CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. COSMAS
van 23 maart 1995 ( *1 )
I — Het hoofdgeding — De prejudiciële vragen
1.
In maart 1987 diende Thyssen Haniel Logistic GmbH (hierna: „Thyssen”) een douaneaangifte in betreffende de invoer van bepaalde als „Amino Acid AA Mixture Peco” (poedervormige, gedoseerde en steriele mengsels van verschillende aminozuren voor de bereiding van infuusoplossingen) omschreven goederen uit een douanedepot. Thyssen gaf deze goederen aan als „geneesmiddelen, niet gereed voor de verkoop in het klein” van code nr, 300329090 van het Duitse douanetarief (postonderverdeling 30.03 A II b van het gemeenschappelijk douanetarief). ( 1 ) Het Hauptzollamt Hamburg-St. Annen (hierna: „Hauptzollamt”) deelde de goederen evenwel in als „andere produkten voor menselijke consumptie” van post 21.07 van het GDT en stelde op grond van die indeling de verschuldigde rechten vast. Het Finanzgericht Hamburg, waarbij Thyssen beroep had ingesteld, verklaarde dit beroep gegrond met de overweging, dat de litigieuze goederen inderdaad onder postonderverdeling 30.03 A II b van het GDT vielen. Doordat het Hauptzollamt beroep tot Revision instelde, werd de zaak aangebracht bij het Bundesfinanzhof. Daar dit twijfelde aan de uitlegging van de betrokken posten van het GDT, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en bij beschikking van 19 oktober 1993 het Hof verzocht om een antwoord op de volgende prejudiciële vragen:
„1)
Moet het gemeenschappelijk douanetarief (1987) aldus worden uitgelegd, dat voor tariefpost 30.03 (in casu: postonderverdeling 30.03 AII b) produkten zoals poedervormige, gedoseerde en steriele mengsels van verschillende aminozuren voor de bereiding van infuusoplossingen als ‚geneesmiddelen’ zijn aan te merken?
2)
Zo neen: moet het gemeenschappelijk douanetarief (1987) aldus worden uitgelegd, dat goederen zoals bedoeld in vraag 1, vallen onder ‚andere produkten voor menselijke consumptie’ van tariefpost 21.07?”
II — De relevante posten van het gemeenschappelijk douanetarief — De rechtsvragen
2.
Hoofdstuk 21 van het GDT draagt het opschrift „Diverse produkten voor menselijke consumptie” en bevat de posten 21.02 („Extracten en essences, van koffie, van thee of van maté en preparaten van deze extracten of essences; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten en extracten daarvan”), 21.03 („Mosterdmeel en bereide mosterd”), 21.04 („Sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke produkten”), 21.05 („Preparaten voor soepen of voor bouillons; bereide soepen en bouillons; samengestelde gehomogeniseerde produkten voor menselijke consumptie”), 21.06 („Natuurlijke gist, ook indien inactief; samengestelde bakpoe-ders”) en ten slotte post 21.07, die volgens de tekst betrekking heeft op „Produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen”. Volgens de aantekeningen bij hoofdstuk 21 (aantekening 1, sub d) omvat dit hoofdstuk onder meer niet „gist opgemaakt als geneesmiddel en de andere produkten, bedoeld bij post 30.03”.
3.
Hoofdstuk 30 van het GDT („Farmaceutische produkten”) bevat onder meer post 30.03, die volgens de tekst betrekking heeft op „Geneesmiddelen voor mensen en dieren”. Onder postonderverdeling 30.03 A vallen met name geneesmiddelen „niet gereed voor de verkoop in het klein: I. bevattende jood (jodium) of joodverbindingen (jodiumverbindingen), II. andere: a) bevattende penicilline, streptomycine of derivaten van deze produkten: 1. bevattende penicilline of derivaten daarvan, 2. andere, b) overige”. Volgens de aantekeningen bij hoofdstuk 30 (aantekening 1) wordt onder „geneesmiddelen” in de zin van post 30.03 verstaan „a) produkten, welke met het oog op therapeutisch of profylactisch gebruik gemengd zijn; b) onvermengde produkten, welke geschikt zijn voor hetzelfde gebruik en welke met het oog op dat gebruik hetzij zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein, hetzij voorkomen in afgemeten hoeveelheden”. In diezelfde aantekening staat uitdrukkelijk, dat post 30.03 geen betrekking heeft op „voedingsmiddelen en dranken (zoals dieetvoeding, veredelde voedingsmiddelen, voedingsmiddelen voor diabetici, opwekkende dranken en mineraalwater)”.
4.
