Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen ° Voorlegging aan Hof ° Noodzaak partijen vooraf te horen ° Beoordeling door nationale rechter
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Prejudiciële vragen ° Bevoegdheid van Hof ° Grenzen ° Irrelevante vraag die niet objectief noodzakelijk is voor hoofdgeding
(EEG-Verdrag, art. 177)
3. Vervoer ° Zeevervoer ° Vrij verrichten van diensten ° Non-discriminatiebeginsel ° Toepassing van gunstigere tarieven voor havenloodsdiensten voor tot binnenlandse cabotage gerechtigde schepen ° Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 4055/86 van de Raad, art. 1)
4. Mededinging ° Openbare bedrijven en ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen ° Monopolie voor verrichten van havenloodsdiensten ° Goedkeuring van tarieven door nationale instantie ° Tariefdiscriminatie tussen gebruikers, waarbij degenen die vervoerdiensten verrichten tussen twee nationale havens, worden bevoordeeld ten opzichte van degenen die verbinding verzekeren met haven in andere Lid-Staat ° Misbruik van machtspositie
(EEG-Verdrag, art. 86 en 90, lid 1)
Samenvatting
1. Artikel 177 EEG-Verdrag verlangt niet, dat de procedure waarin de nationale rechter een prejudiciële vraag stelt, van contradictoire aard is, ook al kan het in het belang van een goede rechtsbedeling zijn dat de prejudiciële vraag eerst na een contradictoir debat wordt gesteld.
2. In het kader van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag is het Hof niet bevoegd om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden, wanneer zij geen verband houden met de feiten of met het voorwerp van het hoofdgeding en dus niet objectief noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geding.
3. Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen, verzet zich ertegen, dat in een Lid-Staat voor identieke loodsdiensten verschillende tarieven worden toegepast naargelang het schip dat door een in een Lid-Staat gevestigde onderneming wordt gebruikt voor zeevervoer tussen twee Lid-Staten, al dan niet is gerechtigd tot cabotage, die is voorbehouden aan schepen die de vlag van die staat voeren. Een dergelijke handelwijze vormt immers een, zij het slechts indirect, op nationaliteit gebaseerde discriminatie, daar schepen die onder de vlag van een bepaald land varen, in de regel door ondernemers uit dat land worden geëxploiteerd, terwijl vervoerondernemingen uit andere Lid-Staten over het algemeen geen schepen exploiteren die in eerstbedoelde staat zijn geregistreerd.
4. Het louter creëren van een machtspositie door het verlenen van uitsluitende rechten in de zin van artikel 90, lid 1, is als zodanig niet onverenigbaar met artikel 86 EEG-Verdrag; wel houden die artikelen voor een nationale instantie die de tarieven goedkeurt van een onderneming die het uitsluitend recht heeft op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt verplichte loodsdiensten te verrichten, een verbod in om deze onderneming in staat te stellen verschillende tarieven toe te passen, naargelang het zeevervoerbedrijf vervoerdiensten verricht tussen Lid-Staten dan wel tussen havens op het nationale grondgebied, nu een dergelijke discriminatie de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden.
Partijen
In zaak C-18/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunale di Genova (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Corsica Ferries Italia Srl
en
Corpo dei piloti del porto di Genova,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 5, 7, 30, 59, 85, 86 en 90 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler (rapporteur), G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Corsica Ferries Italia Srl, vertegenwoordigd door G. Conte en G. Giacomini, advocaten te Genua,
- Corpo dei piloti del porto di Genova, vertegenwoordigd door L. Acquarone en S. Carbone, advocaten te Genua, A. Pappalardo, advocaat te Trapani, en A. Tizzano, advocaat te Napels,
- de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door H. Renie, eerste adjunct-secretaris voor buitenlandse zaken bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door professor L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa en V. Di Bucci, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Corsica Ferries Italia Srl, Corpo dei piloti del porto di Genova, de Italiaanse regering, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 14 december 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 14 december 1992, ingekomen bij het Hof op 19 januari 1993, heeft het Tribunale di Genova krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 5, 7, 30, 59, 85, 86 en 90 EEG-Verdrag.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Corsica Ferries Italia Srl (hierna: "Corsica Ferries") en Corpo dei piloti del porto di Genova (corporatie van de havenloodsen van Genua; hierna: de "corporatie") betreffende de terugbetaling aan Corsica Ferries van een deel van de door haar voor loodsdiensten in de haven van Genua betaalde bedragen.
