Conclusie van de advocaat generaal
++++
A - Inleiding
1 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de in de verwijzingsbeschikking vermelde bepalingen van gemeenschapsrecht inzake de invaliditeitsverzekering, alsmede het algemene beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat nauw verband houdt met die bepalingen, eraan in de weg staan, dat aan verzoeker in het hoofdgeding de zogenaamde risicoselectiebepalingen van de op de onderhavige zaak toepasselijke nationale wet worden tegengeworpen, om hem bijstandsuitkeringen te ontzeggen waarop hij anders recht zou hebben.
2 Kort gezegd, is de context van de aan het Hof voorgelegde vragen de volgende.
Moscato, die de Italiaanse nationaliteit bezit en in België woont, was van 10 maart 1981 tot 28 februari 1985 als grensarbeider in dienst van Sphinx NV te Maastricht (Nederland). Nadat zijn arbeidsovereenkomst ten gevolge van een bedrijfsreorganisatie was beëindigd, ontving hij van 28 februari 1985 tot 13 november 1987 als voormalig grensarbeider een werkloosheidsuitkering ten laste van het bevoegde Belgische orgaan.
Op 13 november 1987 ging hij werken bij het bedrijf Chesswick te Roermond (Nederland). Wegens psychische klachten staakte Moscato op 9 februari 1988 alle beroepswerkzaamheden.
Bij brief van 12 mei 1989 gaf verweerder Moscato kennis van zijn weigering hem ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid voor de periode vanaf 9 februari 1989 de gevraagde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: "AAW") en/of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: "WAO") toe te kennen. Als reden daarvoor werd opgegeven, dat Moscato's gezondheidstoestand bij de aanvang van zijn beroepsbezigheid op 13 november 1987 het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk deed verwachten. Tegen die afwijzende beslissing heeft verzoeker beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
3 Verweerder weigerde verzoeker de invaliditeitsuitkering op grond van artikel 21, lid 1, aanhef en sub c, AAW en artikel 30, lid 1, aanhef en sub b, WAO. Deze artikelen bepalen, voor zover hier van belang, dat de bedrijfsvereniging die bevoegd is voor de uitkering van de prestaties, arbeidsongeschiktheid die binnen een half jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten, buiten aanmerking kan laten.
4 De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"1a) Moet artikel 13, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71, mede gelet op het hiervoor vermelde arrest Rebmann, zo worden uitgelegd, dat klager, gedurende de periode dat hij in België dopgeld ontving, onderworpen bleef aan de Nederlandse wetgeving?
1b) Indien vraag 1a bevestigend wordt beantwoord, staat artikel 39, lid 5, van verordening nr. 1408/71 er dan, mede gelet op de hiervoor genoemde arresten Noij en Daalmeijer, aan in de weg om aan te nemen dat klager onderworpen is gebleven aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake invaliditeitsuitkering, nu klager een langdurig werkloze grensarbeider was, die een werkloosheidsuitkering van het orgaan van zijn woonland ontving?
2) Verzet het bepaalde in artikel 39, lid 1, van verordening nr. 1408/71, mede gelet op het ook aan verordening nr. 1408/71 ten grondslag liggende beginsel van vrij verkeer van werknemers, zich ertegen dat een risicoselectiebepaling als bedoeld in de artikelen 30, lid 1, sub b, van de WAO en 21, lid 1, sub c, van de AAW aan klager wordt tegengeworpen?"
B - Analyse
5 De oplossing van de tweede vraag lijkt mij het logische vertrekpunt, ook voor het onderzoek van de overige in de verwijzingsbeschikking geformuleerde vragen. Indien immers de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, worden de overige twee vragen relevant voor het arrest in de onderhavige zaak. Daarom wil ik de volgorde van aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen omkeren en eerst de tweede vraag behandelen.
6 Met die tweede vraag wordt het Hof verzocht te onderzoeken, of het gemeenschapsrecht, namelijk verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983(1) (hierna: "de verordening") en het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, zich verzet tegen de toepassing op verzoeker van voormelde "risicoselectiebepalingen" van de WAO en de AAW, met als gevolg dat hem de invaliditeitsuitkering wordt ontzegd.