Zoals ik al zei, omschreef Thyssen in de aangifte het in te klaren produkt als „poedervormige, gedoseerde en steriele mengsels van verschillende aminozuren voor de bereiding van infuusoplossingen”. Blijkens de gegevens in de verwijzingsbeschikking en de schriftelijke opmerkingen van partijen in deze procedure kan het geschilpunt over de tariefindeling van voornoemd produkt als volgt worden geformuleerd: terwijl Thyssen van mening is dat het beslissende indelingscriterium te vinden is in het feit dat het litigieuze mengsel bestemd is voor de bereiding van infuusoplossingen die worden gebruikt voor kunstmatige parenterale voeding, meent de douane dat het mengsel, gelet op zijn samenstelling, dient te worden aangemerkt als een „produkt voor menselijke consumptie”, aangezien het bij het indienen van de aangifte nog geen eindprodukt voor kunstmatige voeding was en het evenmin kon worden beschouwd als een niet afgewerkt produkt met dezelfde bestemming (daar het nog tot een ander produkt kon worden verwerkt). De belangrijkste rechtsvragen in deze zaak zijn dus de volgende: 1) Moet bij de tariefindeling van het litigieuze produkt enkel rekening worden gehouden met de samenstelling ervan, of ook met het gebruik waarvoor het is bestemd? 2) Indien de bestemming van het produkt beslissend is voor de tariefindeling, wat is dan de invloed van de overweging van het Hauptzollamt, dat het produkt ten tijde van de aangifte voor meer dan één doel kon worden gebruikt?
III — Antwoord op de prejudiciële vragen
5.
In het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle moet volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 2 ) het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de posten van het GDT en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven. Uit de zojuist genoemde rechtspraak meen ik te mogen afleiden, dat het Hof als „objectieve kenmerken en eigenschappen” vooral beschouwt de kenmerken en eigenschappen die verband houden met de samenstelling van het produkt ( 3 ), dat wil zeggen het element dat bij de inklaring als eerste kan worden onderzocht (of geverifieerd). In de rechtspraak van het Hof wordt niettemin erkend, dat wanneer een post van het GDT of de aantekeningen daarbij uitdrukkelijk naar andere dan de zojuist genoemde criteria verwijzen, deze van invloed zijn op de tariefindeling van het produkt. Tot dergelijke criteria behoren de fabricagemethode van het produkt ( 4 ), maar ook zijn bestemming ( 5 ), hetgeen dan een objectief indelingscriterium wordt ( 6 ): zoals het Hof indirect opmerkte ( 7 ), volstaat het dat zij een inherente eigenschap van het goed is.
6.
Post 21.07 van het GDT („Produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen”) geeft geen definitie van het begrip „produkten voor menselijke consumptie”. Ook in de aantekeningen bij hoofdstuk 21 staat geen definitie van dit begrip ( 8 ): aantekening 1, sub d, sluit evenwel „gist opgemaakt als geneesmiddel en de andere produkten, bedoeld bij post 30.03” uit van de werkingssfeer van hoofdstuk 21. Volgens de toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (hierna: „IDR”) betreffende post 21.07 ( 9 ), worden — voor zover zij niet zijn begrepen onder andere posten van het tarief — als „produkten voor menselijke consumptie” beschouwd bereidingen, welke als zodanig of na behandeling, voor menselijke consumptie zijn bestemd (punt A) en bereidingen die geheel of gedeeltelijk uit voedingsstoffen bestaan en die gebruikt worden bij de vervaardiging van dranken of produkten voor menselijke consumptie (punt B). De toelichtingen vermelden als voorbeeld van de tweede categorie produkten mengsels van chemicaliën (bij voorbeeld organische zuren) en voedingsstoffen (bij voorbeeld meel of suiker), en die bestemd zijn om aan preparaten voor menselijke consumptie te worden toegevoegd, hetzij als samenstellend bestanddeel, hetzij om bepaalde eigenschappen ervan te verbeteren. Overeenkomstig de betekenis die volgens de toelichting aan post 21.07 van het GDT moet worden gegeven, kan een produkt dus slechts onder deze post worden ingedeeld wanneer het geheel of gedeeltelijk uit voedingsstoffen bestaat en het voor menselijke consumptie is bestemd, hetzij als zodanig of na behandeling, dan wel bestemd is om aan een ander produkt voor menselijke consumptie te worden toegevoegd als een samenstellend bestanddeel of om bepaalde eigenschappen ervan te verbeteren.
7.
