CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 4 mei 1995 ( *1 )
1.
De verordeningen (EEG) van de Raad nr. 3841/86 van 8 december 1986 ( 1 ), nr. 1828/87 van 15 juni 1987 ( 2 ), nr. 3747/87 van 8 december 1987 ( 3 ), nr. 1779/88 van 9 juni 1988 ( 4 ), nr. 3696/88 van 18 november 1988 ( 5 ), nr. 1656/89 van 29 mei 1989 ( 6 ), en nr. 3393/89 van 16 oktober 1989 ( 7 ), houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten, voorzagen in schorsing van de rechten, met name wat de navolgende produkten betreft:
„Analoog/digitaal-omzetters (Analog to Digital Converters, zogenaamde ‚ADC's’) voor het berekenen van de gemiddelde waarde van variabele golfvormige signalen, in de vorm van een monolitische geïntegreerde schakeling, geborgen in een omhulling waarvan de afmetingen niet meer dan 10x18 mm bedragen, met niet meer dan 14 contactpennetjes en voorzien van:
—
een codering bestaande uit of bevattende onderstaande combinatie:
AD 536 A
of
—
een andere codering die betrekking heeft op een ‚ADC’ die voldoet aan vorenstaande omschrijving.”
Deze produkten vielen onder tariefpost 85.21 D II van het gemeenschappelijk douanetarief, dat tot 1987 van toepassing was; later, na de vaststelling van de gecombineerde nomenclatuur ( 8 ), werden zij in postonderverdeling 85421199 opgenomen.
2.
Met de onderhavige prejudiciële verwijzing wenst het Bundesfinanzhof te vernemen, of onder een dergelijke definitie ook omzetters vallen die de boven omschreven kenmerken vertonen, doch in niet-hoekige omhullingen zijn geborgen, maar voor zover hun diameter niet meer dan 10 mm bedraagt, binnen de door de toepasselijke gemeenschapsregeling vastgestelde afmetingen van 10 x 18 mm blijven.
3.
In dit verband moet worden opgemerkt, dat na de feiten van de zaak de tekst waarover de vraag van uitlegging handelt, juist in het gedeelte betreffende de afmetingen van de omhulling, is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1419/90 van de Raad van 25 april 1990 ( 9 ), die voorzag in een verdere schorsing van de rechten voor de betrokken produkten. De gewijzigde versie bepaalt, dat bedoelde produkten mogen zijn geborgen „in een omhulling waarvan de afmetingen niet meer dan 10 χ 21 mm bedragen of met een diameter van niet meer dan 10 mm (...)”
4.
Ik herinner hier kort aan de feiten van het hoofdgeding. Met een beroep op de regeling tot schorsing van de rechten had de vennootschap Analog Devices GmbH (hierna: „Analog Devices”) het Hauptzollamt München-West (hierna: „HZA”) verzocht om terugbetaling van de rechten die zij tussen 1 januari 1987 en 31 januari 1990 had betaald voor de invoer van monolitische geïntegreerde schakelingen van het type AD 536 en 636, geborgen in ronde omhullingen met een diameter van 9,4 mm.
Nadat het verzoek door het HZA was afgewezen, had Analog Devices beroep ingesteld bij het Finanzgericht München, dat de terugbetaling van het door verzoekster betaalde gelastte met de motivering, dat op grond van de toepasselijke bepalingen de voor de invoer van de betrokken produkten toegestane schorsingen van de rechten niet deswege ontoepasselijk werden, omdat zij in een ronde omhulling waren geborgen, wanneer deze laatste niet groter was dan de in de gemeenschapsregeling beschreven hoekige omhulling. Zo gezien, kon, naar het oordeel van die rechter, de uitdrukkelijke vermelding van de ronde omhullingen in de verordening van 1990 slechts een louter declaratoir karakter hebben.
Daar het Bundesfinanzhof, waarbij tegen dat vonnis „Revision” was ingesteld, de formulering van de bepaling die het moest toepassen onduidelijk achtte, heeft het met voormelde vraag om uitlegging ervan verzocht.
5.
Zoals men weet en trouwens in de considerans van de te deze relevante verordeningen wordt bevestigd, zijn de op artikel 28 EEG-Verdrag gebaseerde schorsingen van de douanerechten bedoeld om de communautaire industrie in staat te stellen grondstoffen, halffabrikaten of onderdelen te gebruiken waarvan de produktie in de Gemeenschap onbestaande is of toch onvoldoende om de bestaande behoefte te dekken. Aangezien de verordeningen houdende schorsing van de douanerechten echter een afwijking vaststellen van het in de artikelen 19 en 20 van het Verdrag geponeerde beginsel, dat de in het gemeenschappelijk douanetarief vermelde rechten moeten worden betaald voor alle produkten die uit derde landen worden ingevoerd, moeten zij beperkend worden uitgelegd.
6.
Op grond van deze opmerkingen, en bovendien rekening houdend met de vereisten van rechtszekerheid en de moeilijkheden waarvoor de nationale douanediensten staan bij de vervulling van hun omvangrijke en ingewikkelde taken, heeft het Hof echter gepreciseerd, dat „de omschrijving van een produkt waarvoor schorsing van douanerechten is verleend, [moet] worden uitgelegd aan de hand van objectieve, uit de tekst van die omschrijving volgende criteria, en (...) niet, in strijd met de letter ervan, van toepassing [mag] worden verklaard op andere produkten, ook níet wanneer deze zich ten aanzien van hun eigenschappen en gebruik niet onderscheiden van de produkten die wel onder de schorsing vallen”. ( 10 ) Dat sluit natuurlijk niet uit —aldus nog het Hof—, dat met inachtneming van de criteria die de uitlegging beheersen van regels die van een algemeen beginsel afwijken, een bepaling die voor meer dan één uitlegging vatbaar is, moet worden uitgelegd volgens de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 11 )
7.