7 Zo gesteld, begint het probleem bij de verordening. In de eerste plaats behoeft te worden uitgemaakt, welke bepalingen van die verordening op het onderhavige geval van toepassing zijn. De eerste te onderzoeken bepaling is artikel 39, lid 1, dat luidt als volgt: "Het orgaan van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, stelt overeenkomstig deze wettelijke regeling vast, of de betrokkene voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen, eventueel met inachtneming van artikel 38." Lid 1 van artikel 38 - het enige lid van dat artikel dat in casu relevant is - bepaalt: "Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld."
8 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de verwijzende rechter - mijns inziens terecht - de bij hem aanhangige zaak binnen de werkingssfeer van artikel 39, lid 1, situeert. Daarbij zij evenwel opgemerkt, dat artikel 39, lid 1, van toepassing is te zamen met voormeld artikel 38, lid 1, waarnaar eerstgenoemde bepaling verwijst. Bij gecombineerde lectuur van de twee bepalingen blijkt, dat verzoeker recht heeft op de bijstandsuitkeringen die hij in het hoofdgeding vordert; die conclusie is gerechtvaardigd uit hoofde van de redenen die ik hierna zal uiteenzetten.
9 Ingevolge artikel 39, lid 1, is het voor de betaling van de betrokken uitkering bevoegde orgaan het orgaan van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan. Dat orgaan stelt overeenkomstig de wettelijke regeling die het moet toepassen vast, of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstandsuitkeringen. Artikel 39, lid 1, vormt ter zake overigens een specifieke toepassing van het in artikel 13, lid 2, van de verordening in het algemeen gestelde beginsel van de lex loci laboris.
10 Verzoeker is arbeidsongeschikt geworden toen hij in Nederland werkte. De verwijzende rechter bevestigt dit, waar hij zegt dat Moscato "op 13 november 1987 (...) niet (ook niet gedeeltelijk) arbeidsongeschikt in de zin van de AAW en de WAO" was. Bijgevolg is op de onderhavige zaak de Nederlandse wetgeving van toepassing, en is het bevoegde sociale-zekerheidsorgaan dus het orgaan dat in die nationale wetgeving is aangewezen.
Volgens de verordening nu is de fysieke toestand van hem die wegens gezondheidsredenen zijn beroepsbezigheid geheel of gedeeltelijk moet stopzetten, determinerend voor de arbeidsongeschiktheid.
Ingevolge artikel 39, lid 1, van de verordening is het tijdstip waarop de fysieke toestand van arbeidsongeschiktheid ontstaat waarop na verloop van tijd de invaliditeit volgt, determinerend om uit te maken welke nationale wetgeving van toepassing is en dus welk sociale zekerheidsorgaan - op basis van die wet - bevoegd is. Bijstand is verschuldigd zodra de werknemer niet langer in staat is zijn beroepsbezigheid uit te oefenen. Het voor de bijstandsuitkering relevante invaliditeitscriterium is dus de arbeidsongeschiktheid, die uit de stopzetting van de beroepsbezigheid blijkt. De verordening verwijst immers naar het tijdstip waarop "de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan". Volgens de letter en de zin van die bepaling moet het daarbij om een duidelijke en uitgesproken arbeidsongeschiktheid gaan, niet om een toestand die een voorbode van arbeidsongeschiktheid is. Wanneer de in de verordening bedoelde feitelijke situatie wordt geconstateerd, dient de werknemer zijn beroepsbezigheid stop te zetten, omdat zijn fysieke toestand hem belet te blijven werken. Dat kan ook niet anders. Juist op dat ogenblik wordt de betrokkene arbeidsongeschikt in de zin van de verordening, en bijgevolg moet dat tijdstip in aanmerking worden genomen om uit te maken welke nationale wetgeving van toepassing is, en welk orgaan de bijstandsuitkering dient te betalen.
11 Dit gezegd zijnde, moet nog worden nagegaan, welke voorwaarden de Nederlandse wetgeving voor de door verzoeker gevraagde bijstandsuitkering stelt. Volgens de in deze wetgeving opgenomen risicoselectiebepalingen kan de bevoegde bedrijfsvereniging arbeidsongeschiktheid die binnen een half jaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, buiten aanmerking laten. Volgens verweerder heeft die bepaling tot doel, fraude en misbruik te voorkomen, waarbij is gedacht aan het geval van een persoon die in een aan invaliditeit voorafgaande fase verkeert en die in Nederland zou beginnen te werken met het oog op de uitkeringen waarop hij nadien recht zou verkrijgen vanaf het ogenblik waarop hij daadwerkelijk arbeidsongeschikt wordt.