Post 30.03 van het GDT geeft geen definitie van het begrip „geneesmiddelen”. Uit het gebruik van het voorzetsel „voor” („geneesmiddelen voor mensen en dieren”) blijkt mijns inziens echter duidelijk, dat het criterium om een goed in principe onder deze post in te delen, niet zijn samenstelling is (die niettemin opnieuw betekenis krijgt voor de indeling onder de verschillende postonderverdelingen), maar wel zijn bestemming. Dit wordt bevestigd door de aantekeningen bij hoofdstuk 30 van het GDT (zie hiervoor, punt 3), volgens welke (aantekening 1, sub a en b) het begrip „geneesmiddelen” in post 30.03 aldus moet worden verstaan, dat het van toepassing is op produkten welke met het oog op therapeutisch of profylactisch gebruik gemengd zijn {en vue d'usages thérapeutiques ou prophylactiques), alsmede op onvermengde produkten, welke geschikt zijn voor hetzelfde gebruik en welke met het oog op dat gebruik hetzij zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein, hetzij voorkomen in afgemeten hoeveelheden. Ten slotte komt de tekst van de betrokken post van het GDT overeen met de IDR-toelichtingen over post 30.03, volgens welke „geneesmiddelen” produkten zijn voor therapeutisch of profylactisch gebruik bij mensen en dieren tegen ziekten, voor inwendig of uitwendig gebruik. ( 10 )
8.
Gelet op hetgeen voorafgaat, staat vast, dat hoe dan ook als „geneesmiddelen” in de zin van post 30.03 van het GDT moeten worden beschouwd, preparaten die worden gebruikt om bepaalde ziekten te genezen of te voorkomen. Het Hof overwoog trouwens ( 11 ), dat onder post 30.04 van het GDT [dat in de in 1990 geldende versie van het GDT „geneesmiddelen (...), bestaande uit al dan niet vermengde produkten voor therapeutisch of profylactisch gebruik” omvatte] moet worden ingedeeld een produkt dat nauwkeurig omschreven therapeutische en vooral profylactische kenmerken heeft, waarvan de werking zich op welbepaalde functies van het menselijk organisme richt. Volgens mij moeten evenwel ook onder post 30.03 worden ingedeeld de preparaten die, ofschoon zij geen eigenlijke therapeutische of profylactische werking tegen een bepaalde ziekte hebben, in de medische wetenschap worden gebruikt ter behandeling van een welbepaalde stoornis van de lichaamsfuncties, die slechts een symptoom van een bepaalde ziekte is of optreedt ten gevolge van de behandeling van een bepaalde ziekte. Aldus komt men logischerwijs tot de slotsom, dat een preparaat dat wordt gebruikt voor infusen voor kunstmatige parenterale voeding ter behandeling van een toestand waarin de lichaamsfuncties in die mate zijn aangetast, dat de patiënt niet meer langs natuurlijke weg (dus oraal) kan worden gevoed, moet worden beschouwd als een geneesmiddel in de zin van post 30.03 van het GDT, ook al is liet enkel uit voedingsstoffen samengesteld. Dit stemt volkomen overeen met de IDR-toelichtingen betreffende post 30.03, die, ofschoon zij bepalen dat „voedingspreparaten welke enkel voedzame zelfstandigheden bevatten” niet in deze post thuishoren, ook bepalen (punt A, sub 4), dat als „geneesmiddelen” worden beschouwd voedingspreparaten welke bestemd zijn om anders dan door de mond te worden toegediend. ( 12 )
9.
De voorgaande overwegingen over de werkingssfeer van de betrokken tariefposten brengen mij tot de volgende conclusie: 1) Een preparaat dat geheel of gedeeltelijk uit voedingsstoffen besttat, moet onder post 21.07 van het GDT worden ingedeeld wanneer het niet in een andere post van dit hoofdstuk kan worden ingedeeld en het als zodanig, na behandeling of nadat het aan een ander voedingspreparaat is toegevoegd, bestemd is voor menselijke consumptie. 2) Het moet onder post 30.03 worden ingedeeld wanneer het bestemd is voor infusen voor kunstmatige parenterale voeding ter behandeling van bepaalde storingen van de lichaamsfuncties, die voeding langs natuurlijke weg onmogelijk maken.
10.
Deze conclusie volstaat niet om de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden. Zoals ik al zei, betrof de aangifte van Thyssen immers niet een produkt dat als zodanig als infuus voor kunstmatige voeding wordt gebruikt, maar op een poedervormig mengsel van aminozuren dat was bestemd ter bereiding van infuusoplossingen. Volgens de verklaring van het Hauptzollamt voor het Bundesfinanzhof konden de in geding zijnde goederen op het ogenblik van de inklaring nog op andere wijze tot een ander produkt worden verwerkt. Welke invloed heeft dit op de tariefindeling van het goed?
11.
