benzler, Jurispr. 1992, blz. II-2095, r.o. 25.
(6) ° Arrest van 14 juli 1988, zaak 284/87, Schaeflein, Jurispr. 1988, blz. 4475, r.o. 10.
(7) ° Voor dit punt zie arrest van 9 oktober 1984, zaak 188/83, Witte, Jurispr. 1984, blz. 3465, r.o. 9-12.
Full & Egal Universal Law Academy