3 De loodsdienst in de Italiaanse zeehavens, geregeld bij de Codice della Navigazione en het desbetreffende uitvoeringsbesluit, wordt onder het toezicht en het gezag van de havenkapitein verzekerd door bij decreet van de president van de Republiek ingestelde corporaties met rechtspersoonlijkheid.
4 In beginsel is de loodsdienst facultatief, doch hij is bij decreten van de president van de Republiek in nagenoeg alle Italiaanse havens, waaronder Genua, verplicht gesteld. De kapitein van een schip die zich niet houdt aan de verplichting om een beroep te doen op de loodsdienst, wordt met strafsancties bedreigd.
5 De (door de corporatie vastgestelde) tarieven voor loodsdiensten worden na advies van de betrokken vakverenigingen door de minister van Koopvaardij goedgekeurd, en worden in elke haven bij besluit van de bevoegde maritieme overheid uitvoerbaar verklaard.
6 Krachtens besluiten van de maritieme directeur van 1989, 1990 en 1991 werden in de haven van Genua op het basistarief verschillende kortingen toegepast: 30 % voor schepen die waren toegelaten tot de cabotage, dat wil zeggen, het transport tussen twee Italiaanse havens, 50 % voor tot cabotage gerechtigde lijnschepen die op vaste routes lijndiensten verzekeren tussen Italiaanse havens en minstens eenmaal per week in de haven van Genua aanleggen, en andere kortingen voor tot cabotage gerechtigde schepen met een brutotonnenmaat van meer dan 2 000 ton die maandelijks een bepaald aantal keren gebruik maken van de loodsdiensten.
7 Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding konden enkel schepen onder Italiaanse vlag een cabotagevergunning krijgen.
8 Corsica Ferries, een vennootschap naar Italiaans recht, onderhoudt als zeevervoerder met twee in Panama geregistreerde en onder Panamese vlag varende veerboten een geregelde lijndienst tussen de haven van Genua en verschillende havens op Corsica.
9 Van mening, dat zij het slachtoffer was van een met de verdragsregels inzake mededinging en vrijheid van dienstverrichting strijdige discriminatie, verzocht Corsica Ferries overeenkomstig de artikelen 633 en volgende van de Italiaanse Codice di Procedura Civile het Tribunale di Genova terugbetaling te gelasten van het verschil tussen het door haar betaalde basistarief en het verlaagde tarief voor tot cabotage gerechtigde schepen.
10 In het kader van dat geding heeft het Tribunale di Genova het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Zijn de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag verenigbaar met een nationale regeling die, ten aanzien van schepen die een geregelde lijndienst tussen havens van twee Lid-Staten onderhouden, als vergoeding voor de loodsdienst die voor de veiligheid van de navigatie verplicht is, verlaagde tarieven voorziet die uitsluitend gelden voor schepen die cabotage mogen verrichten tussen nationale havens, wanneer de cabotage tussen nationale havens bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht enkel is voorbehouden aan schepen onder Italiaanse vlag?
2) Is artikel 30 EEG-Verdrag verenigbaar met nationale voorschriften of praktijken volgens welke verplicht gebruik moet worden gemaakt van de onderneming belast met de loodsdienst, ook wanneer dezelfde werkzaamheden, zonder dat de veiligheid van de navigatie daardoor in gevaar wordt gebracht, geheel of ten dele goedkoper kunnen worden uitgevoerd met de mensen, middelen en technologie aan boord van het schip?
3) Is in het geval van schepen die een geregelde lijndienst tussen twee Lid-Staten onderhouden, artikel 59 EEG-Verdrag verenigbaar met bepalingen van nationaal recht volgens welke alleen schepen die onder nationale vlag varen, in aanmerking kunnen komen voor een verlaging van de verplichte tarieven die gelden voor de loodsdienst in nationale havens?