Het GDT deelt aminozuren in beginsel in onder de „organische chemische produkten” van hoofdstuk 29 (postonderverdeling 29.23 D). Uit de verwijzingsbeschikking blijkt evenwel indirect, dat de aminozuren in het door Thyssen ingevoerde mengsel stoffen zijn die voedingswaarde bezitten. ( 13 ) ( 14 ) In de schriftelijke opmerkingen die zij bij het Hof heeft ingediend, verdedigt ook de Commissie dit standpunt, waarbij zij onder meer het volgende opmerkt: 1) Volgens de overwegingen in de verwijzingsbeschikking zijn aminozuren de bouwstenen van eiwitten. 2) Volgens de IDR-toelichtingen betreffende post 30.03 behoren eiwitten tot de belangrijkste voedingsstoffen. Indien dit mengsel door de aan zijn specifieke eigenschappen inherente bestemming is voorbestemd om als zodanig of na een bepaalde behandeling te worden gebruikt voor menselijke consumptie via natuurlijke weg of om aan een ander voedingspreparaat te worden toegevoegd, dan moet in het licht van hetgeen voorafgaat, worden vastgesteld dat het moet worden ingedeeld onder post 21.07 van het GDT ( 15 ), zonder dat de loutere mogelijkheid dat het produkt ook anderszins kan worden gebruikt enige rol speelt. In dat geval moet het mengsel later onder één van de postonderverdelingen van post 21.07 worden ingedeeld aan de hand van de voor die postonderverdelingen gehanteerde criteria en van de concrete omstandigheden van de zaak, die uiteraard door de nationale rechter moeten worden vastgesteld.
12.
Niettemin blijkt uit de door het Hauptzollamt bij het Hof ingediende opmerkingen noch uit de stukken van het dossier, dat het door Thyssen ingevoerde mengsel inderdaad bestemd is om als zodanig of na behandeling voor natuurlijke menselijke consumptie te worden gebruikt of om aan een voedingspreparaat te worden toegevoegd. ( 16 ) Volgens de verwijzingsbeschikking ligt het meer voor de hand aan te nemen, „dat de produkten wat hun aard betreft uitsluitend voor medische toepassing (...) in aanmerking komen”. Daarmee sluit de verwijzingsbeschikking aan bij de expertise van 22 maart 1991 van het „Institut Fresenius — Chemische und Biologische Laboratorien GmbH”, waarop Thyssen zich beroept in haar bij het Hof ingediende opmerkingen, waarin zij preciseert dat zij zich reeds in de procedure voor de nationale rechterlijke instanties op deze expertise had beroepen. Volgens deze expertise, waarnaar ook de Commissie verwijst, is het gebruik van een mengsel van aminozuren met kenmerken als die van het in geding zijnde mengsel in de voeding weliswaar theoretisch denkbaar, maar economisch „hoogst onwaarschijnlijk”, daar „de tegen hoge kosten bereikte grote microbiologische en chemische zuiverheid en het pyrogeenvrije karakter van het produkt een dergelijk gebruik in de praktijk beletten”.
13.
Dit laatste is beslissend om de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden. Indien het gebruik van een mengsel met kenmerken als die van het in geding zijnde mengsel in de normale menselijke voeding namelijk zuiver theoretisch is en het in geding zijnde mengsel wordt gebruikt voor de bereiding van infuusoplossingen voor kunstmatige parenterale voeding (hetgeen niemand lijkt te betwisten), dan dient enkel nog de vraag te worden beantwoord, of deze beide elementen te zamen een criterium kunnen opleveren voor de indeling van het mengsel onder post 30.03, waaronder — zoals ik al zei — preparaten voor kunstmatige voeding worden ingedeeld.
14.
Ik stel voor, deze vraag bevestigend te beantwoorden. In punt 5 van deze conclusie heb ik er reeds op gewezen, dat uit de rechtspraak van het Hof indirect blijkt, dat de bestemming van een goed een objectief indelingscriterium kan zijn wanneer die bestemming een inherente eigenschap van het goed is. Uit de expertise van het Institut Fresenius blijkt, dat het gebruik van een mengsel als het in geding zijnde in de normale menselijke voeding door zijn inherente eigenschappen (grote microbiologische en chemische zuiverheid, pyrogeenvrij karakter van het produkt) in de praktijk uitgesloten is. Mijns inziens kan men daaruit gemakkelijk afleiden, dat juist deze inherente eigenschappen van het mengsel de eigenschappen zijn op grond waarvan dit produkt in de praktijk uitsluitend in de medische sector wordt gebruikt bij de bereiding van infuusoplossingen. Ook het Bundesfinanzhof lijkt dit aannemelijk te vinden, waar het, zoals ik al zei, verklaart dat het meer voor de hand ligt, „dat de produkten wat hun aard betreft ( 17 ), uitsluitend voor medische toepassing (...) in aanmerking komen”. Deze bestemming, die inherent is aan de eigenschappen van het mengsel, kan dan ook worden beschouwd als een objectief criterium voor de indeling onder post 30.03 van het GDT ( 18 ), meer bepaald (gelet op de poedervorm en op het feit dat het niet gereed is voor de verkoop in het klein) onder postonderverdeling 30.03 A II b.
