Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden - Gelijke behandeling - Richtlijn 76/207 - Artikel 5 - Rechtstreekse werking - Nationale bepaling die nachtarbeid voor zowel mannen als vrouwen verbiedt, doch voorziet in op grond van geslacht gedifferentieerde uitzonderingsregelingen - Ontoelaatbaarheid bij ontbreken van rechtvaardiging die verband houdt met noodzakelijke bescherming van vrouw - Taak van nationale rechter in geval van verplichtingen tegenover derde staten, die uit vóór EEG-Verdrag gesloten overeenkomsten voortvloeien en onverenigbaar zijn met verplichtingen ex artikel 5 - Toepassing van voorrangsregel van artikel 234 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 234, eerste alinea; richtlijn 76/207 van de Raad, art. 5)
Samenvatting
Artikel 5 van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich ertegen, dat een Lid-Staat die nachtarbeid zowel voor mannen als voor vrouwen verbiedt, gedifferentieerde uitzonderingsregelingen handhaaft die hoofdzakelijk verschillen door de wijze van vaststelling van de uitzonderingen en de duur van de toegestane nachtarbeid, wanneer een dergelijk verschil niet wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de bescherming van de vrouw te verzekeren, met name wat zwangerschap en moederschap betreft.
De nationale rechter is verplicht de gelding van artikel 5 van de richtlijn volledig te laten eerbiedigen en daarbij elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten, behalve wanneer de toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om overeenkomstig artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag de nakoming door de betrokken Lid-Staat te verzekeren van verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde staten gesloten overeenkomst.
Het is echter niet het Hof in het kader van een prejudiciële procedure, maar de nationale rechter die, om te bepalen in hoeverre die verplichtingen aan de toepassing van artikel 5 van de richtlijn in de weg staan, enerzijds dient na te gaan, welke de verplichtingen zijn die aldus krachtens een eerdere internationale overeenkomst op de betrokken Lid-Staat rusten, en anderzijds, of de betrokken nationale bepalingen bedoeld zijn om ze ten uitvoer te leggen.
Partijen
In zaak C-13/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeidshof te Luik (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA)
en
M. Minne,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, en T. Margellos, advocaat, lector aan de universiteit van Picardië, gedetacheerd bij haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 december 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 8 januari 1993, ingekomen ten Hove op 15 januari daaraanvolgend, heeft het Arbeidshof te Luik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: de "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen M. Minne en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: de "RVA") over de toekenning van werkloosheidsuitkeringen.
3 Van 15 juli 1986 tot 31 maart 1990 werkte Minne, woonachtig in België, te Capellen (Luxemburg) in een hotel, waar zij nachtdienst deed. Nadat zij wegens haar verhuizing naar de provincie Luik (België) haar baan had opgegeven, maakte zij per 2 april 1990 aanspraak op werkloosheidsuitkeringen.
4 Deze uitkeringen werden haar door de RVA geweigerd, omdat zij had verklaard dat zij om gezinsredenen niet meer bereid was 's nachts te werken.
5 De Arbeidsrechtbank te Verviers, waarbij de zaak in eerste aanleg aanhangig was gemaakt, achtte het besluit van de RVA ongerechtvaardigd, omdat de Belgische wetgeving vrouwenarbeid in het hotelbedrijf tussen middernacht en 6 uur 's ochtends verbiedt.
6 De Belgische Arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 30.3.1971, blz. 3931, errata Belgisch Staatsblad van 12.10.1971, blz. 12039) definieert in artikel 35 nachtarbeid als "arbeid verricht tussen 20 en 6 uur". Zij bepaalt vervolgens in artikel 36, § 1, eerste en tweede alinea:
"1. Werkneemsters en jeugdige werknemers mogen geen nachtarbeid verrichten.
De Koning kan evenwel toestaan dat nachtarbeid, zo nodig onder door Hem te stellen voorwaarden, wordt verricht in bepaalde bedrijfstakken, bedrijven of beroepen, voor het uitvoeren van bepaalde werken of voor bepaalde categorieën van werkneemsters en jeugdige werknemers."
Artikel 37 van dezelfde wet bepaalt ten slotte:
"De andere werknemers dan die bedoeld in artikel 36, eerste lid, die vallen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk III, afdeling II, zoals het is bepaald door of krachtens de artikelen 1, 3 en 4, mogen geen nachtarbeid verrichten, behalve:
1 in hotels, motels, kampeerterreinen, spijshuizen, restauratiebedrijven, in de traiteurszaken, in de verbruikszalen en drankslijterijen;
2 in ondernemingen van openbare vertoningen en vermakelijkheden;
3 in dagbladondernemingen;
(...)
19 in brood- en banketbakkerijen."