Wat ook de onderliggende reden voor de betrokken bepaling zij, toen de Nederlandse wetgever ze vaststelde, heeft hij niet alleen het begrip invaliditeit ten gevolge van arbeidsongeschiktheid gedefinieerd, doch tevens het recht op bijstandsuitkeringen afhankelijk gesteld van de vervulling van een bepaald tijdvak van verzekering. Doet de arbeidsongeschiktheid zich voor tijdens de in de wet bedoelde periode, dan is de uitkering slechts verschuldigd, wanneer naar de mening van de bevoegde bedrijfsvereniging de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn beroepsbezigheid niet het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar deed verwachten. Anders gezegd, tijdens die periode kan de bevoegde bedrijfsvereniging de arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laten. Hij die arbeidsongeschikt wordt, heeft dus pas een half jaar na de aanvang van de verzekering recht op de door hem gevraagde bijstandsuitkeringen.
Dat is de objectieve inhoud van deze bepaling. De op het onderhavige geval toepasselijke nationale wet valt dus op haar beurt onder toepassing van artikel 38, lid 1, van de verordening, dat specifiek het geval betreft waarin de toepasselijke wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties juist afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering.
12 Artikel 38, lid 1, nu bepaalt, dat het bevoegde sociale-zekerheidsorgaan rekening moet houden met de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat dan die waartoe dat orgaan behoort, alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld. Dit is een fundamenteel criterium waarvan niet kan worden afgeweken; het vloeit voort uit de noodzaak ervoor te zorgen, dat de sociale zekerheid het vrije verkeer van werknemers niet belemmert.
De gemeenschapswetgever maakt, zoals men pleegt te zeggen, een optelsom en beschouwt de door een werknemer in verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering dus in beginsel als één geheel. De in het gemeenschapsrecht opgenomen optelregel beïnvloedt daarnaast de bepalingen van de nationale wetgevingen, in die zin dat het bevoegde sociale-zekerheidsorgaan krachtens de verordening verplicht is, rekening te houden met door de betrokkene in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering, ook al is dat in het nationale recht niet bepaald.
13 Dit gezegd zijnde, wil ik thans nader ingaan op de vraag, of de onderhavige zaak onder de hierboven vermelde bepalingen van gemeenschapsrecht valt.
Vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt is in dat verband irrelevant, of de Nederlandse wetgeving de toepassing van de risicoselectiebepaling al dan niet laat afhangen van het feit dat de betrokkene binnen de termijn van zes maanden na de aanvang van de verzekering uitdrukkelijk om de invaliditeitsuitkering heeft verzocht. Evenzeer is irrelevant, of de nationale wettelijke bepaling het sociale-zekerheidsorgaan bij de toepassing van de betrokken bepalingen een discretionaire beoordelingsbevoegdheid verleent.
Wat daarentegen wel van belang is, is het feit dat het toe te passen nationale recht risicoselectiebepalingen bevat, zoals die welke in casu ter discussie staan, die uiteraard aan de betrokkene tegenwerpelijk zijn en die laatstbedoelde het recht op bijstandsuitkeringen ontzeggen, voor zover dit laatste door het gemeenschapsrecht, dat het bevoegde sociale-zekerheidsorgaan behoort na te leven, niet verboden is.
14 Ten gevolge van de in artikel 38, lid 1, van de verordening neergelegde regel volgens welke de tijdvakken van verzekering worden opgeteld, moet verzoekers verzekeringsloopbaan in haar geheel in aanmerking worden genomen, dat wil zeggen dat de verschillende tijdvakken van arbeid en daarmee gelijk gestelde tijdvakken die hij op het Nederlandse grondgebied en op het grondgebied van andere Lid-Staten heeft vervuld, bijeengeteld moeten worden.