15.
Samenvattend ben ik van oordeel, dat de vragen van het Bundesfinanzhof als volgt moeten worden beantwoord: het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3618/86 moet aldus worden uitgelegd, dat produkten als poedervormige, steriele en nauwkeurig gedoseerde mengsels van aminozuren, die niet gereed zijn voor de verkoop in het klein, moeten worden ingedeeld onder post 30.03 (postonderverdeling 30.03 A II b) wanneer zij in de praktijk op grond van hun specifieke kenmerken uitsluitend bestemd zijn voor de bereiding van infuusoplossingen, of onder post 21.07 wanneer zij op grond van hun specifieke kenmerken zijn bestemd om als zodanig of na behandeling voor natuurlijke menselijke consumptie te worden gebruikt of om aan voedingspreparaten te worden toegevoegd. In dat geval speelt de loutere mogelijkheid dat de produkten voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt (bij voorbeeld voor de bereiding van infuusoplossingen), geen enkele rol; zij moeten later onder een van de postonderverdelingen van deze post worden ingedeeld aan de hand van de voor die postonderverdelingen gehanteerde criteria en van de concrete omstandigheden van de zaak, die door de nationale rechter moeten worden vastgesteld.
16.
Volledigheidshalve en ter precisering van de oplossing waartoe ik ben gekomen, voeg ik daar nog het volgende aan toe: in de opmerkingen die zij bij het Hof heeft ingediend, stelt de Commissie op grond van een analyse die goeddeels met de mijne overeenkomt, dat het GDT aldus moet worden uitgelegd, dat produkten als die welke Thyssen heeft ingevoerd, onder post 30.03 moeten worden ingedeeld. Zij voegt daaraan toe, dat men tot dezelfde slotsom zou komen op grond van een van de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, genoemd in deel I, titel I, sub A, van de bijlage bij verordening nr. 3618/86, die hier van toepassing is. De Commissie beroept zich meer bepaald op de algemene bepaling van punt 2, sub a, eerste zin („De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet complete of in niet afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont”) en stelt, dat indien men aanvaardt dat „het complete of het afgewerkte goed” hier de infuusoplossing is die ontstaat door aan het in geding zijnde mengsel water toe te voegen, het mengsel kan worden beschouwd als„goed in niet complete of in niet afgewerkte staat” met de essentiële kenmerken van „het complete of het afgewerkte goed”, en dat het dus onder dezelfde post moet worden ingedeeld.
17.
Mijns inziens kan deze redenering om twee redenen niet worden aanvaard. 1) Volgens punt III van de commentaar van de IDR betreffende de door de Commissie ingeroepen algemene bepaling, is deze regel, in verband met de draagwijdte van de posten, „praktisch niet” van toepassing op de goederen van de afdelingen IVI, namelijk de hoofdstukken I-38, van het GDT. Zoals de Commissie terecht opmerkt, heeft het Hof weliswaar geoordeeld ( 19 ), dat op grond van de termen „praktisch niet” niet volledig kan worden uitgesloten, dat deze algemene bepaling bij wijze van uitzondering op een tariefpost van de hoofdstukken I-38 van het GDT kan worden toegepast. Uit de stukken en het betoog van de Commissie kan mijns inziens evenwel niet worden afgeleid, dat er inderdaad sprake is van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op grond waarvan de regel van punt 2, sub a, op de hier in het geding zijnde posten van het GDT kan worden toegepast. 2) Los daarvan zie ik niet in, hoe een poedervormig produkt voor de bereiding van infuusoplossingen kan worden geacht de wezenlijke kenmerken te vertonen van een infuusoplossing, aangezien het hoe dan ook het wellicht meest fundamentele kenmerk van die oplossing ontbeert, namelijk de mogelijkheid om rechtstreeks als infuus te kunnen worden gebruikt. Volgens mij kan het produkt waarop de vragen van het Bundesfinanzhof betrekking hebben, als „geneesmiddel” onder post 30.03 worden ingedeeld, niet omdat het een „goed in niet afgewerkte staat” is met de wezenlijke kenmerken van een „goed in afgewerkte staat” (de infuusoplossing), maar omdat het, aangezien zijn gebruik voor de bereiding van infuusoplossingen inherent is aan zijn specifieke kenmerken, op zichzelf een preparaat is dat in de geneeskunde wordt gebruikt voor kunstmatige voeding.