4) Moet de goedkeuring door de overheid van een verplicht tarief, dat het resultaat is van een overeenkomst en/of een onderling afgestemde feitelijke gedraging van de betrokken ondernemersverenigingen, worden gezien als 'steun' aan een door artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden overeenkomst en, zo ja, kan die steun verenigbaar zijn met de bepalingen van artikel 90, lid 1, junctis de artikelen 5 en 85 EEG-Verdrag?
5) Is artikel 90, lid 1, juncto artikel 86 EEG-Verdrag verenigbaar met nationale bepalingen die een onderneming met een machtspositie, waaraan op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt uitsluitende rechten zijn toegekend, het recht verlenen om:
a) op schepen die een geregelde lijndienst tussen twee Lid-Staten onderhouden, voor gelijke prestaties ongelijke voorwaarden toe te passen, wanneer het geldende tariefstelsel bij gelijke diensten voorziet in kortingen die in feite alleen gelden voor schepen onder nationale vlag;
b) in bovenbedoelde omstandigheden op schepen onder buitenlandse vlag tarieven toe te passen die 'drie maal' zo hoog liggen als de tarieven voor onder nationale vlag varende schepen;
c) de tarieven voor een verplicht gebruik, als bedoeld in onderhavig geval, niet te verlagen wanneer het schip althans gedeeltelijk in staat is zonder loods te varen en daarbij in alle opzichten voldoet aan alle vereisten verband houdend met de veiligheid van de navigatie?"
De bevoegdheid van het Hof om de vragen te beantwoorden
11 Verweerster in het hoofdgeding, de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie betwisten om uiteenlopende redenen de bevoegdheid van het Hof om alle vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden. In dit verband beklemtonen zij in de eerste plaats, dat de verwijzende rechter geen rekening heeft gehouden met het feit dat de schepen in Panama zijn geregistreerd, wat hierdoor te verklaren is, dat in de dwangbevelprocedure geen contradictoir debat plaatsheeft, en dat de vragen of althans sommige daarvan niet relevant zijn voor de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak.
12 Wat de aard van de procedure voor de nationale rechter betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de president van een Italiaans gerecht in het kader van een dwangbevelprocedure overeenkomstig de Italiaanse Codice di Procedura Civile met rechtspraak is belast in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag, en dat dit artikel niet verlangt dat de procedure waarin de nationale rechter een prejudiciële vraag stelt van contradictoire aard zij, ook al kan in het belang van een goede rechtsbedeling een contradictoire procedure noodzakelijk zijn (arresten van 14 december 1971, zaak 43/71, Politi, Jurispr. 1971, blz. 1039; 21 februari 1974, zaak 162/73, Birra Dreher, Jurispr. 1974, blz. 201; 28 juni 1978, zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453; 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3595; 15 december 1993, gevoegde zaken C-277/91, C-318/91 en C-319/91, Ligur Carni, e.a. Jurispr. 1993, blz. I-6621; 3 maart 1994, gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92, Eurico, Jurispr. 1994, blz. I-0000).
13 Wat de onvolledigheid van de meegedeelde feiten betreft, volstaat het op te merken, dat de bij het Hof ingediende schriftelijke en mondelinge opmerkingen voldoende gegevens over de registratie van de schepen bevatten om het Hof in staat te stellen de nationale rechter in het licht van die gegevens een nuttig antwoord te geven.
14 Wat ten slotte de relevantie van de vragen betreft, heeft het Hof geoordeeld, dat het niet bevoegd is om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden, wanneer zij geen verband houden met de feiten of met het voorwerp van het hoofdgeding, en dus niet objectief noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geding (zie arresten van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563; 11 juli 1991, zaak C-368/89, Crispoltoni, Jurispr. 1991, blz. I-3695; 28 november 1991, zaak C-186/90, Durighello, Jurispr. 1991, blz. I-5773; 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673; 16 juli 1992, zaak C-67/91, Associación Española de Banca Privada e.a., Jurispr. 1992, blz. I-4785; 3 maart 1994, Eurico, reeds aangehaald; beschikking van 26 januari 1990, zaak C-286/88, Falciola, Jurispr. 1990, blz. I-191).
15 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreft de bij de verwijzende rechter ingestelde vordering uitsluitend het beweerdelijk discriminatoire gedeelte van het door verzoekster in het hoofdgeding betaalde tarief, maar niet het verplichte karakter van de loodsdienst, de onveranderlijkheid van het tarief ongeacht de technische uitrusting van het schip, en evenmin de wijze van vaststelling van het tarief.