In dit verband moet worden opgemerkt, dat uit de litigieuze tekst niet duidelijk blijkt van de gegrondheid van de door de ene of de andere partij in het hoofdgeding voorgestane uitlegging. Ofschoon de vermelding van de lineaire afmetingen van de omhulling van het vrijgestelde produkt aan een hoekig oppervlak doet denken, is het even waar, dat die bepaling niet preciseert welke de vorm van de omhulling moet zijn, doch zich ertoe beperkt de maximale afmetingen ervan vast te stellen en niet uitsluit dat zij rond kan zijn, als zij maar binnen de voorgeschreven afmetingen blijft.
De logische uitlegging van de bepaling, die ertoe strekt de voluntas legis, dat wil zeggen het ermee beoogde doel te reconstrueren, maakt het echter mogelijk de door het HZA in het hoofdgeding voorgestane beperkende lezing uit te sluiten. In dit verband van bijzonder belang is de historiek van de eerste verordening (nr. 3841/86) die in de litigieuze schorsing van de douanerechten voorzag. Bij die gelegenheid had de Raad immers gehandeld op initiatief van de Britse regering, in wier verzoek het betrokken produkt met de alfanumerieke combinatie AD 536 A werd geïdentificeerd. Uit de bij het verzoek gevoegde beschrijving van de fabrikant blijkt echter, dat het toestel werd vervaardigd in drie verschillende modellen, geborgen in rechthoekige omhullingen met veertien contactpennetjes, „D” (TO-116) genoemd, of in ronde omhullingen met tien contactpennetjes, „H” (TO-100) genoemd. Het lijkt dus zeker, dat het Britse verzoek, waarvan de formulering later in de tekst van de verordening is overgenomen, zich uitstrekte tot analoog/digitaal-omzetters van het omschreven type, geborgen in zowel hoekige als ronde omhullingen.
Anderzijds komt uit de stukken geen enkel gegeven naar voren, waaruit kan worden afgeleid dat de vorm van de omhulling enig belang had bij vaststelling van de grenzen van de schorsing van de douanerechten.
8.
Ten slotte zou bedoelde uitsluiting van niet-hoekige omhullingen van de vrijstelling van de rechten niet kunnen worden afgeleid uit het enkele feit dat zij alleen in verordening nr. 1419/90 uitdrukkelijk zijn vermeld. Weliswaar kan immers volgens rechtspraak van het Hof de latere wijziging van de omschrijving van een onder een schorsing van rechten vallend produkt niet met terugwerkende kracht invloed hebben op de uitlegging van de voordien gebruikte omschrijving ( 12 ), maar een wijziging die zich ertoe beperkt de draagwijdte van een bepaling te preciseren, welke draagwijdte uit een normale uitlegging kan worden afgeleid, heeft zeker geen constitutief karakter.
9.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Bun iesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
„De schorsingen van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor analoog/digitaal-omzetters voor het berekenen van de gemiddelde waarde van variabele golfvormige signalen, in de vorm van monolitische geïntegreerde schakelingen, geborgen in een omhulling waarvan de afmetingen niet meer dan 10 x 18 mm bedragen, van tariefpost 85.21 D II van het gemeenschappelijk douanetarief of, vanaf 1988, van postonderverdeling 85421199 van de gecombineerde nomenclatuur — schorsingen van de rechten voorzien in de verordeningen (EEG) van de Raad nr. 3841/86 van 8 december 1986, nr. 1828/87 van 15 juni 1987, nr. 3747/87 van 8 december 1987, nr. 1779/88 van 9 juni 1988, nr. 3696/88 van 18 november 1988, nr. 1656/89 van 29 mei 1989 en nr. 3393/89 van 16 oktober 1989 — moeten aldus worden begrepen, dat omzetters van dat type, geborgen in niet-hoekige omhullingen met een diameter van 9,4 mm, ook onder de produktomschrijving vallen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) PB 1986, L 362, blz. 1.
( 2 ) PB 1987, L 177, blz. 1.
( 3 ) PB 1987, L 358, blz. 1.
( 4 ) PB 1988, L 164, blz. 1.
( 5 ) PB 1988, L 329, blz. 1.
( 6 ) PB 1989, L 167, blz. 1.
( 7 ) PB 1989, L 332, blz. 1.
( 8 ) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1).
( 9 ) PB 1990, L 139, biz. 1.
( 10 ) Arrest van 18 maart 1986 (zaak 58/85, Ethicon, Jurispr. 1986, blz. 1131, r. o. II-13). In dezelfde zin, zie ook arrest van 31 maart 1992 (zaak C-338/90, Hamlin Electronics, Jurispr. 1992, blz. I-2333, inzonderheid r. o. 8 en 9).
( 11 ) Arrest Hamlin Electronics, reeds aangehaald, r. o. 12.
( 12 ) Arrest Ethicon, reeds aangehaald) r. o. 13, en arrest van 28 maart 1979 (zaak 158/78, Biegi, Jurispr. 1979, blz. 1103, inzonderheid r. o. 11).
Full & Egal Universal Law Academy