Krachtens artikel 36, § 1, tweede alinea, van voornoemde wet voorziet het Koninklijk Besluit van 24 december 1968 betreffende de vrouwenarbeid (in werking gehouden bij artikel 65, eerste alinea, van de wet van 16 maart 1971) in de artikelen 5 (privé-sector) en 6 (openbare sector) alleen voor werkneemsters in uitzonderingen op het verbod op nachtarbeid. Artikel 5 bepaalt onder meer:
"Nachtarbeid is geoorloofd voor de hierna genoemde categorieën van werkneemsters van minstens 18 jaar, onder de hierna genoemde voorwaarden:
(...)
C. Tot 24 uur voor:
1 de werkneemsters die tewerkgesteld zijn in de hotels, motels, spijshuizen, restauratiebedrijven, in de traiteurszaken, in de verbruikszalen en drankslijterijen, die niet ressorteren onder het Nationaal Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
(...)
F. In de ondernemingen die ressorteren onder het Nationaal Paritair Comité voor het hotelbedrijf:
1 tot 24 uur voor:
a) de kelnerinnen, mits hun in de loop van de dag een rusttijd van vier of vijf uur wordt verleend naargelang hun al dan niet in de onderneming zelf voeding wordt verstrekt;
b) de kamermeisjes naar rata van één kamermeisje op vijf, met minimum van één kamermeisje per onderneming;
c) de bij de kleedkamers en lavatories tewerkgestelde werkneemsters mits acht uren per dag niet te overschrijden;
d) de tegen een vast loon bezoldigde werkneemsters die zijn tewerkgesteld in de hoedanigheid van officemeisje, buffetdienster, koffieschenkster, afwasvrouw, keukenmeisje en kokkin;
e) de werkneemsters die tewerkgesteld zijn in de badplaatsen en in luchtkuuroorden, alsook in toeristische centra naar rata van ten hoogste zestig maal per kalenderjaar.
(...)"
7 Na de nietigverklaring van zijn besluit door de Rechtbank te Verviers ging de RVA in hoger beroep bij het Arbeidshof te Luik. Deze rechterlijke instantie, die twijfels had over de verenigbaarheid van de Belgische wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is een Lid-Staat die in zijn nationale recht een zowel voor werknemers als voor werkneemsters geldend algemeen verbod op nachtarbeid kent, krachtens artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG ertoe gehouden om, tenzij de noodzaak van een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen daaraan in de weg staat, slechts in strikt gelijksoortige uitzonderingen voor de enen en de anderen te voorzien, en niet voor werknemers en werkneemsters gedifferentieerde uitzonderingsregelingen in te voeren die hoofdzakelijk verschillen wat de wijze van vaststelling van de uitzonderingen en de duur van de toegestane nachtarbeid betreft, zoals de regelingen die in het Belgische recht zijn neergelegd in de artikelen 36 en 37 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en de artikelen 5 en 6 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1968 betreffende vrouwenarbeid?"
8 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 5 van de richtlijn zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat die nachtarbeid zowel voor mannen als voor vrouwen verbiedt, verschillende uitzonderingsregelingen voor het ene en het andere geslacht handhaaft.
9 In zijn arrest van 25 juli 1991 (zaak C-345/89, Stoeckel, Jurispr. 1991, blz. I-4047) verklaarde het Hof voor recht, dat artikel 5 van de richtlijn voldoende nauwkeurig is om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen.
10 Anders dan in voornoemde zaak, is de discriminatie in casu niet gelegen in het beginsel van het verbod op nachtarbeid, dat zonder onderscheid van toepassing is op mannen en vrouwen, maar in de daarop gemaakte uitzonderingen. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt immers, dat het verschil tussen de twee uitzonderingsregelingen niet zozeer betrekking heeft op het aantal of de aard van de daarin voorziene uitzonderingen, als wel op de wijze van vaststelling ervan en de eraan verbonden voorwaarden. De op mannen toepasselijke uitzonderingen worden immers in de wet opgesomd, terwijl die welke op vrouwen van toepassing zijn, krachtens artikel 36 van die wet bij Koninklijk Besluit worden vastgesteld. Bovendien is, wat vrouwen betreft, de toegestane nachtarbeid soms tot bepaalde uren van de nacht beperkt, hetgeen voor mannen niet het geval is.
11 De vraag rijst dan, of dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is in het licht van artikel 2, lid 3, van de richtlijn, bepalende dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft. Zoals het Hof vaststelde in zijn arrest van 15 mei 1986 (zaak 222/84, Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 44), wil de richtlijn door de vermelding van zwangerschap en moederschap de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw alsook van de bijzondere relatie tussen moeder en kind verzekeren.