16 Derhalve moeten enkel de eerste en de derde vraag worden beantwoord, inzake de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel bij de toepassing van de tarieven, en de eerste twee onderdelen van de vijfde vraag, betreffende het verbod voor overheidsondernemingen om misbruik te maken van een machtspositie.
Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer
17 Met zijn eerste en derde vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen, of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan de toepassing in een Lid-Staat van verschillende tarieven voor identieke loodsdiensten, naargelang de onderneming die zeevervoer tussen twee Lid-Staten verricht al dan niet een tot cabotage gerechtigd schip exploiteert, welke mogelijkheid is voorbehouden aan schepen die varen onder de vlag van die staat.
18 Dienaangaande moet vooreerst worden opgemerkt, dat het in de eerste vraag genoemde artikel 5 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten verplicht de nakoming van hun uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, zo algemeen is geformuleerd, dat van een autonome toepassing ervan geen sprake kan zijn wanneer de bedoelde situatie wordt beheerst door een meer specifieke bepaling van het Verdrag, zoals dit in casu het geval is (zie arrest van 11 maart 1992, gevoegde zaken C-78/90 tot en met C-83/90, Compagnie Commerciale de l' Ouest e.a., Jurispr. 1992, blz. I-1847, r.o. 19).
19 Voorts kan volgens vaste rechtspraak van het Hof artikel 7 EEG-Verdrag (artikel 6 EG-Verdrag), waarin het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd, slechts autonoom toepassing vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (arrest van 10 december 1991, zaak C-179/90, Merci convenzionali porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889, r.o. 11).
20 Op het gebied van de vrijheid van dienstverrichting is het non-discriminatiebeginsel uitgewerkt en nader ingevuld door artikel 59 EEG-Verdrag.
21 Wat de vaststelling betreft van de diensten waarop artikel 59 EEG-Verdrag van toepassing is, moet worden geconstateerd, dat een stelsel van gedifferentieerde tarieven voor loodsdiensten een transportonderneming als Corsica Ferries tweemaal treft. De loodsdiensten zijn diensten aan de zeevervoerders die de corporatie tegen vergoeding verricht, en de tariefverschillen raken de vervoerders in hun hoedanigheid van personen te wier behoeve diensten worden verricht. De tariefverschillen raken de vervoerders evenwel vooral in hun hoedanigheid van dienstverrichters op het gebied van het zeevervoer, daar zij in de kostprijs van die diensten worden doorberekend en hen aldus kunnen benadelen tegenover marktdeelnemers voor wie het voorkeurtarief geldt.
22 Met het oog op een beoordeling van het tariefstelsel dat in het hoofdgeding aan de orde is, in het licht van de vrijheid van dienstverrichting inzake zeevervoer, moet in de eerste plaats worden onderzocht, in hoeverre het non-discriminatiebeginsel van artikel 59 EEG-Verdrag van toepassing is op de sector zeevervoer, en bovendien of een dergelijk stelsel een discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
23 Dienaangaande zij er in de eerste plaats op gewezen, dat artikel 61, lid 1, EEG-Verdrag bepaalt, dat het vrij verkeer van diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel van het Verdrag betreffende het vervoer (in het bijzonder de arresten van 22 mei 1985, zaak 13/83, Parlement/Raad, Jurispr. 1985, blz. 1513, r.o. 62, en 13 december 1989, zaak C-49/89, Corsica Ferries France, Jurispr. 1989, blz. 4441, r.o. 10).
24 Zoals het Hof overwoog in de arresten van 13 december 1989 (Corsica Ferries France, reeds aangehaald, r.o. 11) en 30 april 1986 (gevoegde zaken 209/84 tot en met 213/84, Asjes, Jurispr. 1986, blz. 1425, r.o. 37), volgt hieruit, dat het in artikel 59 EEG-Verdrag gestelde doel, te weten de opheffing in de loop van de overgangsperiode van de beperkingen op het vrij verrichten van diensten, in de vervoersector had moeten worden verwezenlijkt in het kader van het in de artikelen 74 en 75 omschreven gemeenschappelijk beleid.