Om die reden kan op de risicoselectiebepaling van de nationale wetgeving geen beroep worden gedaan om verzoeker de invaliditeitsuitkering te ontzeggen. Ingevolge artikel 38, lid 1, vangt de voor de berekening van de in de Nederlandse wetgeving voorziene termijn van zes maanden in aanmerking te nemen beroepsbezigheid van verzoeker immers niet aan op 13 november 1987, doch op het ogenblik waarop hij - zonder onderbreking nadien - in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap is beginnen te werken, om vervolgens die beroepsbezigheid in de zin van de bepalingen van de verordening in andere Lid-Staten voort te zetten en ze op 9 februari 1998 in Nederland te beëindigen, toen de invaliditeit intrad. Worden de risicoselectiebepalingen gelezen zoals de verordening verlangt, dan is de dies a quo van het in die verordening bedoelde tijdvak van verzekering zeker gelegen vóór de termijn van zes maanden vóór het ogenblik waarop verzoeker zijn beroepsbezigheid in Nederland beëindigde.
15 De betrokken bepalingen van de Nederlandse wetgeving kunnen jegens verzoeker dus geen andere werking hebben dan die welke bij artikel 38 is voorgeschreven. Het feit dat zij hun oorsprong vinden in de bekommernis het Nederlandse sociale-zekerheidsstelsel tegen mogelijke fraude of misbruiken te beschermen, doet niet af aan hun discriminerend karakter ingeval zij op zodanige wijze worden toegepast, dat migrerende werknemers anders worden behandeld dan andere werknemers.
Een gezond beheer van het sociale-zekerheidsstelsel is ongetwijfeld een rechtmatig belang dat de nationale wetgever binnen zijn eigen rechtssfeer mag nastreven; het mag echter niet zo ver gaan, dat de rechten die het gemeenschapsrecht de werknemers op grond van het vrije verkeer verleent, worden opgeofferd. Aangezien de nationale wetgeving zich op dit punt moet aanpassen aan de door de Gemeenschap gestelde eisen, kan zij onmogelijk worden tegengeworpen aan een werknemer die op grond van het gemeenschapsrecht recht op bijstand heeft.
16 Deze conclusie blijft ook overeind, indien het aan het Hof voorgelegde probleem uitsluitend op basis van de beginselen van de artikelen 48 en 51 van het Verdrag wordt onderzocht, dus los van de verordening. Deze beide bepalingen zijn immers van rechtstreeks belang voor de oplossing van het voorgelegde probleem. In artikel 48 is het fundamentele beginsel inzake het vrije verkeer neergelegd, volgens hetwelk de werknemer niet verschillend mag worden behandeld op grond van zijn nationaliteit. Dit beginsel, zoals in vaste rechtspraak van het Hof uitgelegd(2), verbiedt discriminatie van werknemers op grond dat zij in verschillende landen van de Gemeenschap hebben gewerkt.
Voorts wordt de doeltreffendheid van het recht van vrij verkeer, wat de sociale zekerheid betreft, specifiek gegarandeerd door artikel 51 van het Verdrag, waarin uitdrukkelijk het beginsel is neergelegd dat de door de werknemer in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering worden bijeengeteld. Dit is dus een specifieke garantie die, zoals reeds gezegd, in de verordening is geconcretiseerd: het Verdrag schept het kader en de verordening actualiseert het fundamentele beginsel van artikel 51.
17 De Nederlandse wetgeving heeft tot gevolg, dat verzoeker, doordat hij in verschillende Lid-Staten heeft gewerkt, in een ongunstiger situatie verkeert dan een werknemer die eveneens op verschillende plaatsen, doch steeds in Nederland heeft gewerkt.
Ook verweerder geeft toe, dat indien verzoeker steeds uitsluitend in Nederland had gewerkt, ook op verschillende plaatsen, toepassing van de risicoselectiebepaling op hem niet de ongunstige gevolgen zou hebben gehad die tot de onderhavige procedure hebben geleid.
De discriminatie vloeit dus voort uit het enkele feit, dat hij in verschillende Lid-Staten heeft gewerkt. Hij die naar Nederland komt om daar te werken, moet in de praktijk zijn verzekeringsloopbaan ex novo herbeginnen. De Nederlandse wetgeving houdt immers geen rekening met de tijdvakken van arbeid en verzekering van de migrerende werknemer; de risicoselectiebepalingen laten deze tijdvakken buiten aanmerking.