IV — Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„Het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3618/86 moet aldus worden uitgelegd, dat produkten als poedervormige, steriele en nauwkeurig gedoseerde mengsels van aminozuren, die niet gereed zijn voor de verkoop in het klein, moeten worden ingedeeld onder post 30.03 (postonderverdeling 30.03 A II b) wanneer zij in de praktijk op grond van hun specifieke kenmerken uitsluitend bestemd zijn voor de bereiding van infuusoplossingen, of onder post 21.07 wanneer zij op grond van hun specifieke kenmerken zijn bestemd om als zodanig of na behandeling voor natuurlijke menselijke consumptie te worden gebruikt of om aan voedingspreparaten te worden toegevoegd. In dat geval speelt de loutere mogelijkheid dat de produkten voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt (bij voorbeeld voor de bereiding van infuusoplossingen), geen enkele rol; zij moeten later onder een van de postonderverdelingen van deze post worden ingedeeld aan de hand van de voor die postonderverdelingen gehanteerde criteria en van de concrete omstandigheden van de zaak, die door de nationale rechter moeten worden vastgesteld.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Grieks.
( 1 ) De posten en postonderverdelingen slaan op het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: „GDT”) in de versie die bij de indiening van de aangifte van kracht was: zie de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3618/86 van de Rand van 24 november 1986 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3331/85 tot wijziging van verordening (EEG) nr, 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1986, L 345, biz. 1).
( 2 ) Zie onder meer arresten van 9 augustus 1994 (zaak C-395/93, Neckermann Versand, Jurispr. 1994, blz. I-4027, r. o. 5), 31 maart 1992 (zaak C-338/90, Hamlin Electronics, Jurispr. 1992, blz. I-2333, r. o. 8), 7 mei 1991 (zaak C-120/90, Post, Jurispr. 1991, blz. I-2391, r. o. 11), 25 mei 1989 (zaak 40/88, Weber, Jurispr. 1989, blz. 1395, r. o. 13) en 17 maart 1983 (zaak 175/82, Dinter, Jurispr. 1983, blz. 969, r. o. 10).
( 3 ) Zie bij voorbeeld arrest Weber, reeds aangehaald, r. o. 19 en 20.
( 4 ) Zie bij voorbeeld arresten van 16 juni 1994 (zaak C-35/93, Develop Dr. Eisbein, Jurispr. 1994, blz. I-2655, r. o. 18) en 2 augustus 1993 (zaak C-248/92, Jepsen Stahl, Jurispr. 1993, blz. I-4721, r. o. 9 en 10).
( 5 ) Zie arresten van 3 juni 1992 (zaak C-246/90, Parma, Jurispr.1992, blz. I-3467, r. o. 20), 18 april 1991 (zaak C-219/89, WeserGold, Jurispr. 1991, blz. I-1895, r. o. 9) en 16 december 1976 (zaak 38/76, Industriemetall Luma, Jurispr. 1976, blz. 2027, r. o. 7), alsmede arrest van 14 december 1972 (zaak 38/72, Van de Poll, Jurispr. 1972, blz. 1329, r. o. 4 en 5). Zie ook arrest Neckermann Versand (reeds aangehaald, r. o. 7-9) en arresten van 1 juli 1993 (zaak C-108/92, Astro-Med, Jurispr. 1993, blz. I-3797, r. o. 8), 4 december 1990 (zaak C-218/89, Shimadzu Europa, Jurispr. 1990, blz. I-4391, r. o. 10 c. v.) en 26 maart 1981 (zaak 114/80, Ritter, Jurispr. 1981, blz. 895, r. o. 7-9).
( 6 ) Zie arresten van 1 april 1993 (zaak C-256/91, Emsland-Stärke, Jurispr. 1993, blz. I-1857, r. o. 16) en 23 maart 1972 (zaak 36/71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187, r. o. 4). Zie ook arrest van 8 mei 1974 (zaak 183/73, Osram, Jurispr. 1974, blz. 477, r. o. 5).
( 7 ) Zie arresten van 10 juli 1986 (zaak 222/85, Kleiderwerke Hela Lampe, Jurispr. 1986, blz. 2449, r. o. 15) en 15 mei 1986 (zaak 90/85, Mita, Jurispr. 1986, blz. 1695, r. o. 15). Zie ook arrest van 18 september 1990 (zaak C-228/89, Farfalla Flemming, Jurispr. 1990, blz. I -3387, r. o. 20 en 22).