25 Wat het zeevervoer in het bijzonder betreft, bepaalt artikel 84, lid 2, EEG-Verdrag, dat de Raad kan besluiten of, in hoeverre en volgens welke procedure, voor die vorm van vervoer passende bepalingen kunnen worden genomen.
26 Op grond van die bepalingen heeft de Raad verordening (EEG) nr. 4055/86 van 22 december 1986 vastgesteld, houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen (PB 1986, L 378, blz. 1), die op 1 januari 1987 in werking is getreden.
27 Artikel 1, lid 1, van die verordening luidt als volgt:
"Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de Lid-Staten die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht."
28 Wat de materiële werkingssfeer van verordening nr. 4055/86 betreft, volgt uit de tekst van artikel 1, dat zij van toepassing is op het type zeevervoer tussen Lid-Staten dat in het hoofdgeding aan de orde is.
29 Met betrekking tot de personele werkingssfeer van verordening nr. 4055/86 moet worden opgemerkt, dat artikel 1 betrekking heeft op de onderdanen van de Lid-Staten die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht, en niet verwijst naar de registratie of de vlag van de door de vervoeronderneming geëxploiteerde schepen.
30 Voorts moet worden beklemtoond, dat de vrijheid van dienstverrichting inzake zeevervoer tussen Lid-Staten, met name het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, door een onderneming kan worden ingeroepen tegenover de staat waar zij is gevestigd, wanneer de diensten worden verricht ten behoeve van in een andere Lid-staat gevestigde personen. In een geval als dat van het hoofdgeding, biedt een in een Lid-staat gevestigde onderneming die een geregelde lijndienst exploiteert naar een andere Lid-staat als bedoeld in verordening nr. 4055/86, die diensten uit de aard der zaak in het bijzonder aan in die andere staat gevestigde personen aan.
31 Derhalve gaat de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, het louter nationale kader te buiten, en moet het argument dat de Italiaanse regering in dat verband heeft aangevoerd, worden afgewezen.
32 Wat in de tweede plaats de vraag betreft, of het tariefstelsel waarover de nationale rechter zich heeft uit te spreken, in overeenstemming is met verordening nr. 4055/86, moet eraan worden herinnerd, dat uit de rechtsoverwegingen 6 en 7 van het onderhavige arrest blijkt, dat bedoeld stelsel in een voorkeursbehandeling voorziet voor schepen die tot cabotage gerechtigd zijn, dat wil zeggen, schepen die onder de eigen vlag varen.
33 Een dergelijk stelsel leidt tot indirecte discriminatie tussen ondernemers op grond van hun nationaliteit, daar schepen die onder de vlag van een bepaald land varen in de regel door ondernemers uit dat land worden geëxploiteerd, terwijl vervoerondernemingen uit andere Lid-Staten over het algemeen geen schepen exploiteren die in eerstbedoelde staat zijn geregistreerd.
34 Daaraan doet niet af, dat ook nationale vervoerondernemingen kunnen worden benadeeld, wanneer zij niet in de eigen staat geregistreerde schepen exploiteren, of dat vervoerondernemingen uit andere Lid-Staten kunnen worden bevoordeeld wanneer zij in eerstbedoelde Lid-Staat geregistreerde schepen exploiteren, nu hoofdzakelijk de eigen onderdanen van de regeling profiteren.
35 Uit een en ander volgt, dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86 een Lid-Staat verbiedt, voor identieke loodsdiensten verschillende tarieven toe te passen naargelang een - zelfs in die staat gevestigde - onderneming die diensten inzake zeevervoer verricht tussen die staat en een andere Lid-staat, al dan niet een schip exploiteert dat is gerechtigd tot cabotage, die is voorbehouden aan schepen die de vlag van die staat voeren.
36 Ten onrechte pogen de corporatie en de Italiaanse regering de gedifferentieerde tarieven te rechtvaardigen met een beroep op de veiligheid van de scheepvaart of op het nationale beleid inzake vervoer en bescherming van het leefmilieu. Gesteld dat deze doelstellingen een interventie van de overheid in de vervoersector kunnen rechtvaardigen, is een discriminatoire tariefregeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, evenwel niet noodzakelijk om die doelstellingen te bereiken.