Zoals zij zijn opgezet en worden toegepast, belemmeren de risicoselectiebepalingen dus het vrije verkeer van werknemers. Werknemers die in Nederland wensen te werken - in het bijzonder werknemers van een zekere leeftijd, waarvan mag worden verwacht dat zij een groter ziekterisico vormen - lopen het gevaar het recht op invaliditeitsuitkering te verliezen, hoe lang zij ook hebben gewerkt. Dit betekent voor werknemers uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap een afschrikking om zich in Nederland te vestigen en daar te werken. Wat de onderhavige zaak betreft, mag de nationale wet geen schending van het algemene beginsel van het vrije verkeer opleveren, en evenmin van de specifieke criteria die in het Verdrag met betrekking tot de berekening van de verzekeringsloopbaan van een migrerende werknemer zijn neergelegd.
Voor de toepassing van de risicoselectiebepalingen op verzoeker geldt dus een absolute limiet, die rechtstreeks uit het Verdrag voortvloeit. Het recht op samentelling van de tijdvakken van verzekering dat de migrerende werknemer heeft, wordt door artikel 51 gegarandeerd als het natuurlijk corollarium van het vrije verkeer: het is een communautair recht dat in het - aan de verordening voorafgaande - Verdrag is neergelegd en dat niet kan worden aangetast door de risicoselectiebepalingen, met de gevolgen die de Nederlandse wetgever daaraan verbindt. Deze bepalingen kunnen dus slechts op één wijze correct worden gelezen, namelijk in overeenstemming met het Verdrag én met de verordening, en wel door er de normatieve criteria uit af te leiden aan de hand waarvan zij in overeenstemming met beide voormelde bronnen van gemeenschapsrecht op de migrerende werknemer kunnen worden toegepast. Leest men de betrokken bepalingen op die manier, dan kan dit voor zover mogelijk voorkomen, dat de Nederlandse risicoselectiebepalingen in die zin wordt uitgelegd, dat zij, gelijk het Hof in een andere zaak reeds heeft geoordeeld(3), "een werknemer in de Gemeenschap er (...) van (zouden) kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen".
Dit is een uitleggingscriterium dat in het onderhavige geval moet worden toegepast, met de volgende, bijkomende opmerking: de door de verwijzende rechter genoemde beginselen en bepalingen van gemeenschapsrecht hebben, zoals reeds gezegd, uitwerking op de bepalingen en de gevolgen van de nationale wetgeving inzake risicoselectie: niet alleen beogen zij te voorkomen dat het vrije verkeer van werknemers wordt ondermijnd, maar ook staan zij eraan in de weg, dat dergelijke nationale bepalingen de facto verder gaan dan internrechtelijk gerechtvaardigd is en de migrerende werknemer diens recht op bijstandsuitkeringen ontzeggen.
De vragen 1a) en 1b)
18 Met de twee overige vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, zo de uit artikel 39, lid 1, juncto artikel 38, lid 1, of, meer in het algemeen, uit de artikelen 48 en 51 van het Verdrag voortvloeiende regel niet van toepassing is, tijdens de periode van werkloosheid in België de Nederlandse wetgeving op verzoeker van toepassing was. In geval van een bevestigend antwoord op die vraag, had de verwijzende rechter vervolgens kunnen aannemen, dat verzoekers beroepsbezigheid in Nederland op een eerdere datum was ingegaan, zodat de in de risicoselectiebepalingen van de AAW en WAO gestelde termijn van zes maanden niet langer een hinderpaal was. Het op vraag 2) gegeven antwoord ontneemt de overige twee vragen echter elke relevantie.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam te beantwoorden als volgt:
"Het gemeenschapsrecht, zowel artikel 39, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, als de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, staat eraan in de weg, dat een `risicoselectiebepaling' als opgenomen in artikel 30, lid 1, sub b, van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en in artikel 21, lid 1, sub c, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, aan verzoeker wordt tegengeworpen om hem de invaliditeitsuitkeringen te ontzeggen waarop hij anders recht zou hebben.
Voorts moeten de `risicoselectiebepalingen' van de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving worden gelezen in het licht van de beginselen en bepalingen van de artikelen 48-51 van het Verdrag, derwijze dat de migrerende werknemer in geval van toepassing van die bepalingen niet wordt benadeeld en niet ervan wordt weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen."
(1) - PB 1983, L 230, blz. 6.
(2) - Zie, onder meer, arresten van 12 februari 1974 (zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153) en 8 mei 1990 (zaak C-175/88, Biehl, Jurispr. 1990, blz. I-1779).
(3) - Arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-165/91, Van Munster, Jurispr. 1994, blz. I-4661, r.o. 27).
Full & Egal Universal Law Academy