( 8 ) Zie in verband met de betekenis van de aantekeningen bij de hoofdstukken van het GDT voor de uitlegging van de posten van dat hoofdstuk onder meer arresten van 2 juni 1994 (zaak C-356/93, Techmeda, Jurispr. 1994, blz I-2371, r. o. 28) en 19 mei 1994 (zaak C-11/93, Siemens Nixdorf, Jurispr. 1994, blz. I- 1945, r. o. 12).
( 9 ) Volgens vaste rechtspraak [zie bij voorbeeld arrest Siemens Nixdorf (reeds aangehaald, r. o. 12) en arresten van 30 januari 1992 (zaak C- 14/91, SuCrest, Jurispr. 1992, blz. I-441, r. o. 10), 18 september 1990 (zaak C-265/89, Vismans Nederland, Jurispr. 1990, blz. I-3411, r. o. 18), 4 juli 1985 (zaak 167/84, Drunert, Jurispr. 1985, blz. 2235, r. o. 14) en 11 februari 1982 (zaak 278/80, Chem-Tec, Jurispr. 1982, blz. 439, r. o. 14)] vormen de toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging van het GDT. Het Hof overwoog evenwel, dat deze toelichtingen rechtens niet bindend zijn, zodat in voorkomend geval moet worden onderzocht, of de inhoud ervan met de bepalingen zelf van het GDT in overeenstemming is en de draagwijdte ervan niet -wijzigt (zie met name arrest van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein, reeds aangehaald, r. o. 21, en de verwijzingen aldaar).
( 10 ) Het begrip „geneesmiddelen” in de zin van post 30.03 van het GDT komt niet volledig overeen met het begrip „geneesmiddel” in richtlijn 65/65/EEG van de Kaad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, blz. 369). Dit verschil is te verklaren door het specifieke doel van deze richtlijn. Het Hof overwoog namelijk [zie onder meer arresten van 30 november 1983 (zaak 227/82, Van Bcnneltom, Jurispr. 1983, blz. 3883, r. o. 14 en 17), 16 april 1991 (zaak C-112/89, Upjohn, Jurispr. 1991, blz. I-1703, r. o. 16) en 28 oktober 1992 (zaak C-219/91, Ter Voort, Jurispr. 1992, blz. I-5485, r. o. 16)], dat richtlijn 65/65, die niet enkel beoogt de belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer op te heffen, maar ook de verwezenlijking van het voornaamste doel —de bescherming van de volksgezondheid —, het begrip „geneesmiddel” (in artikel 1, sub 2, eerste en tweede alinea) aldus omschrijft, dat het niet enkel geneesmiddelen met daadwerkelijke therapeutische of profylactische werking omvat, maar ook produkten die niet voldoende werkzaam zijn of die niet de werking hebben die de consument, gezien de wijze van aandiening, ervan mag verwachten. De richtlijn wil de consument aldus niet slechts beschermen tegen geneesmiddelen die als zodanig schadelijk of giftig zijn, maar ook tegen verschillende produkten die in de plaats van adequate middelen worden gebruikt. Post 30.03 van het GDT omvat daarentegen alleen produkten die zuiver feitelijk bestemd zijn voor een therapeutisch of profylactisch gebruik [zie dienaangaande conclusie van advocaat-generaal Gulmann bij arrest van 14 januari 1993 (zaak C-177/91, Bioforce, Jurispr. 1993, blz. I-45, punt 7)].
( 11 ) Zie arrest Bioforce (reeds aangehaald), met name r. o. 10 en 12. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Gulmann in die zaak, punten 4 en 5.
( 12 ) Gelet op deze toelichting kunnen preparaten voor kunstmatige voeding hoe dan ook niet onder post 30.05 van het GDT („Andere farmaceutische preparaten en artikelen”) „worden ingedeeld. Volgens de aantekeningen bij hoofdstuk 30 ”worden onder post 30.05 trouwens uitsluitend ingedeeld de goederen die worden opgesomd in aantekening 3, sub a-g. Volgens de IDR-toelichtingen betreffende post 30.05 gaat het om een „limitatieve lijst”.