12 Zoals de verwijzende rechter trouwens heeft opgemerkt, blijkt in casu niet uit de betrokken wet, dat de aard van de verschillen tussen de twee uitzonderingsregelingen zijn rechtvaardiging vindt in de noodzaak de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw te verzekeren, of in de bijzondere relatie tussen moeder en kind. De ongelijke behandeling kan dan ook niet gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 2, lid 3, van de richtlijn.
13 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 5, lid 1, van de richtlijn zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat die in zijn wetgeving uitzonderingen op een algemeen verbod op nachtarbeid handhaaft, die voor vrouwen aan meer beperkende voorwaarden onderworpen zijn dan voor mannen, en die geen rechtvaardiging vinden in de noodzaak de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw te verzekeren, of in de bijzondere relatie tussen moeder en kind.
14 Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat het verwijzingsarrest melding maakt van verscheidene verdragen betreffende nachtarbeid door vrouwen, die de Belgische Staat binden. Eén daarvan is Verdrag nr. 89 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 9 juli 1948 betreffende de nachtarbeid van vrouwen in de industrie werkzaam (hierna: "Verdrag nr. 89"), door het Koninkrijk België goedgekeurd bij wet van 21 maart 1952 (Belgisch Staatsblad van 22.6.1952, blz. 4690). In haar opmerkingen heeft de Duitse regering gesteld, dat het Koninkrijk België gehouden was, de uit dat verdrag voortvloeiende verplichtingen na te komen, en dat het dus krachtens artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag de richtlijn buiten toepassing mocht laten voor zover deze onverenigbaar is met Verdrag nr. 89.
15 Dienaangaande moet worden opgemerkt - zonder dat men zich behoeft af te vragen, of de onderhavige zaak onder Verdrag nr. 89 valt -, dat het Koninkrijk België dit verdrag heeft opgezegd ten einde zijn communautaire verplichtingen te kunnen nakomen.
16 Bovendien kan uit het verwijzingsarrest niet worden opgemaakt, in hoeverre de nationale bepalingen die onverenigbaar blijken te zijn met artikel 5 van de richtlijn, bedoeld waren om Verdrag nr. 89 ten uitvoer te leggen.
17 Waar de Duitse regering erop wijst, dat de opzegging van het verdrag pas in februari 1993, dus na de feiten van het hoofdgeding, effectief is geworden, zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 2 augustus 1993 (zaak C-158/91, Levy, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) voor recht verklaarde, dat de nationale rechter verplicht is de gelding van artikel 5 van de richtlijn volledig te laten eerbiedigen, en daarbij elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten, behalve wanneer de toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om, overeenkomstig artikel 234, eerste alinea, EEG-Verdrag de nakoming door de betrokken Lid-Staat te verzekeren van verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde staten gesloten overeenkomst.
18 Het is echter niet het Hof in het kader van een prejudiciële procedure, maar de nationale rechter die, om te bepalen in hoeverre die verplichtingen aan de toepassing van artikel 5 van de richtlijn in de weg staan, enerzijds dient na te gaan, welke de verplichtingen zijn die aldus krachtens een eerdere internationale overeenkomst op de betrokken Lid-Staat rusten, en anderzijds, of de betrokken nationale bepalingen bedoeld zijn om ze ten uitvoer te leggen.
19 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 5 van richtlijn 76/207 zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat die nachtarbeid zowel voor mannen als voor vrouwen verbiedt, gedifferentieerde uitzonderingsregelingen handhaaft die hoofdzakelijk verschillen door de wijze van vaststelling van de uitzonderingen en de duur van de toegestane nachtarbeid, wanneer een dergelijk verschil niet wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de bescherming van de vrouw te verzekeren, met name wat zwangerschap en moederschap betreft. Voor zover die nationale bepalingen zijn vastgesteld om de nakoming door de Lid-Staat te verzekeren van verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag met derde staten gesloten internationale overeenkomst, kan artikel 5 van de richtlijn geen toepassing vinden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeidshof te Luik bij arrest van 8 januari 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich ertegen, dat een Lid-Staat die nachtarbeid zowel voor mannen als voor vrouwen verbiedt, gedifferentieerde uitzonderingsregelingen handhaaft die hoofdzakelijk verschillen door de wijze van vaststelling van de uitzonderingen en de duur van de toegestane nachtarbeid, wanneer een dergelijk verschil niet wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de bescherming van de vrouw te verzekeren, met name wat zwangerschap en moederschap betreft. Voor zover die nationale bepalingen zijn vastgesteld om de nakoming door de Lid-Staat te verzekeren van verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het Verdrag met derde staten gesloten internationale overeenkomst, kan artikel 5 van de richtlijn geen toepassing vinden.
Full & Egal Universal Law Academy