37 Mitsdien moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4055/86, waarbij het beginsel van de vrijheid van dienstverrichting en in het bijzonder het non-discriminatiebeginsel toepasselijk is verklaard op het zeevervoer tussen de Lid-Staten, zich ertegen verzet, dat in een Lid-Staat voor identieke loodsdiensten verschillende tarieven worden toegepast naargelang de onderneming die zeevervoer tussen twee Lid-Staten verricht, al dan niet een schip exploiteert dat is gerechtigd tot cabotage, die is voorbehouden aan schepen die de vlag van die staat voeren.
De mededingingsregels
38 Met het eerste en het tweede onderdeel van de vijfde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 90, lid 1, en 86 EEG-Verdrag een nationale instantie verbieden, een onderneming die het uitsluitend recht heeft op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt verplichte loodsdiensten te verrichten, in staat te stellen verschillende tarieven toe te passen naargelang de zeevervoeronderneming vervoerdiensten verricht tussen Lid-Staten dan wel tussen havens op het nationale grondgebied.
39 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat aan de corporatie, verweerster in het hoofdgeding, door de overheid een uitsluitend recht is verleend voor het verrichten van de verplichte loodsdiensten in de haven van Genua.
40 Een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag in te nemen (arresten van 23 april 1991, zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 28; 18 juni 1991, zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925, r.o. 31; 10 december 1991, Merci convenzionali porto di Genova, reeds aangehaald, r.o. 14).
41 De markt in kwestie is die van de loodsdiensten in de haven van Genua. Met name gezien de overgeslagen hoeveelheden in die haven en de belangrijke plaats die deze in het geheel van de in- en uitvoeractiviteiten in de betrokken Lid-Staat inneemt, kan deze markt worden geacht een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt uit te maken (arrest Merci convenzionali porto di Genova, reeds aangehaald, r.o. 15).
42 Voorts moet worden gepreciseerd, dat het louter creëren van een machtspositie door het verlenen van uitsluitende rechten in de zin van artikel 90, lid 1, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86 EEG-Verdrag.
43 Een Lid-Staat overtreedt evenwel de in deze twee bepalingen vervatte verboden, wanneer hij de door de betrokken onderneming vastgestelde tarieven goedkeurt, en haar aldus in staat stelt misbruik te maken van haar machtspositie, onder meer door haar handelspartners bij gelijkwaardige prestaties ongelijke voorwaarden op te leggen in de zin van artikel 86, tweede alinea, sub c, EEG-Verdrag.
44 Doordat zij ondernemingen treffen die vervoer tussen twee Lid-Staten verrichten, kunnen de in de verwijzingsbeschikking bedoelde discriminatoire praktijken de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden.
45 Mitsdien moet op het eerste en het tweede onderdeel van de vijfde vraag worden geantwoord, dat de artikelen 90, lid 1, en 86 EEG-Verdrag voor een nationale instantie die de tarieven goedkeurt van een onderneming die het uitsluitend recht heeft op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt verplichte loodsdiensten te verrichten, een verbod inhouden om deze onderneming in staat te stellen verschillende tarieven toe te passen, naargelang de zeevervoeronderneming vervoerdiensten verricht tussen Lid-Staten dan wel tussen havens op het nationale grondgebied, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig wordt beïnvloed.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunale di Genova bij beschikking van 14 december 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen, verzet zich ertegen, dat in een Lid-Staat voor identieke loodsdiensten verschillende tarieven worden toegepast naargelang de onderneming die zeevervoer tussen twee Lid-Staten verricht, al dan niet een schip exploiteert dat is gerechtigd tot cabotage, die is voorbehouden aan schepen die de vlag van die staat voeren.
2. De artikelen 90, lid 1, en 86 EEG-Verdrag houden voor een nationale instantie die de tarieven goedkeurt van een onderneming die het uitsluitend recht heeft op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt verplichte loodsdiensten te verrichten, een verbod in om deze onderneming in staat te stellen verschillende tarieven toe te passen, naargelang het zeevervoeronderneming vervoerdiensten verricht tussen Lid-Staten dan wel tussen havens op het nationale grondgebied, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig wordt beïnvloed.
Full & Egal Universal Law Academy