( 13 ) In het arrest SuCrest (reeds aangehaald, r. o. 10) overwoog het Hof [weliswaar in het kader van posten van de gecombineerde nomenclatuur díe per 1 januari 1938 ís ingevoerd door verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 (PB 1987, L 256, blz. 1)], dat het begrip „stoffen die voedingswaarde bezitten” ook chemicaliën kan omvatten. Ik wijs erop, dat in de IDR-toelichtingen bij hoofdstuk 38 („Diverse produkten van de chemische industrie”) van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (dat de grondslag vormde van de per 1 januari 1988 ingevoerde gecombineerde nomenclatuur) uitdrukkelijk wordt gesteld, dat de uitdrukking „voedingsmiddelen en andere stoffen met voedingswaarde”„eveneens (...) essentiële aminozuren” omvat. In de voorlaatste alinea van de verwijzingsbeschikking lijkt het Bundesfinanzhof trouwens naar deze toelichtingen te venvijzen [zìe ook verordening (EEG) nr. 2061/89 van de Commissie van 7 juli 1989 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 1989, L 196, blz. 5), waarvan de bijlage verschillende bereidingen in de vorm van tabletten, díe onder meer aminozuren bevatten en die bestemd zijn voor de bestrijding van tekorten in de voeding als voedingssupplementen aanmerkt en bijgevolg Ín de overeenkomstige posten van de gecombineerde nomenclatuur indeelt],
( 14 ) in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen stelt het Hauptzollamt, dat het Bundesfinanzhof bij de beschrijving van net ín geding zijnde mengsel gebruik maakt van het woord „gedoseerd” („pocdervormige, gedoseerde en steriele mengsels”), dat eigen is aan geneesmiddelen, en aldus vooruitloopt op het antwoord op de aan het Hof gestelde vragen. Deze opmerking van het Hauptzollamt is ongegrond. In de eerste plaats zij opgemerkt, dat volgens aantekening 1, sub a en b bii hoofdstuk 30 van het GDT de vraag of een bepaald produkt gedoseerd wordt aangeboden (dat wil zeggen, volgens de overeenkomstige IDR-toelchting, Kunt B, sub a, of het gelijkmatig is verdeeld in de hoeveeleden waarin het moet worden gebruikt), slechts van belang is voor de indeling in post 30.03 van onvermengde produktem welnu, het in geding zijnde produkt is een mengsel van aminozuren, dus een produkt dat „gemengd” is in de zin van deze aantekening. Aantekening 1 Λ 2 bij hoofdstuk 30, volgens welke onder meer als „onvermengde f>roduktcn” worden beschouwd de produkten bedoelď in ïoofdstuk 29 (waaronder in beginsel ook aminozuren) kan overeenkomstig hetgeen de aantekeningen bij hoofdstuk 29 daaromtrent bepalen, niet enkel slaan op de niet gemengde produkten van hoofdstuk 29 en de daarmee gelijkgestelde produkten, maar ook op mengsels van die produkten (zie aantekening 1 bij hoofdstuk 29 en de „algemene opmerkingen” van de IDR betreffende deze aantekening). Los daarvan blijkt mijns inziens trouwens uit de verwijzingsbeschikking, Jat het Bundesfinanzhof met het woord „gedoseerd” niet bedoelt, dat het ter inklaring aangeboden mengsel gelijkmatig is verdeeld in de hoeveelheden waarin het vervolgens zal worden gebruikt bij de bereiding van infuusoplossingen, maar enkel dat de aminozuren in een nauwkeurig bepaalde verhouding in het mengsel aanwezig zijn (zie ook de desbetreffende schriftelijke opmerkingen van de Commissie).
( 15 ) Zie ook de IDR-toelichtingen betreffende post 21.07 (punt B, sub 10), volgens welke als produkten voor menselijke consumptie moeten worden beschouwd „proteïnchydrolisaten, hoofdzakelijk bestaande uit een mengsel van aminozuren en natriumchloridc, die bijvoorbeeld als smaakgevend middel aan preparaten voor menselijke consumptie worden toegevoegd”.
( 16 ) Voor het Bundesfinanzhof heeft het Hauptzollamt opgemerkt, dat het mengsel naar zijn aard oraal kan worden toegediend: dit volstaat evenwel niet om het onder post 21.07 m te delen. Zoals ik al zei, volstaat het voor de indeling van een preparaat onder deze post niet, dat het uit voedingsstoffen bestaat: het moet ook daadwerkelijk voor natuurlijke menselijke consumptie bestemd zijn. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft het Hauptzollamt met betrekking tot de bestemming van het in geding zijnde produkt zonder verdere precisering enkel gesteld, dat „ook een andere verwerking mogelijk is”.
( 17 ) Cursivering van mi],
( 18 ) Zie ook de IDR-toelichting bij post 30.03 (punt B, sub a), volgens welke onder deze post onder meer wordt ingedeeld „dubbelgedistilleerd water” in ampullen, „dat gebruikt wordt hetzij rechtstreeks bij de behandeling van sommige aandoeningen (...), hetzij als oplosmiddel bij de bereiding van te injecteren geneeskrachtige oplossingen”.
( 19 ) Zie arrest van 3 juni 1992 (zaak C-318/90, Boehringer Mannheim, Jurispr. 1992, blz. I-3495, r. o. 17 en 18). Zie ook arrest van 30 september 1982 (zaak 295/81, IFF, Jurispr. 1982, blz. 3239).
Full & Egal Universal Law Academy